Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9698

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
01/825515-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf voor de duur van 129 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk voor het gedurende een periode van twee weken medeplegen van het verkopen van cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825515-11

Datum uitspraak: 20 maart 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 januari 2012 en 6 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 december 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 september

2011 tot en met 30 september 2011 te Eersel en/of Bergeijk en/of Hapert en/of

elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig

heeft/hebben gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

(art. 2 Opiumwet jo art. 47 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen maken deel uit van een dossier van de politieregio Brabant Zuid-Oost, met registratienummer PL2200 2011077149-22, afgesloten op 1 december 2011, in totaal 1491 doorgenummerde bladzijden (hierna te noemen: dossier).

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen (medeplegen handel in cocaïne). Zij baseert zich op de getuigenverklaringen die worden ondersteund door tapgesprekken en het gegeven dat er bij medeverdachte [verdachte2] dealershoeveelheden cocaïne zijn aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Vanaf 18 augustus 2011 wordt het telefoonnummer [telefoonnummer1] getapt. Dit telefoonnummer is in gebruik bij verdachte.1 Verbalisant [verbalisant1] herkent [verdachte1] aan zijn stem als de persoon die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer1].2 [verdachte1] verklaart tegenover de politie dat hij gebruik maakt van dit nummer.3 Op 14 september 2011 wordt er omstreeks 16.56 uur een gesprek gevoerd tussen verdachte die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer1] en medeverdachte [verdachte2]. Het gesprek heeft de volgende inhoud:

Verdachte: He [persoon1] belde net op

[verdachte2]: Ja?

Verdachte: Ja ik weet niet of jij zo bij die oude iets uh?

[verdachte2]: Ja dan moet je even naar die oude rijden ja

Verdachte: Ja doe ik na het eten wel, nou niet

[verdachte2]: Ja is goed

Verdachte: Ja? Bij jou onder jou dingen gewoon?

[verdachte2]: Nee (..) anders moet je even een keer in die kast kijken. Nee anders moet je boven de koelkast kijken in die pannen.4

Vervolgens sms't verdachte op 14 september 2011 omstreeks 23:32 uur aan [verdachte2]:

- ik ga zo pitten heb hier nog geld voor jou geef morgen wel van [persoon1].5

Verdachte maakte daarnaast soms gebruik van telefoonnummer [telefoonnnummer2]. Dit verklaart verdachte bij de politie.6 Bovendien herkent verbalisant [verbalisant1] bij het beluisteren van de tapgesprekken de stem van verdachte.7 Het telefoonnummer [telefoonnnummer2] is tevens in gebruik geweest bij medeverdachte [verdachte2]. De getuigen [getuige1], [getuige2] en [getuige3] verklaren dat wanneer zij cocaïne van medeverdachte [verdachte2] wilden kopen, zij het telefoonnummer [telefoonnnummer2] belden.8 Verbalisant [verbalisant1] heeft per tapgesprek aangegeven of het telefoongesprek gevoerd is door verdachte dan wel door medeverdachte [verdachte2].

Op 24 september 2011 omstreeks 22: 42 uur vindt er een gesprek plaats tussen medeverdachte [verdachte2] die dan gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnnummer2] en ene [persoon2]. Verbalisant [verbalisant1] constateert dat medeverdachte [verdachte2] zijn telefoon tijdens het gesprek over geeft aan verdachte.9 Die conclusie heeft verbalisant naar het oordeel van de Rechtbank kunnen trekken, aangezien dat gesprek de volgende inhoud heeft.

[verdachte2]: Hi jongen is het nog nodig, of niet?

[persoon2]: Uhm ja op zich wel eigenlijk ja

[verdachte2]: Ja dan uhm, hier heb je die maat van mij even, want ik ben een beetje ziek jongen. Dus ik zal die maat van mij even nemen

[persoon2]: Ja, is goed, is goed (...)

[persoon2]: Jo hoi (...)

Verdachte: Hi waar ben je ergens

[persoon2]: Ik ben bij [alias] (...), weet je die te zitten?

Verdachte: Oh ja doe dan paadje maar

[persoon2]: Uhm paadje. Ja is goed, dan zie ik jou zo. Is goed zie ik jou zo, da stuur ik [alias] even langs.10

Bij de politie wordt [persoon3] geconfronteerd met bovenstaand gesprek. Hij verklaart daarop dat hij het telefoonnummer [telefoonnnummer2] belde als hij cocaïne wilde kopen bij [verdachte2]. Hij heeft echter, toen hij op 24 september 2011 het telefoonnummer [telefoonnnummer2] belde, een afspraak gemaakt met een andere jongen die ook [naam1] heette. Hij verklaart dat hij in 'het paadje' cocaïne van deze andere jongen heeft gekocht.11 Daarnaast verklaart hij dat hij ook wel eens van [betrokkene 1] cocaïne heeft gekocht, omdat zowel [verdachte1] als [betrokkene 1] de handel in cocaïne overnamen als verdachte op vakantie was.12

Op 27 september 2011 vindt er omstreeks 19:39 uur een gesprek plaats tussen NN vrouw, die zichzelf [betrokkene1] noemt en gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer3], en verdachte die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnnummer2]. Het gesprek heeft de volgende inhoud:

-[betrokkene1] vraagt of [verdachte2] dadelijk tijd heeft

-[verdachte2] zegt dat dat wel lukt. [verdachte2] zegt dat hij ([verdachte2]) even sporten is dus hij is even iemand anders. Beiden spreken af elkaar nu te treffen bij de Muzeval, achter bij de parkeerplaats.13

[betrokkene1] verklaart op 27 september 2011 bij de politie dat zij [betrokkene1] is. Een week voor het verhoor heeft zij een afspraak gemaakt met [verdachte2] bij de parkeerplaats van de Muzeval. Daar heeft zij [verdachte2] getroffen en cocaïne van hem gekocht. Wanneer haar vervolgens een foto wordt getoond van verdachte herkent zij de afgebeelde persoon als de persoon van wie zij cocaïne heeft gekocht.14 Verdachte verklaart ter terechtzitting van 6 maart 2011 dat hij [betrokkene1] heeft ontmoet bij de Muzeval.15

Op 29 september 2011 vindt er omstreeks 19.42 uur een gesprek plaats tussen verdachte, die op dat moment gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnnummer2], en NN vrouw die gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer4]. Dit gesprek heeft de volgende inhoud:

- NN vrouw zegt dat ze nu komt en vraagt waar ze heen moet rijden.

- Verdachte zegt dat het hem niet uit maakt

- NN vrouw zegt ABN

- Verdachte zegt dat hij daar zo zal zijn.16

Op 3 oktober 2011 verklaart [getuige4] dat zij op 29 september 2011 vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer4] [verdachte1] heeft gebeld op het telefoonnummer [telefoonnnummer2], dat zij vervolgens een afspraak met hem heeft gemaakt en bij de ABN Amro bank in Eersel cocaïne van [verdachte1] heeft gekocht.17

Op 30 september 2011 werd [verdachte2] aangehouden. In de slaapkamer van [verdachte2] werd onder het matras een doorzichtig wit zakje met daarin wit poeder aangetroffen.18 Daarnaast werden er in zijn slaapkamer in de vensterbank cachetjes met een wit poeder aangetroffen.19 Het totale gewicht van de poeders was ongeveer 37 gram. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) concludeerde dat de onderzochte poeders cocaïne bevatten.20 Tevens werd er in de woning van medeverdachte een geldbedrag van € 820,-, aangetroffen in kleine coupures.21

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven tapgesprekken, waarin in versluierde taal wordt gesproken, gelet op de inhoud daarvan in samenhang bezien met de verklaringen van [persoon3], [betrokkene1] en [getuige4], betrekking hebben op de verkoop van cocaïne. De rechtbank concludeert op basis van deze tapgesprekken en op basis van de verklaringen van [persoon3], [betrokkene1] en [getuige4], die ieder voor zich verklaren dat zij cocaïne bij verdachte hebben gekocht, alsmede het aantreffen van meer dan een gebruikershoeveelheid cocaïne en het contante geld in kleine coupures in de woning van medeverdachte [verdachte2], dat verdachte en medeverdachte [verdachte2] van 14 september 2011 tot en met 30 september 2011 zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt in de handel in cocaïne dat verdachte als medepleger daarvan kan worden aangemerkt. De rechtbank betrekt daarbij de omstandigheid dat, naar uit de bewijsmiddelen volgt, verdachte ook zelf afspraken heeft gemaakt met de kopers van de cocaïne en vervolgens deze cocaïne heeft overhandigd aan de personen waarmee hij de afspraak had gemaakt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 14 september 2011 tot en met 30 september 2011 te Eersel en Bergeijk en Hapert en elders in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het ten laste gelegde

* 129 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem door of namens de reclassering zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt dat verdachte een CoVa training volgt.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, er voor gepleit rekening te houden met de zeer beperkte periode waarin verdachte in drugs zou hebben gehandeld.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft samen met de medeverdachte [verdachte2] gedurende iets meer dan twee weken in cocaïne gehandeld. Hij deed dit door de mobiele telefoon waar de kopers van cocaïne op zouden bellen over te nemen van medeverdachte [verdachte2] en afspraken te plannen met voornoemde kopers om ten slotte de cocaïne over te dragen.

De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij kennelijk uit puur winstbejag in cocaïne heeft gehandeld. Dit heeft hij gedaan terwijl het gebruik van cocaïne grote schade toebrengt aan de gezondheid van de gebruikers. Gebruikers bekostigen hun cocaïnegebruik bovendien veelal door diefstal of ander crimineel gedrag. Het handelen van verdachte moet in het licht van bovenstaande gegevens worden gezien.

Verdachte heeft ter terechtzitting duidelijk laten blijken dat hij enkel bemoeienis wenst van de reclassering voor het verkrijgen van een huis. Hij blijkt niet gemotiveerd voor gedragsverandering. Gelet op de weerstand van verdachte tegen begeleiding door de reclassering is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte geen reclasseringsbegeleiding dient te worden opgelegd en dat hij thans voor het door hem gepleegde feit afgestraft dient te worden door de oplegging van een straf die recht doet aan de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ten voordele van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde handel in cocaïne in een relatief korte periode heeft plaatsgevonden en van een relatief geringe omvang was. Voorts is er geen sprake van recidive. De rechtbank is van oordeel dat de hierna op te leggen straf de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt. De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die niet langer is dan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en invloed uit te oefenen op het toekomstig gedrag van verdachte, zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Dat deel van die straf zal niet ten uitvoer gelegd worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich voor het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan een ander strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank zal bepalen dat het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf van zodanige omvang zal zijn dat verdachte optimaal wordt gemotiveerd om de op te leggen algemene voorwaarde na te komen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57

Opiumwet art. 2, 10.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B,

van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 129 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.M. Klinkenbijl, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Levinsohn, griffier,

en is uitgesproken op 20 maart 2012.

1 onderzoek identiteit gebruiker d.d. 29 september 2011, eind proces-verbaal met nummer 2011077149-22, p. 401. Waar in de volgende voetnoten wordt volstaan met een verwijzing naar een paginanummer, wordt een pagina uit dit eind proces-verbaal bedoeld.

2 onderzoek identiteit gebruiker d.d. 29 september 2011 (dossier p. 402)

3 proces-verbaal van verhoor d.d. 10 oktober 2011 (dossier p. 177)

4 Tapgesprekken (dossier p. 183)

5 Tapgesprekken (dossier p. 184)

6 Proces-verbaal van verhoor d.d. 10 oktober (dossier p. 177 en p. 178)

7 Proces-verbaal stemherkenning [verdachte2] (dossier p. 388)

8 Proces-verbaal van doorzoeking d.d. 2 oktober 2011 (dossier p. 118) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2011 (dossier p. 422) en noot 4, 5, 6 en 7

9 Tapgesprekken (dossier p. 185)

10 Tapgesprekken (dossier p. 184)

11 Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 oktober 2011 (dossier p. 1219)

12 Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 oktober 2011 (dossier p. 1220)

13 Tapgesprekken (dossier p. 191)

14 Proces-verbaal van verhoor 27 september 2011 (dossier p. 1207)

15 Proces-verbaal ter terechtzitting van 6 maart 2012

16 Tapgesprekken (dossier p. 193)

17 Proces-verbaal van verhoor d.d. 3 oktober 2011 (dossier p. 1002)

18 Proces verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 30 september 2011 (dossier p. 118)

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2011 (dossier p. 854)

20 NFI-rapport d.d. 2 november 2011 (dossier p. 344)

21 Proces-verbaal(dossier p. 118) en Proces-verbaal inzake beslag (dossier p. 119)

??

??

2

Parketnummer: 01/825515-11

[verdachte1]