Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:1215

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
232433 - HA ZA 11-1120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

bewijslevering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 's -Hertogenbosch

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 232433 / HA ZA 11-1120

Vonnis van 11 april 2012

in de zaak van

naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat voorheen mr. Q.H. van Vliet te Amsterdam,

thans mr. M. Alipour te Amsterdam.

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.H.M. van Dinten te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Aegon en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 augustus 2011

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 oktober 2011

  • -

    het tussenvonnis van 21 december 2012

  • -

    de akte van Aegon van 1 februari 2012

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] van 16 februari 2012.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank volhardt bij het tussenvonnis van 21 december 2012.

Polisvoorwaarden

2.2.

De rechtbank heeft Aegon in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van de daadwerkelijke ontvangst van de polisvoorwaarden door [gedaagde] voor of bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst. Daartoe is de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door Aegon of zij bewijs wil leveren en, zo ja, of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel. Door Aegon is geen bewijslevering in vorenbedoelde zin aangeboden. Aegon stelt op grond van eerder ter comparitie naar voren gebrachte argumenten wederom dat zij door toezending van de algemene voorwaarden aan de tussenpersoon [naam tussenpersoon] aan de verplichte terhandstelling aan [gedaagde] heeft voldaan. De rechtbank heeft in r.o. 4.3. van het tussenvonnis reeds geoordeeld dat Aegon niet aan haar informatieplicht heeft voldaan door toezending van polisvoorwaarden aan [naam tussenpersoon] . Deze beslissing is een bindende eindbeslissing op grond van de door partijen ten tijde van het wijzen van het tussenvonnis aan de rechtbank ter beoordeling voorgelegde argumenten en bewijsstukken. Het debat over dit punt is met het wijzen van het tussenvonnis geëindigd en er is geen sprake van een beslissing die op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust als bedoeld in HR 26 november 2010, LJN BN 8521 en HR 25 april 2008, NJ 2008,553.

2.3.

Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de polisvoorwaarden (daadwerkelijk) heeft ontvangen voor of bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst heeft Aegon niet voldaan aan haar op grond van artikel 6:233 sub b BW met vernietigbaarheid bedreigde informatieplicht. Het beroep van [gedaagde] op de vernietigbaarheid van de polisvoorwaarden slaagt. Dit leidt er in elk geval toe dat artikelen 4.6 en 4.9 van de polisvoorwaarden niet van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst en de dekking niet is komen te vervallen doordat [gedaagde] zich niet aan die bepalingen heeft gehouden.

Toepassing artikel 7:941 BW

2.4.

De rechtbank heeft bij voornoemd tussenvonnis beide partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de toepassing van artikel 7:941 BW op de in 2006 ingediende schadeclaim.

2.5.

Aegon stelt zich op het standpunt dat titel 17 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk is indien geoordeeld wordt dat de algemene voorwaarden niet op juiste wijze zijn ter hand gesteld. Volgens Aegon is in dat geval artikel 7:941 BW van toepassing. Aegon voert aan dat [gedaagde] in strijd met dit artikel heeft gehandeld door aantoonbaar vervalste documenten in te dienen en tegenstrijdige verklaringen af te leggen: [gedaagde] heeft met opzet getracht de verzekeraar te misleiden. Op grond daarvan biedt de verzekering geen dekking voor de gevorderde schade en heeft Aegon de schadeuitkering van € 9.214,94 ter zake van het schadevoorval van 2006 onverschuldigd betaald. De uitzondering dat de misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt, is volgens Aegon hier niet toepasselijk.

2.6.

[gedaagde] heeft zich niet tegen de toepassing van artikel 7:941 BW verzet, maar betwist dat hij Aegon bewust heeft misleid. [gedaagde] handhaaft zijn stelling dat hij geen verkeerde en/of valse opgave heeft gedaan en verzoekt dhr. [getuige] als getuige te horen over de door [gedaagde] ingeleverde uitlaat. Voorts betwist [gedaagde] dat een verkeerde en/of valse opgave een algeheel verval van het recht op uitkering rechtvaardigt.

2.7.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de hand van het bepaalde in artikel 7:941 BW beoordelen of Aegon in 2006 zonder rechtsgrond tot schadeuitkering is overgegaan. In het tussenvonnis van 21 december 2012 heeft de rechtbank in r.o. 4.7 tot en met 4.9. reeds overwogen dat er voldoende aanknopingpunten zijn om voorshands als vaststaand aan te kunnen nemen dat [gedaagde] met betrekking tot de Sebring uitlaat een verkeerde opgave heeft gedaan, en dat [gedaagde] tot het leveren van tegenbewijs wordt toegelaten. Daartoe heeft [gedaagde] getuigenbewijs aangeboden door het horen van dhr. [getuige] . De rechtbank zal [gedaagde] in de gelegenheid stellen dhr. [getuige] als getuige te horen, zoals hierna te melden.

2.8.

Indien -als uitkomst van de bewijslevering- niet komt vast te staan dat [gedaagde] met betrekking tot de Sebring uitlaat een verkeerde/valse opgave heeft gedaan, is een sanctie op grond van artikel 7:941 BW niet aan de orde.

Met betrekking tot de schadeopgave ter zake van motorkleding verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover in r.o. 4.10. en 4.11. van het tussenvonnis is overwogen. De rechtbank is van oordeel dat deze schadeopgave onvoldoende gewicht in de schaal legt om hieraan een sanctie op grond van artikel 7:941 BW te verbinden.

Wat Aegon overigens heeft aangevoerd ter zake van de schadeclaim van 2007 ontbeert relevantie voor de beoordeling of de schadeuitkering in 2006 onverschuldigd is betaald.

2.9.

Indien [gedaagde] niet in het tegenbewijs slaagt moet er van worden uitgegaan, mede gelet op de omstandigheden als in r.o. 4.7. omschreven, dat [gedaagde] een verkeerde/valse opgave met betrekking tot de Sebring uitlaat heeft gedaan met de opzet om Ageon te misleiden. In die situatie slaagt het beroep van Aegon op toepassing van de sanctie als omschreven in het vijfde lid van artikel 7:941 BW. De enkele omstandigheid dat het bedrag van de opgave met betrekking tot de Sebring uitlaat van € 375,-- slechts een klein onderdeel uitmaakt van het totaal uitgekeerde bedrag van € 9.214,94, acht de rechtbank niet een zodanige bijzondere omstandigheid dat op grond daarvan het algeheel verval van het recht op uitkering niet gerechtvaardigd zou zijn. Door [gedaagde] zijn verder geen andere omstandigheden gesteld op grond waarvan het algeheel verval van het recht op uitkering niet gerechtvaardigd zou zijn. De slotsom is dan dat Aegon zonder rechtsgrond tot schadeuitkering van € 9.214,94 is overgegaan. De vordering tot terugbetaling van dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2006, is in dat geval toewijsbaar.

Onderzoekskosten

2.10.

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de rechtbank heeft Aegon bij akte de onderzoekskosten uitgesplitst. Aan het schadevoorval in 2006 is volgens Aegon maximaal 18 uur door Itek besteed. Uitgaande van het totaalbedrag van de gevorderde onderzoekskosten ad € 12.439,61 inclusief BTW, doch exclusief BTW een bedrag ad

€ 10.076,08, bedragen de kosten voor 2006 (€ 10.076,08: 97,50 uren x 18 uren=)

€ 1.860,20. De resterende kosten ad € 8.215,88 hebben volgens Aegon betrekking op de onderzoekskosten van het schadevoorval in 2007.

2.11.

De rechtbank acht een verdere inhoudelijke onderbouwing van de uitsplitsing, zoals [gedaagde] voorstaat in verband met het verschil in uren per schadevoorval, niet nodig. Vast staat dat Itek eerst onderzoek heeft gedaan naar de schadeclaim van € 155.861,-- ter zake van de inbraak in 2007, waarbij een grote hoeveelheid goederen als vermist was opgegeven. Het ligt in de rede dat met dit onderzoek meer uren zijn gemoeid dan met het aanvullend onderzoek dat betrekking had op de schadeclaim uit 2006, waarbij beduidend minder goederen als vermist waren opgegeven. Hiermee acht de rechtbank het verschil in uren per schadevoorval afdoende verklaard.

2.12.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de kosten die betrekking hebben op de schadeclaim in 2007 in beginsel toewijsbaar zijn. Het bedrag van van € 8.215,88 zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2008. Afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering zijn de kosten met betrekking tot de schadeclaim in 2006 toewijsbaar.

2.13.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

laat [gedaagde] toe tot tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat hij in 2006 een verkeerde/valse opgave heeft gedaan met betrekking tot de Sebring uitlaat door het horen van de heer [getuige] ,

3.2.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

3.3.

bepaalt dat [gedaagde] de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden mei tot en met juli 2012 direct moet opgeven en verwijst de zaak naar de rolzitting van 25 april 2012 waarna datum en uur van de zitting zullen worden bepaald,

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G.J.M. van Ekert en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.