Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV8572

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
01/825448-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vier jaar gevangenisstraf met aftrek voorarrest voor gewapende overval op juwelier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825448-11

Datum uitspraak: 15 maart 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. Breda - HvB De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2011 en 1 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 november 2011.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 maart 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 augustus 2011 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] gelegen aan de [adres} te [gemeente] en/of [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of een of meer van zijn mededader(s) een vuurwapen, in elk geval een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op voornoemde personen

en/of een telefoon uit de handen van [slachtoffer 2] heeft/hebben gerukt;

art. 312 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 augustus 2011 te Eindhoven

een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen, zijnde een

voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmeting een sprekende gelijkenis

vertoonde met een vuurwapen (te weten een Glock 21) voorhanden heeft gehad;

(artikel 13 Wet Wapens en Munitie)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit.

Het zusje van verdachte heeft ter terechtzitting een ontlastende verklaring afgelegd.

Verdachte was thuis ten tijde van de overval.

Er is geen onomstotelijk bewijs dat verdachte de aangetroffen helm heeft gedragen.

De heer [getuige1] heeft kort voor de vondst van de brommer twee personen op een brommer zien rijden. Onder de helm van de duopassagier kwamen blonde haren vandaan. Verdachte heeft en had kort haar, ook ten tijde van de overval.

Er is geen DNA-match met medeverdachte [medeverdachte1] met betrekking tot de bb gun. Dat is merkwaardig als zij beiden de overvallers geweest zouden zijn.

De verwijzing naar de verklaring van [persoon1] is een teken van zwakte.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nu verdachte dit feit heeft erkend.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1

Op 27 augustus 2011 is de juwelier [slachtoffer 1], gelegen aan de [adres] te [gemeente] overvallen. In de juwelierszaak waren op het moment van de overval [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] aanwezig. Twee mannen gekleed in donkere kleding kwamen de zaak binnen. Beide mannen droegen zwarte/donkerkleurige helmen. Een van de mannen kwam direct met een getrokken vuurwapen in zijn handen in de richting van de vier personen waarbij het wapen op [slachtoffer 3] werd gericht. Lopend met het vuurwapen maakte de man wijzende bewegingen in de richting van de deur van de kantoorruimte.

De vier personen zijn de kantoorruimte ingegaan. De man bleef in de deuropening staan, waarbij hij de personen onder schot hield.

De tweede dader had een grote groene tas bij zich en heeft deze gevuld met doosjes sieraden. [slachtoffer 5] wilde haar man bellen. De eerste dader pakte de telefoon uit haar hand. Vervolgens richtte hij zijn vuurwapen richting [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5].

Dader 1 heeft vervolgens de juwelierszaak verlaten, gevolgd door dader 2.

De groene tas was helemaal gevuld met sieraden.

Door de daders zijn ringen en oorbellen weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit. De benadeelde is/zijn [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1]. De overval heeft kort na 11.00 uur, omstreeks 11.14 uur plaatsgevonden.

[slachtoffer 2] heeft het bij de overval gebruikte wapen omschreven. Het betreft een zwart wapen met een vierkant randje rondom het ronde uiteinde van de loop. De bovenzijde van het wapen was opvallend recht. De daders van de overval zijn op een rode/zwartkleurige scooter gevlucht.

Getuige [getuige] reed om 11.15 uur over de Emmasingel. Vanuit de Vrijstraat zag zij een rode bromfiets met twee personen aan komen rijden. De bromfiets met de twee personen sloeg linksaf het fietspad van de Keizersgracht op. Een van de twee personen had een grote, zware tas. Bij het omhoog tillen van de tas trok een van de personen een kapje van de bromfiets los. Dit kapje viel op de grond.

Op 27 augustus 2011 omstreeks 11.18 uur heeft de politie op de hoek van de Keizersgracht met de Vrijstraat, ter hoogte van de Stadspoort op het fietspad een rood plastic kapje aangetroffen. Bij het kapje stond een onbekend gebleven vrouw. Zij hoorde gegil en kort daarop zag ze het kapje liggen. Zij hoorde van omstanders dat dit van een bromfiets was gevallen.

Kort daarop werd de verbalisant aangesproken door getuige [getuige] die verklaarde dat het kapje van een rijdende rode bromfiets was gevallen. Personeel van het FTO heeft het plastic kapje van verbalisant overgenomen.

Op camerabeelden van [casino], waarbij de camera’s zijn gericht op de Vrijstraat in de richting van de Keizersgracht en de Vrijstraat in de richting van de Markt is het volgende te zien.

Op een rode bromfiets zitten twee opzittenden met ieder een donkere integraalhelm op en donkere kleding. De persoon achterop heeft een grote tas over zijn schouder, met de kleur groen daarin. De bromfiets komt tot stilstand voor de juwelier aan de [adres] te [woonplaats]. De passagier met grote tas gaat de juwelier binnen. De bestuurder pakt iets uit de broeksband en volgt de passagier. Ruim een minuut later komen beide personen weer naar buiten met de grote tas. Ze stappen op de brommer en rijden in de richting van de Keizersgracht.

Op 27 augustus 2011 komen er meldingen bij de politie over verdachte situaties.

Melder heeft nabij de parkeerplaats achter het Daf-museum gezien dat personen die dag vanaf 10.30 uur zich daar ophielden. Daarbij waren betrokken een rode VW Golf (kenteken [kenteken]), een Ford Ka (kenteken ..-[kenteken2]-..)en een scooter met 2 personen. Dit waren slanke personen. Ze droegen beiden een helm en donkere kleding. In de rode Golf zat één persoon. De bestuurder van de Golf stapte in de Ford Ka en ze reden samen weg.

Ongeveer 10 minuten daarna kwam de scooter met 2 slanke personen aangereden. Ze deden een deur van de Golf open en reden weg in de richting van de Treurenburgstraat.

Ongeveer tien minuten later zag de getuige de scooter rijden richting de ophaalbrug.

Na ongeveer 15 minuten kwam de scooter terugrijden. De passagier had een groen/grijze tas bij zich. Ze reden de Golf voorbij richting de Treurenburgstraat. Weer ongeveer tien minuten later, omstreeks 11.15 uur, zag melder een "dikkere Marokkaan" in de Golf stappen en wegrijden.

Op diezelfde dag omstreeks 12.00 uur kregen verbalisanten vanuit de regionale meldkamer het verzoek om naar de Treurenburgstraat Eindhoven ter hoogte van nummer 57 te gaan omdat daar door onbekenden een onbeheerde roodkleurige bromfiets en helm waren achtergelaten.

Op die dag omstreeks 12.05 tot 12.08 uur kwamen verbalisanten ter plaatse in de Treurenburgstraat en troffen aan het einde van de Treurenburgstraat een bromfiets tegen een rastering van een braakliggend terrein aan. Op de buddyseat van die rode bromfiets lag een zwarte integraalhelm.

Verbalisanten zagen dat van deze bromfiets aan de voorzijde, ter hoogte van het stuur, het zogenaamde kapje van de cockpit ontbrak.

Op 50 meter van de vindplaats van de bromfiets lag een tweede zwarte integraalhelm in het gras.

De melder [melder] gaf aan dat hij de helm rond 11.30 – 11.45 uur onbeheerd op straat zag liggen.

Het op de vluchtroute aangetroffen kapje was rood met zwart en had de opdruk Gilera. De kap paste op de aangetroffen rode bromfiets.

De aangetroffen helm op de bromfiets is bemonsterd en verpakt onder SIN AADB7425NL.

Uit NFI-onderzoek d.d. 23 september 2011 is gebleken dat van de bemonstering AADN0447NL#01 (afgesplitst van AADB7425NL) van een helm ter hoogte van de plaats van het voorhoofd een DNA-profiel is verkregen van een man. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] (RAAM505NL; referentiemonster van verdachte [verdachte]).

Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte]. De berekende frequentie kleiner dan één op één miljard. Ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

De Golf met het kenteken [kenteken] staat op naam van [persoon 2].

[persoon1] heeft een Ford Ka met het kenteken [kenteken].

Op 27 augustus 2011 omstreeks 13.00 uur worden verdachte en [medeverdachte1] in voornoemde Golf aangehouden ter hoogte van jeugdcentrum SEM te Eindhoven.

In de auto waarin verdachte en [medeverdachte1] worden aangehouden, wordt een kassabon d.d. 26 augustus 2011 voor de aanschaf van een bb gun aangetroffen.

In de slaapkamer van verdachte wordt op 27 augustus 2011 in een kast een bb gun aangetroffen. Dat wapen was gelijkend op een vuurwapen van het merk Glock.

Verdachte heeft erkend dat deze bb gun zijn eigendom is.

Uit tapgesprekken is het navolgende gebleken.

- op 27 augustus 2011 10:03:37 belt [persoon 1] [medeverdachte1] dat hij op moet staan.

- op 27 augustus 2011 10:14:58 belt [persoon 2] met [persoon 1]

Ko..jongen ik heb [medeverdachte1]..onverstaanbaar..ga..ga naar [verdachte] deur.

Flikker heeft zijn telefoon uitstaan. Wie. [verdachte].

- op 27 augustus 2011 10:25:59 belt [persoon 2] met [persoon 1]

[persoon 2] vraagt waar [persoon 1] is. [persoon1 ] zegt dat hij [medeverdachte1] is ophalen.

- op 27 augustus 2011 10:27:41 belt [persoon 1] met [persoon 2].

[persoon 1] vraag of [verdachte] wakker is. [persoon 1] zegt:

Wacht bij [verdachte] voor de deur of eh bij [medeverdachte1] voor de deur en dan spreek ik daar wel.

[naam] is de afkorting van de naam van verdachte.

[getuige 3] heeft bij de politie op 8 november 2011 verklaard dat zij weet dat dikke [persoon 2], [persoon 1] en [verdachte] zich bezig houden met overvallen. Zij heeft ze daar zelf over horen praten.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte1] bij de politie tegenstrijdig hebben verklaard over hun bezigheden op de ochtend van 27 augustus 2011 en daarmee geen gelijkend alibi hebben.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte1] eerst naar hem is gekomen.

Verdachte had de Golf geleend omdat hij deze wilde gaan afspuiten bij een carcleaning. Hij is eerst met [medeverdachte1] naar de woning van [medeverdachte1] gereden en daarna richting de carcleaning.

Medeverdachte [medeverdachte1] heeft bij de politie verklaard dat hij door verdachte is opgehaald. [medeverdachte1] wilde naar het CWI gaan en daarna naar de stad. Verdachte zou weten waar het CWI is.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

Om 10.03 uur belt [persoon1] naar [medeverdachte1] dat hij op moet staan.

Om 10.14 belt [persoon1] naar [persoon 2] dat hij naar verdachte moet gaan omdat hij zijn telefoon uit heeft staan.

Om 10.25 uur belt [persoon 2] naar [persoon1] dat hij [medeverdachte1] aan het ophalen is.

Om 10.27 uur belt [persoon1] naar [persoon 2] met de vraag of verdachte wakker is.

Tussen 10.30 uur en 10.45 uur wordt er een ontmoeting gezien tussen een persoon met een rode Golf (eigenaar [persoon 2]) en een grijze Ford Ka met daarin twee personen. De persoon in de Golf stapt in de Ford Ka en ze rijden weg.

Tien minuten later, tussen 10.40 uur en 10.55 uur, stopt een rode scooter met twee personen bij de achtergelaten Golf en de deur wordt geopend.

Ongeveer tien minuten later, tussen 10.50 uur en 11.05 uur rijdt de scooter richting de ophaalbrug.

Ongeveer vijftien minuten later, tussen 11.05 en 11.20 uur rijdt de scooter richting de Treurenburgstraat met een groene/grijze tas.

Omstreeks 11.14 uur vindt de overval plaats.

Tussen 11.15 uur en 11.18 uur wordt het kapje van de bromfiets in de directe nabijheid van de overvalslocatie aangetroffen.

Om 12.00 uur wordt de bromfiets eveneens niet ver van die locatie aangetroffen.

Gelet op de hiervoor weergegeven tijdslijn, de tapgesprekken, de bevindingen met betrekking tot de bromfiets/het kapje, de in de woning van verdachte aangetroffen bb gun, het aantreffen van een aankoopbon voor een bb gun in de Golf, de ontmoeting bij het parkeerterrein achter het Daf-museum, het aantreffen van DNA-materiaal van verdachte op de aangetroffen helm en de tegenstrijdige verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte1] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte één van de daders van de overval is geweest.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel vaker een helm heeft geleend.

Op de vraag van de rechtbank of hij kan vertellen van wie hij wel eens helmen heeft geleend heeft verdachte verklaard dat hij geen namen kan noemen en niet weet van wie hij helmen heeft geleend. Hij heeft er geen verklaring voor waarom zijn DNA-materiaal op die helm terecht is gekomen. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat het DNA van verdachte daar op een andere wijze dan door het gebruik van de helm bij de overval terecht is gekomen. Het ligt voor de hand dat verdachte meer informatie geeft en kan geven, indien hij daadwerkelijk de aangetroffen helm op een ander moment heeft geleend.

Op de zitting is de getuige [getuige 2], het zusje van verdachte, als getuige gehoord.

Zij heeft verklaard dat verdachte op 27 augustus 2011 tot in ieder geval 11.00 uur thuis is geweest. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig onder meer gelet op de tegenstrijdigheid van haar verklaring met de verklaring van verdachte bij de politie onder meer inhoudende dat verdachte tussen 10.30 uur 11.30 uur wakker werd en dat hij daarna zijn vriend [medeverdachte1] heeft gebeld , terwijl de getuige heeft verklaard dat zij verdachte en [medeverdachte1] om 09.00 uur die dag beneden in de woning hoorde.

Ten aanzien van feit 2

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte , het aantreffen van het wapen en de bevindingen van de verbalisant met betrekking tot dit wapen acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, voor zover hierna bewezen is verklaard.

Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en verband bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 27 augustus 2011 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1] gelegen aan de [adres] te [plaats] en/of [benadeelde], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op voornoemde personen en een telefoon uit de handen van [slachtoffer 2] heeft/hebben gerukt.

2.

op 27 augustus 2011 te Eindhoven een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en/of afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (te weten een Glock 21) voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

- een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden met aftrek voorarrest;

- niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.

Bij het bepalen van zijn eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit. Verdachte en zijn mededader hebben op vier mensen, waaronder een kind van 2 jaar, een wapen gericht. Verdachte heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de belangen van de slachtoffers.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht gelet op de verzochte vrijspraak. Voor het overige heeft de raadsman geen verweer gevoerd ten aanzien van de eventueel op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden in het nadeel van verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn mededader op klaarlichte dag een juwelier overvallen. Ten tijde van de overval waren er veel mensen op straat. In de juwelierszaak waren op het moment van de overval drie vrouwen en een 2-jarig kind aanwezig. Verdachte en zijn mededader hebben een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op deze personen gericht, waaronder op het 2-jarige kind. De in de zaak aanwezige personen zijn door deze overval erg geschrokken. Een dergelijk feit heeft doorgaans grote impact op de slachtoffers, ook op de langere termijn.

Bij de overval is een grote hoeveelheid sieraden buit gemaakt. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de benadeelde.

Uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en geweldsdelicten. Verdachte heeft deze strafbare feiten gepleegd kort na een eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit.

Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank de LOVS-richtlijnen voor een gewapende overval als uitgangspunt genomen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank wijst dit verzoek gelet op het hiervoor overwogene af.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. De vordering is niet onderbouwd met stukken. Behandeling van deze vordering is een onevenredige belasting van het strafgeding.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft eveneens bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Beoordeling.

De vordering van de benadeelde partij is niet onderbouwd met stukken, terwijl in de vordering van de benadeelde partij d.d. 23 november 2011 is vermeld dat een nadere onderbouwing zou worden nagezonden. De benadeelde partij is op 13 februari 2012 op de hoogte gesteld van de zitting van 1 maart 2012. Ter terechtzitting was de gemachtigde van de benadeelde aanwezig. Eventuele stukken ter onderbouwing van het voegingsformulier zijn echter niet overgelegd. Een aanhouding van de behandeling van de strafzaak in verband met de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

De benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 57, 63, 310, 312

Wet wapens en munitie art. 2, 13, 55.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met

geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit

wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

T.a.v. feit 2:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij

[benadeelde], in haar vordering.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten

draagt.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.M. Spelt, voorzitter,

mr. W.M. Weerkamp en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 15 maart 2012.

Mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.