Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV8511

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
12-03-2012
Zaaknummer
801006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. Nog geen voldoende financiële onderbouwing van de bedrijfseconomische noodzaak voor de reorganisatie, zodat een oordeel over de termijn waarop en de condities waaronder ontbonden kan of moet worden nog niet mogeljk is. De door de woningcorporatie overgelegde stukken rechtvaardigen op zich een beslissing tot reorganisatie, maar de ernst van de gestelde liquiditeitsproblematiek (en daarmee het dringende karakter) valt daar niet aan te ontlenen. Aanhouding voor het overleggen van stukken en hervatting van het opgeschorte overleg tussen directie, OR en bonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kantonrechter te 's-Hertogenbosch*

Zaaknummer : 801006

EJ verz. : 5630/11

Uitspraak : 12 maart 2012

in de zaak van:

de vereniging Bouwvereniging Huis & Erf,

gevestigd te Schijndel,

verzoekster,

gemachtigde: mr. P. Merkus,

Postbus 82, 5680 AB Best,

t e g e n :

[Werkneemster],

wonende te Aarle-Rixtel,

verweerster,

gemachtigde: mw. mr. I. Bisscheroux,

Postbus 10100, 5000 JC Tilburg.

1. De procedure.

Het op 22 december 2011 ter griffie van de kantonrechter ingekomen verzoekschrift strekt tot ont-binding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, welke in het vervolg zullen worden aangeduid als “Huis & Erf” en “[werkneemster]”. Zijdens [werkneemster] is een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling, waarvoor Huis & Erf op voorhand nog producties heeft opgestuurd, heeft plaatsgevonden op 27 februari 2012, bij welke gelegenheid partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun gemachtigden. Mr. Merkus heeft daartoe pleitaantekeningen gebruikt, welke aan het eind van de zitting aan de kantonrechter zijn overgelegd. Na gevoerd debat is de beschikking bepaald op heden.

2. Inleiding.

1. Tussen partijen is in confesso dat tussen hen een arbeidsovereenkomst bestaat. [werkneemster] is sedert 1 februari 2009 in dienst van Huis & Erf, laatstelijk als sociaal buurtbeheerder tegen een bru-to salaris (exclusief 8% vakantietoeslag en 4% eindejaarsuitkering) van € 3.090,80 per maand. In-clusief deze uitkeringen bedraagt het bruto maandloon dan € 3.461,70. [werkneemster], geboren op 8 augustus 1960, is thans 51 jaar oud.

2. Huis & Erf grondt het verzoek op de stelling dat gewichtige redenen bestaan om de bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Huis & Erf voert daartoe aan dat zich een verandering in de omstandigheden heeft voorgedaan die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijk-heidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

3. Ter toelichting op deze stellingname heeft Huis & Erf - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat zij als gevolg van het door haar vorige directeur gevoerde beleid in een positie is geraakt waarin zij maatregelen dient te nemen om de continuïteit van haar bedrijf veilig te stellen. Eén van de ge-volgen van het door de vorige directie gevoerde beleid is dat de personeelsbezetting veel te groot is geworden. Dat heeft ertoe geleid dat toezichthoudende instanties ingrijpen verlangen. Voorts is door een combinatie van het in het verleden gevoerde beleid en de economische ontwikkelingen in het algemeen (en op de woningmarkt in het bijzonder) de liquiditeitspositie van Huis & Erf dusda-nig verslechterd dat ingrijpen op korte termijn noodzakelijk is. Aan een reorganisatie van de onder-neming van Huis & Erf valt niet te ontkomen. Daarbij is de functie van [werkneemster] komen te verval-len. Ander passend werk is voor haar binnen de organisatie van Huis & Erf niet voorhanden. Huis & Erf biedt [werkneemster] bij inwilliging van het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden een vergoeding aan ten bedrage van € 10.385,= bruto.

4. [werkneemster] heeft tegen het verzoek - zakelijk weergegeven - het navolgende tot verweer aan-gevoerd. Huis & Erf heeft niet als zorgvuldig werkgeefster gehandeld. De door haar ingeschakelde interim-directeur heeft buiten de grenzen van haar opdracht gehandeld. Haar opdracht was om te zorgen voor het herstel van goede verhoudingen en rust binnen het bedrijf van Huis & Erf. In plaats daarvan is zij gekomen met maatregelen die neerkomen op een harde sanering. [werkneemster] trekt de bedrijfseconomische noodzaak daarvoor in twijfel. Zij wijst op de kosten die in 2010 zijn gemaakt ten bate van rechtsbijstand, forensisch onderzoek en bestuurskosten, tezamen ruim € 1.365.000,=, waarop ook bespaard kan worden. Het bestaan van een bedrijfseconomische noodzaak is door Huis & Erf niet voldoende onderbouwd, want volgt niet uit de brieven van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (hierna “WSW”) en het Centraal Fonds Volkshuisvesting (hierna “CFV”).

In dit verband wijst [werkneemster] erop dat gevoerd overleg met OR en bonden ertoe heeft geleid dat de OR en de bonden het vertrouwen hebben opgezegd in de interim-directeur, mevrouw [X]. Vanwege het vastlopen van het overleg met Huis & Erf is ook geen overeenstemming met de bon-den bereikt over het Sociaal Plan. Huis & Erf heeft vervolgens haar zin doorgedreven en handelt daarbij in strijd met het Sociaal Plan, dat zij eenzijdig heeft vastgesteld. Zij heeft daarbij gehaast gehandeld, waarbij de medezeggenschapsverplichtingen die voortvloeien uit de toepasselijke CAO en de WOR niet in acht zijn genomen.

Daarbij merkt [werkneemster] op dat de plaatsingsprocedure niet zorgvuldig is geweest. De vastgestelde procedure is in het geheel niet gevolgd. Een belangstellingsregistratie heeft niet plaatsgevonden, net zo min als gesprekken met het personeel of assesments. De toegezegde periode van zes maan-den voor een outplacementtraject wordt ook niet in acht genomen. Om al deze redenen verzoekt [werkneemster] om de verlangde ontbinding af te wijzen. Mocht tot ontbinding worden beslist, dan ver-zoekt zij om haar daarbij een vergoeding toe te kennen, te berekenen op de gebruikelijke wijze en met een correctiefactor C=1,5, wat volgens haar neerkomt op een bedrag van € 23.367,= bruto.

5. Voor een nadere feitelijke onderbouwing van de standpunten zij, voor zover hieronder niet aan te halen, verwezen naar de stukken van het geding. De kantonrechter zal daar, voor zover no-dig, bij de beoordeling nader op ingaan.

3. De beoordeling.

6. De kantonrechter is niet gebleken van het bestaan van een in deze relevant verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

7. Primair heeft [werkneemster] de noodzaak tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst betwist. Dienaangaande is ter zitting door Huis & Erf nog eens expliciet verklaard dat noch in het functio-neren van [werkneemster], noch in de persoonlijke verhoudingen met collegae en leidinggevenden enige grond is gelegen om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst na te streven. Het verzoek is enkel ingegeven door de bedrijfseconomische situatie waarin Huis & Erf terecht is gekomen. Zij wijst ter onderbouwing van haar stellingname in deze zaak hoofdzakelijk op de navolgende feiten en om-standigheden:

a. het WSW heeft Huis & Erf vanwege een liquiditeitsprobleem aangemerkt als aandachts-corporatie, heeft het risicoprofiel van Huis & Erf verhoogd en heeft het faciliteringsvolume bevroren, waardoor haar mogelijkheden om financieringen voor haar activiteiten te ver-krijgen zijn beperkt;

b. het CFV, toezichthouder op woningcorporaties, constateert een sterke stijging van de netto beheerslasten en dringt aan op een substantiële verlaging van de bedrijfskosten;

c. de heer [Y], een onafhankelijk adviseur die is ingeschakeld op verzoek van de OR, heeft vastgesteld dat de personeelskosten van Huis & Erf in 2010 22,35% van de omzet bedroegen en in 2009 22,07%, terwijl dat bij andere corporaties maximaal 12,72% is ge-weest;

d. Huis & Erf heeft een personeelsbezetting in fte’s die ongeveer 50% hoger is dan die van vergelijkbare corporaties in de regio, waarbij uit het rapport van [Y] blijkt dat de ver-houding tussen het aantal verhuurde eenheden en het aantal fte’s aan personeel voor Huis & Erf op ongeveer 55 uitkomt, terwijl dat voor vergelijkbare corporaties minimaal 76 en maximaal 121 is;

e. ondanks het feit dat de solvabiliteit op korte termijn wel gewaarborgd is, is de liquiditeits-positie van Huis & Erf bijzonder onder druk komen te staan.

De Algemene Ledenvergadering (ALV) van Huis & Erf heeft het door de interim-directeur opge-maakte Plan van Aanpak en daarmee de reorganisatie onderschreven. Zowel de bonden als de OR onderkennen de bedrijfseconomische redenen om te reorganiseren. Ondanks overleg in de periode van 13 juli 2011 tot en met 23 november 2011 is het niet gelukt om met de bonden tot overeen-stemming te komen over een Sociaal Plan. Vervolgens is een patstelling ontstaan: de OR wil niet definitief adviseren zonder een Sociaal Plan en de bonden willen niet verder onderhandelen zonder een definitief advies van de OR. Daarom heeft Huis & Erf besloten tot indiening van het onderha-vige verzoek.

8. In een procedure als de onderhavige is het niet aan de kantonrechter om het beleid van de directie van Huis & Erf inhoudelijk diepgaand te toetsen. Beoordeeld dient te worden of wordt vol-daan aan de voorwaarden om op voet van het bepaalde in artikel 7:685 BW de arbeidsovereen-komst tussen Huis & Erf en [werkneemster] te ontbinden. Deze bepaling stelt twee voorwaarden om tot inwilliging van een verzoek over te kunnen gaan. In de eerste plaats dienen zich veranderingen in de omstandigheden voor te doen. In de tweede plaats dienen die veranderingen ook van dien aard te zijn dat billijkheidshalve de arbeidsovereenkomst dadelijk of op korte termijn eindigt. Hetgeen zij-dens Huis & Erf ter onderbouwing van haar verzoek is aangevoerd dient tegen dit licht te worden beoordeeld.

9. Onomstreden is het feit dat de personeelsbezetting van Huis & Erf in verhouding tot verge-lijkbare corporaties hoog is. Deels laat zich dat verklaren doordat Huis & Erf ook werkzaamheden voor derden uitvoert, maar feit blijft dat haar personeelsbezetting voor de uitvoering van haar kern-taak erg hoog is. Het afstoten van neventaken zal ook aanleiding vormen om de personeelsbezet-ting te reduceren. De ondernemingsraad onderkent dit (productie 16 bij inleidend verzoek, p. 6, 2e alinea van onderen).

De brief van de OR naar aanleiding van het rapport van [Y] (prod. 4 bij verweerschrift) doet hier niet aan af. Onder het kopje “Enquêterecht” stelt de OR enkel het tempo en de omvang van het reorganisatieplan ter discussie, niet de (on)redelijkheid van de reorganisatie in het algemeen.

De heer [P], die als onderhandelaar namens de bonden betrokken is geweest bij gesprekken over het Sociaal Plan, heeft een verklaring over die onderhandelingen opgesteld die als productie 6 bij het verweerschrift in het geding is gebracht. Daaruit volgt dat de insteek van de bonden niet een verzet tegen de reorganisatie is geweest, maar het verkrijgen van een zo goed mogelijke voorzie-ning ten bate van vertrekkende werknemers. Daarmee erkennen de bonden impliciet dat de beslis-sing om te gaan reorganiseren op zich niet dermate onredelijk is dat Huis & Erf daar van af zou moeten zien.

10. Dat brengt de kantonrechter bij de hiervoor in r.o. 7 onder c. en d. aangehaalde argumenten van Huis & Erf. Wanneer een bestuur (of bestuurder) om hem moverende redenen – en gedekt door de Raad van Toezicht – opteert voor een uitbreiding van de personeelsbezetting tot een niveau dat disproportioneel hoog is ten opzichte van vergelijkbare organisaties en op grond daarvan personeel aanneemt, schept dat verplichtingen ten opzichte van die personeelsleden en leidt dat tot kosten voor de organisatie. Wanneer een bestuur vervolgens haar beleid wil wijzigen om de personeels-kosten te reduceren levert die beleidswijziging op zich een verandering van omstandigheden op, maar het is dan maar de vraag in hoeverre die verandering van omstandigheden noodzakelijk maakt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van een medewerker dan ook dadelijk of op korte termijn beëindigt. In dat verband zal de aan de beleidswijziging ten grondslag liggende reden een rol spelen. Wanneer – het ene uiterste - de reden voor reorganisatie enkel en alleen is gelegen in winstmaximalisatie ten gunste van aandeelhouders van een onderneming, zal op dit punt anders moeten worden geoordeeld dan in het – andere uiterste - geval waarin de beleidswijzing is ingege-ven uit pure noodzaak om het voortbestaan van een organisatie op de korte termijn te kunnen waar-borgen. Dit komt ook tot uiting in de beleidsregels die het UWV hanteert bij de beoordeling van aanvragen voor ontslagvergunningen. Het UWV toetst verzoeken die zijn ingegeven door financië-le noodzaak anders dan verzoeken die zijn ingegeven door een strategische keuze om onderne-mingsbeleid te wijzigen .

11. Voor wat betreft de noodzaak tot ontbinding wijst Huis & Erf op de standpunten van het WSW, van het CFV en op haar financiële situatie, meer in het bijzonder haar liquiditeitspositie.

Ten aanzien van het WSW merkt de kantonrechter op dat uit de brief van dit fonds d.d. 5 juli 2010 (prod. 5 bij inleidend verzoek) volgt dat dit het faciliteringsvolume niet op nul heeft gezet vanwege de zorgelijke financiële situatie van Huis & Erf, maar vanwege de onzekerheid die is ontstaan door het verschil van inzicht tussen de Raad van Toezicht van Huis & Erf en de directeur-bestuurder. Dit is nog eens bevestigd in een schrijven van het WSW d.d. 22 december 2010 (prod. 6 bij inleidend verzoek). De daarin opgenomen weigering om een deel van de gevraagde borgstelling te verlenen is niet gebaseerd op de financiële situatie van Huis & Erf, maar op de omstandigheid dat de bouw van koopwoningen en commerciële ruimten niet-borgbare c.q. commerciële activiteiten betreft, waarvan in onvoldoende mate is gebleken dat die “in de geest van maatschappelijk belang” zijn.

In de brief van het WSW d.d. 15 augustus 2011 (prod. 7 bij inleidend verzoek) merkt het fonds ten aanzien van de kredietwaardigheid van Huis & Erf op dat zij onveranderd kredietwaardig is. Wel stelt het WSW hierin een aantal voorwaarden om het faciliteringsvolume weer vrij te geven, waar-onder het doorrekenen van de financiële gevolgen van de uitvoering van het plan van aanpak en een periodieke update over de uitvoering daarvan.

Ten slotte is als prod. 8 bij inleidend verzoek een brief van het WSW d.d. 24 november 2011 in het geding gebracht, waarin – zakelijk weergegeven – is vermeld dat uitvoering van het Plan van Aan-pak en inzicht in de financiële gevolgen daarvan voor het fonds belangrijk zijn voor de bepaling van het faciliteringsvolume. Het WSW wijst er in deze brief op dat volgens de door Huis & Erf aangeleverde liquiditeitsprognose tot medio 2012 geen liquiditeitstekorten te verwachten zijn onder de beschikbaar gestelde borging, zodat er geen noodzaak bestaat tot ophoging van het faciliterings-volume.

12. Het CFV heeft Huis & Erf bij brief van 22 juni 2011 (prod. 10 bij inleidend verzoek) on-verminderd de (hoogste) A1-status gegeven en geoordeeld dat de voorgenomen activiteiten in fi-nancieel opzicht passen bij de vermogenspositie van Huis & Erf. Wel dringt het CFV aan op bezui-nigen, omdat het constateert dat de netto bedrijfslasten in de periode 2006-2009 relatief sterk zijn gestegen. Het fonds verwijst naar informatie die Huis & Erf heeft gegeven over te treffen maatrege-len, waaronder het terugbrengen van kosten voor beheer en onderhoud, het bijsturen van de projec-ten en het scherper sturen op kasstromen.

Bij brief van 31 oktober 2011 (prod. 20 bij inleidend verzoek) stelt het CFV vast dat Huis & Erf onverminderd solvabel blijft. Het CFV merkt op dat bij het uitblijven van bezuinigingen de finan-ciële positie van Huis & Erf nadelig wordt beïnvloed. Het uitblijven van een snelle realisatie van het Plan van Aanpak heeft, aldus het fonds, gevolgen voor de financiële positie van Huis & Erf op termijn. Het CFV spreekt zijn zorgen daarover uit en geeft aan door toezending van kwartaalsrap-portages op de hoogte te willen worden gehouden over de vorderingen bij de uitvoering van het Plan van Aanpak en, met name, de ontwikkelingen ten aanzien van de liquiditeitspositie van Huis & Erf.

Huis & Erf heeft voorts nog verwezen naar het rapport “Corporatie in Perspectief” van het CFV, waarin een aantal kerngetallen betreffende het bedrijf van Huis & Erf worden geplaatst in de con-text van vergelijkbare corporaties en de landelijke situatie.

13. Ten slotte verwijst de kantonrechter naar het Plan van Aanpak dat door de interim-directeur van Huis & Erf is opgesteld (productie 9 bij inleidend verzoek). Op pagina 14 wordt in hoofdstuk 4 (“Gezonde financiële positie”) verwezen naar een zevental scenario’s die zijn doorgerekend, uit-gaande van de meerjarenprognose 2011-2020. Het Plan van Aanpak vermeldt met betrekking tot het resultaat van die berekeningen onder meer:

“In scenario A zijn de gevolgen doorgerekend indien de huidige formatie gehandhaafd blijft. De solvabiliteit daalt fors tot de interne doelstelling van 15%. De operationele kas-stromen rekening houdende met de aflossingsfictie van 2% blijven in de gehele beschouwde periode positief. De ICR (rentedekkingsgraad) komt niet onder de 1,6 (minimaal vereist: 1,4).

Scenario G beoogt een perspectief te schetsen gebaseerd op het huidige beleid. Tevens is rekening gehouden met de aangekondigde heffing huurtoeslag waaraan corporaties vanaf 2014 moeten bijdragen. De uitgangspunten zijn:

• Doorzetten huidige hoge niveau aan beheerslasten, uitgaande van de huidige forma-tie.

• Verhoging van de kosten van vraaggestuurd onderhoud met 25% in de periode 2011-2015, daarna 10%. De verhoging is afgezet ten opzichte van de huidige meerjaren-prognose.

• Verhoging van de kosten voor planmatig onderhoud

• Heffing voor de huurtoeslag vanaf 2014.

De solvabiliteit daalt dan uiteindelijk naar 4% (interne doelstelling 5%). De operationele kasstromen na aftrek van de 2% aflossingsfictie worden negatief in de periode 2015-2018. Gevolg is dat Huis & Erf dan niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld door het WSW. Nieuwe activiteiten worden dan niet langer geborgd. (…) Ook de ICR (rentedek-kingsgraad) zakt weg tot 1,22 (minimaal vereist 1,4). Huis & Erf heeft dan een groot fi-nancieel probleem.”

Vervolgens schetst het plan nog een scenario F, waarin het effect is doorgerekend van het geval waarin door Huis & Erf gebouwde koopwoningen niet verkoopbaar blijken en omgezet moeten worden in huur. Dat betreft ongeveer 200 woningen. De solvabiliteit wordt in dat geval negatief (minder dan -10%), vanaf 2014 ontstaan negatieve kasstromen en de rentedekkingsgraad zakt tot net boven 1. In dat geval, zo stelt het plan vast, is sprake van een “saneringssituatie”.

14. De aangehaalde stukken bevestigen het eerder oordeel dat een beleidswijziging ten aanzien van (de omvang van) de activiteiten van Huis & Erf gerechtvaardigd (om niet te zeggen: noodzake-lijk) is om op de langere termijn een financieel gezonde corporatie te kunnen blijven. De beslissing om te reorganiseren is dan ook op zich niet onredelijk. Uit deze stukken blijkt echter nog niet dat de financiële situatie van Huis & Erf ook dermate ernstig is dat ingrijpen in de personele sfeer da-delijk of op korte termijn noodzakelijk is. Ook in scenario A (ombuiging van beleid bij behoud van de personeelsbezetting) lijkt het voortbestaan van Huis & Erf niet in gevaar. In toetsingstermen van het UWV betekent dat dat een beslissing tot doorvoering van organisatorische veranderingen be-grijpelijk en niet onredelijk is, maar dat vooralsnog niet is gebleken dat deze wordt ingegeven door een acuut slechte financiële toestand. Het rapport “Corporatie in Perspectief” lijkt op zich wel aan te tonen dat er goede redenen zijn om op een aantal punten het bedrijfsbeleid bij te stellen (onder meer om de netto bedrijfslasten te drukken en de sterk gedaalde netto kasstroom per verhuureen-heid weer op een aanvaardbaar peil te krijgen), maar het zegt op zich niets omtrent de financiële gezondheid van Huis & Erf.

15. Dienaangaande is ter zitting door Huis & Erf wel met enige nadruk gewezen op de ontwik-kelingen in haar liquiditeitspositie. Zij heeft erop gewezen dat de relatieve gezondheid van haar solvabiliteitspositie niet afdoet aan de zorgelijkheid van haar liquiditeitspositie, die ingrijpen nood-zakelijk maakt. Daaruit leidt de kantonrechter af dat zij haar financiële situatie wel als grond voor het verzoek wil handhaven. Dienaangaande is ter zitting besproken dat Huis & Erf op dit punt niets ter onderbouwing van haar stellingname heeft aangevoerd, omdat jaarstukken (winst- en verliesre-keningen en balansen, met toelichtingen daarop) over de afgelopen jaren ontbreken, evenals de (voorlopige) cijfers over 2011, terwijl ook een prognose voor 2012 niet in het geding is gebracht. Bovendien vindt dit standpunt geen bevestiging in de bevindingen van het WSW (zie r.o. 11, laats-te volzin).

16. Vervolgens heeft de kantonrechter uit een krantenbericht moeten vernemen van het bestaan van een managementbrief 2011 van het accountantskantoor Deloitte, waaruit zou blijken dat de li-quiditeitspositie van Huis & Erf “zeer zorgelijk” en “kritiek” zou zijn. In de publicatie wordt gewe-zen op een verlies bij Huis & Erf over 2011 van 33 miljoen euro. Huis & Erf heeft ter zitting ook met klem op haar liquiditeitspositie gewezen, maar nagelaten om deze managementbrief en andere financiële stukken (de jaarstukken over 2010 of een prognose voor 2012) in het geding te brengen.

17. Resumerend stelt de kantonrechter vast dat de wens van Huis & Erf om tot reorganisatie over te gaan niet onbegrijpelijk of onredelijk is. De OR en de bonden lijken (impliciet) de redelijk-heid daarvan ook in beginsel te onderkennen. Op grond van de thans voorhanden gegevens is ech-ter nog niet voldoende duidelijk in hoeverre gedwongen ontslagen daarbij daadwerkelijk noodzake-lijk zijn en, zo ja, op welke termijn en welke billijke voorziening daarbij op haar plaats is. De fi-nanciële noodzaak is omstreden en in dat geval is het aan Huis & Erf om die noodzaak, die zij als grond voor het verzoek stelt, nader te onderbouwen. Dienaangaande beschikt Huis & Erf kennelijk nog over informatie die voor een beslissing van belang kan zijn. Gegeven de omstandigheid dat de-ze informatie de kantonrechter buiten de zitting om onder ogen is gekomen en gegeven het beginsel van fair play, waaronder hoor en wederhoor, komt de kantonrechter tot het oordeel dat deze zaak moet worden aangehouden om Huis & Erf die informatie formeel in het geding te laten brengen, zodat [werkneemster] zich daar op een behoorlijke manier over kan uitlaten. De belangen van Huis & Erf verzetten zich niet tegen een dergelijke aanhouding, omdat voorshands niet aannemelijk is gewor-den dat Huis & Erf op korte termijn ten onder zal gaan wanneer niet direct tot inwilliging van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt overgegaan.

18. De kantonrechter acht het voorts van belang kennis te kunnen nemen van besluitvorming in de ALV van Huis & Erf over de voorgenomen reorganisatie. Nu zijdens Huis & Erf is aangevoerd dat haar ALV heeft ingestemd met het Plan van Aanpak, verzoekt de kantonrechter Huis & Erf om de notulen van de ALV tijdens welke dit is besproken in het geding te brengen. Voorts lijkt uit een commentaar op publicaties in het Brabants Dagblad, welk commentaar staat vermeld op de inter-netsite van deze krant , te volgen dat op woensdag 29 februari 2012 nog een ledenvergadering van Huis & Erf heeft plaatsgevonden waarbij over de onderhavige problematiek is gesproken. Indien dat juist mocht zijn wenst de kantonrechter ook kennis te kunnen nemen van de notulen van deze vergadering, althans van een kort verslag van hetgeen bij die gelegenheid is besproken.

19. De zaak zal voor een hervatting van het debat tussen partijen worden verwezen naar een zitting op maandag 7 mei 2012, 09.30 uur. Huis & Erf dient de navolgende stukken uiterlijk op 27 april 2012 aan de kantonrechter (en in afschrift aan de gemachtigde van [werkneemster]) te hebben toege-zonden:

• een kopie van de notulen van de algemene ledenvergadering waarbij het Plan van Aanpak is besproken en waarbij de ALV met de uitvoering daarvan heeft ingestemd;

• een kopie van de meest recente ALV tijdens welke de reorganisatie ter discussie heeft ge-staan;

• kopieën van de jaarstukken 2009 en 2010 (winst- en verliesrekeningen, balansen en toe-lichtingen daarop), alsmede de cijfers over 2011, voor zover bekend;

• de managementbrief van Deloitte, opgesteld namens de directie ten behoeve van de Raad van Toezicht van Huis & Erf;

• zo mogelijk: liquiditeitsprognoses voor 2012 voor één of meer van de scenario’s waarnaar in het Plan van Aanpak wordt verwezen.

Zo zij dat wenst, mag Huis & Erf deze vergezeld doen gaan van een (korte) toelichting.

20. Ter zitting is door de heer [P] verzocht om namens de bonden het woord te mogen voeren, hetgeen op dat moment door de kantonrechter niet is toegestaan. Nu Huis & Erf de gele-genheid wordt geboden om harerzijds haar standpunten nog nader te onderbouwen, zal de kanton-rechter [werkneemster] toelaten om, zo zij dat wenst nog een korte verklaring van de heer [P] in het geding te brengen. Voorts is bij gelegenheid van de behandeling van de verzoeken ter zitting gebleken dat de OR overweegt de bedrijfscommissie te benaderen, kennelijk voor een bemidde-lingspoging als bedoeld in artikel 36, lid 3 Wet op de ondernemingsraden (WOR). De kantonrech-ter verzoekt [werkneemster] om een afschrift van het schriftelijk verzoek aan de bedrijfscommissie in het geding te brengen en – zo mogelijk – de resultaten van de bemiddelingspoging van de Bedrijfs-commissie. Ten slotte is ter zitting gebleken dat de OR het voornemen heeft om een forensisch ad-viseur (de heer [C]) en/of onderzoeksbureau [D] een onderzoek te laten uitvoeren naar de door Huis & Erf gepresenteerde cijfers. Mocht dit al tot (voorlopige) rapportages hebben geleid, dan kan [werkneemster] ook die in het geding brengen.

21. Met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor en de voorbereiding op de voortzetting van het debat dienen partijen de over te leggen stukken uiterlijk op vrijdag 27 april 2012 ter griffie in te dienen. Nadien nog binnenkomende stukken zullen in beginsel niet meer bij de beoordeling van de zaak worden betrokken.

22. Tot slot overweegt de kantonrechter nog als volgt. Uit het voorgaande mogen partijen de conclusie trekken dat de kantonrechter het oordeel van zijn collega in r.o. 4.2 van de beschikking in de zaak met nummer 793213 EJ VERZ 11-4968 vooralsnog in zoverre deelt dat voldoende is ge-bleken dat een verandering van de omstandigheden bestaat die in beginsel een reorganisatie recht-vaardigt. Anders dan in die zaak, waarin ook een vertrouwenskwestie speelde die hier niet aan de orde is, is echter in deze zaak nog onvoldoende bekend om te kunnen oordelen of en, zo ja, tegen welk tijdstip een ontbinding aan de orde zou kunnen zijn en welke voorziening daarbij ten gunste van [werkneemster] billijkheidshalve zou moeten worden getroffen. Overleg hierover is vastgelopen, om-dat de bonden en de OR hun vertrouwen in de interim-directeur van Huis & Erf hebben opgezegd. Nu deze inmiddels haar werkzaamheden voor Huis & Erf heeft neergelegd, kan de kantonrechter niet uitsluiten dat het overleg over de termijn waarop en de condities waaronder tot beëindiging van arbeidsovereenkomsten (waaronder mogelijk die van [werkneemster]) kan worden overgegaan alsnog tot resultaat zullen leiden. Of bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming een C-factor van 1,75 op zijn plaats is, valt echter ernstig te betwijfelen. Wellicht dat de ruimte die in de onderhan-delingen is geboden (een aanbod op basis van C = 1,25 bij een snelle ontbinding) een basis voor overeenstemming biedt, waarbij zij opgemerkt dat de aanhouding van deze zaak ook al betekent dat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst vóór 1 juni 2012 niet valt te verwachten. Het bestuur van Huis & Erf, de bonden en de OR wordt daarom in overweging gegeven om van de gegeven termijn gebruik te maken om hun overleg te hervatten. Mocht dat ertoe leiden dat van een volgende zitting kan worden afgezien, dan wel dat een uitstel voor een wat langere termijn wenselijk is, dan kunnen zij ook dat aan de kantonrechter te kennen geven, waarna verder naar bevind van zaken zal worden geoordeeld.

23. Het voorgaande voert dan ook tot de navolgende beslissing. Elke verdere beoordeling en beslissing wordt aangehouden.

4. De beslissing.

De kantonrechter:

bepaalt dat, behoudens andersluidende wens van beide partijen, de mondelinge behandeling van het verzoek zal worden voortgezet op maandag 7 mei 2012 om 09.30 uur;

bepaalt dat partijen de stukken, genoemd in de rechtsoverwegingen 19, 20 en 21 uiterlijk op vrijdag 27 april 2012 in het geding dienen te brengen door toezending aan ter griffie van de kantonrechter;

houdt elke verdere beoordeling en beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J.M. Cremers, kantonrechter, en door hem uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

Typ.RC/Coll.: