Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BV7925

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
667139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sociaal Plan; seniorenregeling; verschuiving pre-pensioenleeftijd van 58 naar 60 jaar met als gevolg dat het inkomen van de 55-plussers hoger is dan de in het sociaal plan getroffen voorziening; ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de 55-plussers.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0235
JAR 2012/99
PJ 2012/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch

Zaaknummer : 667139

Rolnummer : 09-12829

Uitspraak : 20 oktober 2011

in de zaak van:

FCI 's-Hertogenbosch B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. P. de Boer, advocaat te 's-Hertogenbosch,

t e g e n :

1. [Gedaagde 1], wonende te Rosmalen,

2. [Gedaagde 2], wonende te Rosmalen,

3. [Gedaagde 3], wonende te 's-Hertogenbosch,

4. [Gedaagde 4], wonende te Beuningen,

5. [Gedaagde 5], wonende te Kerkdriel,

6. [Gedaagde 6], wonende te Oss,

7. [Gedaagde 7], wonende te Rosmalen,

8. [Gedaagde 8], wonende te Boxtel,

gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. R.G.A.M. Theunissen, advocaat te Eindhoven.

1. De procedure

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding d.d. 4 december 2009 met producties;

b. de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie met producties;

c. de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie met producties;

d. de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie met producties;

e. de conclusie van dupliek in reconventie met producties;

f. de akte houdende reactie op producties.

Partijen zullen verder worden aangeduid als 'FCI' en 'de 55-plussers'.

2. De feiten

2.1. In 2002 heeft binnen FCI een reorganisatie plaatsgevonden als gevolg waarvan circa 180 arbeidsplaatsen zijn komen te vervallen. In het kader van deze reorganisatie is een Sociaal Plan opgesteld, dat in paragraaf 8.2. een seniorenregeling voor 55-plussers bevat.

De regeling beoogt de periode te overbruggen van de 55-jarige leeftijd tot de pre-pensioen-leeftijd (destijds: 58 jaar) in de vorm van salaris (artikel 8.2.3.), gevolgd door een TOP-uitkering (Tijdelijk Ouderdoms Pensioen) vanaf het bereiken van de pre-pensioen-leeftijd tot aan de datum van het ouderdomspensioen (65 jaar), welke TOP-uitkering wordt aangevuld door middel van koopsompolisuitkeringen (artikel 8.2.4.).

Kort gezegd is de regeling bedoeld om de 55-plussers vanaf het ingaan van de regeling tot hun 65ste verjaardag een inkomen te garanderen van 80% van hun netto-salaris.

Tot de ingangsdatum van de prepensioenregeling dient een salaris van 80% van het netto-maandsalaris, te verhogen met de gebruikelijke CAO-indexeringen, te worden betaald. Vanaf de prepensioendatum tot het bereiken van de ouderdomspensioenleeftijd (65 jaar) zou een TOP-uitkering worden betaald, aangevuld met een uitkering uit een koopsompolis, zodanig dat in totaal een inkomen van 80% van het netto salaris zou worden ontvangen.

2.2. Een en ander is als volgt vastgelegd in het Sociaal Plan, dat een looptijd heeft van 4 november 2002 tot en met 31 december 2003:

"8.2. Regeling voor de werknemer van 55 tot en met 57 jaar (geboren op/na 1 juli 1945 t/m 31 december 1948)

8.2.1. De werknemer die gedurende de looptijd van het Sociaal Plan de leeftijd van 55 jaar bereikt en met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en waarvan tengevolge van de herstructurering/reorganisatie de arbeidsplaats komt te vervallen, zodat afvloeiing onvermijdelijk is, en die op het moment van individuele schriftelijke aanzegging niet ouder is dan 57 jaar komt in aanmerking voor een speciale regeling.

Deze regeling zal gelden tot het moment dat de TOP-regeling (Tijdelijk Ouderdoms Pensioen), de vroegere SUM-regeling, ingevolge het reglement van de Bedrijfstak Pensioenfonds Metalektro kan worden aangeboden. Voorwaarde is wel dat voormelde TOP-regeling op de werknemer van toepassing is.

8.2.2. (...)

8.2.3. De werknemer ontvangt vanaf het moment, waarop voor hem de ingangsdatum van de speciale regeling is bepaald en hij vrijgesteld is van werkzaamheden voor de werkgever tot aan de ingangsdatum TOP-regeling ingevolge het reglement van de Bedrijfstak Pensioenfonds Metalektro, een salaris overeenkomend met 80% van zijn netto maandsalaris te verhogen met de gebruikelijke CAO-indexeringen gebaseerd op zijn oud bruto maandsalaris.

8.2.4. Ten tijde van de ingangsdatum van de TOP-regeling zal ten behoeve van de werknemer een verzekering worden afgesloten welke erin voorziet dat de werknemer naast zijn TOP-uitkering een aanvulling ontvangt tot 80% van het netto maandsalaris te verhogen met een jaarlijkse indexering van 3%, zoals in het desbetreffende reglement is omschreven. Deze uitkering eindigt zodra de werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt".

2.3. Op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken vakbonden heeft FCI reeds in juli 2003 voor de 55-plussers voorzien in (het storten van de premie voor) een verzekering als bedoeld in artikel 8.2.4.. Dit gebeurde in de vorm van een lijfrente/koopsompolis voor iedere 55-plusser, afgesloten bij PVF-Achmea, teneinde tezijnertijd de TOP-uitkering aan te vullen tot 80% van het salaris. Als ingangsdatum voor uitkering van de koopsompolis is de 58-jarige leeftijd van de 55-plussers genomen, omdat destijds de ingangsdatum van het prepensioen (TOP-regeling) lag bij het bereiken van de 58-jarige leeftijd.

2.4. Op 4 april 2005 heeft het Pensioenfonds voor de Metalelektro (PME) zonder enige vooraankondiging besloten, dat de ingangsleeftijd van de TOP-regeling met onmiddellijke ingang werd gewijzigd van 58 naar 60 jaar. In een procedure bij de rechtbank Haarlem hebben FCI en één van de 55-plussers hiertegen tevergeefs geprotesteerd; de rechtbank oordeelde dat PME niet gehouden was een uitzondering te maken voor de 55-plussers.

2.5. Vanaf hun 58ste jaar hebben de 55-plussers uitkeringen uit de koopsompolis ontvangen. Als gevolg van voormelde verschuiving van de ingangsleeftijd ontvingen zij echter van hun 58ste tot 60ste jaar geen TOP-uitkering. FCI heeft daarom besloten de 55-plussers ook na hun 58ste nog in dienst te houden en zij heeft de koopsomuitkeringen tussen het 58ste en 60ste jaar aangevuld tot het niveau als bedoeld in artikel 8.2.3., dus tot het niveau van 80% van het laatstgenoten salaris. FCI heeft de 55-plussers twee jaar extra op de loonlijst laten staan en heeft extra pensioenopbouw doorbetaald.

2.6. Vanaf hun 60ste jaar hebben de 55-plussers méér inkomen ontvangen uit hun TOP-uitkering in combinatie met de uitkering uit de koopsompolis dan waarop zij recht hebben op grond van artikel 8.2.4. van het sociaal plan. Door de verschuiving van de TOP-ingangsleeftijd van 58 naar 60 jaar is de TOP-uitkering van 45,3% verhoogd naar 59,6% van het nettoloon op 60-jarige leeftijd.*1 Vermeerderd met de niet dienovereenkomstig aangepaste uitkering uit de koopsompolis heeft dat ertoe geleid, dat de 55-plussers meer dan 80% (soms oplopend tot 94,6%) van hun netto-salaris hebben ontvangen.

2.7. Bij brief van 14 april 2009 heeft FCI de 55-plussers gesommeerd haar binnen veertien dagen te berichten of zij bereid zijn samen met FCI te komen tot een regeling, inhoudende dat het gedeelte van de uitkering uit de koopsompolis dat aan FCI toekomt - namelijk al hetgeen uitgaat boven 80% van het salaris - aan haar wordt terugbetaald.

3. Het geschil

in conventie (= met betrekking tot de vorderingen van FCI):

3.1. FCI stelt als volgt.

i. Al haar werknemers in de leeftijd van 55 tot en met 57 jaar hebben schriftelijk te kennen gegeven akkoord te gaan met de inhoud van het sociaal plan en gebruik te maken van de daarin vervatte 55-plusregeling. Deze regeling komt erop neer dat werknemers van FCI in de leeftijdscategorie van 55-57 jaar destijds, in november 2002, de mogelijkheid is geboden om tot het bereiken van de uittredingsleeftijd van 58 jaar in dienst van FCI te blijven onder vrijstelling van werkzaamheden en doorbetaling van (80% van) het salaris, waarna vervolgens bij het bereiken van de 58-jarige leeftijd gebruik zou kunnen worden gemaakt van de TOP-regeling die door FCI (door middel van de door haar afgesloten koopsompolis) zou worden aangevuld tot eveneens 80% van het (geïndexeerde) netto salaris.

ii. Op het moment van het sluiten van het sociaal plan is op geen enkel moment door welke betrokkene dan ook met de mogelijkheid rekening gehouden dat de toetredingsleeftijd voor de TOP-regeling op enig moment zou worden verschoven. Met deze wijziging is bij het aangaan van het sociaal plan geen rekening gehouden en daarvoor was ook geen voorziening getroffen. FCI heeft de verplichting op zich genomen om tot het moment dat de werknemer zou toetreden tot de TOP-regeling 80% van het netto salaris te blijven betalen, te verhogen met de gebruikelijke CAO-index. Feitelijk heeft FCI alle betrokken 55-plussers twee jaar langer dan voorzien in dienst gehouden en thans blijkt dat een lager bedrag aan premie voor de koopsompolis nodig is geweest om het in het sociaal plan voorziene percentage van 80% van het laatstgenoten salaris te bereiken.

FCI heeft zowel in het overleg met de vakbonden en ondernemingsraad op 13 september 2005 als nadien in berichtgeving aan de betrokken 55-plussers meegedeeld dat het betreffende salarisdeel van hun 58ste tot aan hun 60ste (de nieuwe toetredingsdatum van de TOP-regeling) bij wijze van voorschot zou worden uitgekeerd.

iii. De abrupte verschuiving van de minimum toetredingsleeftijd voor de TOP-regeling van 58 naar 60 jaar heeft voor FCI ingrijpende en grote financiële gevolgen gehad:

-- ingevolge artikel 8.2.3. van het sociaal plan heeft FCI twee jaar langer (80% van) het loon moeten doorbetalen zonder dat daar een arbeidsprestatie tegenover stond.

-- ingevolge artikel 8.2.4. en uitgaande van een TOP-leeftijd van 58 jaar heeft FCI per betrokken 55-plusser een verzekeringspolis afgesloten ter dekking van het ingevolge het sociaal plan gegarandeerde inkomen (80%) tot de 65-jarige leeftijd. Als gevolg van de latere toetreding tot de TOP-regeling is de TOP-uitkering hoger dan het geval was geweest indien de 55-plussers op 58-jarige leeftijd tot die regeling zouden zijn toegetreden. Dat betekent dat, achteraf gezien, een lagere koopsomuitkering (en dus een lagere verzekeringspremie) per werknemer nodig zou zijn geweest om het in het sociaal plan voorziene inkomensniveau van 80% van het laatstgenoten salaris te bereiken.

iv. FCI meent, dat een deel van de door PVF Achmea aan de 55-plussers gedane uitkeringen uit de koopsompolis aan haar toekomt, namelijk al hetgeen dat uitgaat boven 80% van het salaris (zoals dat is gedefinieerd in het sociaal plan).

v. De vordering van FCI jegens de individuele 55-plussers strekt tot (terug)storting van hetgeen -achteraf bezien- teveel is gestort in de koopsompolis op grond van de volgende juridische grondslagen:

primair:

1. de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de artikelen 6:2 en 6:248 BW en de daaruit voortvloeiende vordering van FCI uit onverschuldigde betaling

(art. 6:203 BW).

De 55-plussers zijn partij geworden bij het sociaal plan doordat zij expliciet hebben getekend voor gebruikmaking van de seniorenregeling. Nu zij uitdrukkelijk hebben ingestemd met toepasselijkheid van het sociaal plan, wordt de rechtsverhouding tussen partijen beheerst door de normen van redelijkheid en billijkheid. De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid brengt mee dat artikel 8.2.4. van het sociaal plan aldus moet worden aangevuld dat de 55-plussers het bedrag dienen terug te betalen dat:

(i) teveel in de koopsompolis is gestort en, samen met uitkeringen op grond van de TOP-regeling, zal leiden tot uitkeringen die 80% van het netto maandsalaris zullen overstijgen; danwel

(ii) de 55-plussers zullen ontvangen aan TOP-uitkering en uitkeringen uit de koopsompolis, voor zover de optelsom daarvan 80% van het netto maandsalaris overstijgt (het surplus).

Op grond van deze aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid dienen de 55-plussers het surplus terug te betalen. Voor zover de kantonrechter van oordeel mocht zijn dat het sociaal plan aldus dient te worden uitgelegd dat de rechten en verplichtingen over en weer dienen te worden gefixeerd op 58-jarige leeftijd, maar niet dient te worden aangevuld met een verplichting tot terugbetaling van het surplus, is het surplus onverschuldigd betaald;

subsidiair:

2. onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW).

In het sociaal plan is niet voorzien dat de TOP-ingangsleeftijd zou worden gewijzigd van 58 naar 60 jaar; partijen hebben hiermee geen rekening gehouden. De wijziging was in het geheel niet (te) voorzien.

meer subsidiair:

3. de derogerende werking van de redelijkheid en de billijkheid;

danwel,

4. ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).

Voor zover de uitkeringen die de 55-plussers na hun 60ste uit hoofde van de TOP-regeling en de koopsompolis zullen ontvangen een bedrag van 80% van het (geïndexeerd) netto maandsalaris overstijgen, is deze verrijking ongerechtvaardigd.

Bij repliek heeft FCI zich verder nog op het standpunt gesteld dat de 55-plussers individueel gebonden zijn aan de seniorenregeling in het sociaal plan, dan wel op grond van een derdenbeding partij zijn geworden bij het sociaal plan.

Verder heeft FCI de berekeningswijze van de door haar gevorderde bedragen nader uiteengezet.

3.2. Op vorenstaande gronden heeft FCI, na vermeerdering van eis bij repliek, de volgende vorderingen ingesteld:

a. te verklaren voor recht dat zij ten behoeve van de 55-plussers de in punt 7 (i) van de dagvaarding genoemde bedragen teveel heeft gestort in verband met de voor hen gesloten koopsompolissen (inzake aanvulling op hun TOP-uitkering);

b. de 55-plussers te veroordelen tot terugbetaling van de in de dagvaarding onder 7 (ii) genoemde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2005, althans 28 april 2009, althans 14 mei 2009, althans de dag der dagvaarding;

c. de 55-plussers hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten van FCI zijnde € 14.900,57 exclusief 6% kantoorkosten en BTW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2009, althans 14 mei 2009;

d. te verklaren voor recht dat FCI ten behoeve van de 55-plussers teveel heeft gestort in verband met de voor betreffende 55-plussers gesloten koopsompolissen (inzake de aanvulling op de TOP-uitkering) en dat de 55-plussers gehouden zijn dit teveel te restitueren aan FCI, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de stortingen door FCI in de koopsompolis(sen), althans vanaf 14 april 2009, althans 28 april 2009, althans de dag dat de 55-plussers uitkeringen ex de TOP-regeling ontvangen;

e. voor zover vordering d. wordt afgewezen: te verklaren voor recht dat de 55-plussers verschuldigd zijn aan FCI al hetgeen zij zullen ontvangen uit de koopsompolis voor zover dit, samen met de uitkeringen op grond van de TOP-regeling, 80% van het netto salaris als genoemd in artikel 8.2.4. van het Sociaal Plan overstijgt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de stortingen door FCI in de koopsompolissen, althans 14 april 2009, althans 28 april 2009, althans de dag dat de 55-plussers uitkeringen uit de TOP-regeling ontvangen;

f. voor zover vordering d. wordt afgewezen, te verklaren voor recht dat de 55-plussers ieder individueel zijn uitdrukkelijke toestemming dient te geven aan de verzekeraar die tot uitkering op basis van de koopsompolis komt, om het bedrag waarop FCI op grond van e. aanspraak heeft, rechtstreeks aan FCI uit te keren;

g. de 55-plussers hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van FCI zijnde € 14.900,57 exclusief 6% kantoorkosten en BTW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2009, althans 14 mei 2009, althans de 55-plussers hoofdelijk althans ieder afzonderlijk te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van FCI berekend volgens Rapport Voorwerk II, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2009, althans 14 mei 2009, althans de 55-plussers ieder afzonderlijk te veroordelen tot betaling wegens buitengerechtelijke incassokosten van FCI zijnde € 1.862,57 voor iedere 55-plusser, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2009, althans 14 mei 2009, een en ander tot aan de dag der voldoening.

h. de 55-plussers hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk, te veroordelen in de proceskosten zijdens FCI.

3.3. De 55-plussers hebben, kort samengevat, het volgende verweer gevoerd.

De wederzijdse rechten en verplichtingen voor partijen zijn geheel en uitsluitend vastgelegd in het sociaal plan, dat een (collectieve) overeenkomst betreft tussen FCI en de vakorganisaties, en niet tussen FCI en de 55-plussers. De 55-plussers hebben inderdaad schriftelijk verklaard gebruik te willen maken van de seniorenregeling, maar ook niet meer dan dat. Slechts kan gezegd worden, dat zij door hun wilsverklaring gebonden zijn aan de bepalingen van de seniorenregeling. De 55-plussers zijn niet als partij toegetreden tot de overeenkomst. Evenmin zijn zij partij geworden door aanvaarding van een derdenbeding. Het sociaal plan is aan te merken als een CAO, waarbij de bij de uitleg van individuele arbeidsovereenkomsten geldende zogeheten Haviltex-formule niet van toepassing is. De bewoordingen van het sociaal plan zijn duidelijk en eenduidig en behoeven geen uitleg. Het vermeende terugvorderingsrecht van FCI stoelt ook niet op een bepaalde uitleg van het sociaal plan. Een beroep op de artikelen 6:2 en 6:248 BW komt dan ook niet toe aan FCI, omdat de onderhavige overeenkomst geen overeenkomst is tussen de procespartijen, maar tussen FCI en de vakorganisaties. Hetzelfde geldt met betrekking tot het betoog van FCI over toepasselijkheid van artikel 6:258 BW.

Geheel subsidiair betwisten de 55-plussers dat de redelijkheid en billijkheid dan wel onvoorziene omstandigheden nopen tot de conclusie dat FCI mag terugvorderen. Dat FCI in haar ogen teveel koopsompremie heeft gestort heeft zij aan zichzelf te wijten, althans had zij kunnen voorzien. FCI heeft er zelf voor gekozen om al vrij snel na het afsluiten van het sociaal plan de koopsompolissen te sluiten waartoe artikel 8.2.4. van het sociaal plan haar verplichtte, maar die zij pas rondom de ingangsdatum van de TOP-regeling had behoeven te sluiten. Bovendien heeft niets of niemand FCI ertoe verplicht om een inflexibele koopsompolis als de onderhavige af te sluiten.

Ten slotte kan het beroep van FCI op ongerechtvaardigde verrijking en/of onverschuldigde betaling haar evenmin baten. Voor de toepasselijkheid van artikel 6:212 BW en/of 6:203 BW is noodzakelijk dat er is gepresteerd zonder rechtsgrond. Nu de prestatie van FCI voortvloeit uit het sociaal plan, is er wel degelijk sprake van een rechtsgrond.

FCI heeft bij repliek de berekeningswijze van haar vordering onder punt 34 voldoende toegelicht en de 55-plussers zijn bereid deze berekeningswijze als juist te accepteren, echter met dien verstande dat een eventuele vordering van FCI (nog) niet volledig opeisbaar is: ten tijde van de conclusie van antwoord (4 februari 2010) had geen van de 55-plussers de leeftijd van 65 jaar reeds bereikt.

Bovendien wordt bezwaar gemaakt tegen de door FCI gehanteerde ingangsdatum van de wettelijke rente voor zover die datum eerder ligt dan 28 april 2009. Ten slotte worden de vorderingen van FCI ter zake buitengerechtelijke incassokosten door de 55-plussers gemotiveerd betwist.

in reconventie (= met betrekking tot de tegenvordering van de 55-plussers):

3.4. De 55-plussers hebben de volgende tegenvordering ("vordering in reconventie") ingesteld:

veroordeling van FCI om:

I. aan de in de conclusie van eis onder a. genoemde 55-plussers de daar vermelde salarisbedragen te betalen - voor zoveel het netto bedragen betreft: het daarmee corresponderende brutobedrag - vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van 50% en zowel de hoofdsom als de wettelijke verhoging vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum zoals vermeld bij ieder der 55-plussers;

II. voor elk der 55-plussers een koopsom te storten die het te bereiken pensioen aanvult tot het niveau zoals bepaald in het pensioenreglement onder hoofdstuk D, art. 4.1, welke koopsom dient te betreffen zowel de opbouw van het ouderdomspensioen, het overbruggingspensioen en de risicodekking van het nabestaandenpensioen en het weduwe-pensioen als de aanspraken op de overgangsregeling (SUM(O) en oude (vroeg-) pensioenregeling, zulks binnen 30 dagen na het te wijzen vonnis en op verbeurte van een dwangsom als nader in de conclusie van eis omschreven;

III. de proceskosten te betalen.

3.5. De 55-plussers leggen aan deze vorderingen het volgende ten grondslag.

FCI onderscheidt twee leeftijdgroepen, 55 tot 58 jaar en 58 tot 60 jaar. De 55-plussers volgen deze verdeling. Partijen zijn het erover eens dat de aanvulling die FCI moet betalen, moet worden berekend op basis van het netto salaris. Het bruto salaris moet derhalve naar een nettobedrag worden omgerekend, waarna van dat bedrag 80% wordt genomen en vervolgens moet worden gebruteerd. FCI heeft zo'n berekening slechts eenmalig, in 2003, gemaakt en zij is op basis van die berekening blijven betalen gedurende de hele periode tot de 58 jarige leeftijd, dus tot in de loop van 2006. Echter, loonbelasting en premieheffing, en soms de persoonlijke omstandigheden, zijn aan veranderingen onderhevig en beïnvloeden dus het nettoloon. Zo is per 1 januari 2006 het fiscale regime van de ziektekostenpremie ingrijpend gewijzigd. FCI mocht niet volstaan met het eenmalig vaststellen van het netto salaris. De gemaakte afspraak is duidelijk vastgelegd in artikel 8.2.3. De 55-plussers verlangen daarom van FCI dat alsnog nieuwe berekeningen worden gemaakt, in elk geval per 1 januari 2004,

1 januari 2005 en 1 januari 2006. Daarnaast betwisten de 55-plussers de opgave van FCI bij gebreke van voldoende onderbouwing en toelichting en zij verlangen dat de berekeningen worden voorzien van een accountantsverklaring. De vorderingen zijn niet verjaard. Bovendien staat verjaring niet in de weg aan verrekening.

Verder moet de betreffende vordering worden gekwalificeerd als loon en niet als pensioenbetaling. De 55-plussers zijn eerst op 60-jarige leeftijd met prepensioen gegaan, hun dienstverband heeft tot die datum voortbestaan.

3.6. FCI heeft het volgende verweer gevoerd.

De door de 55-plussers overgelegde berekeningen worden betwist bij gebreke van voldoende onderbouwing en toelichting. Het is aan de 55-plussers om hun vorderingen te motiveren. Niet FCI maar de 55-plussers hadden hun berekeningen dus moeten voorzien van een accountantsverklaring. De vordering per individuele 55-plusser is zwak onderbouwd. Zij hebben niet of nauwelijks aangetoond op welke uitgangspunten hun vordering is gebaseerd en in hoeverre hun vordering afwijkt van de berekening van FCI. Veel berekeningen zijn niet te vergelijken omdat deze gebaseerd zijn op netto bedragen.

In de periode van 55 tot 58 jaar bestaat voor FCI een directe verplichting om het salaris te betalen tot het niveau van 80% van het netto maandsalaris als bedoeld in het sociaal plan. Voor de periode van 58 tot 60 jaar bestaat deze verplichting echter niet. Het sociaal plan ging er immers van uit dat in die periode het inkomen zou bestaan uit de TOP-uitkering, aangevuld met de uitkering op grond van de koopsompolis. FCI heeft de koopsomuitkering gedurende deze periode bij wijze van voorschot aangevuld.

De door FCI gehanteerde methodiek is reeds in 2003/2004 bekend gemaakt aan de 55-plussers en daarna ook zo toegepast. Alle vorderingen zijn dus verjaard. Betwist wordt, dat de 55-plussers zich in dit verband tijdig alle rechten uitdrukkelijk hebben voorbehouden; dit wordt door hen ook niet nader onderbouwd.

De betalingen in de periode 55 tot 58 jaar moeten overigens worden aangemerkt als prepensioenbetalingen en niet als loon. Nu de 55-plussers over bovengenoemde periode geen arbeid hebben verricht en duidelijk was dat zij ook geen arbeid meer zouden verrichten, kunnen de gedane betalingen niet als loon in de zin van de wet worden beschouwd. Bovendien zijn de betalingen gedaan bij wijze van voorschot op de later (na het 60ste levensjaar) te verkrijgen hogere TOP-uitkering en deze kunnen niet gekwalificeerd worden als loon. De wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW kan dus niet van toepassing zijn op deze betalingen.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie (= met betrekking tot de vorderingen van FCI en van de 55-plussers):

4.1. Het geschil tussen partijen vloeit rechtstreeks voort uit de verschuiving van de TOP-gerechtigde leeftijd van 58 naar 60 jaar.

4.2. Tussen partijen staat vast, dat de artikelen 8.2.3. en 8.2.4. van het sociaal plan beogen te voorzien in een inkomensgarantie voor de 55-plussers, zodanig dat zij vanaf de ingangsdatum van de regeling tot aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen bij 65-jarige leeftijd 80% van hun (geïndexeerde) netto maandsalaris ontvangen. Op basis van de toen geldende situatie zijn de partijen die het sociaal plan overeenkwamen er daarbij van uitgegaan, dat de 55-plussers vanaf hun 58ste jaar in aanmerking zouden komen voor een uitkering krachtens de TOP-regeling. Het Pensioenfonds voor de Metalektro (PME) heeft echter op 4 april 2005 -geheel eenzijdig en voor alle betrokkenen totaal onverwacht- besloten, dat de TOP-leeftijd werd verschoven van 58 naar 60 jaar.

4.3. Tussen partijen staat voorts vast, dat alle 55-plussers zich individueel schriftelijk akkoord hebben verklaard met toepasselijkheid van het sociaal plan en in zoverre aan het sociaal plan zijn gebonden. Dat neemt echter niet weg, dat de individuele 55-plussers geen rechtstreekse invloed hebben gehad op de totstandkoming van het sociaal plan en evenmin directe invloed hebben gehad op de koopsomverzekering die FCI krachtens artikel 8.2.4. van het sociaal plan ten behoeve van hen heeft afgesloten.

4.4. Ingevolge artikel 8.2.3 van het sociaal plan hebben de 55-plussers "tot aan de ingangsdatum TOP-regeling" aanspraak op een salaris overeenkomend met 80% van het netto maandsalaris (afgezien van indexering), ongeacht of die ingangsdatum ligt bij het bereiken van de 58- of 60-jarige leeftijd.

Toen het Pensioenfonds voor de Metalektro in april 2005 eenzijdig en onverwacht had besloten de ingangsleeftijd voor de TOP-regeling te verschuiven van 58 naar 60 jaar, heeft FCI dan ook terecht de gevolgtrekking gemaakt, dat zij gedurende die twee jaar op grond van artikel 8.2.3. van het sociaal plan gehouden was om -bij gebreke van een TOP-uitkering- de inmiddels al wel tot uitkering gekomen koopsompolis aan te vullen tot 80% van het netto-salaris. Met betrekking tot de over deze periode (58-60 jaar) door FCI gedane betalingen c.q. aanvullingen is derhalve geen sprake van onverschuldigde betaling en evenmin van enige verplichting aan de zijde van de 55-plussers om enig bedrag aan FCI terug te betalen. FCI diende immers de uitkering uit de koopsompolis slechts aan te vullen tot het bedrag waarop de 55-plussers recht hadden, te weten een salaris overeenkomend met 80% van het netto maandsalaris, een en ander zoals uitgewerkt in artikel 8.2.3.. Gesteld noch gebleken is, dat FCI over die periode méér heeft betaald dan waarop de 55-plussers recht hadden.

4.5. Door de 55-plussers is niet betwist, dat zij over de periode van hun 60ste tot 65ste jaar méér hebben en/of zullen ontvangen dan 80% van hun netto maandsalaris. Door de verschuiving van de TOP-ingangsleeftijd van 58 naar 60 is de TOP-uitkering verhoogd van 45,3% naar 59,6% van het netto-loon op 60-jarige leeftijd. Vermeerderd met de uitkering uit de koopsompolis leidt dat ertoe, dat de 55-plussers meer dan 80% (soms oplopend tot 94%) van hun netto salaris hebben of zullen ontvangen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of FCI met betrekking tot dit "surplus" in enigerlei mate een (terug-)vorderingsrecht toekomt.

4.6. Hierbij is allereerst van belang, dat FCI geen invloed (meer) kan uitoefenen op de (hoogte van de) maandelijkse bedragen die door PVF Achmea ingevolge de TOP-regeling en ingevolge de koopsompolis over de hierbedoelde periode (60-65 jaar) aan de 55-plussers worden uitgekeerd. Dat de optelsom van hetgeen de 55-plussers maandelijks ontvangen uit hoofde van de TOP-regeling en de koopsompolis hoger is dan 80% van het (geïndexeerd) salaris is echter een gevolg van de financiële offers die FCI zich heeft getroost. Voor zover sprake is van een hogere TOP-uitkering is dat een direct gevolg van een hogere TOP-grondslag (59,6% bij 60 jaar in plaats van 45,3% bij 58 jaar) en een indirect gevolg van het feit, dat in de periode van 58 tot 60 jaar de maandelijkse koopsomuitkering is aangevuld door FCI en niet door een betaling ingevolge de TOP-regeling. Zoals hierboven reeds overwogen, was FCI tot deze aanvulling verplicht ingevolge artikel 8.2.3. van het Sociaal Plan. Het standpunt van FCI, dat de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zou kunnen leiden tot een terugbetalingsverplichting van de 55-plussers met betrekking tot deze door FCI betaalde aanvulling, wordt door de kantonrechter dan ook verworpen. Nu de betalingsverplichting rechtstreeks voortvloeide uit genoemd artikel 8.2.3. kan van onverschuldigde betaling evenmin sprake zijn.

Ook het beroep op onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW) kan FCI niet baten. Niet valt immers in te zien, dat de door FCI en de vakbonden bij het aangaan van het sociaal plan niet voorziene omstandigheid dat de pre-pensioenleeftijd zou verschuiven van 58 naar 60 jaar, tot gevolg zou moeten hebben dat de 55-plussers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde instandhouding van het sociaal plan niet meer zouden mogen verwachten. Het sociaal plan, althans de hier aan de orde zijnde bepalingen, behelst immers niet meer of minder dan een "inkomensgarantie" van 80% van het netto salaris. De omstandigheid dat als gevolg van latere ontwikkelingen de 55-plussers pas vanaf hun 60ste jaar in plaats van op hun 58ste jaar in aanmerking komen voor de TOP-regeling dient in de verhouding werkgever-werknemer voor rekening en risico van eerstgenoemde te komen, temeer omdat de 55-plussers geen invloed hebben gehad op de wijze waarop het sociaal plan is geredigeerd.

4.7. FCI heeft, gevolg gevend aan datgene waartoe het sociaal plan haar verplichtte, koopsompolissen afgesloten die, achteraf bezien, een hogere uitkering geven dan nodig is om het 'garantie-inkomen' van 80% van het netto-salaris te bereiken. Deze hogere uitkering is (mede) het gevolg van het feit dat FCI een hogere premie in de koopsompolis heeft gestort dan noodzakelijk was. Voor zover die hogere premie er (uiteindelijk) toe heeft geleid, dat de 55-plussers meer inkomen hebben ontvangen dan 80% van het netto salaris, is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de 55-plussers. Die verrijking bestaat daaruit dat zij maandelijks aan TOP- en koopsomuitkering in totaal een hoger bedrag ontvangen dan waarop zij ingevolge artikel 8.2.4. aanspraak hebben. Er is voorts sprake van een verarming aan de zijde van FCI: zij heeft in 2003 hogere premies voor de koopsompolissen betaald dan nodig is gebleken om het door FCI, de vakbonden en de 55-plussers beoogde doel (een inkomen ter hoogte van 80% van het netto salaris) te bereiken. Verder is onmiskenbaar sprake van een rechtstreeks verband tussen verrijking en verarming: de verrijking is een direct gevolg van een koopsomuitkering die hoger is dan noodzakelijk voor het beoogde doel en die hogere uitkering houdt direct verband met het feit dat een hogere koopsompremie is gestort.

Tot slot is de verrijking aan de zijde van de 55-plussers naar het oordeel van de kantonrechter ongerechtvaardigd: voor die verrijking is immers, gelet op voormeld doel van het sociaal plan, geen enkele redelijke grond aanwezig. Door de 55-plussers zijn ook geen feiten of omstandigheden gesteld waaraan zij de gerechtvaardigde verwachting zouden kunnen ontlenen dat hun inkomen in de periode van 60 tot 65-jarige leeftijd op enig moment hoger zou zijn dan 80% van het (geïndexeerde) salaris.

4.8. Door de 55-plussers is nog aangevoerd, dat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake kan zijn omdat de prestatie van FCI haar grondslag vindt in een rechtshandeling, namelijk een overeenkomst, zodat -aldus de 55-plussers- wel degelijk sprake is van een rechtsgrond. Zij verliezen hierbij echter uit het oog, dat de rechtshandeling c.q. (artikel 8.2.4. van) het sociaal plan waaraan zij hun aanspraken ontlenen niet tot méér verplichtte dan "erin te voorzien dat de werknemer naast zijn TOP-uitkering een aanvulling ontvangt tot 80% van het netto maandsalaris te verhogen met een jaarlijkse indexering van 3%".

4.9.1. De 55-plussers hebben verder nog aangevoerd, dat aan een terugbetalingsverplichting uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in de weg staat, dat FCI -gelet op de redactie van artikel 8.2.4.- de koopsompolissen pas had hoeven afsluiten op het moment dat de 55-plussers de TOP-gerechtigde leeftijd zouden hebben bereikt; FCI had de koopsompolissen, aldus de 55-plussers, dus niet reeds in juli 2003 hoeven af te sluiten en had dat eerst hoeven doen bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd.

4.9.2. De kantonrechter verwerpt dit standpunt. FCI heeft onweersproken gesteld, dat zij ten tijde van de totstandkoming van het sociaal plan en na de door haar doorgevoerde reorganisatie door zowel individuele werknemers als door de vakbonden dringend is verzocht om de in artikel 8.2.4. voorziene verzekering zo snel mogelijk af te sluiten teneinde de polisuitkeringen van de 55-plussers voor de toekomst veilig te stellen. FCI heeft kennelijk uit hoofde van goed werkgeverschap gemeend aan dat verzoek, dat kennelijk was ingegeven door onzekerheid bij de vakbonden en de 55-plussers over het verdere voortbestaan van FCI, gevolg te moeten geven en de kantonrechter acht zulks alleszins begrijpelijk. Het past de 55-plussers niet om dit gebaar thans aan FCI tegen te werpen.

4.10. Nu aan de voorwaarden voor ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, zijn de 55-plussers, voor zover dit redelijk is, verplicht de door FCI geleden schade te vergoeden tot het bedrag van de verrijking. De vergoeding gaat niet verder dan het bedrag der verrijking en ook niet verder dan het bedrag der verarming (de schade).

4.11.1. Op basis van door haar gemaakte berekeningen komt FCI per individuele 55-plusser tot de volgende schadebedragen:

-- [Gedaagde 1]: € 11.645,83;

-- [Gedaagde 2]: € 14.916,71;

-- [Gedaagde 3]: € 7.092,80;

-- [Gedaagde 4]: € 46.013,71;

-- [Gedaagde 5]: € 8.511,19;

-- [Gedaagde 6]: € 39.974,06;

-- [Gedaagde 7]: € 15.623,21;

-- [Gedaagde 8]: € 76.085,00.

4.11.2. Behoudens de gedaagden [gedaagde 4] en [gedaagde 8] hebben de overige 55-plussers zich akkoord verklaard met het door FCI berekende bedrag. [gedaagde 4] berekent de schade voor FCI in zijn geval op € 11.054,56, terwijl [gedaagde 8] meent niets verschuldigd te zijn en stelt nog een tegenvordering op FCI te hebben ter hoogte van

€ 63.266,27.

4.12. Alvorens verder te oordelen, zal de kantonrechter eerst de tegenvordering van de 55-plussers bespreken.

in reconventie (= met betrekking tot de tegenvordering van de 55-plussers):

4.13. De tegenvordering van de 55-plussers bestaat uit de volgende twee onderdelen:

a. te weinig uitgekeerd salaris over de periode van 55 tot 60-jarige leeftijd (art. 8.2.3. van het Sociaal Plan);

b. aanvulling pensioen (art. 10.1.b. Sociaal Plan).

ad a. : aanvulling salaris

4.14. Ingevolge artikel 8.2.3. van het Sociaal Plan heeft een 55-plusser over de periode van zijn 55-jarige leeftijd tot de ingangsdatum van de TOP-regeling aanspraak op een salaris "overeenkomend met 80% van zijn netto maandsalaris te verhogen met de gebruikelijke CAO-indexeringen gebaseerd op zijn oud bruto maandsalaris". Vanaf 58-jarige leeftijd ontvangt iedere 55-plusser een uitkering uit de -door FCI voor hem afgesloten- koopsompolis. FCI dient die uitkering aan te vullen tot voormeld salaris als bedoeld in artikel 8.2.3.. Volgens de 55-plussers heeft FCI daarbij een onjuiste bruto/netto berekening gemaakt met als gevolg dat de 55-plussers te weinig salaris hebben ontvangen.

4.15.1. Partijen zijn het erover eens dat de aanvulling die FCI moet betalen, moet worden berekend op basis van het netto-salaris. Partijen nemen beiden als uitgangspunt het bruto-salaris dat naar een netto-bedrag wordt herrekend, waarvan vervolgens een deel van 80% weer wordt gebruteerd.

4.15.2. Volgens de 55-plussers heeft FCI slechts éénmaal, namelijk in 2003, een dergelijke berekening uitgevoerd en is zij vervolgens steeds op basis van die berekening blijven betalen tot de 58-jarige leeftijd, dus tot in 2006. Loonbelasting en premieheffing, en soms de persoonlijke omstandigheden, zijn echter aan veranderingen onderhevig en beïnvloeden dus het nettoloon. FCI mocht, aldus de 55-plussers, niet volstaan met het eenmalig vaststellen van het netto-salaris; zij menen dat nieuwe berekeningen dienen te worden gemaakt per 1 januari 2004, 1 januari 2005 en 1 januari 2006.

4.15.3. FCI stelt daar terecht tegenover, dat artikel 8.2.3. van het Sociaal Plan het "oud bruto maandsalaris" tot uitgangspunt voor de salarisberekening neemt, dus het bruto maandsalaris dat de 55-plusser geniet op het moment dat de speciale regeling voor hem gaat gelden. Vervolgens dient 80% van het, van dat "oude" bruto-salaris afgeleide, netto-salaris weer te worden gebruteerd en te worden verhoogd met de gebruikelijke CAO-indexeringen. Het standpunt van de 55-plussers zou impliceren dat het "oud bruto maandsalaris", zoals genoemd in artikel 8.2.3., telkens (jaarlijks) opnieuw zou moeten worden vastgesteld. Een dergelijke uitleg valt in genoemd artikel echter niet te lezen. Het standpunt van de 55-plussers wordt dan ook verworpen.

4.15.4. Onjuist is echter het standpunt van FCI (punt 77 van de conclusie van repliek conventie/antwoord reconventie), dat de 55-plussers in de periode van 58 tot 60-jarige leeftijd geen aanspraak zouden hebben op het salaris als bedoeld in artikel 8.2.3.. Als hierboven reeds eerder overwogen, hebben de 55-plussers aanspraak op dat salaris "tot aan de ingangsdatum TOP-regeling", dus ook over de periode van 58 tot 60-jarige leeftijd, echter met dien verstande dat FCI slechts gehouden was de maandelijkse uitkeringen uit hoofde van de koopsompolis aan te vullen tot het hierbedoelde salaris.

In punt 78 van de conclusie van repliek/antwoord heeft FCI per 55-plusser het bedrag genoemd dat zij onder deze omstandigheden nog aan de 55-plussers zou moeten betalen. In hun conclusie van dupliek/repliek hebben de 55-plussers deze bedragen niet, althans onvoldoende, gemotiveerd betwist, zodat de door FCI genoemde bedragen in beginsel voor toewijzing gereed liggen.

4.16. FCI heeft nog aangevoerd dat het salaris, waarop de 55-plussers ingevolge meergenoemd artikel 8.2.3. aanspraak kunnen maken tot aan de ingangsdatum van de TOP-regeling, niet kan worden aangemerkt als loon doch moet worden aangemerkt als prepensioenbetalingen waarover geen wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW verschuldigd is. Loon is immers een vergoeding, door de werkgever aan de werknemer verschuldigd ter zake van de bedongen arbeid, aldus FCI.

De kantonrechter verwerpt dit standpunt, nu de regeling in het Sociaal Plan impliceert, dat de 55-plussers tot de ingangsdatum van de TOP-regeling in dienst blijven van FCI en aanspraak kunnen maken op het -in artikel 8.2.3. ook als zodanig aangeduide- salaris. Genoemd artikel spreekt uitdrukkelijk over salaris en niet over 'uitkering' of 'betaling'. Dat FCI gedurende die periode de 55-plussers heeft vrijgesteld van werkzaamheden en dat het inkomen van de 55-plussers in de periode van 58 tot 60 jaar deels (ook) bestond uit een uitkering uit een koopsompolis, doet aan een en ander niet af.

ad b.: aanvulling pensioen

4.17. Ingevolge artikel 10.1.b. van het Sociaal Plan is FCI jegens de 55-plussers verplicht tot het storten van een koopsom, die het te bereiken pensioen aanvult tot het niveau zoals bepaald in het pensioenreglement onder hoofdstuk D, artikel 4.1. (Nieuwe TOP-regeling). De voortzetting betreft zowel de opbouw van het ouderdomspensioen, het overbruggingspensioen en de risicodekking van het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen als de aanspraken op de overgangsregelingen SUM(O) en oude (vroeg-)-pensioenregeling.

4.18. De 55-plussers stellen, dat FCI de hierbedoelde koopsompolissen nog steeds niet heeft afgesloten en daarmee in verzuim verkeert.

4.19. FCI erkent, dat zij de hierbedoelde verplichting tot op heden nog niet is nagekomen, zodat op dit punt de vordering van de 55-plussers in beginsel toewijsbaar is.

in conventie en in reconventie (= met betrekking tot de vorderingen van FCI en met betrekking tot de tegenvorderingen van de 55-plussers):

4.20. Alvorens verder te beslissen zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zowel in conventie als in reconventie hun respectieve vorderingen nader te onderbouwen met nieuwe berekeningen, een en ander met inachtneming van dit vonnis. Zonodig kunnen zij hun vorderingen aanpassen.

De zaak zal daartoe naar de rolzitting van onderstaande datum worden verwezen, waarbij eerst FCI een nadere conclusie in conventie kan nemen, vervolgens de 55-plussers een antwoordconclusie in conventie en nadere conclusie in reconventie en ten slotte FCI een antwoordconclusie in reconventie kan nemen.

FCI wordt verzocht bij haar berekeningen uitdrukkelijk te betrekken het verweer van de 55-plussers dat zij nog niet (allen) de 65-jarige leeftijd hebben bereikt. Deze omstandigheid is immers van belang bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van de aan de zijde van de 55-plussers opgekomen verrijking.

Voorts wijst de kantonrechter partijen er met nadruk op, dat door hen in hun conclusies opgeworpen nieuwe gezichtspunten buiten beschouwing zullen blijven bij de verdere beoordeling van de zaak.

4.21. Het komt de kantonrechter geraden voor om eventueel hoger beroep van dit tussenvonnis toe te staan.

4.22. Iedere verdere beslissing, waaronder die met betrekking tot de rente en de buitengerechtelijke kosten, zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie:

verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 24 november 2011 te 09.30 uur teneinde FCI in de gelegenheid te stellen een nadere conclusie in conventie te nemen, waarna vervolgens de 55-plussers en ten slotte FCI zal kunnen reageren, een en ander zoals hierboven in punt 4.20. overwogen;

bepaalt, dat tussentijds hoger beroep van dit vonnis is toegestaan;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.

*1 De wijziging van de toetredingsleeftijd leidde ertoe dat de hoogte van de TOP-uitkering wijzigde: de TOP-uitkering is een percentage van het laatstgenoten salaris en dit percentage is hoger naarmate de leeftijd waarop men toetreedt tot de TOP-regeling hoger is.

Zaaknummer: 667139 blad 13

vonnis