Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9764

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
01/995081-11
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geldboete van € 5.000,-- voor de gemeente 's-Hertogenbosch in verband met ontgronden in de zin van de Ontgrondingenwet zonder de daartoe strekkende vergunning en ontgronden zonder dat een melding van het voornemen te ontgronden is ingediend bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/995081-11

Datum uitspraak: 26 maart 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

Gemeente 's-Hertogenbosch,

gevestigd te 5211 HH 's-Hertogenbosch, aan de Wolvenhoek 1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 januari 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode 1 februari 2011 t/m 2 maart 2011 te 's-Hertogenbosch, al dan niet opzettelijk, een perceel grond, kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch (Sectie F,

nummer 2684, project "Verlengde Onderwijsboulevard"), heeft ontgrond, in de zin van de Ontgrondingenwet, zonder de daartoe strekkende vergunning, terwijl het bepaalde in artikel 12 en 31 van die wet niet van toepassing was;

artikel 3, eerste lid Ontgrondingenwet

2.

zij in of omstreeks 25 april 2011 t/m 11 mei 2011 te 's-Hertogenbosch, al dan niet opzettelijk, op een terrein/perceel, kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch (sectie N,

nr. 2039 en/of sectie S, nr. 986, project "Meerendonk") gelegen aan of nabij de Rodenbachstraat, (ongeveer) 3700 m2, althans meer dan 2000 m2, terwijl sprake was van een functionele ontgronding als bedoeld in artikel 1 van de "Verordening ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008", heeft ontgrond zonder dat een melding van het voornemen aldaar te ontgronden is ingediend bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant;

artikel 7, tweede lid Ontgrondingenwet jo

artikel 10 Verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant jo

artikel 11 Verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Vaststaande feiten.

De gemeente 's-Hertogenbosch (hierna de gemeente) heeft opdracht gegeven tot het uitgraven van een waterinfiltratievoorziening (hierna Wadi) voor project 'Willemspoort' en het verbreden van een bestaande watergang met bijbehorende taluds rondom nieuwbouwproject 'Meerendonk'. In beide gevallen is er sprake van ontgronden in de zin van de Ontgrondingenwet. Ten aanzien van de Wadi is door de gemeente vooraf geen vergunning aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (hierna de provincie).

De gemeente heeft de aanpassingen aan de bestaande watergang niet voor de aanvang van de ontgronding bij de provincie gemeld.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht beide feiten in de opzettelijke variant wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 refereert de verdediging zich met betrekking tot de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat achteraf is gebleken dat de ontgronding 1952 m2 betrof en dus niet meer dan 2000 m2 omvatte. Daarom was verdachte niet gehouden vooraf een melding te doen bij de provincie Noord-Brabant. Het feit is daarom niet wettig en overtuigend bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.1

Ten aanzien van de feiten 1 en 2.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft op de zitting van de meervoudige kamer op

12 maart 2012 verklaard dat de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot feit 1 en feit 2 onder de verantwoordelijkheid van verdachte en in opdracht van verdachte hebben plaatsgevonden. Voorts heeft hij verklaard dat hiervoor vooraf geen vergunning of melding is aangevraagd cq gedaan bij de provincie Noord-Brabant.2

Ten aanzien van feit 1.

Uit het toezichtformulier ontgrondingen van [betrokkene1] blijkt dat op 2 maart 2011 een vrije veldcontrole heeft plaatsgevonden onder meer op een perceel aan de Vlijmenseweg te

's-Hertogenbosch, sectie F, nummer 2684, eigendom van de gemeente 's-Hertogenbosch.3 De heer [betrokkene2] van de gemeente heeft verklaard dat ten aanzien van de Wadi op voornoemd perceel - conform tekening - niet meer dan 2000 m2 werd ontgrond en dat de ontgronding plaatsvond op een diepte groter dan drie meter.

De ontgrondingwerkzaamheden ten aanzien van de Wadi zijn medio februari 2011 gestart. Vooraf is bij de provincie hiervoor geen vergunning aangevraagd in het kader van de Ontgrondingenwet.4 De heer [betrokkene3] als projectleider werkzaam bij [bedrijf] 1 heeft verklaard dat verdachte de opdracht tot het uitvoeren van de werkzaamheden met betrekking tot de Wadi op voornoemd perceel aan [bedrijf 1] heeft gegund. [Bedrijf 1] heeft in verband met die opdracht grond ontgraven tot een diepte van 3,30 meter tot 3,50 meter. De Wadi is vervolgens opgebouwd uit folielagen en lava en afgedekt met een grondlaag.5 Uit de toelichting van tekening 10-0257 blijkt dat tot een diepte van 3,60 meter dient te worden ontgraven om de Wadi conform tekening aan te leggen.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

Uit het toezichtformulier ontgrondingen van [betrokkene4] blijkt dat op 18 mei 2011 een controle heeft plaatsgevonden op de locatie aan de Rodenbachstraat te 's-Hertogenbosch, sectie S, nummer 986. Dit perceel is eigendom van de gemeente 's-Hertogenbosch. Het betreft het bouwrijp maken en inrichten van de nieuwbouwlocatie "Meerendonk". De heer [betrokkene4] heeft geconstateerd dat de watergang om het nieuwbouwproject heen is verbreed en de taluds daarop zijn aangepast. De watergang is tijdens de controle afgepast en bleek ongeveer 350 meter lang en gemiddeld ongeveer 10 meter breed te zijn. Een aanpassing van de diepte van de watergang heeft de heer [betrokkene4] niet vast kunnen stellen. Het aanleggen/ verbreden/ verdiepen van een watergang betreft ontgrondingactiviteiten waarvoor een vergunning nodig is dan wel waarvoor een melding moet worden ingediend. Uit navraag bij de projectontwikkelaar is gebleken dat dit een project betreft van de gemeente 's-Hertogenbosch. Uit de bestektekeningen blijkt dat de ontgronding een oppervlakte van 3700 m2 omvat.7 De heer [betrokkene5], vergunningverlener ontgrondingen van de provincie Noord Brabant, heeft gezien dat aan een sloot tussen de Bilderdijkstraat en de Rodebachstraat ontgrondingwerkzaamheden zijn uitgevoerd. De waterlijn is van 3,5 meter naar 10 meter verbreed en de insteek van de sloot waar het talud schuin gaat aflopen was aanvankelijk 5 meter breed en is nu verbreed tot ongeveer 20 meter. Op 1 juni 2011 heeft de gemeente bij de provincie alsnog een melding ontgrondingen ingediend. In die melding staat vermeld dat op genoemd perceel een hoeveelheid van in totaal 4100 m2 is ontgrond.8

De heer [betrokkene6] van de gemeente heeft verklaard dat de ontgrondingwerkzaamheden ten aanzien van de watergang eind april / begin mei 2011 zijn gestart. Vooraf is bij de provincie hiervoor geen melding ingediend in het kader van de Ontgrondingenwet. Verdachte heeft op 1 juni 2011 bij de provincie achteraf een melding in het kader van de Ontgrondingenwet ingediend.9

De rechtbank verwerpt het verweer dat de ontgronding een oppervlakte betrof van minder dan 2000 m2 en dat deze daarom was vrijgesteld van vergunnings- of meldingsplicht.

De melding ziet op een voorgenomen ontgronding en die was groter dan 2000 m2. Verdachte was daarvan op de hoogte. Dat achteraf mogelijk is gebleken dat een oppervlakte van minder dan 2000 m2 is ontgrond, doet daar niets aan af. Verdachte heeft de voorgenomen ontgronding van meer dan 2000 m2 niet bij de provincie gemeld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

in of omstreeks de periode 1 februari 2011 t/m 2 maart 2011 te 's-Hertogenbosch, opzettelijk,

een perceel grond, kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch (Sectie F, nummer 2684, project "Verlengde Onderwijsboulevard"), heeft ontgrond, in de zin van de Ontgrondingenwet, zonder de daartoe strekkende vergunning, terwijl het bepaalde in artikel 12 en 31 van die wet niet van toepassing was;

Ten aanzien van feit 2:

in of omstreeks de periode 25 april 2011 t/m 11 mei 2011 te 's-Hertogenbosch, opzettelijk, op een terrein/perceel, kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch (sectie N, nr. 2039 en/of sectie S, nr. 986, project "Meerendonk") gelegen aan of nabij de Rodenbachstraat, meer dan 2000 m2, terwijl sprake was van een functionele ontgronding als bedoeld in artikel 1 van de "Verordening ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008", heeft ontgrond zonder dat een melding van het voornemen aldaar te ontgronden is ingediend bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van feit 1 of feit 2 uitsluiten. De bewezenverklaarde feiten zijn daarom ook strafbaar.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 heeft de verdediging zich beroepen op afwezigheid van alle schuld (AVAS), zodat de gemeente niet strafbaar is.

De medewerker van de gemeente heeft ten aanzien van de Wadi op de openbaar toegankelijke website van de provincie een speciaal voor ontgrondingen gemaakte beslisboom ingevuld, waaruit hem is gebleken dat het voor de gemeente niet nodig was om vooraf een vergunning aan te vragen voor het ontgronden ten behoeve van de Wadi (feit 1).

Ten aanzien van de watergang is ingevuld dat de werkzaamheden ten behoeve van de watergang een infrastructureel werk betreffen en dat deze werkzaamheden ter uitvoering van een ter plaatse geldend ruimtelijk besluit zijn verricht. Een melding indienen is op grond van die gegevens volgens de voornoemde beslisboom niet nodig.

Daarbij komt dat de medewerker van de gemeente heeft gedacht dat de werkzaamheden aan de watergang een infrastructureel werk betroffen, omdat deze in de weg- en waterbouw zo zijn gedefinieerd en daar als zodanig gelden.

Verdachte kon en mocht naar het oordeel van de verdediging op de uitkomsten van het invullen van de beslisboom ontgrondingen op de website van de provincie af gaan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat het verweer van de verdediging niet opgaat. Het bewezenverklaarde onder feit 1 en feit 2 is strafbaar.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman niet slaagt.

Ten aanzien van feit 1 geldt dat voor ontgronden tot een diepte van meer dan drie meter altijd een vergunning moet worden aangevraagd. De beslisboom is op dit punt reeds daarom niet goed ingevuld. De ontgronding betreft immers een ontgraving tot een diepte van 3,30 tot 3,50 meter.

Ten aanzien van feit 2 heeft de heer [betrokkene6] van de gemeente verklaard dat hij op grote lijnen op de hoogte is van de wet- en regelgeving van de ontgrondingen wet en dat hij de beslisboom aldus heeft ingevuld dat de werkzaamheden aan de watergang een infrastructureel werk betreffen en dit ter uitvoering is van een ter plaatse geldend ruimtelijk besluit. In artikel 1 van de verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008 wordt onder 'infrastructurele werken' verstaan:

'Wegen, spoor- en waterwegen, havens, kunstwerken, vliegvelden, waterkeringen en geleidingsdammen.'

In de toelichting, onder Vrijstellingen onder categorie h, worden onder waterwegen 'vaarwegen' verstaan. Over de watergang moet dus een bepaald vervoer/verkeer kunnen plaatsvinden. De aanpassingen aan de taluds betreffen geen infrastructureel werk en de betreffende sloot betreft geen vaarweg. Daarmee geldt de watergang niet als een infrastructureel werk in de zin van de verordening. De beslisboom is naar het oordeel van de rechtbank niet juist ingevuld. Op de uitkomst had de gemeente dan ook niet mogen vertrouwen.

Een goed ingevulde beslisboom met betrekking tot de voorgenomen ontgrondingwerkzaamheden zou hebben geleid tot een vergunning- c.q. meldingplicht. Bij feit 1 is immers de diepte van de ontgronding niet goed ingevuld en bij feit 2 is ten onrechte ingevuld dat het om een infrastructureel werk gaat.

De rechtbank merkt hierbij op dat van verdachte, als gemeentelijke overheid met een voorbeeldfunctie naar de burger juist mag worden verwacht dat zij zich voorzichtig opstelt en meer onderzoek verricht naar de aard van de ontgrondingwerkzaamheden. Simpele lezing van de verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008 en de toelichting daarop leert dat er geen sprake kon zijn van een infrastructureel werk. Bij twijfel had de medewerker van de gemeente de situatie kunnen voorleggen aan bijvoorbeeld een jurist of de provincie. Verdachte kan zich dan ook niet beroepen op afwezigheid van alle schuld.

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op afwezigheid van alle schuld.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De strafmotivering.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een geldboete van € 15.000,00 waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat de gevorderde geldboete gematigd dient te worden tot een met de ernst van de feiten overeenkomende geldboete.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten nadele van verdachte weegt de rechtbank het volgende mee.

Verdachte heeft ten behoeve van het project "Willemspoort" ontgrond zonder hiervoor een vergunning aan te vragen bij de provincie. Daarnaast heeft verdachte voor de voorgenomen ontgrondingwerkzaamheden ten behoeve van het project "Meerendonk" geen melding ingediend bij de provincie en zich hierdoor onttrokken aan controle op haar werkzaamheden. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij zich als overheidsorgaan schuldig heeft gemaakt aan deze strafbare feiten. Van een overheidsorgaan dat zelf ook als handhavend orgaan optreedt, mag zeker worden verwacht dat het de wetten en regels naleeft. Verdachte heeft een eigen afweging gemaakt door voor de ontgrondingwerkzaamheden geen vergunning aan te vragen dan wel vooraf melding te doen van de voorgenomen ontgrondingwerkzaamheden. Daarnaast blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte dat zij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten soortgelijk aan de door haar gepleegde feiten.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft er blijk van gegeven dat verdachte de ernst van de door haar gepleegde feiten inziet. Namens verdachte is aangevoerd dat de gemeente inmiddels maatregelen heeft getroffen die ervoor moeten zorgen dat er in de toekomst minder snel feiten als de onderhavige feiten gepleegd worden en dat zij zich er terdege van bewust is dat zij een voorbeeldfunctie heeft. De werkprocessen en de inrichting van de afdelingen binnen de gemeente zijn aangepast. Een voorwaardelijk strafdeel lijkt in dit specifieke geval geen meerwaarde te hebben. De rechtbank zal dan ook volstaan met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke geldboete.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 23, 24, 24c, 51, 57

Wet op de economische delicten art. 1a, 2, 6, 87

Ontgrondingenwet art. 3, 7

verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008 art. 10, 11.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

Ten aanzien van feit 2:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7, tweede lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (artikel 11 van de verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008).

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1, feit 2:

Geldboete van EUR 5.000,00.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 26 maart 2012.

mr. W.T.A.M. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Provincie Noord-Brabant, Bureau Handhaving Bedrijven, proces-verbaalnummer OI2231- 11- 512-02, afgesloten op 19 juli 2011, aantal bladzijden 114.

2 de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, [betrokkene7], [functie], op de zitting van 12 maart 2012

3 het toezichtformulier ontgrondingen op pagina 15

4 de verklaring van de heer [betrokkene2] op pagina 60

5 de verklaring van de heer [betrokkene3] op pagina 57

6 de toelichting op de tekening in bijlage 8 op pagina 55

7 het toezichtformulier ontgrondingen op de pagina's 64 en 65

8 de verklaring van de heer [betrokkene5] op pagina 77

9 de verklaring van de heer [betrokkene6] op de pagina's 100 en 101