Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:7595

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
792736 / 11-11655
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig toebrengen van schade in groepsverband (artikel 6:166 BW)

Oogletsel en snijwonden. Voorschot schadevergoeding. Verwijzing naar schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Bosch

Zaaknummer : 792736

Rolnummer : 11/11655
Uitspraak : 2 augustus 2012

DE KANTONRECHTER IN EINDHOVEN

in de zaak van:

[eiser], wonend in [woonplaats],

[eiser],

toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand de dato [datum], [nummer],
gemachtigde: mr G.D. Bosman,

t e g e n :

[gedaagde 1],
wonend in [woonplaats],
gemachtigde: mr D.H. Andries,
toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand de dato [datum] nr [nummer],

en

[gedaagde 2],
wonend in [woonplaats],
gemachtigde: mr J.H.M. van Dinten,
toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand de dato [datum] nr [nummer]
gedaagden.


Procedure

Het verloop van het geding blijkt uit de stukken die zich in het dossier bevinden, te weten
– de dagvaarding

- de twee antwoorden
– de repliekmet akte eiswijziging
- de twee duplieken
- de akte na dupliek


Vordering en verweer


1.1. Eiser, [eiser], vordert na wijziging van zijn eis ten laste van gedaagden, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], zakelijk weergegeven
- een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van de mishandelingen die zij hem hebben aangedaan op of omstreeks 29 november 2008 in Eersel buiten of nabij café Jerommeke
- dat zij hoofdelijk worden veroordeeld hem een voorschot op de vergoeding van zijn schade te betalen
ad € 20.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, per 31 oktober 2011 € 2.355,60 bedragend
- dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade als gevolg van die mishandeling, welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat en moet worden vereffend volgens de wet
- dat zij worden veroordeeld een bedrag van € 1.190,= plus rente te betalen als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten,

een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met een proceskostenveroordeling.

1.2. Hij voert daartoe aan
- dat hij met een fles of glas tegen zijn hoofd is geslagen waardoor hij letsel aan zijn linkeroog heeft opgelopen; hij is (sociaal) blind geraakt aan dat oog (het zicht is nog maar 3,33%) en heeft snijwonden opgelopen; daarnaast is hij, liggend op de grond, meerdere malen geschopt en/of geslagen tegen onder meer zijn hoofd
- dat hij niets meer kan zien met dat oog; er kan geen lens meer in en er is irisschade, waardoor hij licht niet kan verdragen; verder is de druk wisselend zodat verdere schade in de toekomst als gevolg van te hoge druk niet kan worden uitgesloten
- dat hij al drie keer geopereerd is
- dat hij het medisch verslag óverlegt
- dat hij door de mishandeling ook sneeën en verwondingen aan zijn gezicht heeft opgelopen die blijvende littekens tot gevolg hebben
- dat hij veel pijn van zijn verwondingen heeft ondervonden
- dat hij niet meer kan werken als lasser, waarvoor hij was opgeleid
- dat hij zich zal moeten omscholen en zijn kansen op de arbeidsmarkt als gevolg van zijn verwondingen beperkt zijn
- dat hij waarschijnlijk nooit een rijbewijs zal kunnen halen en het gezien de ontsieringen aan zijn gezicht en het verminderen van zijn gezichtsvermogen moeilijk zal zijn om een partner te vinden
- dat [gedaagde 1] blijkens het overgelegde deel van het proces-verbaal heeft bekend hem met een glas op zijn hoofd te hebben geslagen en [gedaagde 2] blijkens dat stuk heeft bekend dat zij hem een of tweemaal heeft geschopt
- dat [gedaagde 1] door de rechtbank strafrechtelijk is veroordeeld voor zware mishandeling en het Hof die veroordeling heeft bevestigd
- dat [gedaagde 2] door de rechtbank is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en dat vonnis eveneens door het Hof is bevestigd
- dat er geen medische eindsituatie is
- dat hij zich daarom het recht op een nadere schadebepaling voorbehoudt en nu een voorschot vordert van € 20.000,=, gebaseerd op de nummers 880, 882 en 884 van de Smartengeldgids 2009
- dat hij kosten heeft moeten maken om te pogen zijn vordering buitengerechtelijk te incasseren.

2.1. [gedaagde 1] stelt daar tegenover:
- dat hij erkent [eiser] met een bierglas op zijn linkeroog te hebben geslagen
- dat [eiser] aan de ruzie die is ontstaan het nodige heeft bijgedragen; uit het overgelegde totaalproces-verbaal blijkt, dat hij die avond mensen had bespuugd en dat hij raar heeft gedaan tegen [gedaagde 2]; hij was dronken en zo lastig dat hij het café uitgezet is; [gedaagde 2] heeft verklaard dat [eiser] iets uitlokkends heeft gezegd en haar geslagen had
- dat [gedaagde 2] - toen zijn partner, maar inmiddels niet meer – voor de helft in de schade moet bijdragen omdat hij heeft gehandeld naar aanleiding van een ruzie die zij had met [eiser]
- dat [eiser] een deel van de schade voor eigen rekening dient te nemen wegens eigen schuld; ten eerste: hij is de confrontatie blijven zoeken en heeft zich op momenten dat dat nog kon niet teruggetrokken; ten tweede: hij heeft zich niet onmiddellijk maar pas de volgende dag bij de dokter vervoegd en hulp die hem onmiddellijk werd aangeboden in de wind geslagen
- dat een eventueel toe te kennen vergoeding gematigd moet worden op grond van zijn omstandigheden: zijn inkomen is nihil, hij heeft de verantwoordelijkheid voor een kind en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar verleent geen dekking
- dat hij geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

2.2. [gedaagde 2] stelt er tegenover:
- dat zij [eiser] geen zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht; rechtbank en Hof hebben haar ook slechts veroordeeld voor poging tot zware mishandeling
- dat zij bovendien niets te maken heeft met letsel van [eiser] aan zijn oog

- dat zij niet mede-aansprakelijk is wegens het groepsverband waarvan in BW 6:166 sprake is; van een samenwerking als daartoe vereist was geen sprake; ook had zij gezien de snelheid waarmee het allemaal gebeurde geen kans zich eraan te

onttrekken; de strafrechter heeft haar noch [gedaagde 1] veroordeeld voor medeplegen
- dat, subsidiair, haar deel op grond van BW 6:166 lid 2 tot nihil moet worden gematigd, omdat het letsel niet door haar handelen is ontstaan
- dat eventueel haar aansprakelijkheid moet worden gematigd op grond van eigen schuld; [eiser] heeft de schade niet, zoals hij verplicht was te doen, beperkt door onmiddellijk naar de dokter te gaan en op een ter plaatse gedaan aanbod tot hulp in te gaan
- dat zij geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.


Beoordeling


3.0. De kantonrechter acht zich bevoegd tot kennisneming en beslissing; de gevorderde hoofdsom is lager dan de competentiegrens en voor zover de vordering strekt tot opening van een schadestaatgeding maakt Rv 613 lid 2 laatste zin hem bevoegd.

[gedaagde 1]


3.1. Tegen de stelling van [eiser], dat hij, [gedaagde 1], hem mishandeld heeft met een bierglas en dat [eiser] daardoor bijna blind geworden is aan het linkeroog en blijvende littekens heeft opgelopen, heeft [gedaagde 1] geen verweer gevoerd.

3.2. Daarmee staat de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de schade die daardoor veroorzaakt is, vast.

4.

[gedaagde 1] heeft zich verweerd met een aantal argumenten die in zijn ogen zijn aansprakelijkheid verminderen. Daarover het volgende.

5.1.

Misschien was [eiser] in de loop van de bewuste avond kort gezegd lastig en dronken. Maar als dat inderdaad zo was, verandert dat niets aan de aansprakelijkheid van [gedaagde 1].

5.2.

[gedaagde 1] heeft in een van zijn verklaringen gezegd, dat dàt door hem heenging vlak voordat hij de hand sloeg aan [eiser]. Van een zo zware invloed van [eiser], dat de mishandeling hem, [eiser] zelf, mede aan te rekenen zou zijn, was daarmee echter geen sprake. Daar zou pas sprake van geweest kunnen zijn, als [eiser] hem, [gedaagde 1], naar de mens gesproken geen andere keus had gelaten; en zo was het niet.

6.

Het feit dat de ruzie die [gedaagde 2] met [eiser] had de aanleiding is geweest tot het handelen van [gedaagde 1], vermindert zijn aansprakelijkheid evenmin. Die ruzie moge de aanleiding zijn geweest: de beslissing om te handelen zoals hij gedaan heeft, heeft [gedaagde 1] zelf in vrijheid genomen; hij is daar dus ten volle verantwoordelijk voor.

7.1.

Ook het beroep op ‘eigen schuld’ van [eiser] wordt verworpen.

7.2.

Over de manier waarop [gedaagde 1] zich in het gebeuren mengde staat in de stukken: (verklaring [H] p 56 pv, onderaan)
‘ Hij liep langs mij af en ik zag dat hij [voornaam eiser] tegen zijn hoofd sloeg’. Passages die daar preciezer over zijn, ontbreken. Dat [eiser] de confrontatie met [gedaagde 1] heeft gezocht is dus geenszins aannemelijk, afgezien van de vraag hoe daarover dan geoordeeld zou moeten worden.

7.3.

Ook heeft [gedaagde 1] niet aannemelijk gemaakt, dat [eiser] de schade had kunnen beperken door eerder naar de dokter te gaan. De ene passage uit het rapport van de oogarts (productie 13 bij dagvaarding, voorlaatste zin van de alinea over ‘oogheelkundig beloop’) biedt daarvoor geen aanknopingspunt.

8.1.

Tot matiging op grond van de omstandigheden ziet de kantonrechter geen grond.

8.2.

Het gevorderde bedrag (€ 20.000,=) is niet een zó hoog bedrag dat het daarvoor in aanmerking kan worden gebracht. Intvens draagkracht lijkt beperkt, gezien zijn inkomsten, maar dat doet er bij dit bedrag niet aan af. De aard van de aansprakelijkheid – die voortspruit uit pure en onnodige gewelddadigheid – is voorts een reden níet te matigen.

8.3.

Ten aanzien van [gedaagde 1] is de conclusie, dat de hoofdsom tegen hem kan worden toegewezen. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking, dat [gedaagde 1] tegen de hoogte van het gevorderde voorschot noch tegen de stellingen over de schadeomvang verweer gevoerd heeft, terwijl de vordering ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

9.

Het buitengerechtelijke werk heeft kennelijk niet meer ingehouden dan twee brieven en het verzamelen van gegevens bij rechtbank en Hof. Het heeft dus niet meer omvat dan datgene wat toch al gedaan moet worden om de dagvaarding voor te bereiden. Voor dat voorbereidende werk omvat het processalaris een tegemoetkoming; een afzonderlijke vergoeding voor buitengerechtelijk werk zal daarom niet worden toegewezen.

[gedaagde 2]

10.1. De rechtbank heeft ten laste van [gedaagde 2] bewezen verklaard, dat zij [eiser] op die 28/29e november 2008 meer dan eens tegen het hoofd heeft geschopt. Het Hof heeft dat vonnis bevestigd.

10.2. [gedaagde 2] heeft in haar conclusie van antwoord en in haar conclusie niet tegengesproken, dat zij dat gedaan heeft.
Haar mededeling dat zij beroep in cassatie tegen haar veroordeling heeft ingesteld, doet er dus niet toe.

10.3. Niet van belang is, dat rechtbank en Hof het bewezen verklaren van ‘schoppen tegen het hoofd’ gekwalificeerd hebben als poging tot zware mishandeling; een kwalificatie is slechts een juridische waardering die aan de bewezenverklaring van de feiten niet afdoet. Ook hier geldt: [gedaagde 2] heeft het schoppen tegen het hoofd niet ontkend.

10.4. Vast staat dus, dat zij [eiser] bij de bewuste gebeurtenis een paar keer tegen het hoofd geschopt heeft.

11.1. De vraag is dan, of dat haar aansprakelijk maakt voor de schade die [eiser] vergoed wil zien, de schade aan het oog, de schade aan het gezicht, de gevolgschade en de immateriële schade.

11.2. [gedaagde 2] vormde met [gedaagde 1] een groep; naar plaats en tijdstip was de geweldpleging tegen [eiser] één geheel waarin zij allebei optraden.

11.3. Dat door de strafrechter geen medeplegen bewezen verklaard is, doet daar niet aan af; voor alles wat niet bewezen is verklaard levert zo’n uitspraak - indien onherroepelijk - geen dwingend bewijs op.

11.4. Vaststaat dat door de onrechtmatige gedraging van [gedaagde 1] de door [eiser] gestelde schade is ontstaan.

11.5. De kans op die schade had [gedaagde 2] moeten weerhouden van het schoppen als onderdeel van de totale geweldpleging tegen [eiser].

11.6. [gedaagde 2] is dus medeaansprakelijk.

11.7. Voor de beoordeling van haar eigenschuldverweer verwijst de kantonrechter naar overweging 7.3..

11.8. De kantonrechter ziet geen grond een andere verdeling van de bijdrageplicht op te leggen dan de wet voorschrijft, omdat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die aannemelijk maken dat de schoppen die [gedaagde 2] gegeven heeft in betekende mate minder aan de schade hebben bijgedragen dan de handelingen van [gedaagde 1].

12.

Het buitengerechtelijke werk heeft kennelijk niet meer ingehouden dan twee brieven en het verzamelen van gegevens bij rechtbank en Hof. Het heeft dus niet meer omvat dan datgene wat toch al gedaan moet worden om de dagvaarding voor te bereiden. Voor dat voorbereidende werk omvat het processalaris een tegemoetkoming; een afzonderlijke vergoeding voor buitengerechtelijk werk zal daarom niet worden toegewezen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2]


13. Aan de veroordelingen wordt hoofdelijkheid verbonden op grond van BW 6:166.

14.

Omdat aannemelijk is, dat de totale schade thans nog niet
kan worden vastgesteld zal de kantonrechter de mogelijkheid van een schadestaatprocedure openen.

15.

. Als in het ongelijk gestelde partijen worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeeld in de proceskosten van [eiser]. Hoofdelijk; voor een tegemoetkoming terzake van schade geldt hetzelfde als voor gehele aansprakelijkheid (BW 6:102). Nakosten worden niet toegewezen; gezien Rv 237 lid 4 dient [eiser] daar een nadere bevelschrift voor te verzoeken.



BESLISSING


De kantonrechter:


Verklaart voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de mishandeling op of omstreeks 29 november 2008 in Eersel buiten en nabij café Jerommeke;

Veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van alle schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van deze mishandeling nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van een voorschot op de vergoeding van deze schade ad
€ 20.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente daarover tot 31 oktober 2011 ad € 2.355,60 en voor zolang en voor zover de hoofdsom na die datum onbetaald blijft;

Veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan de griffier van deze rechtbank van de somma van € 97,81 en [gedaagde 2] tot betaling aan de griffier van deze rechtbank van de somma van € 97,81, welke bedragen moeten worden voldaan op nr 56 99 90 572 (rekening Royal Bank of Scotland) ten name Ministerie van Justitie, arrondissement Den Bosch, onder vermelding van rolnummer 11/11655 (Eindhoven);

Veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de overige proceskosten aan [eiser]; die overige kosten worden gesteld op € 871,=, waarvan € 71,= wegens vastrecht en € 800,= wegens gemachtigdensalaris, vermeerderd met de wettelijke rente daarover voor zover en voor zolang het totaalbedrag niet betaald is veertien dagen nadat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schriftelijk tot betaling zijn aangemaand;

Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr P.M. Knaapen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.