Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV8724

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
01/845281-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte van steekpartij in Stationstunnel 's-Hertogenbosch (augustus 2011) veroordeeld voor poging tot moord tot een jeugddetentie van 18 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden. Verdachte dient klinisch behandeld te worden. Toepassing minderjarigen-strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845281-11

Datum uitspraak: 19 maart 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 november 2011, 30 januari 2012 en 5 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 oktober 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte

rade, althans na kalm beraad en rustig overleg, [naam] van het leven te

beroven, met dat opzet en met die voorbedachte rade, althans na kalm beraad en

rustig overleg, naar die [naam] is toegefietst en/of (vervolgens) met een

mes, althans een scherp voorwerp, die [naam] meermalen, althans éénmaal (met

kracht) heeft gestoken in de buik(streek) en/of het lichaam, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Artikel 289/287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch aan een persoon

genaamd [naam], opzettelijk en met voorbedachte rade, althans na kalm

beraad en rustig overleg, zwaar lichamelijk letsel (een snij/steekwond in de

buik en/of (een) geperforeerde darm(en)), heeft toegebracht, door naar die

[naam] toe te fietsen en deze (vervolgens) opzettelijk meermalen, althans

éénmaal met een mes te steken in de buik(streek) en/of het lichaam;

Artikel 302/303 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte

rade, althans na kalm beraad en rustig oerleg, [naam] zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen met dat opzet naar die [naam] toe te fietsen en deze

(vervolgens) meermalen, althans éénmaal, (met kracht) met een mes, althans een

scherp voorwerp, heeft gestoken in de buik(streek) en/of het lichaam van die

[naam], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Artikel 302/303 juncto 45 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade eenmaal met een mes in de buikholte gestoken. Dientengevolge heeft het slachtoffer een steekwond in de buik en een op twee plaatsen geperforeerde darm

bekomen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op de gronden zoals weergegeven in zijn pleitnoties vraagtekens geplaatst bij de vraag of het zijn cliënt wel is geweest die het feit heeft gepleegd. De raadsman heeft verder betoogd dat, mocht zijn cliënt de dader zijn, zijn autistische stoornis aan kalm beraad en rustig overleg in de weg staat. Derhalve kan geen sprake zijn van voorbedachte rade en kan geen veroordeling volgen voor poging tot moord. De raadsman stelt ook dat het gebruikte stanleymesje ongeschikt was om iemand te doden. Verder had verdachte niet het opzet om het slachtoffer te doden en vraagt hij zich af of twee defecten in de dunne darmwand wel zware mishandeling opleveren. De meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling acht de raadsman wel bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

Vaststaande feiten.

Op 1 augustus 2011 omstreeks 12.50 uur krijgt verbalisant [verbalisant] een melding van een steekpartij op de openbare weg de Stationstunnel in ’s-Hertogenbosch, waarbij een persoon gewond is geraakt. Verbalisant komt even later ter plaatse en ziet een persoon op een muurtje zitten die zijn buik gedeeltelijk ontbloot heeft en ziet een wond met uitpuilend weefsel. De jongen verklaart tegen verbalisant dat hij gestoken is. Het slachtoffer blijkt [naam], geboren op [1993] te ’s-Hertogenbosch, te zijn . [naam] verklaart op 3 augustus 2011 bij de politie dat hij op 1 augustus 2011 omstreeks 13.00 uur met een vriend, genaamd [naam], door de stationstunnel in ’s-Hertogenbosch liep. Aan het einde van de tunnel zag hij dat er een jongen op de fiets in zijn richting kwam. Hij herkende deze jongen als [naam]. Toen [naam] naast hem kwam voelde hij een stomp in zijn maag en voelde een hevige pijn ter hoogte van zijn buik. Hij plaatste zijn hand op zijn buik en voelde een bobbel. Achteraf bleken dat zijn darmen te zijn. De wond is later in het ziekenhuis middels een operatie gehecht . Uit een medische verklaring van het Jeroen Bosch Ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch d.d. 2 augustus 2011 blijkt dat [naam], geboren op [1993] te ’s-Hertogenbosch, op 1 augustus 2011 één steekwond van 1,5 centimeter doorsnee in de rechter onderbuik tot in de buikholte heeft opgelopen. Hij had daardoor twee defecten in de dunne darmwand .

Was verdachte de dader?

Verdachte heeft bij de politie , bij de rechter-commissaris , in raadkamer en ter terechtzitting gedetailleerd verklaard dat hij op 1 augustus 2011 in [naam] al fietsend met een mes met enige kracht in de buik heeft gestoken. Aangever [naam] verklaart dat hij is gestoken door een Nederlands/Poolse jongen, genaamd [naam] . (rechtbank: Verdachte wordt [naam] genoemd en heeft een Nederlandse vader en een Poolse moeder.) De getuige [naam] verklaart dat het [naam] is geweest die zijn vriend [naam] toen heeft gestoken. Hij had hem op Facebook herkend . De zus van [naam], [naam], heeft verklaard dat ze op Facebook heeft gezocht op de naam [naam] en dat ze toen een foto zag van een jongen. Ze heeft die foto aan haar broer [naam] laten zien en ze hoorde hem zeggen: “dat is hem”. Hij keek daarop nog een keer en zei: “Dat is hem” .

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die toen met een mes in de buik van [naam] heeft gestoken. De bewering van de raadsman dat verdachte uit angst voor represailles het daderschap op zich heeft genomen vindt op geen enkele wijze steun in het dossier.

Was het (voorwaardelijk) opzet en was het mes een deugdelijk middel?

Verdachte heeft, terwijl hij langs het slachtoffer [naam] fietste, deze met enige kracht met een stanleymes in de buik gestoken, een lichaamsdeel met vitale organen en aderen. [naam] heeft daarbij één steekwond van 1,5 centimeter in de rechter onderbuik bekomen, welke doorliep tot in de buikholte. Hij had daardoor twee defecten in de dunne darmwand. De wond is later in het ziekenhuis middels een operatie gehecht. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat [naam] dodelijk letsel zou oplopen aan vitale organen. Door zo te handelen kan het niet anders zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Dat dit mes een deugdelijk middel was om [naam] te doden, leidt de rechtbank alleen al af uit het letsel dat hij heeft bekomen.

Was het voorbedachte rade?

Verdachte verklaart dat hij die dag toen hij de stationstunnel naderde aan de andere kant van de tunnel een jongen zag lopen die erg veel leek op de jongen die hem een maand eerder had mishandeld. Hij voelde toen een mes in zijn jaszak. Meteen kreeg hij het idee om naar die jongen toe te gaan en hem met het mes te steken. Hij is vervolgens omgedraaid en naar de andere kant van de tunnel gefietst alwaar [naam] zich toen bevond. Hij heeft hem toen al fietsend met dat mes in de buik gestoken. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om [naam] met een mes te steken en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De autistische stoornis van verdachte staat daaraan niet in de weg nu uit verdachtes verklaring en handelen blijkt dat hij in ieder geval enig inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank was er dus sprake van voorbedachte rade.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 01 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade [naam] van het leven te

beroven, met dat opzet en met die voorbedachte rade naar die [naam] is toegefietst en vervolgens met een mes die [naam] éénmaal met kracht heeft gestoken in de buikstreek, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van de primair tenlastegelegde poging tot moord, met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden toezicht van de reclassering en een klinische opname voor een duur de proeftijd niet te boven gaande. Voorts eist de officier van justitie teruggave van het inbeslaggenomen mes aan verdachte. Bij zijn eis betrekt de officier van justitie de bijzondere ernst van het feit en de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit lijdende was aan een stoornis in het autistisch spectrum.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging kan zich vinden in een klinische opname van verdachte, maar de raadsman heeft de rechtbank verzocht om een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de ondergane voorlopige hechtenis. In die situatie kan de verdachte thuis de opname in de kliniek afwachten. In die periode dient hij dan wel ambulant onder begeleiding te staan van “De Oosterpoort”. De raadsman is van oordeel dat, gelet op de persoon van verdachte, het minderjarigen strafrecht behoort te worden toegepast.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden in het nadeel van verdachte:

- verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen en heeft zich om het lot van het slachtoffer volstrekt niet bekommerd;

- de mate van het leed dat aan het slachtoffer is aangedaan, te weten een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer;

- het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit en dat verdachte er niet voor is teruggeschrokken om een dergelijk zwaar geweld tegen het slachtoffer uit te oefenen.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee:

- blijkens het omtrent verdachte uitgebracht psychologisch rapport kan het

bewezenverklaarde feit slechts in verminderde mate aan hem worden toegerekend;

- verdachte werd niet eerder veroordeeld;

- verdachte heeft zich bereid verklaard om zich voor zijn psychische problemen te

laten behandelen;

- verdachte heeft spijt betuigd voor zijn handelen.

Sanctierecht minderjarigen en behandeling.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het sanctierecht voor minderjarigen dient te worden toegepast, nu verdachte ten tijde van het plegen van het feit de leeftijd van 18 jaar doch nog niet die van 21 jaar had bereikt en de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De psycholoog Gommans rapporteert daaromtrent in zijn rapport van 31 oktober 2011 onder meer het volgende:

“Bij betrokkene is sprake van een ontwikkelingsachterstand veroorzaakt door een stoornis in het autistisch spectrum (PDD-NOS) die blijvende beperkingen in het sociaal funktioneren tot gevolg heeft. Daarnaast is er sprake van zwakbegaafdheid, wat eveneens bijdraagt aan de ontwikkelingsachterstand. Betrokkene behoeft intensieve begeleiding en behandeling in een op zijn specifieke problematiek gerichte omgeving. Daarvoor is het noodzakelijk dat hij uit zijn huidige woonomgeving wordt geplaatst, omdat deze onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden biedt. Bij een voorwaardelijk strafdeel kan als bijzondere voorwaarde een opname in een kliniek gericht op verstandelijk beperkten worden opgelegd, waarbij bij voorkeur ook aandacht en behandeling gegeven kan worden aan de sociale handicap. In een later tijdstip zou gedacht kunnen worden aan begeleide kamerbewoning. Toegeleiding naar passende arbeid moet daarin een belangrijk onderdeel vormen. Gezien de ontwikkelingsachterstand bij betrokkene en ook zijn leeftijd van achttieneneenhalf jaar zou het jeugdrecht bij voorkeur toegepast kunnen worden”.

In het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 februari 2012 wordt onder meer geconcludeerd dat het minderjarigen strafrecht het meest passend is bij de persoon van verdachte. De raad acht tevens een klinische behandeling geboden alsmede het toewerken naar een zelfstandig wonen situatie.

De Reclassering Nederland rapporteert in de rapportage d.d. 2 maart 2012 dat uit een intake bij [naam] is gebleken dat verdachte eerst klinisch moet worden behandeld alvorens plaatsing in een begeleide woonvorm kan plaatsvinden. Inmiddels is verdachte door het IFZ geïndiceerd voor een klinische opname bij [naam] en zou verdachte op de wachtlijst worden geplaatst voor een klinische behandeling binnen de SVLvG-kliniek van [naam], waar medio juni 2012 ruimte zou zijn om verdachte op te nemen. Volgens de reclassering is toegezegd dat men er alles aan zal doen om de opnamedatum te laten aansluiten op het ontslag van verdachte uit detentie. De reclassering adviseert behandeling bij [naam] op te leggen voor maximaal de duur van de proeftijd.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan jeugddetentie welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen jeugddetentie zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te noemen bijzondere voorwaarden naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 45, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 289.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. primair:

Poging tot moord.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

t.a.v. primair:

jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 7 maanden, niet zal

worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op

grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren

aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of ten behoeve van het

vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in

artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan

wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio

's-Hertogenbosch, [adres], [woonplaats], zolang deze

instelling zulks noodzakelijk acht.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 77aa

van het Wetboek van Strafrecht.

2. dat veroordeelde zich aansluitend aan zijn detentie ter klinische behandeling

zal laten opnemen in de SVLvG-kliniek van "Stevig" en zich zal houden aan de

aanwijzingen die door de behandelaars in overleg met de reclassering zijn

vastgesteld, een en ander voor een periode de proeftijd niet te boven gaande.

3. dat veroordeelde aansluitend aan deze klinische behandeling in het kader van

begeleid wonen of maatschappelijk opvang zal verblijven bij de Stichting [naam], voorheen "Dichterbij" of een soortgelijke instelling en zich zal houden aan het

(dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering zal

opstellen, een en ander voor een periode de proeftijd niet te boven gaande.

Teruggave van het inbeslaggenomen mes, kleur bruin, aan de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Lammers, voorzitter,

mr. J.M.P. Willemse en mr. E.C.M. de Klerk, leden,

in tegenwoordigheid van G.A.M. de Laat, griffier,

en is uitgesproken op 19 maart 2012.