Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV9124

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
AWB 11-3352
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het tijdens carnaval geld vragen voor het gebruik van de toiletten van de fietsenstalling, het hiermee opgehaalde geld in eigen zak steken, het negeren van de dienstopdracht de briefjes met daarop geschreven “€ 0,50” te verwijderen van de toiletdeuren en het in strijd met de geldende afspraken de dagopbrengst niet afstorten bij de centrale kluis maakt dat sprake is van ernstig plichtsverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgelegde straf van voorwaardelijk strafontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/3352

Uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2012 in de zaak tussen

[eiser] te ’s-Hertogensbosch, eiser,

(gemachtigde: mr. J. van Haarlem),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.A. van de Pasch).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2011 heeft verweerder eiser de toegang tot de kantoren en werkplaatsen van de Weener Groep dan wel het verblijf aldaar ontzegd voor de duur van het onderzoek naar misstanden bij de fietsenstalling aan het Burgemeester Loeffplein en de besluitvorming. De toegang en het verblijf tot kantoren, werkplaatsen en andere werkterreinen van de sector Stadsbedrijven van verweerders gemeente, in het bijzonder de gemeentelijke fietsenstallingen en de transferia, is voor dezelfde duur ontzegd.

Bij besluit van 31 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd met ingang van 8 juni 2011.

Bij besluit van 31 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 maart 2011 ongegrond verklaard. Bij datzelfde besluit heeft verweerder tevens het opgelegde strafontslag met ingang van 8 juni 2011 gewijzigd in een voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar, te rekenen vanaf 31 augustus 2011.

Eiser heeft tegen het besluit van 31 augustus 2011, voor zover het gaat om het voorwaardelijk strafontslag, beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 februari 2012. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. J. van den Bogart, kantoorgenoot van mr. Van Haarlem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [naam 1] hoofd van de afdeling Stadstoezicht.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2. Eiser is sinds 27 december 1997 aangesteld in dienst van verweerders gemeente. Sinds een aantal jaren is eiser door verweerder gedetacheerd bij de Weener Groep. De Weener Groep verzorgt voor de gemeente ’s-Hertogenbosch het beheer van een aantal fietsenstallingen. Eiser was voor de Weener Groep werkzaam als beheerder van de fietsenstalling aan het Burgemeester Loeffplein. Tijdens carnaval kent de fietsenstalling ruimere openingstijden dan gebruikelijk, namelijk vierentwintig uur per dag. Voor het stallen van fietsen wordt een vergoeding van € 0,55 gevraagd. Het gebruik van de in de fietsenstalling aanwezige (drie) toiletten is gratis. Met ingang van 20 april 2011 is ook het stallen van fietsen gratis.

3. Naar aanleiding van een e-mail bericht van 6 maart 2011 van [naam 2] coördinator/praktijkopleider Profi-Sec security, waarin melding wordt gemaakt dat geld wordt gevraagd voor het gebruik van de toiletten van de fietsenstalling aan het Burgemeester Loeffpplein, heeft [naam 3], uitvoerder P&B, Unit GSS van de Weener Groep, een nader onderzoek ingesteld. [naam 3] heeft op 10 maart 2011 verslag uitgebracht van zijn bevindingen. Verweerder heeft eiser op 14 maart 2011 geconfronteerd met hetgeen er tijdens carnaval is voorgevallen op de fietsenstalling aan het Burgemeester Loeffplein. Naar aanleiding van het verslag van [naam 3] heeft verweerder besloten een nader onderzoek in te stellen. In afwachting van de uitkomst van dat onderzoek heeft verweerder eiser met ingang van 15 maart 2011 op non-actief gesteld.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het onvoorwaardelijk strafontslag omgezet naar een voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar, te rekenen vanaf 31 augustus 2011. Verweerder heeft eiser het voorwaardelijk strafontslag ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Dit ernstig plichtsverzuim omvat vier afzonderlijke gedragingen die volgens verweerder ieder afzonderlijk plichtsverzuim opleveren. Verweerder heeft eiser verweten dat hij geld heeft gevraagd voor het gebruik van de toiletten van de fietsenstalling, dat hij het voor het gebruik van de toiletten opgehaalde geld in eigen zak heeft gestoken, dat hij de dienstopdracht de briefjes met daarop geschreven “€ 0,50” te verwijderen van de toiletdeuren heeft genegeerd en dat hij in strijd met de geldende afspraken de dagopbrengst niet heeft afgestort bij de centrale kluis.

5. Op de gronden die eiser tegen het bestreden besluit aanvoert, zal hierna worden ingegaan.

6. Het wettelijk kader is als volgt.

7. Ingevolge artikel 15:1 van de Rechtspositieregeling gemeente ’s-Hertogenbosch (de regeling) is de ambtenaar gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

8. Ingevolge artikel 16:1:1, eerste lid, van de regeling kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, deswege disciplinair worden gestraft.

9. Ingevolge artikel 16:1:1, tweede lid, van de regeling omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 8:13 van de regeling kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.

10. Ingevolge artikel 16:1:2, derde lid, van de regeling kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

11. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niet betwist dat hij op de buitenkant van de deuren van de toiletten bordjes heeft gehangen met daarop het bedrag “€ 0,50”geschreven. Evenmin heeft eiser betwist dat hij geld dat voor het toiletbezoek betaald werd, (deels) in eigen zak heeft gestoken. Voorts betwist eiser niet dat hij niet onmiddellijk na de dienstopdracht van de heer [naam 3] de briefjes heeft verwijderd en ten slotte betwist eiser niet dat hij niet conform de afspraken de dagopbrengt van de fietsenstalling in de centrale kluis heeft afgestort. Daarmee staan naar het oordeel van de rechtbank de gedragingen die verweerder aan het plichtsverzuim ten grondslag heeft gelegd, vast.

12. De vraag is of, zoals eiser betoogt, deze feiten de kwalificatie plichtsverzuim of ernstig plichtsverzuim rechtvaardigen. Daartoe voert eiser in de eerste plaats aan dat het aanbrengen van de briefjes toch vooral als een carnavalsgrap gezien moet worden.

13. Volgens de rechtbank kan niet worden gesproken van een grap. Eiser is door zijn collega’s aangesproken over de briefjes op de toiletten. De collega’s hebben zich bovendien nadrukkelijk gedistantieerd van deze actie van eiser. Een collega van eiser heeft de briefjes tot tweemaal toe verwijderd en eiser gezegd dat hij dit niet kon maken. Eiser heeft dit advies in de wind geslagen en de briefjes weer opgehangen. Een andere collega heeft verklaard eiser tot drie keer toe te hebben gezegd niet mee te willen doen met deze actie van eiser. Deze collega heeft de briefjes laten hangen maar heeft wel aangegeven de actie van eiser te zullen melden aan [naam 3]. De rechtbank maakt hieruit op dat de collega’s van eiser de grap van deze actie niet hebben ingezien. Eiser heeft zijn grap met de briefjes bovendien niet beëindigd nadat hij hier door collega’s op is aangesproken. Ook heeft eiser de briefjes ondanks herhaalde verzoeken hiertoe niet verwijderd. Eiser heeft de briefjes nadat deze waren verwijderd door zijn collega weer teruggehangen. De rechtbank rekent het eiser zwaar aan dat hij ondanks herhaalde waarschuwingen van zijn collega’s is doorgegaan met zijn “grap” en de briefjes steeds weer heeft opgehangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze gedraging als ernstig plichtsverzuim mogen aanrekenen.

14. De rechtbank overweegt voorts dat een deel van de bezoekers door de briefjes op het verkeerde been is gezet en heeft betaald voor het gebruik van de toiletten. Het gebruik van de toiletten van de fietsenstalling is gratis, ook tijdens carnaval. Voor de bezoekers van de fietsenstalling is onvoldoende duidelijk geweest dat het hier een grap betrof. De opbrengst van het toiletbezoek is in de fooienpot gestopt. Eiser heeft naar eigen zeggen in ieder geval de helft van het met het betaalde toiletbezoek verdiende geld in eigen zak gestoken. Eiser stelt weliswaar dat, wanneer klanten daarnaar vroegen, hij aangaf dat de toiletten gratis waren, maar niet gebleken is dat eiser ook op eigen initiatief telkens - en zonder dat daarnaar gevraagd werd - betalende klanten informeerde dat de toiletten gratis waren. De rechtbank acht het kwalijk dat eiser de opbrengst van het toilet bezoek in ieder geval voor een deel in eigen zak heeft gestoken. Voor de rechtbank is niet belangrijk hoeveel geld eiser heeft opgehaald en evenmin acht de rechtbank van belang dat, naar eiser stelt, ook een collega heeft gedeeld in de opbrengst. Dit laatste wordt overigens ook met klem door de betrokken collega [naam 4] betwist. Ook het feit dat eiser de opbrengst van de toiletbezoeken in eigen zak heeft gestoken, heeft verweerder eiser als ernstig plichtsverzuim mogen aanrekenen.

15. Dit brengt de rechtbank tot het derde onderdeel van het verweten plichtsverzuim. Zoals vast is komen te staan, heeft eiser geweigerd onmiddellijk de briefjes te verwijderen nadat hij een daartoe strekkende opdracht van [naam 3] heeft gekregen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij het op dat moment te druk had. Daartoe wijst de rechtbank op het e-mailbericht van eiser van 21 maart 2011. In dit bericht heeft eiser geschreven dat hij de kaartjes niet heeft verwijderd omdat de manier waarop [naam 3] hem heeft benaderd en heeft gevraagd de kaartjes te verwijderen hem niet aanstond. Pas later heeft eiser aangegeven dat hij in verband met drukte in de fietsenstalling niet in staat is geweest de dienstopdracht op te volgen. De rechtbank houdt eiser aan zijn in eerste instantie gegeven verklaring voor het niet opvolgen van de dienstopdracht temeer eiser kennelijk wel genoeg tijd had om te poseren op de foto’s van [naam 3]. Ook deze gedraging heeft verweerder daarom als ernstig plichtsverzuim mogen waarderen.

16. Dit brengt de rechtbank tot het vierde en laatste onderdeel van het verweten plichtsverzuim. Eiser heeft aangevoerd dat hij met het oog op zijn eigen veiligheid niet met een grote zak met kleingeld over straat wilde gaan terwijl het carnaval was. Om die reden heeft hij het geld in de kluis van de fietsenstalling gestopt. De rechtbank stelt vast dat het wegbrengen van de dagopbrengst van de fietsenstalling (in een sealbag) met carnaval is ingevoerd voor de veiligheid van de medewerkers in de fietsenstalling. Deze personen zitten vaak alleen of hooguit met zijn tweeën. De procedure is dat de vertrekkende beheerder het geld meeneemt naar de centrale kluis. Volgens verweerder is het overdag op zak hebben van

€ 400,00 niet een buitensporig hoog bedrag. De rechtbank stelt vast dat eiser niet eerder de door hem ervaren gevoelens van onveiligheid aan de orde heeft gesteld in bijvoorbeeld een werkoverleg of in een gesprek met zijn leidinggevende. Dat eiser, naar hij stelt, het jaar daarvoor met carnaval op dezelfde wijze had gehandeld, maakt niet dat daarmee geoorloofd was om het dit jaar op dezelfde wijze te doen. Integendeel, eiser was bekend met de te volgen procedure en had daarom juist zijn probleem aan de orde kunnen stellen. Eiser heeft dus ook op dit punt niet gehandeld zoals een goed ambtenaar betaamt.

17. Van feiten en omstandigheden op grond waarvan het plichtsverzuim eiser niet is toe te rekenen is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft op verschillende momenten de keuze gehad zijn gedrag te wijzigen. Eiser is er door zijn collega’s meerdere keren op gewezen dat hetgeen waar hij mee bezig was, niet kon en dat zij er niets mee te maken wilden hebben. Verweerder was daarom bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire maatregel op grond van artikel 16:1:1, eerste lid, van de regeling.

18. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder te lang heeft getalmd met ingrijpen en daarom niet bevoegd zou zijn een disciplinaire maatregel op te leggen, faalt dit betoog. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 6 maart 2011 (carnavalszondag) immers, is [naam 3] ‘s avonds per e-mail op de hoogte gesteld van de gebeurtenissen in de fietsenstalling en de volgende ochtend heeft deze al een onderzoek ingesteld.

19. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgelegde straf van voorwaardelijk strafontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Eiser heeft met zijn gedragingen het vertrouwen van verweerder beschaamd. Aan de functie van eiser mogen hoge eisen van integriteit en geloofwaardigheid worden gesteld. Het werk van beheerder van de fietsenstalling is een zelfstandige functie met veel verantwoordelijkheid. Eiser heeft naar eigen goedvinden een andere invulling dan de door verweerder gewenste invulling gegeven aan de functie van beheerder van de fietsenstalling aan het Burgemeester Loeffplein. Daar komt nog bij dat verweerder sinds tien jaar een strikt integriteitbeleid voert. Verweerder vindt van groot belang dat de organisatie en de ambtenaren die daarin werkzaam zijn, betrouwbaar zijn. Ook eiser heeft de training integriteit gevolgd. Door het onvoorwaardelijk ontslag om te zetten in een voorwaardelijk strafontslag heeft verweerder voldoende rekening gehouden met aard en de ernst van de aan eiser verweten gedragingen en de gevolgen die de disciplinaire maatregel voor eiser heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een lichtere maatregel.

20. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eiser inmiddels overgeplaatst is naar een functie bij de Afvalstoffendienst niet kan afdoen aan het bestreden besluit. Naar de rechtbank vaststelt gaat het hier niet om een disciplinaire maatregel en bovendien dateert deze van ná het bestreden besluit. Eiser zal zijn bezwaren tegen deze overplaatsing dan ook in de desbetreffende procedure aan de orde moeten stellen.

21. Het vorenstaande brengt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

22. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. In verband hiermee ziet de rechtbank geen aanleiding te bepalen dat de proceskosten of het griffierecht moeten worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.M. de Stigter als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en

mr. M.M.L. Wijnen als leden in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2012.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: