Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:7589

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
26-07-2013
Zaaknummer
827195
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek werknemer op 7 mei 2012, nadat de werkgever op 12 april 2012 het UWV heeft verzocht om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Op 14 mei 2012 heeft de werkgever toestemming gekregen. Zij heeft de arbeidsovereenkomst op 16 mei 2012 opgezegd per 17 mei 2012. De mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek heeft plaatsgevonden op 31 mei 2012. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer ontvankelijk is, omdat de arbeidsovereenkomst nog bestond toen hij het verzoek indiende. Dat de arbeidsovereenkomst inmiddels door onregelmatige opzegging is geëindigd doet daaraan niet af. De opzegging was weliswaar onrechtmatig, maar desalniettemin geldig. Werknemer heeft geen gronden aangevoerd waarom de opzegging niet geldig zou zijn. Gelet daarop bestond de arbeidsovereenkomst ten tijde van de mondelinge behandeling niet meer en kan de kantonrechter niet tot ontbinding daarvan overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 827195

EJ verz. : 12-2021

Uitspraak : 19 juni 2012

in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.A. Leeman,

t e g e n :

Compu’train Trainingen B.V.,

gevestigd te Hilversum,

verweerster,

gemachtigde: mr. H. van den Heuvel,

1 De procedure

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch, op 7 mei 2012, heeft verzoekster verzocht om de arbeidsovereenkomst met verweerster te ontbinden.

Zijdens verweerster is een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 mei 2012 , bij welke gelegenheid partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun gemachtigden voornoemd.

Na gevoerd debat is de beschikking bepaald op heden.

2 Inleiding

2.1.

Tussen partijen bestaat een arbeidsovereenkomst. Verzoekster is sedert 1 mei 2003 in dienst van verweerster, laatstelijk als senior accountmanager tegen een bruto salaris (exclusief vakantiegeld) van € 5.414,- per maand. Verzoekster is thans 59 jaar oud.

Verweerster heeft een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV WERKbedrijf. Deze is ontvangen door het UWV WERKbedrijf op 12 april 2012.

Verzoekster heeft zich daartegen verzet.

Op 7 mei 2012 heeft verzoekster bij verzoekschrift aan de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met verweerster te ontbinden.

Bij beschikking van 14 mei 2012 heeft het UWV werkbedrijf verweerster toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met verzoekster op te zeggen tot uiterlijk 10 juli 2012 met inachtneming van de geldende opzegtermijn.

Verweerster heeft de arbeidsovereenkomst met verzoekster bij brief van 16 mei 2012 opgezegd per 17 mei 2012.

2.2.

Verzoekster grondt het verzoek primair onvoorwaardelijk op de stelling dat er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, bestaande in omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677, lid 1 BW zouden opleveren, althans in veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft verzoekster subsidiair aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het verzoek voorwaardelijk, voor het geval deze nog niet zou zijn geëindigd, is ingediend.

2.4.

Verweerster heeft verweer gevoerd.

3 De beoordeling

3.1.1

Primair is verweerster van mening dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek aangezien er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat tussen partijen. Verweerster heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd per 17 mei 2012. Weliswaar is sprake van een onregelmatige opzegging, waardoor verweerster schadeplichtig is jegens verzoekster, echter er is geen sprake van een vernietigbare opzegging, aangezien het UWV WERKbedrijf op 14 mei 2012 toestemming voor ontslag heeft verleend. Verzoekster heeft bovendien alle schade van verweerster voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn direct financieel aan haar gecompenseerd.

3.1.2.

Verzoekster heeft hiertegen als verweer het volgende ingebracht. Primair heeft zij gesteld dat zij ontvankelijk is in haar verzoek omdat de arbeidsovereenkomst in ieder geval bestond op het moment dat zij haar verzoek indiende. Dat verweerster verzoekster de pas heeft willen afsnijden door willens en wetens zonder in achtneming van de opzegtermijn de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maakt dat niet anders. En ook niet het feit dat zij aan verweerster onmiddellijk heeft toegezegd een schadevergoeding te betalen. Een onrechtmatig handelen wordt niet rechtmatig doordat een schadevergoeding wordt betaald. Bovendien kan een partij geen beroep doen op het eigen onrechtmatig handelen als verweer tegen een rechtmatig verzoek.

3.1.3.

De kantonrechter is van oordeel dat verzoekster ontvankelijk is aangezien de arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en verweerster bij het indienen van het verzoekschrift nog bestond. Op grond van de wet (artikel 7:685 BW) is de kantonrechter tot het einde van de arbeidsovereenkomst bevoegd om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het stond verzoekster dan ook vrij om voor deze procedure te kiezen teneinde een ontbindingsvergoeding te verkrijgen. Het feit dat de arbeidsovereenkomst inmiddels zou zijn geëindigd door de onregelmatige opzegging van verweerster, maakt niet dat verzoekster daardoor niet ontvankelijk in haar verzoek is. Resteert de vraag of de arbeidsovereenkomst nog ontbonden kan worden na de onregelmatige opzegging van verweerster d.d. 16 mei 2012.

3.2.1.

Verzoekster heeft daartoe gesteld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst nietig is en dat zij desnoods een oordeel aan de bodemrechter zal vragen over de geldigheid van de opzegging. Zij stelt dat het in deze procedure formeel niet aan de orde is of de opzegging al dan niet nietig is geweest.

3.2.2.

Verweerster heeft gesteld dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd na verkregen toestemming van het UWV WERKbedrijf als bedoeld in artikel 6 BBA zodat er geen sprake kan zijn van een nietig ontslag. Er is sprake van een onregelmatig opzegging. De wetgever heeft echter in artikel 7:677 lid 1 BW uitdrukkelijk voor gekozen om beide partijen de bevoegdheid te geven om zonder in achtneming van de opzegtermijn op te zeggen en de wetgever heeft daarop als sanctie schadeplichtigheid gesteld. Verweerster heeft alle schade van verzoekster voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn direct financieel aan haar gecompenseerd.

3.3.3.

De kantonrechter kan de stelling van verzoekster dat het in deze procedure formeel niet aan de orde is of de opzegging al dan niet nietig is geweest, niet volgen. Naar het oordeel van de kantonrechter is wel van belang om te weten of de onregelmatige opzegging stand houdt en dient dit zeker aan de orde te worden gesteld. Verzoekster wenst namelijk te arbeidsovereenkomst tussen haar en verweerster te ontbinden. Dit is enkel mogelijk indien de kantonrechter van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat en derhalve niet is geëindigd door de onregelmatige opzegging van verzoekster.

De kantonrechter stelt vast dat verzoekster geen gronden heeft aangevoerd waarom de onregelmatige opzegging niet geldig zou zijn en in deze procedure buiten beschouwing gelaten zou moeten worden. Op grond daarvan kan de kantonrechter in deze procedure enkel oordelen dat het gegeven ontslag weliswaar onregelmatig is maar niettemin geldig. Dit betekent dat er ten tijde van de mondelinge behandeling van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen arbeidsovereenkomst meer bestond en de kantonrechter ook niet kan overgaan tot het ontbinden van de arbeidsovereenkomst.

3.4.1.

Voorts heeft verzoekster tijdens de mondelinge behandeling van de zaak de grondslag van haar verzoekschrift vermeerderd in de zin dat het verzoekschrift tevens als een voorwaardelijk verzoekschrift dient te worden beschouwd. Verzoekster stelt daartoe dat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift de arbeidsovereenkomst nog bestond zodat er eerder geen aanleiding bestond om deze grondslag in haar verzoekschrift te hanteren.

3.4.2.

Verweerster heeft daartegen bezwaar gemaakt.

3.4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van artikel 283 Rechtsvordering een verandering c.q. wijziging van eis enkel schriftelijk geschieden. Verzoekster heeft dit daartegen tijdens de mondelinge behandeling van de zaak mondeling gedaan en verweerster heeft daartegen bezwaar gemaakt.

In dit verband merkt de kantonrechter op dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die tot een ander oordeel zouden hebben moeten leiden zodat de kantonrechter dit verzoek op grond van artikel 283 Rechtsvordering zal afwijzen.

3.5.

De kantonrechter blijft derhalve bij zijn oordeel dat op grond van hetgeen is overwogen in alinea 3.3.3. niet kon worden overgaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

3.6.

De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af;

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012 door mr. G.J.M. van Meel, kantonrechter te 's-Hertogenbosch.