Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9717

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
01/839396-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vierentwintig maanden gevangenisstraf voor het handelen in verdovende middelen gedurende een periode van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839396-11

Parketnummer vordering: 01/820829-09

Datum uitspraak: 20 maart 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats, geboortedatum]

wonende te [woonplaats, adres]

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 januari 2012 en 6 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 december 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 september

2009 tot en met 30 september 2011 te Eersel en/of Bergeijk en/of Hapert en/of

elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig

heeft/hebben gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

(art. 2 Opiumwet jo art. 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 30 september 2011 te Eersel, althans elders in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal (ongeveer) 37 gram, in elk geval

een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2 onder C van de Opiumwet)

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/820829-09 is aangebracht bij vordering van 31 januari 2012. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 3 juni 2010. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen maken deel uit van een dossier van de politieregio Brabant Zuid-Oost, met registratienummer PL2200 2011077149-22, afgesloten op 1 december 2011, in totaal 1491 doorgenummerde bladzijden (hierna te noemen: dossier).

Voorts heeft de rechtbank als bewijsmiddel gebruikt een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut gericht op het vergelijken van cocaïne, opgemaakt op 21 februari 2012 door Dr. M.A. Hoitink.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden (handelen in cocaïne in vereniging en het bezit van cocaïne). Zij baseert zich op de getuigenverklaringen, de onder de kopers in beslag genomen cocaïne, de observaties, de tapgesprekken en de onder verdachte in beslag genomen dealershoeveelheden cocaïne en de daaraan verwante goederen.

Het standpunt van de verdediging.

Volgens de verdediging kan feit 1 niet voor de gehele ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte erkent immers maar een half jaar gehandeld te hebben in cocaïne, terwijl wat betreft de overige ten laste gelegde periode niet kan worden bewezen dat verdachte in cocaïne handelde.

Het oordeel van de rechtbank.

Op 30 september 2011 vindt er een actiedag plaats gericht op de afvang van de personen die mogelijk cocaïne van verdachte hebben gekocht. Om deze reden observeert een verbalisant vanaf 16:00 uur de woning aan de [adres 1] te Eersel1 en wordt de verdachte op dezelfde dag vanaf 16:00 uur tot omstreeks 22.00 uur door een observatieteam geobserveerd.2 Door de verbalisanten wordt waargenomen dat verdachte bij zijn woning en op andere plekken in en rondom Eersel (De Markt, De Mortel en Schoolstraat) telkens met verschillende personen korte afspraken heeft van niet meer dan enkele minuten. Uit de afgetapte telefoonlijn(en) van verdachte blijkt bovendien dat voorafgaande aan de afspraak in sommige gevallen heen en weer wordt gesms't.3 Nadat verdachte en de onbekende personen elkaar hebben ontmoet worden de onbekende personen aangehouden en als verdachte gehoord door de politie. Hieronder volgen de verklaringen van de personen die op 30 september 2011 zijn aangehouden.

[getuige 1] verklaart dat hij al tien jaar cocaïne gebruikt in het weekend en dat hij op 30 september 2011 omstreeks 18:00 uur 2 gram cocaïne heeft gekocht voor € 90,- bij een persoon die hij kent bij de voornaam [verdachte] op het adres [adres 1] te Eersel. Vervolgens toont de verbalisant aan [getuige 1] een foto van de verdachte [verdachte] (foto is op p. 971 achter het proces-verbaal opgenomen). [getuige 1] herkent deze persoon als de persoon waar hij die dag cocaïne bij kocht. Verder verklaart hij dat hij sinds twee jaar cocaïne bij [verdachte] koopt en hem belt op het telefoonnummer [gsm nr.1] als hij cocaïne wil kopen. Op de vraag hoe het contact en aankoop in zijn werk ging, verklaart [getuige 1] dat hij [verdachte] opbelt met de vraag of hij 'tijd' heeft, dat [verdachte] daarop dan met 'ja' antwoordt en de locatie noemt (het adres [adres 1] of een andere locatie) en dat zowel hij als [verdachte] weten dat met het woord 'tijd' cocaïne bedoeld wordt.4

