Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV2888

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
01/996002-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, terwijl hij bij zijn werkgever in dienstbetrekking werkzaam was als directeur vastgoed, geld heeft ontvangen in verband met vastgoed transacties, waarbij zijn werkgever als koper dan wel als verkoper was betrokken, terwijl hij dit aannemen van deze geldbedragen heeft verzwegen tegenover zijn werkgever. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, doordat hij in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij de gedragscodes, zoals die binnen het bedrijf van zijn werkgever gelden heeft nageleefd en verdachte heeft fiscale fraude gepleegd.

De rechtbank legt een zwaardere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde werkstraf. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/996002-06

Datum uitspraak: 07 februari 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 1 juni 2011 en 24 januari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 september 2008.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 januari 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 27 april 2002 tot en met

2 juli 2004 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Heerlen en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 2000 en/of 2001 en/of 2002 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte

(telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven en/of Heerlen ingeleverde aangifte(n) inkomstenbelasting -zakelijk weergegeven-

- over het jaar 2000 als belastbaar inkomen een bedrag van f 157.470,- vermeld, in elk geval een te laag belastbaar inkomen vermeld en/of

- over het jaar 2001 in/op het voorblad van dat aangiftebiljet (door ondertekening door of namens verdachte) verklaard dat hij alle vragen die op hem, verdachte van toepassing zijn, ingevuld heeft meegezonden met heth voorblad, zulks terwijl in de ruimte op het voorblad, bestemd voor het aankruisen van de meegezonden aangiftebladen, de/het aangifteblad(en)

waarop/waarin de opbrengsten uit overige werkzaamheden vermeld moeten worden niet is /zijn aangekruist en/of niet is/zijn meegezonden met het voorblad, terwijl verdachte in werkelijkheid opbrengsten uit overige werkzaamheden heeft genoten en/of

- over het jaar 2002, als opbrengsten uit overige werkzaamheden (onder 8a in die aangifte) en/of als inkomsten uit overige werkzaamheden (onder 8c in die aangifte) (telkens) 0,00 euro vermeld, althans een te laag bedrag aan opbrengsten uit overige werkzaamheden en/of aan inkomsten uit overige werkzaamheden vermeld,

terwijl die feiten / dat feit (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(bijlagen D/065 tot en met D/067)

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij op drie, althans een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand augustus 2000 tot en met de maand december 2002 in de gemeente Eindhoven, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in

Nederland, een '[Gedragscod[bedrijf1]', gedagtekend 21 augustus 2000 en/of een '[gedragscode2]', gedagtekend 9 januari 2002 en/of een '[gedragscode3]', gedagtekend 20 december 2002 - zijnde (telkens) (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren / was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijken in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

- door ondertekening van die '[Gedragscode1]', gedagtekend 21 augustus 2000 bevestigd bekend te zijn met de inhoud van die gedragscode en/of verklaard in 2000 voornoemde gedragscode te zullen naleven en/of in 1999 alsmede ook in 2000 tot aan de datum van ondertekening de bepalingen van die gedragscode te hebben nageleefd en/of

- door ondertekening van die '[gedragscode2]', gedagtekend 9 januari 2002 bevestigd bekend te zijn met de inhoud van die gedragscode, inclusief de bijlage '[richtlijnen1]' en/of verklaard in 2001 de bepalingen van de gedragscode te hebben nageleefd en/of in 2002 de gedragscode te zullen naleven en/of

- door ondertekening van die '[gedragscode3]', gedagtekend 20 december 2002 bevestigd bekend te zijn met de inhoud van die gedragscode en/of verklaard in 2002 de bepalingen van de toen geldende gedragscode met bijlagen te hebben nageleefd en/of in 2003 de gedragscode, inclusief alle bijlagen te zullen naleven en/of,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(bijlagen D/50 t/m D/52)

artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2000 tot en met de maand februari 2003 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Heerlen en/of te Aerdenhout in de gemeente Bloemendaal en/of te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, (telkens) anders dan als ambtenaar, immers als fondsmanager en/of directeur kantorenfonds vastgoed en/of portfoliomanager en/of directeur commercieel vastgoed en/of directeur kantorenfonds en/of directeur vastgoed, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf1] en/[bedrijf3]f2] en/of Stichting [bedrijf3] en/of [bedrijf4] en/of [bedrijf5], naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, (telkens) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) heeft aangenomen, namelijk

een of meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot 1.162.223,- euro, althans 719.864,- euro, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld, zijnde (telkens) (een) betaling(en) aan hem, verdachte, via [BV1], waarvan hij, verdachte de aandelen in economische eigendom heeft, als winstdeling in verband met

= de aankoop door [bedrijf1] van de/het pand(en) [pand1] te [adres1] en/of [pand2] te [adres2] en/of [pand3] te [adres3] en/of [pand4] te [adres4] en/of [pand5] te [adres5] en/of een of meer (andere) pand(en) en/of

= de verkoop door [bedrijf1] van de/het pand(en) [pand6] te [adres6] en/of [pand1] te [adres1] en/of [pand[pand7],

en dit aannemen (telkens) in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;

art. 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden en heeft daartoe de volgende verweren gevoerd.

1. Bij de start van het onderzoek zijn rechten van verdachte geschonden. De belasting- dienst heeft misbruik gemaakt van zijn bevoegheden. De belastingdienst heeft mogelijk zijn administratieve bevoegdheden gebruikt voor de opsporing van strafrechtelijk feiten en het vergaren van strafrechtelijk bewijs.

2. De verdediging heeft aangevoerd dat in de onderhavige zaak de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM zodanig groot was dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

3. Verdachte heeft zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat [betrokkene1] niet is vervolgd, terwijl hij een soortgelijke rol als verdachte zou hebben vervuld.

Het standpunt van de officier van justitie.

1. De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij ontvankelijk is in de vervolging. Voor de weerlegging van het verweer dat de belastingdienst misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden heeft de officier van justitie verwezen naar het aanvullend proces-verbaal d.d. 14 september 2011 en een brief d.d. 20 oktober 2011 met bijlagen van de contactambtenaar AWR.

2. Ook de officier van justitie is van mening dat de redelijke termijn is overschreden. Deze termijnoverschrijding dient niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, maar tot strafvermindering.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ad 1. Misbruik van bevoegdheid

Op grond van het genoemde aanvullend proces-verbaal en genoemde brief, bezien in samenhang en onderling verband met de overige stukken in het dossier, kan het volgende worden vastgesteld.

De Belastingdienst te Haarlem is in het kader van de reguliere aanslagregeling geconfronteerd met een aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2000 van [BV2]. Deze vennootschap had in de jaren daarvoor een compensabel beleggingsverlies gerealiseerd, dat in 2000 geheel werd gecompenseerd door een grote winst op een onroerendgoedtransactie, waarbij [BV2]. de desbetreffende onroerende zaak op één en dezelfde dag aan- en verkocht.

Deze transactie is ter toetsing voorgelegd aan Trafi (team research analyse fiscale/financiële informatie, onderdeel van de belastingdienst) en vervolgens administratief onderzocht.

Op 3 november 2003 heeft Trafi over dit administratieve onderzoek advies ingewonnen bij de FIOD. Toen is geconcludeerd dat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Trafi heeft het administratieve onderzoek voortgezet en de resultaten vervolgens op 15 april 2004 opnieuw met de FIOD besproken. Op dat moment werd wel een redelijk vermoeden van strafbare feiten aangenomen. Tijdens het Tri Partite Overleg (TPO) van 25 mei 2005 is de zaak [verdachte1] geaccepteerd voor strafrechtelijk onderzoek.

De rechtbank overweegt dat er op 3 november 2003 een fiscaal belang bestond om het Trafi onderzoek voort te zetten. De strafrechtelijke waarborgen voor een verdachte mogen daarbij echter niet worden geschonden wanneer de resultaten ervan in een opsporingsonderzoek of in een strafrechtelijke procedure worden gebruikt. Ook mogen de controlebevoegdheden van de belastingdienst niet exclusief worden ingezet ten behoeve van opsporing.

In de onderhavige zaak heeft de verdediging niet concreet aangegeven waaruit eventuele schending van de rechten van verdachte bestaat en heeft de rechtbank overigens geen aanwijzingen dat dit het geval is. Het is niet aannemelijk geworden dat de grenzen die aan de opsporing zijn gesteld zijn overschreden door doelbewust controlebevoegdheden van belastingdienstambtenaren ten behoeve van de opsporing in te zetten. Op 3 november 2003 mocht het administratieve onderzoek dan ook worden voortgezet. Er zijn verder geen aanwijzingen dat acceptatie van het strafrechtelijk onderzoek niet volgens de toepasselijke ATV-richtlijnen is gebeurd.

De rechtbank verwerpt dan ook het onder 1 vermelde beroep op niet-ontvankelijkheid.

Ad 2. Overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank overweegt het volgende.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens een betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding worden in ieder geval als een zodanige handeling aangemerkt. In deze zaak is verdachte op 15 februari 2006 aangehouden en in verzekering gesteld. De rechtbank merkt 15 februari 2006 aan als datum waarop deze termijn is gaan lopen.

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (zie hiervoor onder a, b en c).

De onderhavige strafzaak betreft een ingewikkelde fraudezaak met meerdere verdachten. Lange tijd is geprobeerd om de vier verdachten gelijktijdig te berechten, hetgeen omwille van duidelijkheid en proceseconomie de voorkeur verdient.

Omdat de bezwaarschriftprocedures tegen de dagvaarding van twee van deze vier verdachten, die zijn ingezet op 29 oktober 2008, nog steeds niet zijn afgerond, de zaken liggen voor de tweede keer bij de Hoge Raad, is besloten om niet langer te wachten met de behandeling van de zaken van verdachte en één medeverdachte.

De handelwijze van verdachte en zijn raadsman heeft geen significante vertragende invloed gehad op het procesverloop.

Op grond van bovenstaande bijzondere omstandigheden stelt de rechtbank de redelijke termijn in de onderhavige zaak op drie jaar.

Het eindvonnis in de onderhavige zaak zal op 7 februari 2012 worden gewezen, dus bijna zes jaar na aanvang van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in deze zaak fors (met bijna drie jaar) is overschreden.

Onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 17 juni 2008, LJN: BD2578) is de rechtbank van oordeel dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Overschrijding van de redelijke termijn zal worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

De rechtbank verwerpt het onder 2 vermelde beroep op niet ontvankelijkheid.

Ad 3. Beroep op het gelijkheidbeginsel.

Voorop gesteld wordt dat op grond van het opportuniteitsbeginsel de officier van justitie een grote mate van vrijheid toekomt bij zijn beslissing of een verdachte wel of niet wordt vervolgd. Verder geldt in de onderhavige zaak dat de gelet op de bijzondere positie van verdachte binnen [bedrijf1] en zijn betrokkenheid bij de tot stand gekomen transacties, zoals hierna uiteengezet, het aandeel van [betrokkene1] niet te vergelijken is met dat van verdachte. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan reeds om die reden niet slagen.

De rechtbank verwerpt het onder 3 vermelde beroep op niet ontvankelijkheid.

De rechtbank is ook overigens van oordeel dat niet is gebleken dat de officier van justitie niet in zijn vervolging kan worden ontvangen en verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmotivering1.

De tenlastelegging.

Verdachte wordt in feit 3 kort gezegd verweten dat hij, terwijl hij bij [bedrijf2] en/of [bedrijf4] in dienstbetrekking werkzaam is als directeur vastgoed, via [BV1], een rechtspersoon waarvan hij niet de juridische, maar wel de economische eigendom bezat, , geld heeft ontvangen voor hetgeen hij in dienstbetrekking bij [bedrijf1] heeft gedaan of nagelaten. Hij zou als winstdeling grote bedragen hebben ontvangen in verband met vastgoed transacties waarbij zijn werkgever [bedrijf2] en/of [bedrijf4] als koper dan wel als verkoper was betrokken, terwijl hij dit aannemen van deze geldbedragen heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

Verdachte wordt in feit 2 kort gezegd verweten dat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd, omdat hij op een aantal "Verklaringen gedragscodes" in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij de bepalingen in de gedragscodes die binnen het bedrijf [bedrijf1] gelden heeft nageleefd. Voor de inhoud van de betrokken gedragscodes wordt verwezen naar de hieronder geciteerde teksten.

In feit 1 wordt verdachte kort gezegd verweten dat hij bovengenoemde inkomsten niet/ dan wel niet volledig heeft vermeld op de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2000-2001-2002.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft aangevoerd dat hem, hoewel hij zijn werkgever niet heeft ingelicht, geen verwijt treft, omdat hij wellicht niet naar de letter van de gedragscode heeft gehandeld, maar wel naar de geest daarvan. Hij heeft bij alle onderhandelingen waarbij hij voor [bedrijf1] was betrokken altijd gehandeld in het belang van [bedrijf1], zodat [bedrijf1] geen nadeel heeft ondervonden van vastgoed transacties waarbij ook rechtspersonen partij waren die mogelijk in enige relatie stonden tot [BV3], de beleggingsclub waarvan verdachte via [BV1] deel uitmaakte. Op advies van medeverdachten [verdachte2] en [verdachte3] is een constructie in het leven geroepen waardoor verdachte kon voorkomen dat er sprake zou zijn van conflict of interest. Verder vertrouwde verdachte volledig op deskundigheid van [verdachte2] en [verdachte3]. Verdachte heeft zoveel mogelijk afstand gehouden van de activiteiten van [BV3]. Ook bemoeide hij zich niet met de gang van zaken binnen [BV1]. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat [BV1] geld ontving van beleggingsactiviteiten van [BV3]. [BV1] kende hij niet.

Tenslotte ontkent verdachte dat hij opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan. De aangiften werden door zijn adviseur [betrokkene2] ingevuld. Verdachte zag geen aanleiding te veronderstellen dat de gelden die binnenkwamen via [BV1] zouden moeten worden geduid als "persoonlijk verrichte werkzaamheden elders", "als andere inkomsten uit arbeid" of als "resultaat uit overige werkzaamheid". Hij dacht dat hij een deelneming had in een BV ([BV1]), die een deelneming had in een andere BV ([BV3]).

Inleidende overweging ten aanzien van de positie van verdachte binnen [bedrijf1] en zijn betrokkenheid bij [BV1]

Ten aanzien van de dienstbetrekking van verdachte bij [bedrijf1].

Verdachte was van 1 maart 1997 tot 1 maart 2003 in loondienst werkzaam bij [bedrijf1] ([bedrijf1]).2 In de ten laste gelegde periode was hij portfoliomanager, directeur commercieel vastgoed en directeur vastgoed.3 Hij maakte voorstellen met betrekking tot aankoop en verkoop van vastgoed aan de statutair directeur [betrokkene4] en de Raad van Commissarissen.4 Verdachte zocht naar panden, bracht ze in, onderhandelde namens [bedrijf1], maakte transactievoorstellen voor de Raad van Commissarissen en rondde de onderhandelingen af. Hij was voor de markt het gezicht van [bedrijf1].5

[BV1].

Op 22 juni 2000 werd [BV1] opgericht door [betrokkene3]6, waarna verdachte op 3 juli 2000 in economische zin alle aandelen verwierf. In de akte van overdracht is vermeld dat verdachte vanaf die datum gerechtigd was tot alle baten en lasten verbonden aan de aandelen, daaronder begrepen dividenduitkeringen en andere uitkering aan aandeelhouders. [betrokkene3] heeft zich daarbij verbonden om op eerste verzoek van verdachte de aandelen tevens in juridische zin te leveren, waartoe [betrokkene3] per 3 juli 2000 aan verdachte een onherroepelijke volmacht verleende. [betrokkene3] verleende verdachte per die datum eveneens een volmacht aan verdachte om namens hem de aandeelhoudersvergaderingen van [BV1] bij te wonen en daarin stemrecht uit te oefenen.7 [betrokkene3] bleef juridisch eigenaar en verdachte was economisch eigenaar van [BV1]. Volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel bleef [betrokkene3] ook na 3 juli 2000 directeur van [BV1]. Verdachtes rol binnen deze BV was dan ook voor derden niet kenbaar.8

[betrokkene3] heeft verklaard dat verdachte de touwtjes in handen had en dat hij aan hem feitelijk leiding gaf. [betrokkene3] deed de boekhouding, maar in feite stelde dat volgens hem niets voor, omdat het geld dat er in kwam er ook weer uit ging. Als verdachte hem opdracht gaf iets te tekenen of een bedrag over te maken op zijn privébankrekening, dan deed [betrokkene3] dat direct. Er stond niemand op de loonlijst. [betrokkene3] had geen betrokkenheid bij transacties. Verdachte bepaalde wanneer er geld diende te worden overgemaakt.9 De rechtbank concludeert hieruit dat [betrokkene3] slechts een papieren directeur was terwijl verdachte in feite van de hoed en de rand wetende de directie voerde.

Verdachte was door [betrokkene1] in 2000 gevraagd mee te doen in een door verdachte zo genoemd 'beleggingsvehikel'. Daarbij ging het om een constructie met splitsing van juridische en economische eigendom van een besloten vennootschap.10 [betrokkene1] verklaart dat [betrokkene3] directeur was van de vennootschappen van hem, [verdachte3] en [verdachte2] en dat verdachte er bijgekomen is met een zelfde opgetuigde structuur van een persoonlijke vennootschap met [betrokkene3] als directeur.11 Verdachte verklaart daarover dat [betrokkene3] als directeur optrad net als bij de vennootschappen van [verdachte3], [verdachte2] en [betrokkene1], voor wie hetzelfde gold als voor hem, dat er een conflict of interest mogelijk was voor ieders werkgever en dat daarom voor de constructie was gekozen. Verdachte kon zich niet actief naar de markt toe presenteren, omdat verdachte bij [bedrijf1] werkzaam was.12

[verdachte3] verklaart dat [BV3] bestond voor lange termijnbeleggingen en [BV1] met dezelfde achterliggende personen was bedoeld voor handelstransacties. [verdachte3] zegt, dat [BV3] was bedoeld als oudedagsvoorziening voor hem, [verdachte2], [betrokkene1] en verdachte en dat [BV1] diende om voor hen inkomen te genereren.13 Verdachte had via [BV1] een aandeel in [BV3].14 [verdachte3] verklaart verder dat ieder daarbij zijn eigen inbreng had qua capaciteiten. Voor verdachte gold, dat hij goed was met zijn netwerk en met zijn vastgoedkennis onderzocht of een object geschikt was voor de handel.15 Per onroerendgoedtransactie werd er een winstverdelingsovereenkomst opgesteld, waarbij betrokkenen vertegenwoordigd door hun rechtspersonen met elkaar afspraken hoe het resultaat werd verdeeld. Bij de personen die aan de kant van of achter [BV1] erbij waren, waren altijd [verdachte3], verdachte, [verdachte2] en [betrokkene1]. Volgens [verdachte3] was verdachte op de hoogte van de strategie achter [BV1].16 [verdachte2] heeft verklaard dat [BV1] aan verdachte toebehoorde en dat verdachte alle zeggenschap had.17

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat verdachte het in [BV1] vanaf 3 juli 2000 feitelijk voor het zeggen had en verantwoordelijk was voor het doen en laten van de vennootschap. Dat verdachte iets met deze vennootschap van doen had werd versluierd door een constructie met een juridisch eigenaar. Derden als [bedrijf1] en de Belastingdienst wisten dat niet en onderzoek in het register van de Kamer van koophandel kon geen inzicht bieden.

Bij de vastgoedtransacties ontplooide [BV1] geen aanwijsbare werkelijke zelfstandige activiteiten en was de vennootschap slechts een tussenschakel voor het verwerven van inkomen voor verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de betalingen die aan [BV1] zijn gedaan dan ook geacht worden rechtstreeks te zijn genoten door verdachte. Dat verdachte, zoals hij stelt, niet wist wat er binnen [BV1] gebeurde en dat hij [BV1] niet kende acht de rechtbank gelet op het bovenstaande niet geloofwaardig. Immers verdachte nam juist deel aan het beleggingsvehikel met het oogmerk om inkomen te verwerven en om te voorzien in zijn oude dag en had de feitelijke zeggenschap binnen [BV1].

Bewijs en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2.

In de in feit 2 tenlastegelegde periode augustus 2000 tot en met december 2002 golden voor het personeel van [bedrijf1] gedragscodes. Elke werknemer van [bedrijf1] diende aan het begin van ieder kalenderjaar een verklaring [gedragscode3] in het voorafgaande kalenderjaar te ondertekenen. Tevens diende op dat moment een verklaring te worden ondertekend die inhield dat ook in het betreffende kalenderjaar de medewerker de [bedrijf1]-gedragscode zou naleven.

Tot november 2002 gold de "[gedragscode1]." Daarin is vermeld, dat het doel van de gedragscode is er voor te zorgen dat [bedrijf3] op een betrouwbare en integere en doelmatige wijze functioneert. Alle werknemers moeten voorkomen dat hun privébelangen in conflict komen of kunnen komen met die van [bedrijf3] ofwel met de belangen van de opdrachtgevers van [bedrijf3]. Verder wordt verwacht dat iedere werknemer ook de schijn van een belangenconflict zal voorkomen. Indien het gevaar bestaat van een belangenconflict dan wel een mogelijk belangenconflict dient de werknemer dit direct aan de voor hem verantwoordelijke compliance officer te melden.

Voor medewerkers van de sector [bedrijf1] Vermogensbeheer golden naast de algemene normen aanvullende regels, waaronder de regel dat het niet is toegestaan privé beleggingstransacties te verrichten met zakelijke relaties als tussenpersonen; tenzij de compliance officer hiervoor toestemming heeft gegeven.

De gedragscode bepaalt verder dat de regels ook van toepassing zijn op zogenaamde indirecte transacties: het is niet van belang of de werknemer handelt

a. rechtstreeks of indirect via deelnemingen, gevolmachtigden of beheerders;

b. voor zichzelf dan wel namens anderen;

c. alleen of in samenwerking met anderen.'18

Na november 2002 gold de "[gedragscode4]." In de aanvullende gedragsregels met betrekking tot privé-beleggingstransacties door insiders onroerend goed is bepaald dat insiders onroerend goed alle onroerend goed- of hypotheek transacties, waar zij bij zijn betrokken dienen te melden aan de toezichthouder onroerend goed transacties. Blijkens de definitiebepaling in de gedragscode behoorde verdachte tot de insiders onroerend goed.19

Op 21 augustus 2000 heeft verdachte in Eindhoven de [Gedragscode1] ondertekend. Verdachte verklaarde daarmee in 1999 alsmede ook in 2000 tot aan de datum van ondertekening de bepalingen van de Gedragscode te hebben nageleefd.20

Op 9 januari 2002 heeft verdachte in Heerlen de [gedragscode2] ondertekend. Verdachte verklaarde daarmee in 2001 de bepalingen van de Gedragscode te hebben nageleefd.21

Op 20 december 2002 heeft verdachte in Eindhoven de [gedragscode3] ondertekend. Verdachte heeft daarmee verklaard in 2002 de bepalingen van de toen geldende Gedragscode met bijlagen te hebben nageleefd.22

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de onder feit 2 genoemde Gedragscodes heeft ondertekend. Hij heeft aangevoerd dat hij niet volgens de letter van de gedragscode heeft gehandeld, maar wel naar de geest daarvan. Hij heeft steeds het belang van [bedrijf1] voor ogen gehouden. [bedrijf1] is door zijn handelen financieel niet benadeeld.23

Getuige [betrokkene4], direct leidinggevende en compliance officer voor verdachte, heeft onder meer verkaard dat verdachte bij alle vastgoedtransacties inzake kantoren de eerstverantwoordelijke was. Op verdachte was dan ook het insider-onroerend goed gedeelte van toepassing. [betrokkene4] heeft nooit een melding ontvangen van verdachte. Wanneer verdachte of zijn rechtspersoon [BV1] betrokken zijn geweest bij transacties met [bedrijf1], dan had verdachte dit bij getuige moeten melden, aldus getuige [betrokkene4].24

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de gedragscode heeft ondertekend terwijl hij wist dat hij deze niet had nageleefd. Hij heeft daarmee (driemaal) valsheid in geschrifte gepleegd. Dat verdachte al dan niet handelde in het belang van [bedrijf1] of dat [bedrijf1] hierdoor mogelijk geen financieel nadeel zou hebben geleden doet daar niet aan af. Blijkens de bepalingen in de betreffende Gedragscodes wordt beoogd te voorkomen dat privébelangen van werknemers in conflict komen of kunnen komen met die van [bedrijf1]. Ook een schijn van belangenconflict dient te worden voorkomen. Bij een risico voor het ontstaan van een belangenconflict dient de betreffende medewerker hiervan melding te maken, Het is niet aan de individuele werknemer om te bepalen wanneer een bepaalde handeling een zogeheten conflict of interest oplevert en wanneer die handeling moet worden gemeld.

Bewijs en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3.

De panden [pand1] [adres1] en [pand2] [adres2].

Het pand [pand1] te [adres1] is op 29 maart 2001 door de Stichting [stichting1] aan [BV1] verkocht voor fl. 15.400.000,00.25

Het pand [pand2] te [adres2] is op 29 maart 2001 door de Stichting [stichting2] aan [BV5] verkocht voor fl. 12.575.000,00.26

Het pand [pand2] te [adres2] is op 29 maart 2001 door [BV5] verkocht aan [BV6] voor fl. 14.750.000,00.27

Het pand [pand2] te [adres2] is op 29 maart 2001 door [BV6] verkocht aan [BV1] voor fl. 14.850.000,00.28

[bedrijf1] heeft op 29 maart 2001 beide panden van [BV1] gekocht voor een bedrag van fl. 31.225.000,00.29

Namens de directie van [BV5], [BV6] en [BV1] wordt notaris [betrokkene5] op 9 april 2001 verzocht de totale opbrengst van fl 3.066.139,25 inzake [pand1] te [adres1] en [pand2] te [adres2] te boeken naar verschillende rekeningen van verschillende rechtspersonen, onder vermelding van "rekening-courant", waarbij naar de rekening ten name van [BV1] een bedrag van fl. 525.000,00 (€ 238.234,00) moet worden geboekt.30 Dit bedrag is ook geboekt op de rekening van [BV1] op 11 april 2001.31

Verdachte was voor [bedrijf1] betrokken bij de onderhandelingen over de beide panden. Ook heeft hij volgens medeverdachte [verdachte3] aan [BV1] over de panden zijn mening gegeven voorafgaand over de koop door [BV1]. [verdachte3] heeft verdachte onder meer gevraagd of het geschikte panden zouden zijn voor [bedrijf1]. Verdachte heeft hierop een bevestigend antwoord gegeven.32

Getuige [betrokkene6] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij als voorzitter van de Stichting [stichting1] betrokken was bij de verkoop van het pand [pand1] te [adres1]. De heer [verdachte4] van [BV7] heeft bij deze transactie de onderhandelingen gevoerd. Getuige heeft verdachte in 2001 getroffen in verband met de transactie [pand1]. Verdachte gaf toen aan dat [bedrijf1] de transactie met betrekking tot het pand wilde bundelen met andere panden, die dan vervolgens gezamenlijk aan [bedrijf1] werden verkocht. De inkoopmakelaar was [BV3], die de opdracht had van [bedrijf1] om verschillende objecten te kopen, die werden gebundeld in [BV1] en op dezelfde datum notarieel doorgingen naar [bedrijf1]. Getuige verklaart dat die dag alle stukken betreffende het pand zijn overgedragen aan de heer [betrokkene7] van [bedrijf1] en niet aan [BV1]. Verdachte had vanuit [bedrijf1] contact met de heer [verdachte4] van [BV7].33

De panden [pand5] [adres5], [pand3] [adre[pand4] [adres4].

Deze panden zijn door [BV1] gekocht en doorverkocht aan [bedrijf1].

Met betrekking tot de panden [pand5] [adres5], [pand3] te [adres3] en [pand4] te [adres4] zijn winstverdelingsovereenkomsten opgesteld, getekend op 9 november 2001 te Amsterdam, waarbij wordt overeengekomen dat de partijen [BV1], [BV1], [BV8] (persoonlijke BV van [verdachte3]), [BV9], [BV10] (persoonlijke BV van [verdachte2]) en [BV11] voor gezamenlijke rekening en risico de panden wensen te verwerven door middel van aankoop van de panden door [BV1]. De exploitatieresultaten van de gebouwen en eventuele winsten of verliezen bij verkoop zullen door partijen worden verdeeld.34

Voor de verkoop van deze drie panden is door notaris mr. [persoon1] op 27 februari 2002 een nota van afrekening opgemaakt, te betalen door [BV1].35 Door dezelfde notaris is op 27 februari 2002 een nota van afrekening opgemaakt, te betalen door [bedrijf1] voor de aankoop van deze drie panden.36

Per brief van 7 maart 2002 heeft [BV1] opdracht gegeven aan de [bank1] te [vestigingsplaats] om onder meer een bedrag van fl. 919.588,00 (€417.290,84) over te boeken naar de bankrekening van [BV1] met de omschrijving: verkoop [pand1], [pand4] en [pand3].37 Dit bedrag is ook geboekt op de rekening van [BV1] op 12 maart 2002.38

Medeverdachte [verdachte3] heeft verklaard dat verdachte betrokken was bij deze transactie en dat verdachte deze panden heeft aangebracht bij [bedrijf1]. Verdachte heeft ervoor gezorgd dat de aanbieding van de panden binnen [bedrijf1] in de molen ging.39 Op de vraag of ten tijde van de winstafspraken al bekend was dat de panden uiteindelijk aan [bedrijf1] verkocht zouden worden antwoordt [verdachte3] dat het al wel in de pijplijn zat. Ze maakten een inschatting wat de panden zouden opleveren. Ieder gaf zijn mening daarover en een van de betrokkenen was verdachte. Die gaf ook zijn mening.40

De panden [pand1] [adres1], [pand6] [adres6] en [pand7] [adres7].

[bedrijf1] heeft de panden voor € 12.536.493,- verkocht aan [fonds1]. [BV1] trad op als bemiddelaar voor zowel [bedrijf1] als [fonds1].

[verdachte3] en [verdachte2] hebben op 21 januari 2002 namens [BV3] Groep een brief verzonden naar [bedrijf1]. ter attentie van verdachte waarin zij een telefonisch gesprek met verdachte formaliseren inzake de verkoopbemiddeling van een drietal objecten, te weten Sittard ([stichting1]), Utrecht (Kadaster) en Eindhoven ([stichting2]). Beschreven wordt onder meer dat zij reeds een gegadigde koper hebben voor deze objecten. De bemiddelingsfee bedraagt 1,5% (exclusief btw) van de transactieprijs.41

Voor deze transactie heeft [BV1] een declaratie opgemaakt d.d. 25 juni 2002 voor [bedrijf1] inzake verkoopbemiddeling vastgoedportefeuille, bestaande uit de objecten [pand6], [pand1] en [pand7]. Het betreft een bedrag van € 223.776,00 te voldoen op de bankrekening van [BV1].42

Voor deze transactie heeft [BV1] een declaratie opgemaakt d.d. 27 juni 2002 voor ([fonds1]) inzake aankoopbemiddeling vastgoedportefeuille, bestaande uit de objecten [pand6], [pand1] en [pand7]. Het betreft een bedrag van € 223.776,00 te voldoen op de bankrekening van [BV1].43

[BV1] heeft op 15 augustus 2002 een declaratie ingediend bij [BV1] inzake "werkzaamheden volgens afspraak". Een bedrag van € 105.104,37 (€ 88.323,00 + btw € 16.781,00) wordt gedeclareerd, zulks te voldoen op de bankrekening van [BV1].44 [BV1] heeft dit bedrag ook daadwerkelijk ontvangen.45

[BV8], [BV10] en [verdachte4] hebben een soortgelijke declaratie ingediend. [BV8] en [BV10] ieder voor € 117.005,- en [verdachte4] voor € 89.027,-.46

De rechtbank merkt op dat het totaalbedrag van de vier declaraties gezamenlijk ongeveer overeenkomt met de courtage die [BV4] in rekening heeft gebracht bij [bedrijf1] en [BV7].

Voor de verkoop van deze drie panden is door notaris mr. [persoon1] op 28 juni 2002 met betrekking tot de kantoorgebouwen te [pand7], [pand1] en [pand6] een nota van afrekening opgemaakt, te betalen door [bedrijf1] 47

Medeverdachte [verdachte3] heeft verklaard dat bij deze transactie van [BV1] verdachte de contactpersoon was bij [bedrijf1].48

Verdachte heeft via [BV1] in totaal een bedrag van € 760.628,00 (€ 238.234,00 uit de transactie Hengelo/[pand1], € 417.290,00 uit de transactie [pand1]/[pand4]/[pand3] en € 105.104,00 uit de transactie [pand1]/[pand6]/[pand7]) van [BV1] ontvangen uit de winst die [BV1] behaalde met de genoemde vastgoedtransacties. Bij alle genoemde transacties was [bedrijf1] de verkopende, danwel de kopende partij en was verdachte steeds nauw betrokken bij de totstandkoming van de vastgoedtransacties. Omdat hij vanwege zijn functie een sleutelpositie had bij de aan en verkoop van vastgoed door [bedrijf1] was verdachte in staat de transacties en de resultaten ervan te beïnvloeden. Hoewel de rechtbank op basis van het dossier niet heeft kunnen vaststellen dat [bedrijf1] door het handelen van verdachte is benadeeld, kan feit 3 wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezen is dat de in de tenlastelegging genoemde transacties tot stand zijn gekomen, dat verdachte bij de totstandkoming een actieve rol heeft gespeeld, dat verdachte voor zijn betrokkenheid geldbedragen heeft ontvangen en dat hij dit in strijd met de gedragscode en goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

Ten aanzien van feit 1.

Uit document D-068 in het dossier blijkt dat de aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over de jaren 2000, 2001 en 2002 aan verdachte zijn uitgereikt.

Op 27 april 2002 heeft verdachte de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2000 ondertekend en opgestuurd. Deze aangifte is op 2 mei 2002 ingekomen bij de Belastingdienst te Eindhoven. Als belastbaar inkomen heeft verdachte ingevuld een bedrag van fl. 157.470,00. Bij de inkomsten is het persoonlijk inkomen ingevuld. Buiten een bedrag van fl. 97,00 aan verschuldigde rente heeft verdachte geen "overige inkomsten" ingevuld. Met de ondertekening van deze aangifte heeft verdachte verklaard de aangifte met de bijlagen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld.49

Op 18 maart 2003 heeft verdachte de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 ondertekend. Deze aangifte is na ontvangst op of omstreeks 24 maart 2003 gescand door de Belastingdienst/Centrale Administratie/sector invoerverwerking te Heerlen50. Onderdeel 8, opbrengsten uit overige werkzaamheden, is niet in/op het voorblad van het aangifteformulier aangekruist. Voor dit onderdeel zijn ook geen bijlagen gevoegd bij het aangifteformulier. Opgenomen is een bedrag van € 408.402,00 aan persoonlijk regulier voordeel uit het aanmerkelijk belang. Voorts is onder punt 37a ingevuld dat een bedrag van € 102.100,00 dividendbelasting is ingehouden op dividend. Met de ondertekening van deze aangifte heeft verdachte verklaard de aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld en dat verdachte alle vragen die op hem van toepassing zijn ingevuld mee terug heeft gestuurd.51

Op 15 juni 2004 heeft verdachte de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2002 ondertekend. Deze aangifte is na ontvangst op of omstreeks 2 juli 2004 gescand door de Belastingdienst/Centrale Administratie/sector invoerverwerking te Heerlen52. Bij onderdeel 8a, opbrengsten uit overige werkzaamheden, heeft verdachte een opbrengst van € 0,00 ingevuld. Bij onderdeel 8c, inkomsten uit overige werkzaamheden, heeft verdachte een inkomen van € 0,00 ingevuld. Met de ondertekening van deze aangifte heeft verdachte verklaard de aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld en dat verdachte alle vragen die op hem van toepassing zijn ingevuld mee terug heeft gestuurd.53

Het oordeel van de rechtbank.

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de door verdachte, met het oog op het versluieren van zijn privé-betrokkenheid bij vastgoedtransacties in het leven geroepen constructie van rechtspersonen, waarbij niet aan verdachte zelf, maar aan [BV1] de vergoedingen voor zijn betrokkenheid bij de vastgoedtransacties worden uitbetaald, van oordeel is dat deze gelden niet als opbrengsten van [BV1], maar fiscaal als andere inkomsten uit arbeid in het jaar 2000 dan wel als resultaat uit overige werkzaamheid in de jaren 2001 en 2002 aangemerkt dienen te worden. De rechtbank betrekt daarbij dat in [BV1] geen enkele activiteit plaatsvond, dat [BV1] geen werknemers in dienst had, dat verdachte economisch eigenaar was en kon beschikken over alle baten die binnen kwamen, dat zoals [betrokkene3] bij de rechter-commissaris heeft verklaard, alle betalingen/overboekingen geschiedden in opdracht van verdachte en dat alle bedragen die er binnen kwamen in [BV1] ook meteen weer uitgingen. De juridische eigendom die [betrokkene3] bezat was een papieren tijger aangezien verdachte blijkens zijn volmacht op ieder moment de juridische eigendom kon verwerven en -zoals hiervoor reeds is vastgesteld- de feitelijke zeggenschap binnen [BV1] had.54

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zijn aangifte inkomstenbelasting 2000 onjuist en onvolledig heeft gedaan en dat hij over het jaar 2000 een te laag belastbaar inkomen heeft vermeld op het hem verstrekte aangiftebiljet. [BV1] heeft op 6 december 2000 een bedrag ad fl. 860.000,00 van [BV2] ontvangen. Op dezelfde dag is

fl. 740.000,00 door [BV1] telefonisch over gemaakt op de bankrekening van verdachte.55 Geen van beide bedragen is verwerkt in de aangifte inkomstenbelasting 2000 van verdachte.56 Voor wat betreft de doorboeking op de rekening van verdachte is een omschrijving gegeven ten titel "lening". Volgens verdachte zou het bedrag evenwel dividend kunnen betreffen.57 Op het in de aangifte 2000 vermelde leningbedrag van

fl. 93.157,00 is niet afgelost en verdachte kan over de opbouw ervan niet verklaren. Verdachte is van oordeel dat er met de aangifte het niet goed gegaan is omdat er voor in 2000 genoten dividend '0,00' is ingevuld.58

Al eerder heeft de rechtbank overwogen dat de betalingen aan [BV1] geacht worden rechtstreeks aan verdachte toe te komen. Welke titel vervolgens gegeven is aan de doorbetaling op verdachtes privé-bankrekeningnummer is reeds daarom niet van belang. Overigens acht de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene en het feit dat verdachte geen leenovereenkomsten heeft kunnen tonen het niet geloofwaardig dat de aan verdachte betaalde fl. 740.000,00 een lening betrof. Verdachte heeft op de aangifte door ondertekening verklaard de desbetreffende aangifte en bijlagen stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld.

De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte op de aangiftebiljetten van 2001 en 2002 ten onrechte niet heeft vermeld dat hij opbrengsten heeft genoten uit overige werkzaamheden.

Uit het bewezenverklaarde feit 3 blijkt immers dat verdachte in april 2001 voor zijn betrokkenheid bij de verkoop van de panden [pand1] te [adres1] en [pand2] te [adres2] een vergoeding heeft ontvangen van € 238.234,-, op 12 maart 2002 voor zijn betrokkenheid bij de verkoop van de panden [pand3] te [adres3], De [pand4] te [adres4] en [pand5] te [adres5] een bedrag van € 417.290,- en in augustus 2002 voor zijn betrokkenheid bij de verkoop van de panden [pand6] te [adres6], [pand1] te [adres1] en [pand7] te [adres7] een bedrag van

€ 105.104,-.

De verklaring van verdachte, dat hij niet wist welke bedragen bij [BV1] binnen kwamen en dat hij daarom niet het opzet heeft gehad op het niet vermelden van genoemde inkomsten, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Verwezen wordt naar hetgeen hierover hiervoor is overwogen.

Ten aanzien van het verweer dat niet verdachte, maar zijn belastingadviseur [betrokkene2] de belastingaangifte heeft ingevuld wordt overwogen dat het verdachte is die [betrokkene2] niet heeft voorzien van alle benodigde stukken met betrekking tot de door hem in privé via [BV1] ontvangen geldbedragen. Verder is van belang dat verdachte, zoals hijzelf ter terechtzitting heeft verklaard, deze aangiften met [betrokkene2] heeft besproken voordat hij deze ondertekende en naar de Belastingdienst heeft verzonden. De rechtbank concludeert dat er sprake is van het bewust onjuist en onvolledig invullen van de aangiften inkomstenbelasting. De rechtbank acht het opzet van verdachte wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat ook het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen als hierna omschreven in de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen eventueel in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank

tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op tijdstippen in de periode van 27 april 2002 tot en met 2 juli 2004 in de gemeenten Eindhoven en/of Heerlen, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2000, 2001 en 2002 onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven ingeleverde aangifte inkomstenbelasting -zakelijk weergegeven-

- over het jaar 2000 als belastbaar inkomen een bedrag van f 157.470,-, in elk geval een te laag belastbaar inkomen vermeld en

- over het jaar 2001 in/op het voorblad van dat aangiftebiljet (door ondertekening door of namens verdachte) verklaard dat hij alle vragen die op hem, verdachte van toepassing zijn, ingevuld heeft meegezonden met het voorblad, zulks terwijl in de ruimte op het voorblad, bestemd voor het aankruisen van de meegezonden aangiftebladen, de aangiftebladen

waarop de opbrengsten uit overige werkzaamheden vermeld moeten worden niet zijn aangekruist en niet zijn meegezonden met het voorblad, terwijl verdachte in werkelijkheid opbrengsten uit overige werkzaamheden heeft genoten en

- over het jaar 2002, als opbrengsten uit overige werkzaamheden (onder 8a in die aangifte) en als inkomsten uit overige werkzaamheden (onder 8c in die aangifte) (telkens) 0,00 euro vermeld, althans een te laag bedrag aan opbrengsten uit overige werkzaamheden en aan inkomsten uit overige werkzaamheden vermeld,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

Ten aanzien van feit 2:

op drie tijdstippen in de periode vanaf de maand augustus 2000 tot en met de maand december 2002 in de gemeente Eindhoven of in de gemeente Heerlen, een '[Gedragscode1]', gedagtekend 21 augustus 2000 en een '[gedragscode2]', gedagtekend 9 januari 2002 en een '[gedragscode3]', gedagtekend 20 december 2002 - zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

- door ondertekening van die '[Gedragscode1]', gedagtekend 21 augustus 2000 bevestigd bekend te zijn met de inhoud van die gedragscode en in 1999 alsmede ook in 2000 tot aan de datum van ondertekening de bepalingen van die gedragscode te hebben nageleefd en

- door ondertekening van die '[gedragscode2]', gedagtekend 9 januari 2002 bevestigd bekend te zijn met de inhoud van die gedragscode, inclusief de bijlage [bijlage1]' en verklaard in 2001 de bepalingen van de gedragscode te hebben nageleefd en

- door ondertekening van die '[gedragscode3]', gedagtekend 20 december 2002 bevestigd bekend te zijn met de inhoud van die gedragscode en verklaard in 2002 de bepalingen van de toen geldende gedragscode met bijlagen te hebben nageleefd,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Ten aanzien van feit 3:

op tijdstippen in de periode vanaf de maand juli 2000 tot en met de maand februari 2003 in Nederland, anders dan als ambtenaar, immers als portfoliomanager of directeur commercieel vastgoed of directeur vastgoed, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf2] en/of [bedrijf4], naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten, giften heeft aangenomen, namelijk een of meer geldbedragen tot een totaalbedrag groot 760.628,- euro, zijnde betalingen aan hem, verdachte, via [BV1], waarvan hij, verdachte, de aandelen in economische eigendom heeft, als winstdeling, in verband met

= de aankoop door [bedrijf1] van de panden [pand1] te [adres1] en [pand2] te [adres2] en [pand3] te [adres3] en [pand4] te [adres4] en [pand5] te [adres5] en

= de verkoop door [bedrijf1] van de panden [pand6] te [adres6] en [pand1] te [adres1] en [pand7] te [adres7],

en dit aannemen telkens in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

De strafmotivering.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis gesteld dat in een fraudezaak als de onderhavige verdachte in aanmerking zou kunnen komen voor een gevangenisstraf voor de duur van een jaar. Het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn voor hem aanleiding om in het voordeel van verdachte een lagere straf op te leggen en een werkstraf te vorderen van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging kan zich bij een eventuele bewezenverklaring vinden in de strafeis van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van 328ter Sr; voorts heeft hij

drie keren valsheid in geschrifte gepleegd doordat hij in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij de gedragscodes, zoals die binnen het bedrijf van zijn werkgever [bedrijf1] gelden (zie de samenvatting bij de bespreking van feit 2) heeft nageleefd en verdachte heeft fiscale fraude gepleegd.

Artikel 328ter Sr beoogt het algemeen belang te beschermen dat een werkgever moet kunnen vertrouwen op zijn werknemer. Indien dit vertrouwen ontbreekt, belemmert dit in ernstige mate het goed functioneren van een onderneming of organisatie. De gedragscode sluit daarbij aan en regelt voor [bedrijf1] en haar werknemers dat zij op een betrouwbare, integere en doelmatige wijze functioneren. In de gedragsregels is bepaald dat alle werknemers er voor moeten waken dat hun privébelangen in conflict komen of kunnen komen met die van [bedrijf1] ofwel met de belangen van de opdrachtgevers van [bedrijf1]. Van de werknemer wordt zelfs verwacht dat ook de schijn van een belangenconflict wordt voorkomen.

Verdachte bekleedde als directeur vastgoed een bijzondere vertrouwenspositie binnen [bedrijf1] en een sleutelpositie waar het ging om vastgoedtransacties. Zijn werkgever heeft verklaard dat verdachte voor alle vastgoedtransacties inzake kantoren de eerst verantwoordelijke was. Hij maakte voorstellen met betrekking tot aankoop en verkoop van vastgoed aan de statutair directeur en compliance officer [betrokkene4] en de Raad van Commissarissen. Verdachte zocht naar panden, bracht ze in, onderhandelde namens [bedrijf1], maakte transactievoorstellen voor de Raad van Commissarissen en rondde de onderhandelingen af. Hij was voor de markt het gezicht van [bedrijf1].

Verdachte heeft het vertrouwen dat zijn werkgever in hem moest kunnen stellen ernstig beschaamd. Hij heeft met zijn handelen misbruik gemaakt van zijn positie binnen [bedrijf1] en buiten medeweten van zijn werkgever geld in ontvangst genomen, welke beloning in verband stond met de werkzaamheden die hij heeft verricht in het kader van vastgoedtransacties met [bedrijf1] als partij. Verdachte heeft niet alleen nagelaten zijn werkgever te informeren, maar ook zichzelf, via een constructie van rechtspersonen waaraan hij deelnam met zijn persoonlijke BV ([BV1]), waarvan hij niet de juridische, maar economische eigendom had, voor zijn werkgever, maar ook de fiscus en anderen onzichtbaar gemaakt. Met deze vooraf opgezette constructie heeft hij voor [bedrijf1] opzettelijk verborgen gehouden dat hij gelden had ontvangen uit transacties waarvan hij had dienen te weten dat die naar alle waarschijnlijkheid een belangenconflict als in de gedragscode bedoeld zouden opleveren en corrumperend werkten.

Of [bedrijf1] is benadeeld door het handelen van verdachte heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Voor de kern van het verwijt, te weten het schenden van het vertrouwen van zijn werkgever en het daarmee op het spel zetten van het goed kunnen functioneren van [bedrijf1], is dat niet van belang. Overigens heeft verdachte door de in feit 1 bewezen belastingfraude wel de fiscus benadeeld.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij tot en met de behandeling ter zitting geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Hij verschuilt zich achter zijn medeverdachten. Zij zouden de constructie hebben bedacht en hem de garantie hebben gegeven dat er met het in het leven roepen van de versluieringsconstructie geen sprake meer was van conflict of interest. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op zijn ervaring binnen de vastgoedsector en zijn juridische opleiding, heel wel in staat moet worden geacht zich zelfstandig een juist oordeel te vormen over voorstellen van de kant van zijn medeverdachten. Zijn verweer dat hij niet wist wat er binnen zijn persoonlijke BV, [BV1], gebeurde en [BV1], die vaak als wederpartij van [bedrijf1] optrad, niet kende, acht de rechtbank zoals hiervoor reeds overwogen volstrekt ongeloofwaardig.

Ook ten aanzien van de door hem gepleegde belastingfraude verschuilt verdachte zich achter zijn onwetendheid en zijn belastingadviseur. Ook hier komt het verweer dat hij van niets wist, ongeloofwaardig voor. De rechtbank houdt verdachte volledig verantwoordelijk voor de door hem gepleegde feiten.

De rechtbank zal ten voordele van verdachte rekening houden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat hij als gevolg van deze strafzaak niet goed in staat was een andere werkkring te vinden, alsmede met het tijdsverloop.

De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten zo ernstig dat, zoals de officier van justitie ook als uitgangspunt heeft geformuleerd, de feiten op zichzelf een gevangenisstraf voor de duur van tenminste één jaar rechtvaardigen. Gelet op het misbruik dat verdachte heeft gemaakt van zijn vertrouwens- en sleutelpositie bij [bedrijf1], de bewust gecreëerde versluieringsconstructie, de benadeling van de fiscus en de ontkenning van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, vindt de rechtbank een boete of een taakstraf niet passen bij de ernst van de feiten.

De rechtbank zal dan ook een zwaardere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Een voorwaardelijk strafdeel dient bij uitstek als stok achter de deur en beoogt om toekomstig strafbaar gedrag te voorkomen.

De rechtbank zal de op te leggen straf verminderen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Zij zal een strafkorting toepassen van drie maanden, één maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf per jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 225, 328ter

Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 68, 69, 72.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

het anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat een deel groot 3 (drie) maanden van deze gevangenisstraf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 7 februari 2012.

Mr. J.G. Vos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De bewijsmiddelen in deze zaak zijn afkomstig uit het dossier van de FIOD-ECD, kantoor Utrecht, met kenmerk PV 33523, afgesloten op 21 december 2006, bestaande uit twee ordners, met daarin overzichtsproces-verbalen genummerd OPV-001, OPV-002 en OPV-003, ambtshandelingen genummerd AH-001 tot en met AH-032, verhoren van verdachten genummerd V1-001 tot en met V1-005, V2-001 en V2-002 en V3-001, getuigenverhoren genummerd G1-01 tot en met G5-01, verdachtendeel genummerd VERD1-01 tot en met VERD1-05 en documenten genummerd D-001 tot en met D-155

2 Document D-072 en verklaring van getuige [betrokkene4] bij de rechter-commissaris.

3 Verklaring van verdachte V1-005 op pagina 6 en de verklaring van verdachte ter zitting van 24 januari 2012

4 Verklaring van verdachte V1-001 op de pagina's 6 en 7 en getuige [betrokkene4] G1-01 op pagina 3

5 Verklaring van getuige [betrokkene4] bij de rechter-commissaris op 4 oktober 2011

6 Document D-015

7 Document D-016

8 Verklaring van verdachte ter zitting van 24 januari 2012

9 Verklaring van getuige [betrokkene3] G5-01 op de pagina's 2 en 3 en de verklaring van getuige [betrokkene3] bij de rechter-commissaris op 4 oktober 2011

10 Verklaringen van verdachte V1-005 op pagina 11 en V1-002 op pagina 2

11 Verklaring van getuige [betrokkene1] bij de rechter-commissaris op 23 november 2011

12 Verklaringen van verdachte V1-002 op pagina 3 en V1-003 op pagina 2

13 Verklaring van medeverdachte [verdachte3] V2-001 op de pagina's 4 en 5

14 Document D-092 en de verklaring van medeverdachte [verdachte2] V3-001 op pagina 6

15 Verklaringen van medeverdachte [verdachte3] V2-002 op pagina 5 en V2-001 op pagina 6

16 Verklaring van medeverdachte [verdachte3] V2-001 op pagina 7

17 Verklaring van medeverdachte [verdachte2] V3-001op pagina 6.

18 Document D-075, pagina 6

19 Document D-76 pagina 9 juncto pagina 6

20 Document D-050

21 Document D-051

22 Document D-052

23 Verklaring van verdachte ter zitting van 24 januari 2012

24 Verklaring van getuige [betrokkene4] G1-01 op pagina 3

25 Document D-085 en document D-109

26 Document D-087

27 Document D-088

28 Document D-089

29 Document D-025

30 Document D-026

31 Document D-131

32 Verklaring verdachte [verdachte3] V2-002 pagina 6

33 Verklaring van getuige [betrokkene6] bij de rechter-commissaris op 4 oktober 2011

34 Documenten D-038, D-039, D-040

35 Document D-044

36 Document D-070

37 Document D-046

38 Document D-137

39 Verklaring van medeverdachte [verdachte3] V2-002, op pagina 22

40 Zie noot 68 pagina 19

41 Document D-084

42 Document D-030

43 Document D-031

44 Document D-032

45 Document D-133

46 Document D-033, D-034, D-035

47 Document D-071

48 Verklaring van medeverdachte [verdachte3] V2-002 op pagina 23

49 Document D-065

50 Document D-068

51 Document D-066

52 Document D-068

53 Document D-067

54 Document D-016

55 Documenten D-130 en D-134 (bankafschriften)

56 Document D-065 (aangifte inkomstenbelasting)

57 Document D-018 en de verklaring van verdachte V1-001 op pagina 6 en V1-002 op pagina 8

58 Verklaring van verdachte V1-003 op pagina 7