Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV7949

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
01/839565-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Enkelvoudige fotoconfrontatie: Bij de beoordeling van de waarde van een enkelvoudige fotoconfrontatie spelen het tijdsverloop tussen de ontmoeting en het tonen van de foto een rol, alsmede de hoedanigheid en frequentie waarin de getuige en de verdachte elkaar eerder hebben getroffen. Een enkelvoudige fotoconfrontatie kan niet als bewijs gelden wanneer getuige en verdachte elkaar slechts eenmaal hebben gezien en er een periode van ongeveer negen maanden ligt tussen deze ontmoeting en het moment dat aan de getuige de foto werd getoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839565-11

Datum uitspraak: 7 maart 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 november 2011, 21 februari 2012 en 22 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 november 2011.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 21 februari 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2011

tot en met 24 augustus 2011 te Eindhoven en/of Valkenswaard en/of Veldhoven en/of elders, (telkens) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde

heroïne en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

artikel 2 Opiumwet

artikel 47 Wetboek van Strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan (handelen in harddrugs). Zij voert daartoe aan dat uit de sms-contacten tussen verdachte en [medeverdachte] blijkt dat zij in de periode van 22 april 2011 tot 3 mei 2011 en in de periode van 1 juni 2011 tot 4 juni 2011 in versluierde termen met elkaar hebben gesproken over de handel in drugs. Daarnaast baseert de officier van justitie zich op de verklaringen van [getuige 1],[getuige 4] en [getuige 2]. De officier van justitie heeft tevens meegewogen de grote hoeveelheid contant geld en de kleine coupures waarin dit geld is aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte. Naar de mening van de officier van justitie duidt deze vondst op de handel in drugs, temeer omdat verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft voor de herkomst van het aangetroffen geld. Op basis van het voorgaande heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Namens verdachte is betoogd dat de resultaten van de enkelvoudige fotoconfrontatie niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

Het geld dat is aangetroffen in de woning is afkomstig van de autohandel. De sms-berichten zien niet op drugshandel.

Vrijspraak.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de herkenning van een verdachte op basis van een door de politie aan een getuige getoonde foto van verdachte onder omstandigheden voor het bewijs kan worden gebruikt. Wel is het van belang met de enkelvoudige fotoconfrontatie zorgvuldig om te gaan.

De enkelvoudige fotoconfrontatie kan slechts worden gebruikt in het geval de getuige en de verdachte elkaar voorafgaande aan de fotoconfrontatie kenden. Daarnaast is bij de beoordeling van de waarde van een enkelvoudige fotoconfrontatie het tijdsverloop tussen de ontmoeting en het tonen van de foto van belang, alsmede de hoedanigheid en frequentie waarin de getuige en de verdachte elkaar eerder hebben getroffen.

[verbalisant1] en [verbalisant2] horen op 28 september 2011 omstreeks 14:42 uur op een niet in het proces-verbaal vermeld adres [getuige 2] en omstreeks 14:50 uur op de [adres] te [getuige 3]. Uit de processen-verbaal valt niet met zekerheid op te maken of de getuigen bij elkaars verhoor aanwezig zijn geweest, maar omdat zij op hetzelfde adres wonen en kort na elkaar zijn gehoord, acht de rechtbank die mogelijkheid niet uitgesloten. [getuige 4] en [getuige 2] verklaren, nadat zij een foto van verdachte getoond krijgen, dat zij deze man eenmaal, kort (anderhalve minuut), hebben gezien. Getuige [getuige 2] voegt hieraan toe dat deze ontmoeting plaats heeft gevonden even na Kerst.

De rechtbank is van oordeel dat nu de getuigen [getuige 4] en [getuige 2] verdachte slechts eenmaal hebben gezien en er een periode van ongeveer negen maanden lag tussen deze ontmoeting en het moment dat aan de getuigen de foto werd getoond, de positieve herkenning van verdachte niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, nu niet uit te sluiten valt dat de getuigen in elkaars aanwezigheid een verklaring hebben afgelegd er rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat beide getuigen elkaar hebben beïnvloed.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige 1] niet tot bewijs kan dienen. Getuige [getuige 1] verklaart dat zij eind september 2010 via ene (naam persoon) van verdachte drugs heeft gekocht. Ook hier betreft het een herkenning via een enkelvoudige fotoconfrontatie en lijkt het te gaan over een enkel contact geruime tijd geleden. Bovendien valt de maand september 2010 buiten de tenlastegelegde periode.

In de woning van verdachte is een grote som geld in kleine coupures aangetroffen en in het sms-contact tussen verdachte en [medeverdachte] wordt in versluierde taal gesproken. Beide feiten kunnen een indicatie vormen voor betrokkenheid bij de handel in drugs. De rechtbank is echter van oordeel dat, nu er geen ander bewijs voorhanden is op grond waarvan kan geconcludeerd dat dit geld en de sms-jes daadwerkelijk betrekking hebben op drugshandel er onvoldoende bewijs is om het ten laste gelegde te bewijzen.

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Teruggave inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de teruggave van alle inbeslaggenomen goederen aan verdachte zoals vermeld op de beslaglijst te weten: de in de beslaglijst 1 tot en met 5 genummerde goederen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. M.M. Klinkenbijl en mr. H.H.E. Boomgaart, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Levinsohn, griffier,

en is uitgesproken op 7 maart 2012.