Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9246

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
242858 / JA RK 12-199MZ14
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vast staat dat de stichting een eerdere machtiging tot een gesloten plaatsing niet heeft kunnen verzilveren omdat de jeugdige onvindbaar is. Gelet daarop en omdat in de optiek van de stichting de opname van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg nog steeds noodzakelijk is in zijn belang wordt thans wederom een dergelijke machtiging verzocht. Een machtiging zoals verzocht kan worden verstrekt, ondanks de omstandigheid dat de gedragsdeskundige de jeugdige, omdat die onvindbaar is, niet heeft kunnen onderzoeken. Desondanks zal de kinderrechter het verzoek van de stichting afwijzen. De reden hiervoor is dat [de minderjarige] reeds gedurende lange tijd (ruim 7 maanden) onvindbaar is. Na een zo lange tijd is het zeker noodzakelijk dat de gedragsdeskundige de jeugdige onderzoekt alvorens een definitieve machtiging tot een gesloten plaatsing wordt verstrekt. Zou de kinderrechter thans de machtiging zoals die is verzocht afgeven dan is een dergelijk onderzoek niet gewaarborgd. Om die reden is de kinderrechter van oordeel dat het meer in de rede ligt dat de stichting, zodra [de minderjarige] is gevonden, een verzoek tot het verstrekken van crisismachtiging indient, waarna een procedure volgt die met de noodzakelijk waarborgen voor de jeugdige is omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 242858 / JE RK 12-199MZ14

Uitspraak : 14 maart 2012

Inzake : machtiging tot plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder

24-uurs gesloten

Beschikking van de kinderrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch, gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

kind van:

[naam vader] en [naam moeder],

hierna ook wel te noemen: (de) vader en (de) moeder.

Bij beschikking van 30 mei 2011 van de rechtbank te 's-Hertogenbosch is Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, locatie Eindhoven belast met de tijdelijke voogdij over voornoemde minderjarige.

De procedure

Op 3 februari 2012 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van:

BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,

Wal 20

5611 GG Eindhoven,

hierna te noemen de stichting, strekkende tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van bovengenoemde minderjarige in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs gesloten ex artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- vader;

- moeder;

- de minderjarige.

Op 1 maart 2012 heeft de kinderrechter het verzoekschrift ter zitting met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord: mr. K.C.A. van der Meijden, advocaat van de minderjarige, alsmede een vertegenwoordiger van de stichting.

De minderjarige, de vader en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

De stichting voert in haar verzoekschrift, zakelijk weergegeven, het volgende aan:

[de minderjarige] is een jongen van 16 jaar met een (geschatte) benedengemiddelde intelligentie.

De cognitieve ontwikkeling verloopt zorgelijk. [de minderjarige] gaat sinds maart 2011 niet meer naar school. Emotioneel ontwikkelt [de minderjarige] zich zorgelijk. [de minderjarige] is erg zelfbepalend. Het is onduidelijk welke sociale contacten [de minderjarige] heeft. Op lichamelijk gebied zijn er zorgen omdat [de minderjarige] alcohol drinkt en blowt. Voorts is er sprake van gedragsproblematiek. [de minderjarige] heeft moeite om gezag te accepteren en houdt zich niet aan de afspraken. [de minderjarige] loopt regelmatig weg.

Vanaf 23 juni 2011 is [de minderjarige] niet meer bereikbaar en is zijn verblijfplaats onbekend. De bedoeling was dat [de minderjarige] in het PEL project zou komen. Wanneer hij weg zou zijn uit zijn leefomgeving zou hij zijn kwaliteiten beter kunnen ontwikkelen. Omdat het nu niet bekend is waar [de minderjarige] verblijft, is het onmogelijk om [de minderjarige] voor het PEL-project aan te melden.

Moeder is uit beeld. Zij verblijft op [verblijfplaats]. Vader wil geen enkele verantwoording nemen voor [de minderjarige].

De stichting is van oordeel dat een gesloten plaatsing ter bescherming van [de minderjarige] en om verder afglijden te voorkomen onvermijdelijk is. Vanuit de gesloten plaatsing moet gekeken worden wat [de minderjarige] nodig heeft om zich zo optimaal mogelijk te ontwikkelen en om te bepalen wat zijn toekomstperspectief is. Een eerdere door de kinderrechter afgegeven machtiging voor een gesloten plaatsing heeft de stichting, vanwege het feit dat [de minderjarige] onvindbaar is, niet kunnen verzilveren.

Mr. Van der Meijden heeft ter zitting aangevoerd dat [de minderjarige] sinds juni 2011 spoorloos is. Zij weet niet hoe het met hem gaat. Zij betreurt het dat een minderjarige zo lang spoorloos kan blijven. Gelet op het feit dat [de minderjarige] spoorloos is vraagt zij zich af of de procedure die volgt op de aanvraag van een crisismachtiging niet met meer waarborgen is omkleed.

Van de zijde van zowel de minderjarige als van de vader en de moeder is niet gebleken van enig bezwaar tegen het verzoek.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Vast staat dat de stichting een eerdere machtiging tot een gesloten plaatsing niet heeft kunnen verzilveren omdat de jeugdige onvindbaar is. Gelet daarop en omdat in de optiek van de stichting de opname van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg nog steeds noodzakelijk is in zijn belang wordt thans wederom een dergelijke machtiging verzocht. Een machtiging zoals verzocht kan worden verstrekt, ondanks de omstandigheid dat de gedragsdeskundige de jeugdige, omdat die onvindbaar is, niet heeft kunnen onderzoeken. Desondanks zal de kinderrechter het verzoek van de stichting afwijzen. De reden hiervoor is dat [de minderjarige] reeds gedurende lange tijd (ruim 7 maanden) onvindbaar is. Na een zo lange tijd is het zeker noodzakelijk dat de gedragsdeskundige de jeugdige onderzoekt alvorens een definitieve machtiging tot een gesloten plaatsing wordt verstrekt. Zou de kinderrechter thans de machtiging zoals die is verzocht afgeven dan is een dergelijk onderzoek niet gewaarborgd. Om die reden is de kinderrechter van oordeel dat het meer in de rede ligt dat de stichting, zodra [de minderjarige] is gevonden, een verzoek tot het verstrekken van crisismachtiging indient, waarna een procedure volgt die met de noodzakelijk waarborgen voor de jeugdige is omkleed.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven te 's-Hertogenbosch door mr. S. ter Braak, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 maart 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat -hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a) door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.