Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV6731

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
01/839640-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 4 jaar gevangenisstraf wegens poging doodslag meermalen gepleegd.

Verdachte heeft tijdens een handgemeen twee keer met een mes gestoken in het bovenlichaam van een persoon en een keer met een mes gestoken in het bovenlichaam van een andere persoon. Er is sprake van voorwaardelijk opzet omdat zich op de plaatsen waar is gestoken vitale lichaamsdelen bevinden. Het beroep op noodweer(exces) is verworpen omdat verdachte de confrontatie heeft opgezocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839640-11

Datum uitspraak: 24 februari 2012

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 december 2011 en 10 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 november 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 25 september 2011, te Eindhoven,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

-[slachtoffer1] en/of

-[slachtoffer2] en/of

-[slachtoffer3],

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met dat opzet met een mes, althans een

scherp en/of puntig voorwerp,

-in de rug, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer1] heeft

gestoken, en/of

-in de (rechter)borst en/of onder de oksel, althans in het bovenlichaam, van

die [slachtoffer2] heeft gestoken, en/of

-stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het (boven)lichaam van

die [slachtoffer3],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 287/45 wetboek van strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de poging tot doodslag met betrekking tot [slachtoffer3] niet wettig bewezen kan worden, nu slechts [slachtoffer3] zelf daarover heeft verklaard en er verder in het dossier geen steunbewijs aanwezig is. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel vrijspreken.

De feiten

Op 25 september 2011 zat verdachte samen met zijn vriendin [persoon1] op een bank bij een vijver in een parkje nabij de Puttensedreef te Eindhoven. [slachtoffer1], zijn zoon [slachtoffer2] en [slachtoffer3] reden op dat moment met hun fiets over de Puttensedreef in de richting van het Rijsven. Vanuit deze groep en door verdachte en zijn vriendin zijn over en weer opmerkingen gemaakt en/of werd er over en weer naar elkaar gescholden.1 Verdachte is vervolgens opgestaan van de bank en is naar de groep gelopen. [verdachte1], [slachtoffer2] en [slachtoffer3] zijn gestopt, hebben hun fietsen achtergelaten en zijn naar verdachte gelopen.2 Er is vervolgens een handgemeen ontstaan, waarbij verdachte [verdachte1] eenmaal en [slachtoffer2] tweemaal met een mes heeft gestoken.3

Bij [verdachte1] is in de linkerflank van zijn buikholte een steekwond met een forse inwendige bloeding geconstateerd, waarvoor hij langdurig in het ziekenhuis werd opgenomen.4 Bij [slachtoffer2] zijn twee steekwonden geconstateerd, namelijk links onder de oksel met bloeding en rechts in de borstkas onder het sleutelbeen. Verder is vastgesteld dat de rechterlong van [slachtoffer2] over een klein deel is ingeklapt. [slachtoffer2] is in het ziekenhuis opgenomen geweest van 25 tot en met 27 september 2011.5

Het oordeel van de rechtbank

Op de plaatsen waar verdachte [verdachte1] en [slachtoffer2] in het lichaam heeft gestoken bevinden zich vitale lichaamsdelen. Er was daarom naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke kans dat beide slachtoffers door de steken met het mes het leven zouden laten. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de jongen (rechtbank: lees [slachtoffer2]) met het mes in zijn been wilde steken, maar dat hij hem op een andere plaats raakte omdat de jongen plotseling een bukkende beweging maakte. Voorts heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij daarna de oudere man (rechtbank: lees [verdachte1]) met het mes raakte omdat hij bijna viel met het mes in zijn hand. De rechtbank vindt deze verklaring, die niet ondersteund wordt door de overige bewijsmiddelen, niet geloofwaardig. De rechtbank acht bewezen dat verdachte door met het mes te steken op plaatsen van het lichaam waar zich vitale lichaamsdelen bevinden bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [verdachte1] en [slachtoffer2] heeft aanvaard. Er is daarom sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van beiden.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 25 september 2011, te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

-[slachtoffer1] en

-[slachtoffer2] van het leven te beroven, telkens met dat opzet met een mes,

-in de rug, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer1] heeft

gestoken, en

-in de (rechter)borst en onder de oksel, vandie [slachtoffer2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat sprake is van noodweer dan wel noodweerexces, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft daartoe het volgende opgemerkt:

Verdachte heeft op enig moment met zijn hoofd tegen het hoofd van [slachtoffer1] gestaan. [slachtoffer2] en [slachtoffer3] stonden daar omheen. Verdachte wordt vervolgens tegen zijn hoofd geslagen en hij wordt vastgepakt/omklemd. Op dat moment was er sprake van een noodweersituatie. Verdachte kon zich op dat moment niet verwijderen, want hij werd vastgehouden. De drie mannen waren allemaal groot, zo niet groter van verdachte. Op een bepaald moment kon verdachte een paar stappen achteruit zetten, maar nog kwam er iemand op hem af. Op dat moment had verdachte het mes in zijn handen. Naar het gevoel van verdachte kon hij die persoon alleen op afstand houden door gebruik te maken van het mes, waarbij hij het risico moest lopen dat iemand werd geraakt. Verdachte kon feitelijk niet anders handelen dan dat hij gedaan heeft. Er is dus sprake van noodweer en het geweld dat verdachte gebruikt heeft is proportioneel. Voor het geval de rechtbank het verweer op noodweer verwerpt is er -aldus de raadsman- sprake van noodweerexces. Er was bij verdachte sprake van een hevige gemoedsbeweging. Verdachte zegt dat hij op dat moment in paniek was en dan ga je verder dan onder normale, rustige omstandigheden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf van verdachte of dat van zijn vriendin, waarbij verdediging noodzakelijk was. Van een noodweersituatie is geen sprake en daarom kan er ook geen sprake zijn van noodweerexces.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer stelt de rechtbank het volgende voorop.

Gedragingen van verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie (zie onder meer HR 2 februari 2010, LJN: BJ 9243).

De getuige [persoon1] (vriendin van verdachte) heeft als volgt verklaard:

"(...) Op een gegeven moment stonden de jongens stil, dat was een stuk voorbij het bankje waar we zaten. Mijn vriend was opgestaan. Hij riep toen "kom dan mietjes" en liep in de richting van de jongens. Ik zei nog tegen mijn vriend "doe dat nou niet", maar hij is eigenwijs. Hij gaf toen de telefoons aan mij. Ik wilde niet dat hij naar de jongens ging omdat ik bang was dat er iets met hem zou gebeuren. Zelf liep ik een stuk mee. De sfeer was dreigend. Ik zag dat de jongens het park inliepen. Op een gegeven moment stonden de vader en mijn vriend heel dicht tegenover elkaar, neus op neus. Ik vond het heel dreigend overkomen. Mijn vriend en de vader zagen er breed uit en ze stonden met hun gezichten bijna tegen elkaar. Ik hoorde dat de vader riep: "Wat is jouw probleem?". Toen zei mijn vriend: "met jou heb ik geen probleem, maar wel met die twee zonen van je". Ik zag toen dat de jongen die bij zijn vader achterop de fiets zat een klap in het gezicht van mijn vriend gaf. (...) Mijn vriend heeft dat mes eigenlijk altijd bij zich. Het mes is niet zo heel groot. Het mes kun je inklappen en heeft een snijkant. Toen mijn vriend werd geslagen hoorde ik de derde man roepen "niet doen, want hij heeft een mes bij zich". Ondertussen riep de vader "ja dat klopt, ik ben al gestoken". De derde man riep "pas op" omdat de zoon mijn vriend weer wilde slaan. Ik zag dat de zoon weer naar mijn vriend liep, mijn vriend was ondertussen achteruit gelopen. Toen die zoon naar mijn vriend liep, zag ik dat hij een beweging maakte met zijn armen. Ik zag dat de jongen zijn armen hoog hield. Ik vond het erop lijken alsof deze jongen zichzelf wilde beschermen voor het steken. Ik denk dat hij niet gestoken wilde worden. Direct daarna ben ik weggerend.6

De getuige [getuige1] heeft als volgt verklaard:

(..) Er werd over en weer geroepen(...) Ik hoorde dat ze elkaar begonnen uit te dagen. Er werd over en weer geroepen "kom dan hier". De jongen van de bank stond op en ze liepen op elkaar af (...). Ze gingen met zijn drieën of vieren om de man heen staan. Er ontstond een gesprek tussen de man met de roze blouse (rechtbank: lees verdachte) en een van de andere mannen. Deze had een witte blouse aan (rechtbank: bedoeld wordt [verdachte1]). Toen begon een man van de groep te slaan. Een man begon hem (rechtbank: lees verdachte) te pakken. Toen stoofden ze uit elkaar(...). Van het geschreeuw kan ik me de strekking nog herinneren. Het ging over verwensingen naar elkaar (...). Het kwam op mij agressief en provocerend over. Het ging over en weer. Het ging tussen de jongen en het clubje op de fietsen(...). De jongen met de roze blouse zat op de bank met dat meisje. Er werd geschreeuwd. Die jongen draaide om en begon terug te schreeuwen. Daarna begonnen ze elkaar uit te dagen(..).7

De rechtbank leidt uit deze verklaringen af dat verdachte de confrontatie heeft opgezocht door de groep, waartoe de slachtoffers behoorden, eerst uit te dagen en vervolgens op deze groep af te lopen. Gelet hierop komt verdachte geen beroep op noodweer toe, ook niet als hij nadien eerst is geslagen door een van de leden van de andere groep voordat hij de messteken toebracht. De door verdachte ter terechtzitting gegeven toelichting dat hij op de groep is afgelopen omdat hij zijn zwangere vriendin wilde beschermen acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op de bewoordingen die verdachte volgens de beide hiervoor aangehaalde getuigen voor de confrontatie heeft gebezigd, namelijk "kom dan mietjes" of "kom dan hier". Nu er geen sprake was van noodweer gaat een beroep op noodweerexces ook niet op. Het verweer wordt verworpen.

Er zijn voorts geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Voor de poging tot doodslag op [slachtoffer1] en [slachtoffer2]: een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaar met aftrek voorarrest.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer3] dient niet ontvankelijk te worden verklaard, nu verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2] kan voor het gehele bedrag € 750,= worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij [verdachte1] kan voor het gehele bedrag worden toegewezen (€ 189,89 materiële schade en € 3100,= immateriële schade).

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman is van mening dat een gevangenisstraf thans niet op zijn plaats is gelet op het aanstaande vaderschap van verdachte en het feit dat hij nu werk heeft. Verdachte heeft geen relevant strafblad. De raadsman stelt voor om niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een maximale taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum, en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Ten bezware van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft, door driemaal met een mes te steken, een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van zowel [slachtoffer1] als [slachtoffer2] gemaakt. Hij heeft zijn slachtoffers daarbij veel leed berokkend. Bovendien heeft verdachte het delict in het openbaar en op klaarlichte dag gepleegd. Door een dergelijk feit worden algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving aangewakkerd.

Verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een groot en levensbedreigend gevaar voor zijn medemensen in het leven geroepen en heeft zich om het lot van de slachtoffers volstrekt niet bekommerd.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat niet alleen verdachte, maar ook de groep van drie personen, waarvan beide slachtoffers deel uitmaakten, de confrontatie heeft opgezocht.

De rechtbank beseft dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf grote nadelige gevolgen voor verdachte kan hebben voor wat betreft zijn vaste baan en zijn aanstaande vaderschap. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van het feit en in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten de gevorderde materiële schadevergoeding ten bedrage van € 189,89, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering betreffende immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat het niet uitgesloten moet worden geacht dat in casu sprake is van medeschuld van de benadeelde partij. Dit is in het kader van het strafproces niet eenvoudig vast te stellen. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer3].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer2].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering betreffende immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat het niet uitgesloten moet worden geacht dat in casu sprake is van medeschuld van de benadeelde partij. Dit is in het kader van het strafproces niet eenvoudig vast te stellen. De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 45, 57, 287.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Beveelt de teruggave aan [verdachte1] (verdachte) van de in beslaggenomen nog niet teruggeven voorwerpen, te weten een spijkerbroek en een zwart shirt.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 189,89 subsidiair 3 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer (naam) van een bedrag van EUR 189,89

(zegge: eenhonderdnegenentachtig euro en negenentachtig eurocent), bij gebreke

van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit de gevorderde materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van

het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij (naam), van een bedrag van EUR 189,89 (zegge: eenhonderdnegenentachtig euro en negenentachtig eurocent), ter zake materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de

datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer3] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer2] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J. Appelhof, voorzitter,

mr. E.C.M. de Klerk en mr. S. van Lokven, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 24 februari 2012.

mr. E.C.M. de Klerk, mr. S. van Lokven en J.C. de Steur zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring (pag. 66-67 van het proces-verbaal van politie met dossiernummer 2233110354, hierna te noemen eindproces-verbaal) en verklaring [persoon1] (pag. 73-79 eindproces-verbaal)

2 Verklaring [persoon1] (pag. 73-79 eindproces-verbaal) en verklaring [getuige1] (pag. 84-88

eind proces-verbaal)

3 Verklaring (pag. 65-69 eindproces-verbaal), verklaring [slachtoffer2] (pag. 43-45

eindproces-verbaal) en verklaring verdachte ter terechtzitting van 10 februari 2012

4 Medische info d.d. 13 februari 2011 van dokter (voorin het dossier)

5 Medische info d.d. 3 oktober 2011 van chirurg (pag. 47 einddossier)

6 Verklaring van de getuige [persoon1] (pag. 73-79 eindproces-verbaal)

7 Verklaring van de getuige [getuige1] (pag. 84-88 eindproces-verbaal)