Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BV7376

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
AWB 10/2098 en 10/2148
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX8945, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft het beroep van omwonenden tegen een projectbesluit ten behoeve van de bouw van een varkenshouderij.

Is de grondslag van de aanvraag verlaten? Er is sprake van een relatief geringe wijziging van de aanvraag, zodat verweerder de aanvraag niet opnieuw ter inzage hoefde te leggen (r.o. 24).

De beroepsgrond inzake het ontbreken van een MER faalt eveneens (r.o. 25 e.v.).

Voor deze inrichting is een revisievergunning ingevolge de Wm verleend. Is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mede gelet op Wet geurhinder en veehouderij?

Verhouding tussen enerzijds milieuhygienische toetsing in het kader van de milieuwetgeving en anderzijds de planologische beoordeling (r.o. 40 e.v.).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 10/2098

AWB 10/2148

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 oktober 2011

inzake

[eiser sub 1],

eiser 1,

gemachtigde ir. A.K.M. van Hoof,

[eiser sub 2] en [eiseres sub 2],

eisers 2,

gemachtigde mr. H.U. van der Zee,

allen wonende te Erp,

gezamenlijk te noemen: eisers

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel,

verweerder,

gemachtigden A. Munster en ing. T. van Asperen.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder], te [plaats], vergunninghouder, gemachtigde mr. J.J.J. de Rooij.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft verweerder met toepassing van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een projectbesluit genomen en aan vergunninghouder een bouwvergunning verleend ten behoeve van het oprichten van een dragende zeugenstal op de locatie [perceel A] te [plaats].

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder zaaknummer AWB 10/2098, het beroep van eisers 2 is geregistreerd onder zaaknummer AWB 10/2148.

De zaken zijn behandeld ter zitting van 14 september 2011 waar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigden. Verder waren vergunninghouder en zijn gemachtigde ter zitting aanwezig, vergezeld van de door hen meegebrachte deskundige ing. J. de Groot.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 30 maart 2010, dat strekt tot het nemen van een projectbesluit en tot het verlenen van een bouwvergunning voor een dragende zeugenstal, in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat uit van de navolgende relevante feiten en omstandigheden.

3. Vergunninghouder exploiteert op de aangrenzende percelen [perceel A] en [perceel B] te [plaats] een intensieve veehouderij (varkensbedrijf). Op 26 april 2005 is voor dit bedrijf een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (Wm) verleend. Op 20 maart 2007 is een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer (Wm) verleend, welke vergunning met name ziet op de uitbreiding van het bedrijf met twee grote stallen. Tegen deze revisievergunning ingevolge de Wm zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze inmiddels onherroepelijk is geworden. Voor een van de in de revisievergunning begrepen stallen - in het thans bestreden besluit aangeduid als stal 9 - is in 2008 een bouwvergunning verleend en deze stal 9 is in 2009 gerealiseerd. Ten behoeve van de bouw van de andere stal - aangeduid als stal 10 - heeft vergunninghouder op 23 juni 2009 de onderhavige aanvraag om een bouwvergunning ingediend. Deze aanvraag voorziet in de bouw van een stal voor dragende zeugen op het perceel, kadastraal bekend [kadastergegevens], plaatselijk bekend [perceel A] te [plaats].

4. Verweerder heeft het voornemen tot het nemen van een projectbesluit op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wro en tot het verlenen van een bouwvergunning bekend gemaakt op 16 december 2009. In de bekendmaking is vermeld dat met ingang van 16 december 2009 gedurende zes weken kennis kon worden genomen van de ruimtelijke onderbouwing met bijlagen en van het ontwerp-projectbesluit. Voorts is vermeld dat gedurende deze termijn een zienswijze kon worden ingediend. Van deze gelegenheid hebben zowel gedeputeerde staten van Noord-Brabant, als ook eisers gebruik gemaakt.

5. Vergunninghouder heeft vervolgens bij brief van 2 maart 2010 de aanvraag gewijzigd. De wijziging van de aanvraag houdt in dat niet langer een bouwblokvergroting wordt aangevraagd, maar een bouwblokverandering. Dat wil zeggen dat het bouwblok waarop het bouwplan betrekking heeft dezelfde oppervlakte heeft als nu opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Alleen de grenzen van het bouwblok worden gewijzigd.

6. Bij primair besluit van 30 maart 2010 heeft verweerder met toepassing van artikel 3.10, eerste lid, van de Wro een projectbesluit genomen ten behoeve van de verwezenlijking van het in de aanvraag omschreven project. Tevens is een bouwvergunning verleend voor het oprichten van de in de aanvraag bedoelde dragende zeugenstal.

7. Tegen dit primaire besluit is bij de rechtbank beroep ingesteld door eisers, die woonachtig zijn in de nabijheid van de onderhavige bouwlocatie.

8. Vervolgens is bij besluit van 29 april 2010 opnieuw een revisievergunning ingevolge de Wm verleend voor het bedrijf van vergunninghouder, waartegen door eisers beroep is ingesteld. Bij uitspraak van 6 april 2011, zaaknummer 201005767/1/M2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, (hierna: de Afdeling) deze beroepen gegrond verklaard en is het besluit van 29 april 2010 tot verlening van een milieuvergunning vernietigd.

9. Eisers hebben in hun beroepen tegen het hier voorliggende projectbesluit en de verleende bouwvergunning een groot aantal beroepsgronden aangevoerd. Er is sprake van een aantal beroepsgronden van formele aard. Daarnaast zijn beroepsgronden aangevoerd, die er in onderlinge samenhang bezien, kort samengevat, op neerkomen dat verweerder uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen medewerking mocht verlenen aan het onderhavige bouwplan, met name omdat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse niet is gewaarborgd.

10. Het toetsingskader is als volgt.

11. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.5, tweede lid, en artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak dient dan ook getoetst te worden aan het wettelijk regime, zoals dat van kracht was vóór 1 oktober 2010.

12. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

13. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wro of met een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet.

14. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen. Ingevolge het tweede lid van dit wetsartikel bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.

Ingevolge het vierde lid van deze bepaling kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

15. Ingevolge artikel 5.1.3, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening (het Bro), bevat een projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing, waarin zijn neergelegd:

a. een verantwoording van de in het projectbesluit gemaakte keuze van bestemmingen;

b. een beschrijving van de wijze waarop in het projectbesluit rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;

c. de uitkomsten van het in artikel 5.1.1 bedoelde overleg;

d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;

e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het projectbesluit zijn betrokken;

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het projectbesluit.

16. De projectlocatie is gelegen in het buitengebied van [plaats] en heeft ingevolge de bestemmingsplannen “Landelijk Gebied” en “Landelijk Gebied Aanvulling” de bestemming ‘agrarische bedrijven’.

17. Voorts ligt de projectlocatie op basis van de gebiedszonering van de ten tijde van het bestreden besluit geldende, per 1 juli 2008 in werking getreden ‘Interimstructuurvisie Noord Brabant, Brabant in ontwikkeling’ (hierna: de Interimstructuurvisie) en de eveneens per 1 juli 2008 in werking getreden ‘Paraplunota ruimtelijke ordening’ (hierna: de Paraplunota) binnen de AHS-landbouw, subzone ‘zoekgebied veeverdichtingsgebieden’.

18. Tenslotte bevindt de projectlocatie zich volgens het Reconstructieplan ‘Peel en Maas’ (hierna: het Reconstructieplan) in een ‘verwevingsgebied’. In het Reconstructieplan is vermeld dat een verwevingsgebied volgens de Reconstructiewet is: een “ruimtelijk begrensd gedeelte van het reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies zich daar niet tegen verzetten”.

19. De rechtbank overweegt als volgt.

20. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de bepalingen van de vigerende bestemmingsplannen “Landelijk Gebied” en “Landelijk Gebied Aanvulling”, omdat het deels is gelegen buiten het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak. Verweerder heeft de bouwaanvraag daarom tevens, conform artikel 46, derde lid, aanhef en onder b, van de Ww opgevat als een verzoek tot het nemen van een projectbesluit, zoals bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro.

21. Vast staat dat het onderhavige bouwplan strekt ter realisering van de hiervoor reeds genoemde stal 10, die is begrepen in de op 20 maart 2007 verleende revisievergunning ingevolge de Wm, welke revisievergunning onherroepelijk is.

22. De in beroep aangevoerde beroepsgrond van formele aard, inhoudend dat verweerder de beslissing op de onderhavige bouwaanvraag had behoren aan te houden omdat eiser niet over de vereiste vergunning ingevolge de Wm beschikt, is ter zitting ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft dan ook geen bespreking meer.

23. Voorts is in beroep aangevoerd dat verweerder de grondslag van de aanvraag zou hebben verlaten, doordat de ruimtelijke onderbouwing uitgaat van een groter aantal dieren dan het aantal dieren dat krachtens de milieuvergunning van 20 maart 2007 in de onderhavige stal 10 mag worden gehouden. Vastgesteld moet worden dat de ruimtelijke onderbouwing niet uitsluitend ziet op de huidige stal 10, maar mede betrekking heeft op de meer omvattende situatie, zoals deze was neergelegd in de in 2010 verleende milieuvergunning, welke milieuvergunning in beroep bij de Afdeling niet in stand is gebleven. Aldus gaat de ruimtelijke onderbouwing tevens in op het bouwplan ten behoeve waarvan het onderhavige projectbesluit is genomen. Hiervan uitgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat de ruimtelijke onderbouwing niet zou voldoen aan de uit de Wro en het Bro voortvloeiende eisen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing uit een oogpunt van de in acht te nemen zorgvuldigheid tekort zou schieten. Hetgeen dienaangaande in beroep is gesteld leidt dan ook niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

24. Ten aanzien van de vraag of verweerder de grondslag van de aanvraag heeft verlaten overweegt de rechtbank tevens dat de aanvraag door vergunninghouder hangende de procedure is gewijzigd, in die zin dat de grootte van het bouwblok nu wel conform het geldende bestemmingsplan is, maar dat nog slechts de begrenzing van het bouwblok afwijkt van het vigerende bestemmingsplan. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat ter zitting aan de hand van tekeningen en de plankaart is vastgesteld dat er sprake is van een relatief geringe wijziging van de vorm van het bestaande bouwblok, zodat er geen sprake is van een geheel ander bouwplan dan oorspronkelijk is aangevraagd. Gelet daarop zijn eisers naar het oordeel van de rechtbank niet in hun processuele belangen geschaad en hoefde verweerder de gewijzigde aanvraag niet opnieuw ter inzage te leggen. Mitsdien is er ook in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit op formele gronden.

25. Met betrekking tot hetgeen in beroep is aangevoerd inzake de verplichting tot het opstellen van een milieu-effectrapport (hierna: MER) merkt de rechtbank allereerst op dat niet in geschil is dat uit categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit m.e.r. 1994) geen directe MER-plicht voortvloeit. Daartoe is redengevend dat categorie 14 van onderdeel C van het Besluit m.e.r. 1994 dienaangaande een drempelwaarde stelt van 900 zeugen, terwijl krachtens de op 20 maart 2007 verleende revisievergunning ingevolge de Wm in de onderhavige stal 10 slechts 336 zeugen mogen worden gehouden.

26. Categorie 14 van onderdeel D bij het Besluit m.e.r. 1994 ziet op de situatie dat door verweerder moet worden beoordeeld of een MER dient te worden gemaakt, waarbij een drempelwaarde geldt van 350 zeugen. Nu in stal 10 slechts 336 zeugen mogen worden gehouden en aldus de drempelwaarde van 350 zeugen niet wordt overschreden, meent verweerder niet verplicht te zijn om een MER-beoordeling te maken.

27. In beroep is in dit verband gewezen op bijlage III van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003. In beroep is gesteld dat in verband hiermee en gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08, ook bij het niet overschrijden van de drempelwaarde van 350 zeugen door verweerder toch een MER-beoordeling moest worden gemaakt.

28. Wat daarvan ook zij, de rechtbank stelt vast dat verweerder, hoewel deze meent daartoe niet verplicht te zijn, toch een MER-beoordeling heeft gemaakt. Verweerder is van mening dat er geen aanleiding bestaat tot het opstellen van een MER, omdat zich in de omgeving van de onderhavige bouwlocatie geen gevoelige gebieden bevinden. Het in beroep genoemde gebied Het Hurkske bevindt zich op ruime afstand van de bouwlocatie. Weliswaar erkent verweerder dat bij de exploitatie van het bedrijf van vergunninghouder wel degelijk grondwater aan de bodem wordt onttrokken, maar in aanmerking genomen de afstand tot het gebied Het Hurkske, vormt dit voor verweerder onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat een MER moest worden gemaakt. Immers, gelet op de ruime afstand tussen de bouwlocatie en het Hurkske zal de wateronttrekking naar verwachting slechts een beperkte invloed hebben op de waterhuishouding in Het Hurkske. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting zijn besluit nader toegelicht in die zin dat ook de aanwezigheid van meerdere woningen nabij de bouwlocatie geen aanleiding vormt voor het maken van een MER.

29. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder bij de uitgevoerde MER-beoordeling is uitgegaan van onjuiste feiten of omstandigheden. Evenmin is in beroep door eisers aannemelijk gemaakt dat er, uitgaande van deze feiten en omstandigheden, sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder op grond daarvan moest beslissen dat bij de voorbereiding van het besluit een MER moest worden gemaakt. Hetgeen inzake het ontbreken van een MER in beroep is aangevoerd faalt dan ook.

30. De rechtbank komt thans toe aan de materiële beoordeling van het bestreden besluit en overweegt dienaangaande als volgt.

31. Zoals uit het vorenoverwogene reeds blijkt is de onderhavige locatie in het Reconstructieplan aangeduid als verwevingsgebied, dat is gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur en waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies zich daar niet tegen verzetten.

32. Ten aanzien van een dergelijk verwevingsgebied wordt in het Reconstructieplan onder meer de eis gesteld dat het bouwblok niet groter mag zijn dan 1,5 hectare.

33. De rechtbank volgt eisers niet, daar waar zij stellen dat alle bouwblokken van het bedrijf van vergunninghouder als één geheel moeten worden aangemerkt, ten gevolge waarvan er sprake is van een bouwblok dat groter is dan 1,5 hectare. Met verweerder moet aan de hand van de gedingstukken, zoals deze ter zitting nog nader zijn toegelicht, worden vastgesteld dat er in planologisch opzicht sprake is van afzonderlijke bouwblokken. Dit staat los van de vraag of er gelet op de technische, organisatorische of functionele bindingen tussen de verschillende bouwblokken al dan niet sprake is van één inrichting in de zin van de Wm.

34. Evenmin volgt de rechtbank eisers in hun stelling dat er toch sprake is van een vergroting van het bouwblok, doordat de silo’s en de erfverharding deels buiten het bouwblok moeten worden opgericht. Op geen enkele wijze is aannemelijk gemaakt dat het bouwblok in de praktijk op deze wijze zal worden vergroot. Daar komt bij dat -voor zover er al sprake zou zijn van het realiseren van het bouwplan in afwijking van de verleende bouwvergunning en het daarbij behorende projectbesluit- dienaangaande bij verweerder een verzoek om handhaving kan worden ingediend. In het kader van de thans voorliggende procedure staat uitsluitend ter beoordeling de vraag of verweerder op goede gronden heeft meegewerkt aan het bouwplan, zoals dit door vergunninghouder is aangevraagd.

35. Voorts stelt het Reconstructieplan ten aanzien van een verwevingsgebied de eis van duurzaamheid. Een algemeen uitgangspunt van het Reconstructieplan is dat een locatie voor een intensieve veehouderij duurzaam is, tenzij de omgevingskwaliteiten anders uitwijzen. De Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij (hierna: de Handleiding) dient hierbij als toetsingskader. In de bij deze Handleiding behorende Beoordelingstabel is onder meer de eis gesteld dat de ontwikkeling moet passen binnen de wet- en regelgeving voor stank en binnen de wet- en regelgeving voor ammoniak.

In concreto heeft verweerder de beoordeling uitgevoerd aan de hand van het zogeheten Beoordelingsformulier Reconstructieplan Peel & Maas.

36. Eisers stellen, kort samengevat, dat verweerder had moeten afzien van het verlenen van medewerking aan het huidige bouwplan voor stal 10, omdat er ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dat kader is onder meer gewezen op de door de veehouderij van vergunninghouder veroorzaakte uitstoot van geur en ammoniak, alsmede op geluidhinder ten gevolge van verkeer van en naar het bedrijf van vergunninghouder.

37. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft verweerder naar aanleiding van de zienswijze van gedeputeerde staten een nadere toetsing verricht aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij. Daarbij is gebleken dat de zogeheten achtergrondbelasting voor het perceel van eisers 2 verbeterd is na de milieuvergunning van 2007 in vergelijking met de voorheen vigerende milieuvergunning van 2005. De situatie bij deze woning was slecht en kan nu in de opvatting van verweerder worden gekwalificeerd als matig tot zelfs redelijk goed. In meer algemene zin heeft verweerder geconstateerd dat de achtergrondbelasting is verbeterd, zij het dat het aantal geurgehinderden in absolute zin niet is afgenomen. Voor 6 van de geurgevoelige objecten is de situatie verbeterd, voor 3 geurgevoelige objecten is de situatie ongewijzigd gebleven en voor 1 geurgevoelig object is de situatie verslechterd. In algemene zin is de situatie veranderd van “tamelijk slecht” naar “matig”. De beoordeling van het woon- en leefklimaat dient krachtens provinciaal beleid te geschieden aan de hand van de beoordelingssystematiek voor het opstellen van een gebiedsvisie. Met behulp van deze systematiek bepalen gemeenten welke mate van hinder zij nog acceptabel achten. In februari 2010 heeft de gemeenteraad de Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling vastgesteld. Uitgangspunt is dat het tot op zekere hoogte onvermijdelijk is dat geurgevoelige objecten in de nabijheid van een agrarisch bedrijf daarvan enige hinder ervaren. Verweerder acht de waarde “matig” aanvaardbaar uit het oogpunt van het woon- en leefklimaat, waarbij is verdisconteerd dat ter plaatse een verbetering heeft plaatsgevonden in vergelijking met het verleden.

38. Ter zitting is daar namens eisers tegenover gesteld, dat los van de verbetering van de achtergrondbelasting moet worden geconstateerd dat er sprake is van een toename van de zogeheten voorgrondbelasting, omdat er sprake is van een toename van de geuruitstoot door het bedrijf van vergunninghouder, in die zin dat deze is verhoogd van 28.000 odour units per kubieke meter lucht (Ou/m3) naar 34.000 Ou/m3 . In dat verband heeft de door vergunninghouder meegebrachte deskundige ter zitting gesteld, dat een verhoging van het aantal Ou/m3 op zichzelf bezien niet zonder meer leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig object. Immers, die geurbelasting wordt niet uitsluitend bepaald door het aantal Ou/m3, maar tevens zijn daarbij andere factoren van belang, zoals de emissiepunten van de veehouderij en de afstand tot de geurgevoelige objecten.

39. De rechtbank merkt op dat de van een veehouderij ondervonden geurhinder wordt bepaald door de achtergrondbelasting en door de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij die de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting is de belasting die afkomstig is van de overige veehouderijen die in de nabijheid van het geurgevoelig object zijn gelegen.

40. In de thans voorliggende procedure is de vraag aan de orde of uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vraag of het bouwplan voldoet aan de uit de milieuwetgeving voortvloeiende eisen dient te worden bezien in een milieuprocedure. In de thans voorliggende planologische procedure dient te worden bezien of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het projectbesluit niet mocht worden genomen, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de eisen zoals deze voortvloeien uit de van toepassing zijnde milieuwetgeving. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraken van de Afdeling van 21 mei 2008, LJN:BD2126 en van 28 september 2011, LJN: BT2817.

41. In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat het onderhavige bouwplan voor stal 10 strekt ter realisering van de op 20 maart 2007 verleende revisievergunning ingevolge de Wm. In dat kader heeft een volledige beoordeling van de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de activiteiten in de veehouderij van vergunninghouder plaatsgevonden. Nu de zojuist genoemde revisievergunning uit 2007onherroepelijk is geworden, brengt het beginsel der rechtszekerheid met zich dat van de juistheid van die milieuhygiënische beoordeling dient te worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het onderhavige projectbesluit niet had mogen nemen, omdat ernstig moet worden betwijfeld of met het onderhavige bouwplan kan worden voldaan aan de op de inrichting van toepassing zijnde milieuhygiënische eisen. Daarbij acht de rechtbank doorslaggevend dat het in de thans voorliggende planologische procedure gaat om een uiterst marginale afwijking van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. Immers, er vindt geen vergroting plaats van het reeds in het bestemmingsplan opgenomen bouwblok, maar er is uitsluitend sprake van een geringe verandering in de begrenzing van het bouwblok.

42. In verband met het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de rechterlijke toetsing, zoals deze dient te worden uitgevoerd, in het kader van de thans aan de orde zijnde planologische procedure, niet kan worden gesteld dat het bouwplan voor stal 10 uit een oogpunt van de bescherming tegen geurhinder leidt tot een zodanig onaanvaardbaar woon- en leefklimaat dat verweerder op grond hiervan had moeten afzien van het nemen van het projectbesluit ex artikel 3.10 van de Wro. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat uit de stukken genoegzaam naar voren komt dat er in zijn algemeenheid ter plaatse sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat door de geconstateerde afname van de achtergrondbelasting, welke op zichzelf bezien niet is betwist.

43. Hetzelfde geldt voor hetgeen in beroep is aangevoerd ten aanzien van de ammoniakemissie van het bedrijf van vergunninghouder. Verweerder erkent dat er ten gevolge van de milieuvergunning uit 2007 sprake is van een lichte toename van de ammoniakemissie ten opzichte van de voorheen geldende milieuvergunning. Echter, ook hier is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het bij de thans voorliggende beoordeling gaat om een planologische afwijking van zodanig ondergeschikte betekenis dat dit niet de conclusie rechtvaardigt dat ten gevolge daarvan een zodanige verslechtering van het woon- en leefklimaat optreedt, dat medewerking aan het bouwplan moest worden onthouden, omdat ernstig moest worden betwijfeld dat aan de eisen van de milieuwetgeving kan worden voldaan.

44. Verder rechtvaardigt het akoestisch rapport van oktober 2006, welk rapport is opgemaakt in het kader van de revisievergunning ingevolge de Wm van 20 maart 2007, de conclusie dat het uit een oogpunt van de bescherming van omwonenden tegen geluidhinder geen overwegende beletselen bestaan tegen de realisering van stal 10, op welke realisering het onderhavige bouwplan betrekking heeft.

45. Ten aanzien van de in zijn algemeenheid gestelde bezwaren inzake de volksgezondheid heeft verweerder verwezen naar de in het kader van de milieuvergunning verrichte toetsing, onder meer naar de luchtkwaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat de thans voorliggende geringe vormverandering van het bouwblok ten opzichte van het oorspronkelijke bouwblok in het vigerende bestemmingsplan uit een oogpunt van volksgezondheid bij de voorliggende planologische toetsing niet kan worden aanvaard.

46. Voor zover eisers menen dat de bouw van de zeugenstal inbreuk maakt op de waardevolle open ruimte, hetgeen in strijd zou zijn met het in verweerders gemeente gevoerde beleid inzake het buitengebied, kan aan de hand van de gedingstukken, zoals deze ter zitting nader zijn toegelicht, genoegzaam worden geconstateerd dat de onderhavige bouwlocatie niet kan worden aangemerkt als waardevolle open ruimte. Er wordt immers gebouwd binnen de grenzen van het bedrijfsterrein van vergunninghouder, op welk terrein zich reeds meerdere bouwblokken bevinden.

47. De beroepsgrond inzake de erfbeplanting, welke erfbeplanting ertoe strekt om een goede ruimtelijke inpassing van de stal te waarborgen, is ter zitting ingetrokken, zodat deze geen bespreking meer behoeft.

48. Al het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit tot het nemen van een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro en tot het verlenen van een bouwvergunning voor de onderhavige stal, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

49. Voor zover eisers meer of anders hebben aangevoerd is evenmin gebleken dat het bestreden besluit zou dienen te worden vernietigd.

50. De beroepen worden dan ook ongegrond verklaard.

51. In verband daarmee is er geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en evenmin voor een proceskostenveroordeling.

52. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als voorzitter en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.M. Willems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: