Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:2586

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
29-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_1190
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:627, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen, verbeuren dwangsommen.

Wetsverwijzingen
Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/1190

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2012

inzake

[eiser],

te Reusel,

eiser,

gemachtigde P.J.M. Michielse,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden,

verweerder,

gemachtigde M.P.C. Verkooijen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2009 heeft verweerder aan de gemeente Reusel-De Mierden vergunning verleend voor de aanleg van een insteekweg. Het hiertegen door eiser bij bezwaarschrift van 4 januari 2010 gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 11 mei 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2011, zaaknummer AWB 10/1955, heeft de rechtbank het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 mei 2010 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft verweerder bij brief van 9 juni 2011 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

Bij brief van 16 juni 2011 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een nieuw besluit. Eiser is tegen het niet tijdig nemen van een besluit bij brief van 10 juli 2011 in beroep gegaan bij de rechtbank.

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft verweerder, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2011, een nieuw besluit genomen. Hierbij is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)  heeft het door eiser ingestelde beroep inzake het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het reële besluit van 26 juli 2011. Met toepassing van artikel 6:15 van de Awb is het tegen het besluit van 26 juli 2011 door eiser ingestelde beroep door de rechtbank doorgezonden aan de Afdeling.

Bij besluit van 29 september 2011 heeft verweerder aan eiser een dwangsom toegekend van € 610,00. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 22 februari 2012 niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder hangende het hoger beroep niet bevoegd is te beslissen over een proceskostenvergoeding.

Bij uitspraak van 29 februari 2012, zaaknummer 201106531/1/A1, heeft de Afdeling het beroep van verweerder gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2011 vernietigd en het door eiser bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 12 mei 2011 ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat aan het besluit van 26 juli 2011, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. De Afdeling heeft het beroep van eiser tegen het besluit van 26 juli 2011 gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Bij besluit van 15 maart 2012, zonder kenmerk maar met als onderschrift “Aanlegvergunning - brief heroverweging niet-ontvankelijk verklaren bezwaar [Eiser] 28-10-2011.doc” (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van genoemde uitspraak van de Afdeling het besluit van 22 februari 2012 ingetrokken, het door eiser gemaakte bezwaar van 28 december 2011 wegens het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 29 september 2011 ingetrokken, alsmede het verzoek om vergoeding van proceskosten in bezwaar afgewezen.

Bij brief van 19 april 2012, ontvangen door de rechtbank op 20 april 2012, heeft eiser beroep ingesteld tegen voornoemd besluit van 15 mei 2012.

Het beroep is behandeld op de zitting van 5 juli 2012, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het beroep van eiser richt zich blijkens de gronden daarvan op het bestreden besluit voor zover daarbij het besluit van 29 september 2011 is ingetrokken. Eiser heeft daarnaast opmerkingen gemaakt over de terugvordering door verweerder van het aan eiser uitgekeerde bedrag aan dwangsommen. De terugvordering maakt echter geen onderdeel uit van het bestreden besluit, zodat de rechtbank niet kan toekomen aan beoordeling van hetgeen eiser omtrent de terugvordering heeft aangevoerd.

2.

In het besluit van 29 september 2011 heeft verweerder op grond van artikel 4:18 van de Awb de aan eiser verbeurde dwangsommen wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser van 4 januari 2010 vastgesteld op € 610,00.

3.

Eiser heeft gesteld dat aan hem dwangsommen zijn verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar dat eiser bij bezwaarschrift van 4 januari 2010 heeft gemaakt tegen voormeld besluit van 3 december 2009. De rechtbank constateert dat verweerder in eerste instantie op dit bezwaar van eiser heeft besloten bij besluit van 11 mei 2010. Het tegen het besluit van 11 mei 2010 ingestelde beroep is echter gegrond verklaard en het besluit van

11 mei 2010 is vernietigd bij genoemde uitspraak van deze rechtbank van 4 mei 2011, zaaknummer AWB 10/1955. De rechtbank heeft verweerder daarbij opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

4.

Tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2011 is hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft bij genoemde uitspraak van 29 februari 2012, voor zover hier van belang, het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2011 vernietigd en het beroep gericht tegen het besluit van 11 mei 2010 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft voorts overwogen dat aan het besluit van 26 juli 2011, waarbij verweerder ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2011 (opnieuw) op het bezwaar van eiser van

4 januari 2010 heeft beslist, de grondslag is komen te ontvallen.

5.

Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat het besluit op het bezwaar van eiser van

4 januari 2010 in rechte vaststaat. De uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2012 wordt als gevolg van de vernietiging ervan geacht nooit te hebben bestaan. Van een gehoudenheid van verweerder om (opnieuw) op het bezwaar van eiser van 4 januari 2010 te beslissen, welke gehoudenheid voortvloeide uit deze vernietigde uitspraak, was ten gevolge van de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012 geen sprake. Het standpunt van eiser dat de rechtbank thans dient te oordelen naar de situatie zoals deze bestond voorafgaand aan meergenoemde uitspraak van de Afdeling (‘ex tunc’) vindt geen steun in het recht.

6.

Gelet op de voorgaande overwegingen kon geen sprake meer zijn van een situatie van niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar van eiser van 4 januari 2010 en derhalve evenmin van het verbeuren van dwangsommen als gevolg van dit niet tijdig beslissen. Gelet hierop mocht verweerder het besluit van 29 september 2010, waarbij was vastgesteld dat in verband met het niet tijdig beslissen op dit bezwaar wel dwangsommen waren verbeurd, intrekken. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het bepaalde in artikel 4:20 van de Awb, dat voortbouwt op het uitgangspunt dat eerder verbeurd geachte en uitbetaalde dwangsommen op een later moment onverschuldigd betaald kunnen blijken.

7.

Voor het overige is het bestreden besluit niet in geschil. De opmerkingen welke eiser heeft gemaakt met betrekking tot vergoeding van kosten vormen een reactie op het standpunt van verweerder over het verzoek van eiser tot vergoeding van proceskosten in beroep. Deze opmerkingen van eiser maken daarmee niet dat de afwijzing door verweerder van het verzoek tot vergoeding van kosten in bezwaar (als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb) in geding is.

8.

De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

9.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

10.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als rechter in tegenwoordigheid van C. van Osch als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2012.