[getuige 2] verklaart dat hij sinds acht jaar cocaïne gebruikt en dat hij op 30 september 2011 bij [verdachte] op zijn woonadres 1 cachetje cocaïne heeft gekocht voor € 50,-. Ook aan [getuige 2] wordt door de verbalisant een foto van de verdachte [verdachte] getoond. [getuige 2] herkent de verdachte als de [verdachte] waar hij de cocaïne van heeft gekocht. [getuige 2] verklaart verder dat hij sinds anderhalf à twee jaar bij [verdachte] cocaïne koopt en dat hij het telefoonnummer [gsm nr.1] belt als hij van [verdachte] cocaïne wil kopen.5

[getuige 3] verklaart dat zij wel eens cocaïne gebruikt en dat zij op 30 september 2011 voor €80,- 2 gram cocaïne heeft gekocht. Nadat haar een foto van de verdachte [verdachte] wordt getoond herkent zij verdachte als de [verdachte] bij wie zij die dag de cocaïne kocht. Zij belt het telefoonnummer [gsm nr. 2] als ze bij verdachte cocaïne wil kopen.6

[[getuige 7] wordt tevens aangehouden op 30 september 2011. Hij verklaart dat hij sinds twee jaar cocaïne gebruikt en dat hij die dag van een man genaamd [verdachte] 1 gram cocaïne heeft gekocht voor € 50,-. Hij heeft [verdachte] eerst gebeld op het telefoonnummer [gsm nr.1] en gevraagd of hij tijd had. Met 'tijd' bedoelde hij cocaïne. [verdachte] wist dit volgens hem ook. Wanneer hem een foto van verdachte [verdachte] wordt getoond, bevestigt hij dat de afgebeelde persoon de [verdachte] is waarvan hij cocaïne heeft gekocht. Daarnaast verklaart hij dat hij sinds ongeveer twee jaar bij verdachte cocaïne koopt.7

De op 30 september 2011 onder [getuige 1], [getuige 2], [[getuige 3] en [[getuige 7] in beslag genomen cocaïne, is door de politie bemonsterd en gewaarmerkt met de codes AACA1452NL8, AADK5461NL9, AADK5499NL10 en AADK5494NL11. Vervolgens zijn de monsters onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het door het NFI daaromtrent opgemaakte rapport houdt als conclusie ten aanzien van deze monsters telkens in dat deze cocaïne bevatten.12

Ter gelegenheid van een doorzoeking van de woning van de verdachte op 30 september 2011 werd door de politie een hoeveelheid cocaïne aangetroffen en in beslag genomen. Deze onder verdachte in beslag genomen cocaïne is bemonsterd en gewaarmerkt met de codes AADK5465NL en AADK5464NL.13 Vervolgens is door het NFI onderzocht of de monsters van de onder [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 7] inbeslaggenomen cocaïne, gewaarmerkt met de codes AACA1452NL, AADK5461NL, AADK5499NL en AADK5494NL, overeenkomen met de monsters van de onder verdachte inbeslaggenomen cocaïne die zijn gewaarmerkt met de codes AADK5465NL en AADK5464NL. Het door het NFI daaromtrent opgemaakte rapport houdt als conclusie ten aanzien van deze vergelijking in dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de monsters met de codes AACA1452NL, AADK5461NL, AADK5499NL, AADK5494NL en AADK5464NL zijn gemaakt door versnijding van AADK5465NL dan wanneer ze zijn gemaakt door versnijding van een andere partij cocaïne.14 De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de bij de afnemers aangetroffen cocaïne afkomstig is uit de handelsvoorraad van verdachte.

Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode verschillende gesprekken gevoerd met de telefoonnummers [gsm nr.1] en [gsm nr. 2]. De mobiele telefoons met telefoonnummer [gsm nr.1] en [gsm nr. 2] werden gevonden in de slaapkamer van verdachte tijdens de doorzoeking na zijn aanhouding, de getuigen verklaren bovendien dat wanneer zij cocaïne van [verdachte] wilden kopen, zij een van deze nummers belden.15 Daarnaast herkent verbalisant [verbalisant 1] de stem van verdachte wanneer zij de tapgesprekken naluistert.16

Op 19 augustus 2011 vindt er omstreeks 22.59 uur een gesprek plaats tussen verdachte en NN vrouw die gebruik maakt van het telefoonnummer [gsm nr 3] Verdachte zegt in dit gesprek het volgende:

- Nee want ik moet, het is echt super druk. [persoon Y] is het weekend weg met die ouders en zo. Dus ik heb zijn telefoon (...). Ik rijd nou even gewoon naar de Esso, sigaretten halen en dan moet ik nog langs twee mensen.17

[persoon Y] wordt wel eens [persoon Y] genoemd.18 Hij verklaart dat hij wel eens cocaïne heeft gekocht en dit dan weer doorverkocht aan vrienden.19 Hij heeft ook wel eens voor verdachte cocaïne uit diens woning gepakt en dit naar hem toegebracht.20

[medeverdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer [gsm nr 4]. Verbalisant [verbalisant 1] herkent de stem van verdachte en [medeverdachte] verklaart in zijn verhoor dat hij gebruik maakt van dit nummer.21

Op 14 september 2011 vindt er omstreeks 16.56 uur een gesprek plaats tussen verdachte en [medeverdachte] die gebruik maakt van het telefoonnummer [gsm nr 4] met de volgende inhoud:

[medeverdachte] He [betrokkene 3] belde net op

Verdachte: Ja?

[medeverdachte] Ja ik weet niet of jij zo bij die oude iets uh?

Verdachte: Ja dan moet je even naar die oude rijden ja

[medeverdachte] ja doe ik na het eten wel, nou niet

Verdachte: ja is goed

[medeverdachte] ja? Bij jou onder jouw dingen gewoon?

Verdachte: Nee (..) anders moet je even een keer in die kast kijken. Nee anders moet je boven de

koelkast kijken in die pannen.22

Vervolgens sms't [medeverdachte] op 14 september 2011 omstreeks 23:32 uur aan verdachte:

- ik ga zo pitten heb hier nog geld voor jou geef morgen wel van [betrokkene 3].23

Ook [medeverdachte] maakte soms gebruik van het telefoonnummer [gsm nr.1]. [medeverdachte] verklaart bij de politie dat hij de telefoon met bovengenoemd telefoonnummer wel eens gebruikt heeft.24 Bovendien herkent verbalisant [verbalisant 1] de stem van verdachte bij het beluisteren van de tapgesprekken.25

Op 24 september 2011 omstreeks 22: 42 uur vindt er een gesprek plaats tussen verdachte, die dan gebruik maakt van het telefoonnummer [gsm nr.1], en een zekere [persoon Z] Verbalisant [verbalisant 1] constateert dat verdachte zijn telefoon tijdens het gesprek over geeft aan [medeverdachte].26 Die conclusie heeft verbalisant naar het oordeel van de Rechtbank kunnen trekken, aangezien dat gesprek de volgende inhoud heeft.

Verdachte: Hi jongen is het nog nodig, of niet?

[persoon Z]: Uhm ja op zich wel eigenlijk ja

Verdachte: Ja dan uhm, hier heb je die maat van mij even, want ik ben een beetje ziek Jongen. Dus ik zal die maat van mij even nemen

[persoon Z]: Ja, is goed, is goed (...)

[persoon Z]: Jo hoi (...)

[medeverdachte] Hi waar ben je ergens

[persoon Z]: Ik ben bij Mol (...), weet je die te zitten?

[medeverdachte] Oh ja doe dan paadje maar

[persoon Z]: Uhm paadje. Ja is goed, dan zie ik jou zo. Is goed zie ik jou zo, dan stuur ik Mol even langs.27

Bij de politie wordt [getuige 4] geconfronteerd met bovenstaand gesprek. Hij verklaart daarop dat hij het telefoonnummer [gsm nr.1] belde als hij cocaïne wilde kopen bij [verdachte]. Hij betaalde €50,- per gram. Hij heeft echter, toen hij op 24 september 2011 het telefoonnummer [gsm nr.1] belde, een afspraak gemaakt met een andere jongen die ook [verdachte] heette. Hij verklaart dat hij in 'het paadje' cocaïne van deze andere jongen heeft gekocht.28 Daarnaast verklaart hij dat hij ook wel eens van [persoon Y] cocaïne heeft gekocht, omdat zowel [medeverdachte]e als [persoon Y] de handel in cocaïne over namen als verdachte op vakantie was.29

Op 27 september 2011 vindt er omstreeks 19:39 uur een gesprek plaats tussen NN vrouw die zichzelf [getuige 5] noemt en gebruik maakt van het telefoonnummer [gsm nr 5] en [medeverdachte] die gebruik maakt van het telefoonnummer [gsm nr.1]. Het gesprek heeft de volgende inhoud:

- [getuige 5] vraagt of [verdachtehte] dadelijk tijd heeft

- [medeverdachte] zegt dat dat wel lukt. [medeverdachte] zegt dat hij (verdachte) even sporten is dus hij is even iemand anders. Beiden spreken af elkaar nu te treffen bij de Muzeval, achter bij de parkeerplaats.30

[getuige 5] verklaart op 27 september 2011 bij de politie dat zij [getuige 5] is. Een week voor het verhoor heeft zij een afspraak gemaakt met [verdachte] bij de parkeerplaats van de Muzeval. Daar heeft zij [verdachte] getroffen en zij heeft van hem voor € 50,- 1 gram cocaïne gekocht. Wanneer haar vervolgens een foto wordt getoond van [medeverdachte] herkent zij de afgebeelde persoon als de persoon van wie zij toen cocaïne heeft gekocht.31

Op 29 september 2011 vindt er omstreeks 19.42 uur een gesprek plaats tussen [medeverdachte], die op dat moment gebruik maakt van het telefoonnummer van verdachte [gsm nr.1], en een NN vrouw die gebruik maakt van het telefoonnummer [gsm nr.1]. Dit gesprek heeft de volgende inhoud:

- NN vrouw zegt dat ze nu komt en vraagt waar ze heen moet rijden.

- [medeverdachte] zegt dat het hem niet uit maakt

- NN vrouw zegt ABN

- [medeverdachte] zegt dat hij daar zo zal zijn.32

Op 3 oktober 2011 verklaart [getuige 6] dat zij op 29 september 2011 vanaf het telefoonnummer [gsm nr. 6] [medeverdachte] heeft gebeld op het telefoonnummer [gsm nr.1], dat zij vervolgens een afspraak met hem heeft gemaakt en bij de ABN Amro bank in Eersel cocaïne van [medeverdachte] heeft gekocht.33Eén gram kostte €45,-

Op 30 september 2011 is, zoals hiervoor reeds opgemerkt, de woning van verdachte aan de [adres 1] te Eersel doorzocht.34 Zowel verdachte als zijn huisgenoten verklaren bij de politie dat de slaapkamer van verdachte zich op de eerste verdieping aan de voorzijde bevindt.35 In deze kamer wordt onder het matras een doorzichtig wit zakje met daarin wit poeder aangetroffen.36 Daarnaast worden er in de vensterbank van zijn slaapkamer cachetjes gevuld met een witte substantie gevonden.37 Het doorzichtige witte zakje en de cachetjes zijn onderzocht. In het doorzichtige plastic zakje bevond zich netto 20, 3 gram op cocaïne lijkende stof, waarvan een monster werd gewaarmerkt met AADK5465NL.38 In de cachetjes bevond zich netto 17,4 gram op cocaïne lijkende stof, waarvan een monster werd gewaarmerkt met AADK5464NL.39

De monsters zijn door het NFI onderzocht. Het door het NFI daaromtrent opgemaakte rapport houdt het volgende als conclusie in:

- monster AADK5465NL bevat cocaïne;

- monster AADK5464NL bevat cocaïne.40

Naast de drugs is er op de slaapkamer van verdachte nog €820,- in kleine coupures aangetroffen.41

Op grond van de in samenhang beschouwde verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 7], voor zover inhoudende dat zij op 30 november 2011 van de verdachte cocaïne hebben gekocht en dat zij ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 7]) sinds ongeveer twee jaar cocaïne van hem kopen, alsmede de omstandigheid dat van de bij hen op de afvangdag aangetroffen cocaïne is komen vast te staan dat deze is versneden met de bij verdachte aangetroffen handelshoeveelheid cocaïne, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte in ieder geval vanaf 30 september 2009 heeft gehandeld in cocaïne. De verklaring van de verdachte, dat hij dit pas sinds ongeveer zes maanden heeft gedaan, wordt dan ook als onaannemelijk van de hand gewezen. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank voorts de omstandigheid dat bij de verdachte een aanzienlijk geldbedrag in contanten en kleine coupures is aangetroffen, hetgeen rijmt met de handel in verdovende middelen en overweegt zij dat ook de hierboven weergegeven tapgesprekken, bezien tegen de achtergrond van de in dat verband afgelegde verklaringen van [persoon Y], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6], steun geven aan de gevolgtrekking dat de verdachte in cocaïne handelde.

Voor zover de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard alleen verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor de handel in cocaïne, wordt ook dit standpunt als onaannemelijk verworpen. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de inhoud van de hierboven weergegeven tapgesprekken in samenhang bezien met de verklaringen van [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6], volgt dat de verdachte in ieder geval vanaf 19 augustus 2011 in een zodanige nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] en [persoon Y] heeft gehandeld in cocaïne dat hij dit tezamen en in vereniging met deze [medeverdachte] en [persoon Y] heeft gedaan. Voor de stelling van de officier van justitie, dat de verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode, dat wil zeggen dus ook vóór 19 augustus 2011, die handel tezamen en in vereniging met anderen heeft gedaan, ontbreekt het wettig bewijs.

Het voorgaande leidt wat betreft het onder 1 tenlastegelegde tot de slotsom dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank van 30 september 2009 tot en met 18 augustus 2011 als alleen handelende dader heeft gehandeld in cocaïne en vanaf 19 augustus 2011 tot en met 30 september 2011 tezamen en in vereniging met anderen, een en ander zoals hierna bewezenverklaard.

De rechtbank acht op grond van de op 30 september 2011 bij gelegenheid van de doorzoeking in de woning van de verdachte aldaar aangetroffen hoeveelheid van 37,7 gram aan verdovende middelen, waarvan is komen vast te staan dat dit cocaïne betrof, eveneens het aanwezig hebben van die hoeveelheid cocaïne op die datum bewezen, zoals dat hierna wordt bewezenverklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 30 september 2009 tot en met 18 augustus 2011 te Eersel en Bergeijk en Hapert en elders in Nederland telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

en op tijdstippen in de periode van 19 augustus 2011 tot en met 30 september 2011 te Eersel en Bergeijk en Hapert en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 30 september 2011 te Eersel, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer 37 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het ten laste gelegde

* 30 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Ten aanzien van de TUL

* volledige tenuitvoerlegging van de 6 weken opgelegde voorwaardelijk straf.

Ten aanzien van het beslag

* De drie mobiele telefoons (beslaglijst nummers 4 tot en met 6), de twee weegschalen (beslaglijst nummers 7 en 8) en de gripzakjes (beslaglijst nummer 20) die onder verdachte in beslag zijn genomen, dienen verbeurd verklaard te worden.

* De cocaïne (beslaglijst nummers 10 tot en met 16) en het witte potje met opdruk Labs Extreme Powers en het onaangebroken potje uit de woonkamer kast 2 (beslaglijst nummers 18 en 19) dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, betoogd dat er rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte slechts een half jaar in drugs heeft gehandeld. Tevens dient er rekening te worden gehouden met het gegeven dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor een soortgelijk delict. Om verdachte de kans te geven zijn eigen online kledingzaak op te zetten, dient er in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een werkstraf te worden opgelegd. Ten aanzien van het beslag refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De vordering van de officier van justitie die strekt tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf van 6 weken dient afgewezen te worden. De vordering ziet immers niet op een drugsdelict maar op een geweldsdelict. Nu er sprake is van een geheel ander feit dient de tenuitvoerlegging niet gelast te worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft deels alleen en deels samen met de medeverdachten [medeverdachte] en [persoon Y] gedurende twee jaar in cocaïne gehandeld. De frequentie en de grote schaal waarmee deze handel gepaard ging, neemt de rechtbank verdachte in het bijzonder kwalijk. Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, had verdachte een lucratieve handel in cocaïne en was hij er op gericht om zoveel mogelijk geld te verdienen.

Verdachte heeft in plaats van legale inkomsten te verkrijgen zich puur vanuit eigen belang en winstbejag gestort op de cocaïnehandel. Uit zijn handelen blijkt dat hij op geen enkele manier rekening heeft gehouden met het feit dat het gebruik van cocaïne grote schade toebrengt aan de gezondheid van de gebruikers. Gebruikers bekostigen hun cocaïnegebruik bovendien veelal door diefstal of ander crimineel gedrag. Het handelen van verdachte moet in het licht van bovenstaande gegevens worden gezien.

Voorts heeft de rechtbank ten nadele van de verdachte bij het bepalen van de straf in aanmerking genomen dat verdachte reeds eerder is veroordeeld door de strafrechter. Dat deze eerdere veroordelingen geen betrekking hadden op drugsgerelateerde delicten doet hier niets aan af. Gelet op de handelwijze van verdachte hebben de eerdere veroordelingen van de rechtbank, waarbij een deels voorwaardelijke straf werd opgelegd, blijkbaar weinig indruk op hem gemaakt. Om deze reden zal de rechtbank geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de hierna op te leggen straf de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit voldoende tot uitdrukking brengt. In verband met een juiste normhandhaving kan niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt.

Beslag.

De rechtbank zal op grond van artikel 13a van de Opiumwet de onder verdachte aangetroffen cocaïne en het witte potje met opdruk Labs Extreme Powers en het onaangebroken potje uit de woonkamer kast 2 onttrekken aan het verkeer.

De in de beslaglijst met 4 tot en met 8 en met 20 genummerde goederen die verdachte onder zich had zal de rechtbank verbeurd verklaren omdat deze goederen aan de verdachte toebehoorden en de rechtbank het aannemelijk acht dat deze goederen zijn gebruikt bij het plegen van de ten laste gelegde feiten.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/820829-09.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 33, 33a, 33b, 36b, 36c, 47, 57

Opiumwet art. 2, 10.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van

de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen

De rechtbank onttrekt aan het verkeer de in beslag genomen goederen, te

weten: de in de aan het vonnis gehechte beslaglijst met 10 tot en met 16 genummerde goederen en met 18

en 19 genummerde goederen

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen

De rechtbank verklaart verbeurd de in beslag genomen goederen, te weten: de

in de beslaglijst met 4 tot en met 8 en met 20 genummerde goederen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij

vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 3 juni 2010, gewezen

onder parketnummer 01/820829-09, te weten:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Klinkenbijl, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Levinsohn, griffier,

en is uitgesproken op 20 maart 2012.

1 Proces-verbaal bevindingen eind proces-verbaal 2011077149-22, p. 248 tot en met p. 252. Waar in de volgende voetnoten wordt volstaan met een verwijzing naar een paginanummer, wordt een pagina uit dit eind proces-verbaal bedoeld.

2 Proces-verbaal van observeren d.d. 3 oktober 2011 (dossier p. 253 tot en met p. 256)

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 oktober 2011 (dossier p. 248 tot en met p. 252) en Proces-verbaal van observeren d.d.

3 oktober 2011 (dossier p. 253 tot en met p. 256)

4 Proces-verbaal van verhoor d.d. 30 september 2011 (dossier p. 968 - p. 970)

5 Proces-verbaal van verhoor d.d. 30 september 2011 (dossier p. 973)

6 Proces-verbaal van verhoor d.d. 30 september 2011 (dossier p. 977- p. 978)

7 Proces-verbaal van verhoor d.d. 30 september 2011 (dossier p. 985)

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2011 (dossier p. 322) en Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober (dossier p. 323)

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2011 (dossier p. 324) en Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober (dossier p. 325)

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2011 (dossier p. 328) en Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober (dossier p. 329)

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2011 (dossier p. 330) en Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober (dossier p. 331)

12 NFI-rapport d.d. 2 november 2011 (dossier p. 344)

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2011 (dossier p. 332) en Proces-verbaal van bevindingen (dossier p. 333) en Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2011 (dossier p. 335) en Proces-verbaal van bevindingen (dossier p. 336)

14 aanvullend NFI rapport opgemaakt d.d. 21 februari 2012, p. 4

15 Proces-verbaal van doorzoeking d.d. 2 oktober 2011 (dossier p. 118) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2011 (dossier p. 422) en noot 4, 5, 6 en 7

16 proces-verbaal van stemherkenning, proces-verbaalnummer 20120110 1520 10945, d.d. 24 augustus 2011

17 Tapgesprekken (dossier p. 425)

18 proces-verbaal van verhoor d.d. 11 november 2011 (dossier p. 225)

19 proces-verbaal van verhoor d.d. 11 november 2011 (dossier p. 218)

20 proces-verbaal van verhoor d.d. 11 november 2011 (dossier p. 221)

21 proces-verbaal van verhoor d.d. 10 oktober 2011 (dossier p. 177)

22 Tapgesprekken (dossier p. 183)

23 Tapgesprekken (dossier p. 184)

24 proces-verbaal van verhoor d.d. 10 oktober 2011 (dossier p. 178)

25 Proces-verbaal stemherkenning [verdachte] (dossier p. 388)

26 Tapgesprekken (dossier p. 184)

27 Tapgesprekken (dossier p. 184)

28 Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 oktober 2011 (dossier p. 1219)

29 Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 oktober 2011 (dossier p. 1220)

30 Tapgesprekken (dossier p. 191)

31 Proces-verbaal van verhoor 27 september 2011 (dossier p. 1207)

32 Tapgesprekken (dossier p. 193)

33 Proces-verbaal van verhoor d.d. 3 oktober 2011 (dossier p. 1002)

34 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 30 september 2011 (dossier p. 115)

35 Proces-verbaal van verhoor d.d. 1 oktober 2011, d.d. 29 september 2011, d.d. 30 september 2011 (dossier p. 134, p. 997, p. 999)

36 Proces verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 30 september 2011 (dossier p. 118)

37 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2011 (dossier p. 854)

38 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2011 (dossier p. 332) en Proces-verbaal van bevindingen (dossier p. 333)

39 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2011 (dossier p. 335) en Proces-verbaal van bevindingen (dossier p. 336)

40 NFI-rapport d.d. 2 november 2011 (dossier p. 344)

41 Proces-verbaal(dossier p. 118) en Proces-verbaal inzake beslag (dossier p. 119)

??

??

2

Parketnummer: 01/839396-11

Parketnummer vordering: 01/820829-09

[verdachte]