Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9755

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
AWB 11-3766
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft afwijzing verzoek om handhaving vanwege ontbreken milieuvergunning na terugwijzing (LJN: BT2689). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet onderkend dat van een inrichting waar (in hoofdzaak) melkrundvee wordt gehouden geen sprake (meer) is. Verweerder is ten onrechte uitgegaan van de normen die op grond van het Besluit landbouw milieubeheer gelden voor een melkrundveehouderij. Volgt vernietiging van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/3766

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2012

inzake

[eiser],

te Westerhoven,

eiser,

gemachtigde: ing. A.F.M. Manders,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk,

verweerder,

gemachtigde: M. van den Hurk.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [belanghebbende], te Westerhoven, belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser van 22 april 2010 om handhavend op te treden ter zake van het bouwen zonder bouwvergunning en in strijd met het bestemmingsplan van een veldschuur op het [perceel] te Westerhoven en het in werking hebben van een bedrijf zonder toereikende milieuvergunning.

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder eisers bezwaar, voor zover gericht tegen het bouwen van een veldschuur zonder bouwvergunning, het gebruik van de schuur in strijd met de bouwvergunning en het in werking hebben van een inrichting zonder vereiste milieuvergunning ongegrond verklaard. De overige bezwaren inzake het in afwijking van de bouwvergunning bouwen, de woningsplitsing, de vrijstelling voor garage, berging en carport zijn daarbij niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2011 (AWB 11/1047) heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van eiser inzake het handhavingsverzoek wegens het ontbreken van een milieuvergunning. Voorts heeft de rechtbank het beroep inzake het handhavingsverzoek terzake van de bouwvergunning gegrond verklaard, voor zover dit ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar inzake het bouwen in strijd met de bouwvergunning, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep inzake het handhavingsverzoek met betrekking tot de bouwvergunning voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2011 (LJN: BT2689, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van eiser en de uitspraak van de rechtbank van 22 juli 2011 vernietigd.

Op 15 november 2011 heeft de rechtbank partijen bericht dat de behandeling van de zaak

-voor zover het betreft het handhavingsverzoek dat ziet op de milieuvergunning- wordt voortgezet onder zaaknummer AWB 11/3766.

Bij brieven van 17 november 2011, 28 november 2011, 29 november 2011, 5 december 2011, 6 februari 2012 en 8 februari 2012 heeft eiser gereageerd.

Bij uitspraak van 8 februari 2012 (LJN: BV3261) heeft de Afdeling het hoger beroep van eiser gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 22 juli 2011 vernietigd, doch voorzover de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 15 februari 2011 daarbij in stand zijn gelaten.

De teruggewezen zaak is behandeld op de zitting van 20 februari 2012, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Verder is verschenen [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]), vergezeld van zijn echtgenote.

Overwegingen

1. Aan de orde is of verweerders besluit van 15 februari 2011, voor zover daarbij het bezwaar gericht tegen de weigering handhavend op te treden wegens het in werking hebben van een inrichting zonder vereiste milieuvergunning ongegrond is verklaard, in rechte kan worden gehandhaafd. In navolging van de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011, rechtsoverweging 2.2, verstaat de rechtbank het bestreden besluit aldus dat dit een besluit is met betrekking tot handhaving van het bepaalde krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer (Wm).

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op de bedrijfsactiviteiten op het [perceel] te Westerhoven, gelet op het aantal stuks vee, het Besluit landbouw milieubeheer van toepassing is.

3. Eiser heeft zich -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat verweerder zijn verzoek om handhaving ten onrechte heeft afgewezen. Volgens eiser worden op het bedrijf vleesstieren gehouden en was een vergunning krachtens de Wm vereist (thans een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voorts heeft eiser gesteld dat ook vanwege de mestput een dergelijke vergunning is vereist.

4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit landbouw, wordt onder melkrundvee verstaan melkvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van de dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest of zijn drooggezet en worden afgemest, vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar dat bestemd is om te worden gehouden als melkvee dan wel als vrouwelijk vleesvee.

5. Ingevolge hetzelfde artikel wordt onder een kleinschalige veehouderij verstaan een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wm aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van landbouwhuisdieren en waarin niet meer landbouwhuisdieren en geen andere categorieën landbouwhuisdieren worden gehouden dan genoemd in artikel 3, eerste lid.

6. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit landbouw, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, is dat besluit onder meer van toepassing op een kleinschalige veehouderij.

7. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit landbouw is dit besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien meer dan 50 mestvarkeneenheden, daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden.

8. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder n, 9º, van het Besluit landbouw is dit besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien in de inrichting of een onderdeel daarvan voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het opslaan van dunne mest in mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750 m2, of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2.500 m3.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. De rechtbank stelt allereerst vast dat sprake is van een inrichting als bedoeld in

artikel 1.1, eerste lid, van de Wm.

11. De grond dat niet wordt voldaan aan de afstandsnormen van artikel 4 van het Besluit landbouw is eerst ter zitting naar voren gebracht. De rechtbank acht het inbrengen van deze onvoldoende onderbouwde grond in dit stadium van de procedure in strijd met de goede procesorde en zal deze grond om die reden buiten bespreking laten.

12. Ten aanzien van de oppervlakte van de mestput heeft [belanghebbende] ter zitting verklaard dat deze zich bevindt onder de veldschuur die een oppervlakte heeft van ongeveer 7 bij 14 meter. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de afmetingen als genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder n, 9º, van het Besluit landbouw niet worden overschreden.

13. Op 12 januari 1993 is door verweerder een melding inzake het Besluit melkrundvee-houderijen milieubeheer geaccepteerd voor 25 stuks melk-/jongvee en 10 stuks schapen. Op 8 februari 2011 heeft naar aanleiding van eisers verzoek om handhaving een controle plaatsgevonden. Blijkens het daarvan opgestelde verslag is geconstateerd dat er op dat moment 15 stuks jongvee en 3 stieren aanwezig waren. Ter zitting heeft [belanghebbende] desgevraagd toegelicht dat zijn bedrijf bestaat uit het houden van tussen de 15 en 25 stuks vleesstieren en soms ook vrouwelijk vee alsmede het houden van ongeveer 10 schapen. Uit deze toelichting van [belanghebbende] blijkt dat de samenstelling van de gebruikelijk aanwezige veestapel afwijkt van hetgeen hij heeft gemeld bij verweerder. Van een inrichting waar (in hoofdzaak) melkrundvee wordt gehouden, is geen sprake (meer). Verweerder heeft dit in zijn besluitvorming niet onderkend en is ten onrechte uitgegaan van de normen die op grond van het Besluit landbouw gelden voor een melkrundveehouderij.

14. Voor wat betreft de omvang van de veestapel heeft verweerder zich gebaseerd op de bevindingen tijdens één controle zonder na te gaan of dit de gebruikelijke omvang van de veestapel betreft. Verweerder heeft hieraan in het bestreden besluit geen specifieke overwegingen gewijd. Dit klemt temeer nu eiser in zijn verzoek om handhaving heeft aangegeven dat ter plaatse 30 vleesstieren en 10 schapen worden gehouden, alsmede nu op basis van de registratie van [belanghebbende] kan worden nagegaan welke soort dieren en welke aantallen dieren worden gehouden.

15. Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet van een onvoldoende draagkrachtige motivering is voorzien. Het is daarom genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

16. Vervolgens is de vraag aan de orde of aanleiding bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand worden gelaten of zelf in de zaak te voorzien. Daarvoor is van belang of sprake is van een kleinschalige veehouderij als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit landbouw. Hiertoe dient onder meer te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit landbouw, namelijk dat niet meer dan 50 mestvarkeneenheden (mve’s) daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden. De rechtbank neemt hierbij de door [belanghebbende] ter zitting genoemde aantallen als uitgangspunt.

17. Voor de diercategorieën vleesstierkalveren tot 6 maanden en vleesstierkalveren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden geldt op grond van bijlage 1 bij de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden een omrekenfactor van 0,9. Voor schapen ouder dan één jaar, inclusief lammeren tot 45 kilo bedraagt de omrekenfactor 3,0. Gelet op de door [belanghebbende] genoemde (maximum) aantallen moet worden vastgesteld dat sprake is van meer dan 50 mve’s. Het gevolg daarvan is dat de inrichting niet valt onder het Besluit landbouw en derhalve omgevingsvergunningplichtig is. Nu een dergelijke vergunning ontbreekt, geldt dat verweerder, gelet op de beginselplicht tot handhaving, behoudens bijzondere omstandigheden, gehouden was handhavend op te treden. Het ligt op de weg van verweerder zich over handhavingsmaatregelen uit te laten alvorens de rechtbank daar een oordeel over geeft. Gelet hierop bestaat geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand worden gelaten of zelf in de zaak te voorzien.

18. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de geconstateerde gebreken in de besluitvorming, evenmin aanleiding toepassing te geven aan de bevoegdheid in artikel 8:51a van de Awb. Bij het nieuw te nemen besluit dient verweerder zich rekeningschap te geven van de omstandigheid dat eiser heeft gesteld dat niet wordt voldaan aan de afstandsnormen van artikel 4 van het Besluit landbouw.

19. Nu niet is gebleken van proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, behoeft geen proceskostenveroordeling te worden opgelegd.

20. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 22 juli 2011 (AWB 11/1047) verweerder reeds gelast aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 152,00 te vergoeden. Voor een aanvulling op deze last bestaat geen aanleiding.

21. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2011;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als rechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2012.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: