Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV0949

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-01-2012
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
Awb 11 / 258
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd de aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die eiseres heeft geleden als gevolg van het ongeval tijdens de dienstsport. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hier niet tekort geschoten in zijn verplichtingen.

Verweerder heeft op grond van artikel 69, eerste lid, van het ARAR in redelijkheid kunnen beslissen om € 10.000,00 bruto toe te kennen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/258 en AWB 11/1829

Uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2012

inzake

[eiseres]

te Vught,

eiseres,

gemachtigde mr. T.G.M. Gersjes,

tegen

de minister van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. S.E. Peters-van Rijn.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft verweerder de aansprakelijkheid voor de door eiseres geleden schade als gevolg van het dienstongeval op 26 mei 2005 afgewezen. Tevens heeft verweerder informatie opgevraagd omtrent door eiseres gestelde schade als gevolg van het niet correct verlopen van het re-integratietraject.

Het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 16 december 2010.

Eiseres heeft tegen het besluit van 16 december 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep staat bij de rechtbank ingeschreven onder nummer AWB 11/258.

Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), een bedrag van € 10.000,00 aan (schade)vergoeding toegekend.

Het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 28 april 2011.

Eiseres heeft ook tegen dit laatstbedoelde besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep staat bij de rechtbank ingeschreven onder nummer AWB 11/1829.

De zaak is behandeld op de zitting van 1 december 2011. Eiseres is verschenen in persoon bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens zijn verschenen [plaatsvervangend vestigingsdirecteur] van de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught en [P&O adviseur]

Overwegingen

1. Eiseres is sinds 14 augustus 2000 werkzaam voor verweerders organisatie als penitentiair inrichtingswerker (piw-er).

Eiseres is op 26 mei 2005 tijdens de verplichte personeelssport (basketballen) in aanraking gekomen met een collega en heeft daarbij letsel aan haar linkerknie opgelopen. Eiseres is vervolgens gedurende langere tijd arbeidsongeschikt geweest voor haar werk als medior piw-er.

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft verweerder dit ongeval aangemerkt als een dienstongeval.

Zaak AWB 11/258

2. Verweerder heeft aan zijn besluit van 16 december 2010 het standpunt ten grondslag gelegd dat tijdens de verplichte personeelssport aan de zorgplicht is voldaan. Volgens verweerder is het ongeval te wijten aan een vervelende samenloop van omstandigheden, waarvoor hij niet aansprakelijk kan worden gehouden.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Met betrekking tot de in het bestreden besluit neergelegde weigering tot erkenning van aansprakelijkheid dient volgens vaste jurisprudentie de rechtbank te bezien of verweerder heeft voldaan aan zijn zorgplicht (vergelijk Centrale Raad van Beroep, 6 januari 2011, LJN BP1535). De toetsingsmaatstaf hiervoor volgt uit de uitspraak van 22 juni 2000 van de Centrale Raad van Beroep, LJN AB0072: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

5. De rechtbank stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat in dit geval geen sprake was van gebreken in het sportmateriaal, de sportzaal of aan gekwalificeerd toezicht, die het ongeval zouden hebben kunnen veroorzaken.

6. Ter onderbouwing van haar stelling dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht, heeft eiseres verwezen naar de dienstorder van 9 december 1998 waarin is opgenomen dat balspelen tijdens de dienstsport vanaf dat moment uitdrukkelijk zijn verboden vanwege de omstandigheid dat bij balspelen het risico van het oplopen van een blessure relatief hoog is, en balspelen voorts niet noodzakelijk zijn ter onderhouding van de conditionele en zelfverdedigingsvaardigheden. Deze dienstorder zou volgens eiseres nog altijd van kracht zijn binnen de inrichting.

7. Verweerder heeft hierover evenwel verklaard dat de dienstorder na één of twee jaar weer informeel is ingetrokken en buiten gebruik is geraakt en enkel - in afwijking van het landelijke beleid - is geschreven voor de PI Nieuw Vosseveld. In ieder geval was het ten tijde van het ongeval binnen de PI Nieuw Vosseveld, waar eiseres werkzaam is, weer gebruikelijk om balsporten tijdens de dienstsport uit te oefenen en als een onmisbaar onderdeel van de sportbeoefening te beschouwen. De rechtbank kan verweerder hierin volgen, nu de dienstorder blijkens de eerste alinea nog uitging van risico-aansprakelijkheid van de werkgever. De risico-aansprakelijkheid is met de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep gewijzigd in schuldaansprakelijkheid. Ook overigens kan niet worden gesteld dat verweerder, door balspelen toe te staan tijdens de dienstsport, zijn verplichting heeft geschonden om de werkzaamheden van de ambtenaar zo in te richten dat wordt voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder genoegzaam heeft aangetoond dat hij niet tekort is geschoten in zijn verplichtingen, zoals deze hiervoor onder rechtoverweging 4 zijn omschreven.

9. Evenmin is sprake van een situatie waarin verweerder aansprakelijk is voor schade als gevolg van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een ondergeschikte. Het door eiseres opgelopen letsel is ontstaan door een botsing met een collega. Dit is niet te kwalificeren als een onrechtmatige gedraging van de betreffende collega; verweerder heeft terecht betoogd dat het ongeval het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

10. Eiseres heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Zij heeft (onder vemelding van een kenmerknummer) gewezen op een collega die op 12 december 2006 knieletsel heeft opgelopen. In dit geval heeft verweerder wel aansprakelijkheid erkend, aldus eiseres. In zijn verweerschrift van 25 maart 2011 heeft verweerder aangegeven dat het genoemde kenmerk niet naar een dienstongeval of erkenning van de aansprakelijkheid verwijst en dat binnen de inrichting geen dienstongevallen bekend zijn die tijdens de verplichte dienstsport hebben plaatsgevonden en die aangemerkt zouden zijn als beroepsincident, waarbij tevens aansprakelijkheid zou zijn erkend.

11. De rechtbank overweegt dat, indien een beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt gedaan, het in eerste instantie aan de eisende partij is dit beroep concreet te onderbouwen. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan hetgeen verweerder in zijn verweerschrift heeft neergelegd. Gelet op het feit dat de rechtbank het verweerschrift op 6 april 2011 naar eiseres heeft gestuurd, heeft eiseres ook ruim de gelegenheid gehad haar beroep op het gelijkheidsbeginsel alsnog te onderbouwen. Zij heeft dit echter nagelaten. Het beroep op het gelijheidsbeginsel slaagt daarom niet.

12. De rechtbank zal het beroep in zaak AWB 11/258 ongegrond verklaren.

Zaak 11/1829

13. Eiseres heeft een vergoeding gevraagd van in totaal € 33.486,00. Eiseres heeft dit bedrag als volgt opgebouwd:

- € 3.500,00 voor het overdoen van een compleet studiejaar;

- € 18.486,00 voor gederfde inkomsten omdat eiseres een jaar later de arbeidsmarkt heeft betreden met haar afgeronde opleiding;

- € 6.000,00 smartengeld voor de aantasting van haar persoon;

- € 5.500,00 aan kosten voor rechtsbijstand, exclusief BTW.

14. Verweerder heeft aan zijn besluit van 28 april 2011 het standpunt ten grondslag gelegd dat blijkens het rapport van de Nationale Ombudsman van 7 september 2009 sprake is geweest van enkele tekortkomingen in het re-integratietraject. Verweerder heeft op grond van artikel 69 van het ARAR € 10.000,00 bruto toegekend aan eiseres als tegemoetkoming in de door eiseres in dit verband geleden schade.

15. Op grond van artikel 69, eerste lid, van het ARAR kan onze Minister de ambtenaar naar billijkheid schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.

16. De rechtbank overweegt dat hier een marginale toets aan de orde is. De vraag is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om een bedrag van € 10.000,00 bruto toe te kennen.

17. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder toegekende tegemoetkoming ten bedrage van € 10.000,00 bruto de door de rechtbank aan te leggen toets kan doorstaan. Daarbij neemt zij onder meer in overweging dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar opgelopen studievertraging verweerder is te verwijten. Voorts blijven volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in de regel voor rekening van de belanghebbende en komen deze kosten slechts bij wijze van uitzondering voor vergoeding in aanmerking. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van een dergelijk uitzonderingsgeval hier geen sprake is, zodat verweerder in verband met deze kosten geen bedrag behoefde te vergoeden. Wat betreft de in de bezwaarfase gemaakte kosten wijst de rechtbank op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aan het daar gestelde vereiste dat het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, is niet voldaan, zodat ook deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

18. De niet nader onderbouwde stelling van eiseres dat het bestreden besluit in strijd moet worden geacht met het motivering- en het zorgvuldigheidsbeginsel en dat een belangenafweging achterwege is gebleven treft geen doel. Dat in de beleving van eiseres niet gesproken kan worden van een billijke vergoeding, maakt dit niet anders.

19. Eerst ter zitting heeft eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan door aan te geven dat in het geval van een collega in 2010 naast netto smartengeld en wettelijke rente daarover ook een toekenning heeft plaatsgevonden voor verlies van zelfwerkzaamheid en kosten juridische bijstand. Van de zijde van verweerder is dit ter zitting ontkend en is aangegeven dat niet adequaat op de stelling kon worden gereageerd. Gelet op de stelling van eiseres dat de toekenning reeds in 2010 zou hebben plaatsgevonden en zij eerst ter zitting met deze niet nader onderbouwde stelling komt, verzet de goede procesorde zich ertegen om dit bij de beoordeling van het beroep te betrekken. De rechtbank zal aan deze niet met stukken onderbouwde eerst ter zitting opgeworpen beroepsgrond voorbijgaan.

20. Gezien het hiervoor overwogene zal de rechtbank ook dit beroep ongegrond verklaren.

21. Nu beide beroepen ongegrond zullen worden verklaard ziet rechtbank geen aanleiding te bepalen dat de proceskosten moeten worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.H.L.M. Snijders als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. A. Horst als leden in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2012.

De griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: