Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BV7375

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
01-03-2012
Zaaknummer
AWB 10-3670
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlening van vrijstelling artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning voor het bouwen van vier woningen, 42 appartementen, een parkeerkelder en een schansmuur te Valkenswaard, daarbij in aanmerking nemende het voorontwerp-bestemmingsplan "Hoek Europalaan/Bakkerstraat".

Het bestreden besluit is bekendgemaakt na 31 maart 2010. De Crisis- en herstelwet mist toepassing, omdat geen sprake is van een vrijstelling van een bestemmingsplan die zijn grondslag heeft in de Wet ruimtelijke ordening.

Groot aantal beroepsgronden reeds door de Afdeling in andere zaken beoordeeld. De rechtbank ziet in het beroep geen aanleiding om hierover in deze zaak anders te oordelen. Hetgeen eiser in aanvulling daarop heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging leiden.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5219
JBO 2011/88 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2012/640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/3670

Uitspraak van de meervoudige kamer van 7 oktober 2011

inzake

de Stichting Belangengroep Europalaan e.o. Valkenswaard,

te Valkenswaard,

eiseres,

gemachtigde E. Renders,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen Danlat Bouw & Vastgoed B.V., te Valkenswaard, vergunninghoudster, gemachtigde mr. R.J.H. Minkhorst.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 10 juni 2008, verzonden 17 juni 2008, heeft verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor het bouwen van vier woningen, 42 appartementen, een parkeerkelder en een schansmuur op het perceel plaatselijk bekend “hoek Europalaan-Bakkerstraat” te Valkenswaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 18 juli 2008 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 september 2008 heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van bezwaargronden.

Bij uitspraak van 26 februari 2009, zaaknummer AWB 08/3629, heeft de rechtbank het door eiseres ingediende beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak van de rechtbank heeft eiseres op 7 april 2009 hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 30 december 2009, zaaknummer 200902424/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het door eiseres ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 26 februari 2009 vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van verweerder van 9 september 2008 vernietigd.

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de bouwvergunning en vrijstelling wederom ongegrond verklaard en deze, met aanvulling van de motivering, in stand gelaten en alsnog vrijstelling verleend van het bestemmingsplan “Administratieve herziening I van bestemmings- en uitbreidingsplannen met betrekking tot bijgebouwen”.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 12 november 2010 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 26 augustus 2011, waar eiseres en verweerder, beide met afmelding, niet zijn verschenen. Vergunninghoudster is verschenen bij haar gemachtigde, bijgestaan door H.C.W.M. van Breugel.

<b>Overwegingen</b>

1. In geschil is het besluit van 5 oktober 2010 waarbij verweerder de verleende bouwvergunning en vrijstelling heeft gehandhaafd.

2. Verweerder stelt zich, kort weergegeven, op het standpunt dat het bouwproject past in het voorontwerp-bestemmingsplan en dat sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op procedurele gronden en op inhoudelijke gronden in strijd is met het recht.

4. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Invoeringswet Wro in werking getreden. Ingevolge het overgangsrecht, opgenomen in artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro, blijft ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing indien het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008. Nu de aanvraag om bouwvergunning - die door verweerder terecht mede is opgevat als een verzoek tot het verlenen van vrijstelling - in dit geval op 29 augustus 2007 is ingediend, dient gelet op het bepaalde in de Invoeringswet Wro te worden getoetst aan de WRO en de Woningwet (oud).

5. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat die wetswijzigingen niet van toepassing zijn in dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd. Dit betekent dat ook gelet op het bepaalde in de Invoeringswet Wabo de WRO en de Woningwet (oud) het toetsingskader zijn.

6. Op 31 maart 2010 is voorts de Crisis- en Herstelwet (Chw) in werking getreden. Met het oog op het in artikel 5:3, eerste lid, van de Chw opgenomen overgangsrecht, is van belang dat het bestreden besluit na deze datum bekend is gemaakt. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, in verbinding met artikel 3.1 van Bijlage I, van de Chw, mist deze wet echter toepassing, omdat geen sprake is van een vrijstelling van een bestemmingsplan die zijn grondslag heeft in de Wro.

7. Het wettelijk kader luidde, gelet op het vorenstaande, op het in dit geval van belang zijnde tijdstip als volgt.

8. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet (hierna: Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

9. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ww, voor zover hier van belang, mag een reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd en moet deze vergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

10. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

11. Ingevolge het eerste lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kan vrijstelling van het geldende bestemmingsplan worden verleend mits het betrokken project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

12. De rechtbank oordeelt als volgt.

13. Vergunninghoudster heeft betoogd dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat sprake is van misbruik van procesrecht. Vergunninghoudster heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat over het bouwplan door de Afdeling bij uitspraak van 8 september 2010 al onherroepelijk uitspraak is gedaan. Voorts is sprake van nauwe verwevenheid tussen eiseres en de appellanten in die procedure en zijn de door eiseres aangevoerde beroepsgronden voor 99 procent gelijk aan de in die procedure aangevoerde beroepsgronden.

14. De rechtbank constateert dat de Afdeling bij uitspraak van 8 september 2009, zaaknummer 200907575/1, het hoger beroep van derden tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 augustus 2009, zaaknummers AWB 09/674 en AWB 09/676, ongegrond heeft verklaard en de uitspraak van de rechtbank heeft bevestigd. Deze uitspraken zien eveneens op de verleende vrijstelling en bouwvergunning voor het in geschil zijnde bouwplan.

15. Hoewel van enige verwevenheid tussen eiseres en de appellanten in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2010 kan worden gesproken, is eiseres een andere procespartij dan de appellanten in die andere procedure. De rechtbank acht in deze verwevenheid onvoldoende grond aanwezig om eiseres met deze appellanten te vereenzelvigen. Voorts zijn de beroepsgronden van eiseres niet geheel gelijk aan de beroepsgronden die in de andere procedure zijn aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan reeds hierom niet met vrucht worden gesteld dat sprake is van misbruik van procesrecht als door vergunninghoudster betoogd.

16. Met betrekking tot het betoog van eiseres (zie de brief ingekomen op 12 augustus 2011, eerste bladzijde) dat in het dossier stukken ontbreken, overweegt de rechtbank dat dit niet aannemelijk is geworden. Eiseres heeft ook niet concreet aangeduid welke stukken ontbreken. Voor zover eiseres heeft gedoeld op de in het verweerschrift van verweerder genoemde stukken, wijst de rechtbank er nog op dat in het verweerschrift is aangegeven dat alle stukken waaraan wordt gerefereerd zich in het procesdossier bevinden, behoudens één stuk. De rechtbank constateert dat dit laatste stuk als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd.

17. Het bouwplan is in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen “Centrum Randgebied”, “Muldershoek”, “1e partiële herziening Muldershoek”, “Centrum Deelgebied II” en “Administratieve herziening I van bestemmings- en uitbreidingsplannen met betrekking tot bijgebouwen”. Daarom heeft verweerder voor het bouwplan vrijstelling verleend op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Verweerder heeft daarbij het in 2007 opgestelde voorontwerp-bestemmingsplan “Hoek Europalaan/Bakkerstraat” (hierna: het voorontwerp) in aanmerking genomen.

18. Ten tijde van het vrijstellingsbesluit gold de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: GS) bij besluit van 16 mei 2006 vastgestelde, en in het provinciaal blad van Noord-Brabant 2006, nummer 75, gepubliceerde regeling "Categorieën van gevallen ex artikel 19, lid 2, WRO Provincie Noord-Brabant 2006" (hierna: de Regeling). GS hebben, voor zover thans van belang, hierin bepaald dat het college van burgemeester en wethouders zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen van het bestemmingsplan bij:

II. Categorie voorontwerp-bestemmingsplannen

Voor projecten die in overeenstemming zijn met een voorontwerp-bestemmingsplan waarover de Provinciale Planologische Commissie (PPC) en de directie ROH in het kader van het overleg ingevolge artikel 10 Bro positief hebben geadviseerd en waarbij in het advies van deze directie artikel 19, lid 2, WRO uitdrukkelijk van toepassing is verklaard. Toepassing is uitgesloten indien:

• de VROM-Inspectie ten aanzien van het desbetreffende voorontwerp-bestemmingsplan in het advies van de PPC dienaangaande een voorbehoud heeft gemaakt;

• na verzending van het directieadvies twee jaar zijn verstreken zonder dat het bestemmingsplan aan ons ter goedkeuring is aangeboden.

19. Eiseres stelt dat het bestemmingsplan ten onrechte niet in procedure is gebracht. Verweerder handelt onzorgvuldig jegens eiseres door haar hiermee de wettelijke betrokkenheid in de planprocedure te onthouden.

20. De rechtbank overweegt dienaangaande dat artikel 19 van de WRO niet (langer) het vereiste stelt dat een herziening van een ter plaatse geldend bestemmingsplan - dat in de weg staat aan de realisering van een project - in procedure is (gebracht). Met toepassing van dit wetsartikel kan (zonder het voornemen van een bestemmingsplanherziening) derhalve in beginsel ieder bouwwerk worden gerealiseerd en iedere gebruiksverandering worden toegestaan. Mitsdien faalt deze formele beroepsgrond.

21. Eiseres stelt voorts dat niet wordt voldaan aan de in de Regeling gestelde voorwaarde dat een bestemmingsplan binnen twee jaar in procedure wordt gebracht. De rechtbank overweegt dat, zoals uit de weergave hiervan in rechtsoverweging 18 blijkt, in de Regeling wordt aangegeven dat toepassing is uitgesloten (en aldus een verklaring van geen bezwaar is vereist) indien na verzending van het directie-advies twee jaar zijn verstreken zonder dat het bestemmingsplan aan GS ter goedkeuring is aangeboden. Ten tijde van het primaire besluit was hieraan voldaan, omdat sinds het uitbrengen van het advies van de directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving (hierna: ROH) van 19 maart 2007 nog geen twee jaar waren verstreken. Verweerder heeft binnen deze termijn geen vastgesteld bestemmingsplan aan de provincie ter goedkeuring aangeboden. Verweerder heeft echter een nieuw advies aan de provincie gevraagd. Bij brief van 30 september 2009 heeft de directie ROH wederom positief geadviseerd. In het advies is gemotiveerd aangegeven dat het bouwplan past binnen het provinciaal ruimtelijk beleid, zodat positief wordt geadviseerd. Geen rechtsregel schrijft voor dat bij het uitbrengen van een dergelijk advies de directie ROH dient kennis te nemen van tegen het bouwplan bestaande bezwaren, zodat hetgeen eiseres op dit punt heeft aangevoerd geen doel treft. Dat het advies overigens onzorgvuldig is, heeft eiseres niet onderbouwd zodat de rechtbank reeds daarom aan deze stelling van eiseres voorbijgaat. Mitsdien was gelet op het tijdsverloop na het advies van 30 september 2009 van minder dan twee jaren ook op de datum van het bestreden besluit, 5 oktober 2010, aan deze voorwaarde uit de Regeling voldaan. Voor zover eiseres heeft willen stellen dat voorts op grond van de Regeling als voorwaarde geldt het advies van de PPC niet ouder mag zijn dan twee jaar overweegt de rechtbank dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Ten overvloede merkt de rechtbank hier nog op dat vergunninghoudster ter zitting heeft gesteld dat uit navraag bij verweerder is gebleken dat verweerder nog steeds voornemens is het desbetreffende voorontwerp in procedure te brengen.

22. Een andere in de Regeling gestelde voorwaarde is dat de vrijstelling in overeenstemming is met het voorontwerp. Het vrijstellingsbesluit wijkt echter volgens eiseres op ten minste twee punten af van het voorontwerp, te weten enerzijds de goothoogte en anderzijds het feit dat de vrijstaande woningen drie bouwlagen kennen, terwijl volgens het voorontwerp slechts twee bouwlagen zijn toegestaan.

23. In artikel 4.5.2. van het voorontwerp is bepaald dat de goothoogte van de grondgebonden woningen maximaal zes meter mag bedragen. In artikel 5, tweede lid, van het voorontwerp is voorts bepaald dat voor geringe afwijkingen van de in het plan voorgeschreven maten voor een overschrijding van de goothoogte met ten hoogste tien procent een binnenplanse vrijstelling kan worden verleend. Het voorontwerp laat aldus met vrijstelling een goothoogte toe van 6,60 meter. Gelet op de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen is de goothoogte van deze woningen (ongeveer) 6,50 meter en past deze binnen de in het voorontwerp opgenomen bebouwingsmogelijkheden. De rechtbank heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de door eiseres, eerst bij brief ingekomen op 12 augustus 2011, ingenomen stelling dat van ten minste één van deze woningen de goothoogte negen meter bedraagt. Voorts maakt de in artikel 5, tweede lid, opgenomen vrijstellingsmogelijkheid onderdeel uit van het voorontwerp, zodat voor de vraag of het bouwplan past binnen het voorontwerp, anders dan eiseres meent, deze vrijstellingsmogelijkheid dient te worden meegenomen.

24. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het bouwplan voorziet in drie bouwlagen in plaats van twee bouwlagen, stelt de rechtbank vast dat in rechtsoverweging 2.9 van de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2010 al is geoordeeld dat het bouwplan voorziet in twee verdiepingen met een kap. De rechtbank heeft geen aanleiding om thans anders te oordelen. De in het bestemmingsplan opgenomen definitie van bouwlagen is, nog daargelaten welk bestemmingsplan eiseres hierbij op het oog heeft, in dit verband niet van belang, nu ter beantwoording alleen voorligt of het bouwplan past binnen het voorontwerp. De in het voorontwerp opgenomen definitie van bouwlaag leidt niet tot een ander oordeel dan door de Afdeling in rechtsoverweging 2.9 van de uitspraak van 8 september 2010 gegeven. Er is derhalve geen sprake van drie bouwlagen.

25. Afgezien hiervan is ook door de Afdeling in rechtsoverweging 2.10 van de uitspraak van 8 september 2010 al overwogen dat aan de voorwaarden van de Regeling is voldaan zodat deze zich niet tegen het verlenen van vrijstelling zonder een voorafgaande verklaring van geen bezwaar van GS verzet. Nieuwe feiten en omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan dit oordeel van de Afdeling zijn niet gesteld. De in de brief van eiseres, ingekomen op 12 augustus 2011, ingenomen stelling dat de Regeling voor de hier in geding zijnde categorie II mede als voorwaarde stelt dat het project naar aard en omvang dient te passen binnen de ruimtelijke uitgangspunten van het bestemmingsplan waarvan wordt afgeweken, mist voorts feitelijke grondslag. Deze voorwaarde is uitsluitend gesteld voor de hier niet aan de orde zijnde categorie van gevallen genoemd onder III van de Regeling.

26. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 19 van de WRO blijkt dat het vrijstellingsbesluit de visie moet bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied waarbinnen het project moet passen en de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving. De ruimtelijke onderbouwing hoeft niet in alle gevallen even omvangrijk te zijn. Deze zal in algemene zin onder meer afhankelijk zijn van de mate van ingrijpendheid van het desbetreffende bouwplan.

27. In de ruimtelijke onderbouwing is getoetst aan rijksbeleid, provinciaal beleid, en gemeentelijk beleid en dat is verwezen naar de Structuurvisie Plus, de Gebiedsvisie Hoek Europalaan/Bakkerstraat (hierna: de Gebiedsvisie) en het voorontwerp. De Structuurvisie Plus van de gemeente Valkenswaard is een beleidsplan op hoofdlijnen. In de Gebiedsvisie, vastgesteld op 25 april 2006, zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor het projectgebied uitgewerkt.

28. Eiseres is voorts van mening dat er sprake is van aantasting van het openbaar gemeentelijk groen. Het groenbeleid van de gemeente verzet zich volgens haar tegen opoffering van dit groen ten gunste van verstening. De gemeente verkoopt een groenstrook van drie meter aan vergunninghoudster. Het is onbegrijpelijk dat de gemeente stelt dat de groenstrook niet wordt aangetast omdat er sprake zou zijn van particulier groen. Door verkoop is het openbaar karakter van de groenvoorziening verloren gegaan en dreigt ten onrechte ook het openbaar karakter van het fiets/wandelpad verloren te gaan.

29. In het Groenstructuurplan van 1998 is als het gewenste streefbeeld voor de bomenstructuur in een laanbeplanting langs de Europalaan is voorzien. Het bouwplan verzet zich hier niet tegen, nu er voldoende ruimte blijft bestaan om de gewenste laanbeplanting aan te brengen. Het groen waar eiseres op doelt en dat op basis van een verleende kapvergunning ten behoeve van het bouwplan al is gekapt, is niet een onderdeel van deze laanbeplanting. Bovendien is het verwijderde groen beperkt in omvang.

30. De rechtbank verwijst voorts naar de uitspraak van de Afdeling, waarin op dit onderdeel is overwogen dat geen aanleiding is gezien voor het oordeel dat het bouwplan met betrekking tot de ligging aan de Europalaan in strijd is met het beleid van de gemeente op het gebied van groen, zoals neergelegd in het Groenstructuurplan en de Structuurvisie. Uit het Groenstructuurplan blijkt dat de Europalaan een weg van functionele waarde betreft en dat er sprake is van twee scenario's die afhankelijk zijn van de ontwikkelingen met betrekking tot het verkeer, te weten meer groen of behoud van bestaand groen. In de Structuurvisie (bladzijden 47 en 71) is opgenomen dat het groene karakter van de Europalaan behouden dient te blijven. Het bouwplan is daarmee niet in strijd, nu het groene karakter van de Europalaan gevormd wordt door de laanbeplanting aan weerszijden van de weg. Uit het Groenstructuurplan en de Structuurvisie volgt niet dat er geen bebouwingsmogelijkheden zijn aan de Europalaan. Daarbij komt dat de onderhavige locatie slechts een klein deel van de Europalaan betreft. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.

31. Ten aanzien van de stelling van eiseres omtrent het openbare fiets/wandelpad neemt verweerder het standpunt in dat dit pad niet door de gemeente is onderhouden. Het betreft een “illegaal” pad dat in de loop van de tijd in de groenvoorziening is ontstaan als hondenuitlaatroute en als sluiproute naar de voormalige supermarkt op het terrein Bakkerstraat/Europalaan.

32. De rechtbank stelt voorop dat in beginsel rust op degene die zich op de openbaarheid beroept, zoals hier eiseres, de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een openbare weg. De vraag of eiseres is geslaagd te bewijzen dat sprake is van een openbare weg kan hier echter terzijde worden gelaten nu ten aanzien van het door eiseres gestelde met betrekking tot het openbaar karakter van het fiets/wandelpad de rechtbank het hierin door de Raad van State in de uitspraak van 8 september 2010, rechtsoverweging 2.12, ingenomen standpunt volgt. Dit houdt in dat voor zover al moet worden geoordeeld dat de vrijstelling leidt tot onttrekking van een voetpad en een weg aan de openbaarheid, dit niet aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat, nu niet op voorhand vaststaat dat deze weggedeelten niet aan de openbaarheid kunnen worden onttrokken. Nieuwe feiten en omstandigheden zijn op dit punt niet gesteld.

33. Eiseres stelt voorts dat geen sprake is van een objectieve ruimtelijke onderbouwing.

Bij de stukken heeft het voorontwerp nooit ter inzage gelegen. Omwonenden waren aldus ook niet in staat om hun belangen bij GS naar voren te brengen. Verweerder heeft voorts geen onafhankelijk objectiveerbaar onderzoek laten instellen en verwijst telkens naar de ruimtelijke onderbouwing die de projectontwikkelaar heeft aangeleverd. De contra-expertise inzake de ruimtelijke onderbouwing is door meerdere onafhankelijke stedenbouwkundige bureaus beoordeeld. De gemeentelijke reactie hierop, geschreven door een ambtenaar, is slechts ingegeven door het achteraf zoeken naar rechtvaardigingsgronden, aldus eiseres.

34. Tussen partijen is niet in geschil dat het voorontwerp niet ter inzage heeft gelegen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 september 2010, rechtsoverweging 2.6.1, geoordeeld dat deze schending van artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval anders te oordelen. Eiseres is niet in haar belangen geschaad door de omstandigheid dat zij eerst in de bezwaarfase van het voorontwerp kennis heeft kunnen nemen, nu de rechtbank het rapport van Van Riezen & Partners van 5 juni 2009 bij de beoordeling heeft kunnen betrekken en eiseres ook overigens de gelegenheid heeft gehad zich over het voorontwerp uit te laten. Niet aannemelijk is geworden dat omwonenden die geen zienswijzen hebben ingediend, dit wel zouden hebben gedaan indien het voorontwerp bij het ontwerp-vrijstellingsbesluit ter inzage zou hebben gelegen.

35. Onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de ruimtelijke onderbouwing is opgesteld in opdracht van de initiatiefnemer van het project, niet met zich brengt dat om die reden geen sprake zou zijn van voldoende objectieve ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft de ruimtelijke onderbouwing door deze aan zijn besluit ten grondslag te leggen tot de zijne gemaakt. Verweerder was voorts niet gehouden om naar aanleiding van het door derden in bezwaar overgelegde rapport van Van Riezen & Partners van 8 oktober 2008 een stedenbouwkundig tegenadvies in te winnen en kan in beginsel worden geacht op dit punt voldoende expertise te hebben, nu het om de toetsing aan zijn eigen ruimtelijk beleid gaat. Dat in dit verband, zo begrijpt de rechtbank de stelling van eiseres mede, sprake is van vooringenomenheid bij verweerder, is verder niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.

36. Eiseres stelt voorts dat het bestreden besluit in strijd is met de Structuurvisie. De locatie ligt niet in het centrum van Valkenswaard, nu verweerder zelf heeft aangegeven dat de locatie Bakkerstraat ligt in een overgangsgebied. Tevens is verweerders stelling onjuist dat sprake is van een ligging aan een aanlooplint en kan niet worden gesproken van inbreiding, dan wel van een inbreidingslocatie. Op pagina 72 van de Structuurvisie is alleen sprake van linten met inbreidingslocaties. De Bakkerstraat is, gelet op pagina 73 en de kaart op pagina 72 van de Structuurvisie, niet aangewezen als een inbreidingslocatie. Op pagina 71 is aangegeven wat moet worden verstaan onder een oud lint. In een dergelijk oud lint, zoals de Bakkerstraat, mogen alleen grondgebonden woningen worden gerealiseerd, aldus eiseres.

37. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 2.11.1 van haar uitspraak van 8 september 2010 overwogen dat de percelen zijn gelegen op de hoek van de kruising van de Bakkerstraat met de Europalaan. De Bakkerstraat loopt vanaf de Europalaan naar het centrum van Valkenswaard. Verweerder heeft volgens de Afdeling de Europalaan als begrenzing tussen het centrum en het overgangsgebied (rand van het centrum) kunnen aanmerken. De rechtbank heeft geen aanleiding hierover anders te oordelen.

38. De rechtbank stelt voorts vast dat in de ruimtelijke onderbouwing onder meer wordt verwezen naar de Structuurvisie. De Structuurvisie is een van de documenten waaruit de uitgangspunten en criteria zijn afgeleid voor de herontwikkeling van het gebied. Deze dient mede als basis voor de structurele herziening van geldende bestemmingsplannen. Gelet op de kaart op pagina 45 van de Structuurvisie, is de onderhavige locatie gelegen binnen een gebied met de aanduiding lintbebouwing. Op pagina 46 is vermeld dat in dergelijke gebieden inbreidingen vaak plaatsvinden en dat langs doorgaande linten inbreidingslocaties prioriteit hebben. De Europalaan kan naar het oordeel van de rechtbank als een doorgaand lint als hier bedoeld worden beschouwd. De rechtbank verwijst hierbij naar het oordeel van die strekking als gegeven in rechtsoverweging 33 van de uitspraak van de rechtbank van 19 augustus 2009, welk oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2010 niet is aangetast. Nieuwe feiten en omstandigheden zijn op dit punt niet gesteld.

39. De rechtbank stelt voorts vast dat op pagina 47 een uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen (onder meer) zogenoemde oude linten, kernlinten, overgangslinten en de situatie aan de Europalaan. Op pagina 71 van de Structuurvisie is voorts aangegeven dat voor het lint langs de Europalaan geen specifieke strategie geldt. Zowel de Europalaan als de Bakkerstraat zijn op de kaart op pagina 72 van de Structuurvisie niet aangewezen als oud lint, kernlint of overgangslint. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de Europalaan en/of de Bakkerstraat zijn gelegen in een oud lint, een kernlint en/of een doorgaand lint, voor welke linten in de Structuurvisie specifiek beleid is geformuleerd.

40. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat op de kaart op pagina 72 niet alle inbreidingslocaties staan vermeld. De rechtbank verwijst daarbij naar pagina 73 van de Structuurvisie, waarin als toelichting bij deze kaart staat vermeld dat is aangegeven wat de prioritaire gebieden zijn. Voorts overweegt de rechtbank dat naar normaal spraakgebruik, zie Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, onder inbreiding wordt verstaan bebouwing van braakliggende gronden binnen de bebouwde kom. Niet uitgesloten is voorts dat van inbreiding sprake is bij gronden waar op enig moment wel al bebouwing aanwezig is geweest. In dit geval is sprake van voorheen (gedeeltelijk) bebouwde gronden die thans braak liggen en die zijn gelegen binnen de bebouwde kom. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt mogen stellen dat sprake is van inbreiding, welke inbreiding in overeenstemming is met het bepaalde in de Structuurvisie. Een zinsnede als door eiseres op pagina 3, onderaan, van het aanvullend beroepschrift gesuggereerd, inhoudende dat op de kaart op pagina 72 de gebieden aanwijst waar inbreiding mogelijk is, komt op pagina 73 van de Structuurvisie overigens niet voor.

41. Door eiseres is voorts gesteld dat er sprake is van een grote discrepantie met de bestaande situatie aan de Bakkerstraat. Het bouwplan past niet in de omgeving, in het bijzonder niet bij de bebouwing aan de Bakkerstraat en aan de Windmulder.

42. Zoals ook door de Afdeling in voornoemde uitspraak van 8 september 2010 is overwogen, blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat verweerder de Europalaan, gelet op de hiervoor omschreven ligging, als nieuwe ontsluitingsweg aanmerkt en dat de voorziene bebouwing, gelet op die rol, dient als markant punt waarmee een beoogde rotonde bij de kruising van de Bakkerstraat met de Europalaan en de toegang naar het centrum worden geaccentueerd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat voornoemd uitgangspunt onredelijk of onhoudbaar is. De enkele omstandigheid dat de bebouwing op de buurpercelen een ander karakter heeft en in het onderhavige, eerste, deel van de Bakkerstraat veel traditionele bebouwing is te vinden, is onvoldoende voor het oordeel dat het bouwplan niet passend is in de omgeving. Verweerder heeft zich in dat kader op het standpunt kunnen stellen dat in de Bakkerstraat sprake is van een gewenste diversiteit aan zowel historische als moderne bebouwing, dat sprake is van vergelijkbare bebouwing aan de Europalaan nabij het kruispunt met de Leenderweg en dat de onderhavige locatie, gelet op de hiervoor omschreven ligging van de percelen, geschikt is voor inbreiding, waarbij met betrekking tot dit laatste tevens in aanmerking wordt genomen dat voorheen op de percelen ook sprake was van bebouwing. Dat de vroegere bebouwing traditioneler van aard was en geheel of gedeeltelijk minder bouwlagen telde, maakt in het licht van deze overwegingen het bouwplan in zoverre niet in redelijkheid onaanvaardbaar. Dat de Afdeling in haar uitspraak van 8 september 2010 is uitgegaan van een onjuiste locatie van het bouwplan, meer in het bijzonder deze locatie heeft verwisseld met het gebied aan de Leenderweg, acht de rechtbank voorts onaannemelijk. In deze uitspraak maakt de Afdeling uitdrukkelijk onderscheid tussen de locatie van het bouwplan en een locatie met vergelijkbare bebouwing nabij het kruispunt aan de Leenderweg (rechtsoverweging 2.11.1, derde alinea). Voor het overige heeft eiseres in dit verband geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die op het punt van de gestelde discrepantie met de huidige situatie tot een ander oordeel dienen te leiden dan door de Afdeling op dit punt gegeven. Het betoog van eiseres faalt derhalve.

43. Eiseres heeft tevens gesteld dat geen sprake is van grondwaterneutraal bouwen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt niet ingegaan op de eventuele noodzaak om extra verharding te compenseren. Bij de berekening van de verharding is een veel te grote oppervlakte aangehouden wat bestaande verharding betreft, die niet gecompenseerd behoeft te worden.

44. Tussen partijen is niet in geschil dat de bebouwing op het perceel voorheen werd gevormd door een kwekerij (met woning), een supermarkt en een woning. Door de Afdeling is in rechtsoverweging 2.11.1 van meergenoemde uitspraak overwogen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet is aangetoond dat de berekening van de infiltratiecapaciteit door RA Infra van 9 oktober 2007, waarmee is onderbouwd dat voldaan kan worden aan de door de gemeente gestelde voorwaarde van afkoppeling van hemelwater, onjuist is. Bij de berekening is volgens de Afdeling terecht uitgegaan van de bestaande situatie waarin ook al sprake is van bebouwing. Uit de memo van RA Infra volgt dat de beoogde voorziening toereikend is, zelfs voor een groter bebouwd oppervlak dan strikt noodzakelijk. De rechtbank ziet geen grond om hierover thans anders te oordelen.

45. Eiseres stelt dat het bureau dat het archeologisch onderzoek heeft uitgevoerd niet is gecertificeerd.

46. De rechtbank stelt vast dat verweerder het archeologisch bureau Bilan-Fontys opdracht heeft gegeven een archeologisch (bureau)onderzoek uit te voeren. Bilan-Fontys heeft op 20 november 2009 rapport uitgebracht waarin een proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd. Een vervolgonderzoek is op 26 januari 2010 uitgevoerd door Becker & Van de Graaf. De conclusie van dit bureau, als neergelegd in een rapport van februari 2010, op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek, is dat er geen archeologische sporen en vondsten zijn aangetroffen. Becker & van de Graaf ziet vanuit archeologisch opzicht geen beletsel om het terrein vrij te geven. De rechtbank gaat er vanuit dat, nu eiseres terzake ook geen nadere aanduiding heeft gegeven, eiseres met certificering heeft bedoeld certificering volgens ISO-normen. In dit verband overweegt de rechtbank dat op de tweede pagina van beide rapporten staat vermeld dat beide bureau gecertificeerd zijn volgens ISO 9001. Zo beschouwd mist het betoog van eiseres feitelijke grondslag. Voorts overweegt de rechtbank dat eiseres aan haar stelling dat geen sprake is van certificering geen conclusie heeft verbonden. Voor zover eiseres zou hebben willen betogen dat bij gebreke van certificering verweerder zich niet op deze rapporten heeft mogen baseren, overweegt de rechtbank dat indien de bureaus die de rapporten hebben opgesteld niet zouden zijn gecertificeerd, dit op zich niet maakt dat verweerder zich niet op deze rapporten mag baseren. Ook hierom kan het betoog van eiseres niet slagen.

47. Eiseres stelt zich in het aanvullend beroepschrift op het standpunt dat een eerder in 2004 ingediend bouwplan met dezelfde hoogte als thans aan de orde, als in strijd met de goede ruimtelijke onderbouwing is afgewezen.

48. De enkele omstandigheid dat verweerder eerder een vergelijkbaar bouwplan, te weten een appartementencomplex van vijf bouwlagen, op de onderhavige locatie zou hebben afgewezen in verband met de massaliteit en hoogte daarvan, doet, wat daar verder van zij, niet af aan het voorgaande, nu de ruimtelijke onderbouwing van het nu aan de orde zijnde bouwplan zelfstandig dient te worden beoordeeld. Voor zover eiseres in de brief ingekomen op 12 augustus 2011 heeft verwezen naar andere voorgaande bouwplannen dan het hiervoor aangehaalde vergelijkbare bouwplan, geldt hetzelfde oordeel.

49. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat het bouwplan op de hoek Bakkerstraat/Europalaan voorziet in vijf volwaardige bouwlagen. Er is geen sprake van een terugliggende kap, maar van vijf bouwlagen. Dit is in strijd met de Gebiedsvisie.

De bouwvergunning voor de vrijstaande woningen kent voorts drie bouwlagen waar er maximaal twee zijn toegestaan. Dit is zowel in strijd met de Structuurvisie als met de ruimtelijke onderbouwing. De Structuurvisie bepaalt dat het karakter van de Bakkerstraat - de oude (individuele) lintbebouwing - moet worden geconserveerd (pagina 47). Nieuwe bebouwing is alleen toegestaan indien dat aansluit bij de bestaande kwaliteiten. Verder is bepaald dat in beginsel alleen grondgebonden woningen zijn toegestaan (pagina 71).

50. De rechtbank overweegt, zoals ook de Afdeling heeft overwogen in rechtsoverweging 2.9 van haar meergenoemde uitspraak, dat het bouwplan voorziet in de bouw van vier grondgebonden woningen met twee verdiepingen en een kap (bouwblok C), alsmede in de bouw van twee appartementengebouwen met in totaal 42 appartementen. De twee appartementengebouwen bestaan uit respectievelijk drie bouwlagen (bouwblok B) en vier bouwlagen met een terugliggende vijfde bouwlaag (bouwblok A) en hebben een hoogte van respectievelijk 9,70 meter en 16,30 meter. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat de beschrijving van het bouwplan onjuist is, waarbij de rechtbank ook verwijst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen omtrent het aantal bouwlagen van de woningen.

51. In de Gebiedsvisie Bakkerstraat/Europalaan, vastgesteld op 25 april 2006, zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor het gebied uitgewerkt. In deze gebiedsvisie is bepaald dat de ontsluiting van de locatie aan de Bakkerstraat dient te geschieden. Voorts is aangegeven dat de bebouwing aan de Bakkerstraat drie bouwlagen mag tellen (pagina 21). Aan de Europalaan mag de bebouwing vier, incidenteel vijf, lagen betreffen, maar dient de bebouwing “afgewerkt” te worden naar de Europalaan. Op pagina 23 van de Gebiedsvisie is als toegestane bebouwing genoemd een hoekgebouw (op de hoek Bakkerstraat/Europalaan) van vier lagen met een terugliggende kap. Het bouwplan voorziet op de hoek Europalaan/Bakkerstraat ook in vier bouwlagen met een terugliggende kap. In de Gebiedsvisie is op pagina 22 voorts aangegeven dat de bouwhoogte geleidelijk af dient te lopen naar de achtertuin. Op pagina 23 van de Gebiedsvisie is aangegeven dat ter plaatse twee bouwlagen met een kap zijn toegestaan. Op pagina 17 van de ruimtelijke onderbouwing wordt eveneens uitgegaan van twee bouwlagen met een kap. Ook hier voldoet het bouwplan aan.

52. Gelet op het voorgaande is het bouwplan niet strijdig met de Gebiedsvisie. Anders dan eiseres stelt, staat op pagina 47 van de Structuurvisie niet vermeld dat het karakter van de Bakkerstraat, de oude individuele lintbebouwing, moet worden geconserveerd. Als overwogen in rechtsoverweging 39 betreft de Bakkerstraat geen oud lint in de zin van de Structuurvisie. Gelet hierop is het bepaalde op pagina 71 van de Structuurvisie, dat in principe alleen grondgebonden woningen zijn toegestaan, hier niet van toepassing.

53. Eiseres stelt dat het besluit in strijd is met het volkshuisvestingsbeleid. Verweerder stelt zelf in beleidsstukken dat uit onderzoek betreffende de volkshuisvesting blijkt dat er de afgelopen jaren veel appartementen zijn gebouwd en weinig grondgebonden woningen. Er is, aldus eiseres, een omslag nodig in de differentiatie van de woningtypologieën. Dit betekent dat er meer ingezet moet gaan worden op grondgebonden woningen en minder op appartementen. In het Regionaal Woningbouwprogramma van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (hierna: SRE) wordt niet alleen gewezen op overschotten op het gebied van appartementen. Er wordt ook gesteld dat appartementen alleen kunnen als er kwalitatief voldoende buitenruimte is en een adequaat voorzieningenniveau in de buurt. Ook aan deze randvoorwaarde voldoet het plan volgens eiseres niet.

54. In het Regionaal Structuurplan Regio Eindhoven van de SRE is aangegeven dat de bouwtaak voor Valkenswaard in de periode 2005-2010 550 woningen betreft en in de periode 2011-2015 551 woningen. Zoals ook reeds in de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2010 is overwogen, is het bouwplan in overeenstemming met de Woonvisie gemeente Valkenswaard van 21 oktober 2003 en het “Woningbouwprogramma 2006-2010” van de gemeente Valkenswaard van 1 juni 2006, alsmede met het provinciale beleid met betrekking tot zuinig ruimtegebruik, zoals neergelegd in het Streekplan Noord-Brabant 2002 “Brabant in Balans” en met het Uitwerkingsplan Zuidoost-Brabant, hetgeen ook blijkt uit de adviezen van de directie ROH en de PPC van respectievelijk 19 maart en 11 april 2007.

In de Woonvisie is de in geschil zijnde locatie aangemerkt als een plaats voor “harde nieuwbouw, capaciteit ? 25”. In het Woningbouwprogramma 2006-2010 (een actualisering van de Woonvisie) is de woningbehoefte gesteld op 793 woningen. Derhalve is in de Woonvisie de locatie aangewezen als geschikt voor nieuwbouw van meer dan 25 woningen en niet zoals eiseres stelt voor maximaal 25 woningen. Het door eiseres in de brief ingekomen op 12 augustus 2011 (pagina 7) genoemde Volkshuisvestingsplan is door eiseres niet overgelegd, terwijl de rechtbank op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ook overigens niet met het bestaan, laat staan met de inhoud, van een plan met die benaming bekend is. De rechtbank gaat daarom aan hetgeen eiseres over dit Volkshuisvestingsplan heeft gesteld voorbij. De door eiseres in het beroepschrift genoemde percentages woningcapaciteit voor Valkenswaard en de regio Eindhoven zijn niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan, nog daargelaten de vraag welke betekenis aan deze percentages in deze procedure zou moeten worden gehecht, voorbijgaat.

55. Evenmin is gebleken dat het bouwplan in strijd is met het regionaal woningbouwprogramma van de SRE en het regionaal structuurplan. Eiseres heeft in dit kader slechts gesteld, doch niet nader onderbouwd, dat als eis geldt dat sprake is van kwalitatief voldoende buitenruimte en een adequaat voorzieningenniveau en dat het bouwplan daar niet aan voldoet. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het bouwplan voorziet in appartementen waaraan gezien het volkshuisvestingsbelang geen behoefte bestaat en dat zal worden gebouwd voor leegstand.

56. Eiseres stelt dat het bouwplan, ook los van de bestaande situatie, een ernstige inbreuk op de privacy teweegbrengt, mede nu wordt gebouwd voor leegstand. Ook de bouwvergunning voor de vrijstaande woningen tast door de hoogte de belangen van omwonenden aan. De bebouwing komt op zeer korte afstand (tot zeven meter) van de belendende percelen.

57. Ten aanzien van de gestelde inbreuk op de privacy is van belang dat de beoogde bebouwing van vier en vijf bouwlagen grenst niet direct aan de omliggende grondgebonden woningen. Door middel van Blok B en Blok C is sprake van een buffer. De kapconstructie op de grondgebonden woningen (lessenaarsdaken) beperkt het zicht vanuit de appartementen op de omliggende woningen. Mede onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.14.1 van meergenoemde uispraak van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat er, gelet op de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan voor de percelen biedt, de kortste afstanden tussen de bestaande woningen en de voorziene woningen en appartementen geen grond bestaat voor het oordeel dat de gevolgen van de realisering van het bouwplan, in verhouding tot de aangevoerde belangen in de zin van visuele hinder en aantasting van de privacy, zodanig zijn dat geoordeeld moet worden dat verweerder deze belangen had dienen te laten prevaleren. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank voorts, onder verwijzing naar rechtsoverweging 54, geen grond voor het oordeel dat het bouwplan voorziet in appartementen waaraan gezien het volkshuisvestingsbelang geen behoefte bestaat en dat zal worden gebouwd voor leegstand.

58. Andere beroepsgronden zijn niet aangevoerd.

59. Gelet op al het vorenoverwogene kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

60. De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken of te bepalen dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

61. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als voorzitter en mr. R.J.A. Schaaf en mr. T. van de Woestijne als leden in tegenwoordigheid van mr. S.E. Emons als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: