Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BV0308

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
226050 / FA RK 11-729
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling onderhoudsbijdragen jong-meerderjarigen. Behoefte bepaling van een op moment van beschikking nog ongeboren kind van onderhoudsplichtige en zijn nieuwe partner tezamen. Verdeling draagkracht onderhoudsplichtige over alle te zijner laste komende kinderen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/56
JIN 2012/33 met annotatie van E.A. Boitelle

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Zaaknummer : 226050 / FA RK 11-729

Uitspraak : 30 november 2011

Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.L.W. Weerts,

en

[A],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.L.W. Weerts,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A.G.J. van Lokven,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw,(de jongmeerderjarige) [A] en de man.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift van de vrouw en de jongmeerderjarige [A], ontvangen ter griffie op 4 februari 2011;

- het verweerschrift van de man, tevens houdende een zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift van de vrouw en de jongmeerderjarige [A] op het zelfstandig verzoek van de man;

- de correspondentie, waaronder met name:

- de brief (met bijlagen) van mr. Van Lokven, gedateerd 11 oktober 2011, tevens aanvullend zelfstandig verzoek;

- de brief (met bijlagen) van mr. Weerts, gedateerd 13 oktober 2011;

- het faxbericht van mr. Van Lokven, gedateerd 14 oktober 2011, tevens wijziging van het zelfstandig verzoek;

- de brief (met bijlagen) van mr. Weerts, gedateerd 14 oktober 2011.

De griffier heeft de (inmiddels) jongmeerderjarige [B] en de minderjarige [C] in de gelegenheid gesteld om hun mening omtrent het verzoek aan de rechter kenbaar te maken. Zij hebben daarvan gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 oktober 2011. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. Weerts, alsmede de man, bijgestaan door mr. Van Lokven. Hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen is de jongmeerderjarige [A] niet verschenen.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van de brief (met als bijlage de volmachtverklaring van de jongmeerderjarige [B]) van mr. Weerts, gedateerd 8 november 2011.

De feiten

De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 14 november 2001 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 9 januari 2002 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de man en de vrouw zijn de navolgende kinderen geboren:

- [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

- [B], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

- [C], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

van wie [A] en [B] thans meerderjarig zijn.

Bij beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 14 november 2001 is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de (destijds nog minderjarige) kinderen met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op fl. 300,00 per kind per maand. Voorts is daarbij bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bedrag ter zake van partner-alimentatie aan de vrouw dient te voldoen ad fl. 888,00 per maand.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige [A] en de jongmeerderjarige [B] respectievelijk de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [C] per 1 januari 2011 € 172,61 per kind per maand en zal per 1 januari 2012 € 174,85 per kind per maand bedragen.

Het verzoek, verweer en zelfstandig verzoek

De vrouw en de jongmeerderjarige [A] verzoeken op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven wijziging van de beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 14 november 2001, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de (destijds nog minderjarige) kinderen aldus dat deze bijdrage met ingang van 1 augustus 2010, althans met ingang van een datum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, voor de jongmeerderjarige [A] nader wordt bepaald op € 308,40 per maand, althans een bedrag als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, en dat deze bijdrage voor de minderjarigen [B] en [C] met ingang van 1 oktober 2010, althans 1 januari 2011, althans met ingang van een datum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, wordt bepaald op € 300,00 per kind per maand. Voorts verzoekt de vrouw te bepalen dat, op het moment dat [B] en [C] gaan studeren c.q. een vervolgopleiding gaan volgen, de bijdrage van de man wordt bepaald op het bedrag dat door de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) zal worden vastgesteld, indien dat bedrag hoger zal zijn dan de door de rechtbank in deze beschikking vast te stellen alimentatie.

Zij stellen dat voormelde beschikking als gevolg van gewijzigde omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

De man voert hiertegen op de gronden en op de wijze als in het verweerschrift omschreven verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw en [A] af te wijzen, althans een bijdrage vast te stellen voor de (jongmeerderjarige) kinderen naar rato van de draagkracht van beide ouders, met ingang van de datum van de indiening van het verweerschrift, althans een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Voorts verzoekt de man, voor zover in de te maken draagkrachtberekening de fiscale bijtelling voor het privé gebruik van de lease auto buiten beschouwing wordt gelaten en evenmin rekening wordt gehouden met de reiskosten van de man in verband met de omgangsregeling, te bepalen dat de vrouw conform de eerdere (stilzwijgende) afspraak tussen partijen de reis in verband met de omgangsregeling voor haar rekening zal nemen, met dien verstande dat zij de man tot Arnhem tegemoet zal rijden.

Hij stelt daartoe dat geen sprake is van een behoefte als door de vrouw en [A] gesteld. Voorts stelt hij dat de vrouw en de man naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van de (jongmeerderjarige) kinderen. Voorts maakt hij bezwaar tegen de verzochte ingangsdatum van een eventuele bijdrage.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het tot haar gerichte zelfstandig verzoek van de man met betrekking tot de reiskosten van de omgangsregeling en concludeert tot afwijzing.

Aspecten van internationaal privaatrecht

Uit de overgelegde bewijsstukken volgt dat zowel de man als de vrouw als [A] de Nederlandse nationaliteit bezitten. De vrouw, [A], [B] en Sven zijn woonachtig in Nederland, terwijl de man in Duitsland woonachtig is.

Rechtsmacht

De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken met betrekking tot de alimentatie, nu de onderhoudsgerechtigden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 5 lid 2 EEX-Verordening, nr. 44/2001).

Toepasselijk recht

Ingevolge het bepaalde in artikel 4 van het Haags Alimentatieverdrag 1973 is op de verzoeken Nederlands recht van toepassing, nu de woonplaats van de onderhoudsgerechtigden in Nederland is gelegen.

De beoordeling

1. Wijziging van omstandigheden

Tussen partijen is niet in geschil dat na het wijzen van de beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 14 november 2001 de omstandigheden zijn gewijzigd. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hernieuwde beoordeling van de geldende door de man te betalen bijdrage.

2. Behoefte

De man stelt dat bij de herbeoordeling van de door hem te betalen bijdrage ook rekening dient te worden gehouden met het feit dat hij en zijn nieuwe partner in december een kind verwachten, voor welk kind de man ook onderhoudsplichtig zal zijn.

De vrouw heeft niet betwist dat de man en zijn nieuwe partner een kind verwachten, doch stelt dat met deze toekomstige omstandigheid nog geen rekening dient te worden gehouden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 maart 1999 bepaald dat, indien redelijke zekerheid bestaat dat een voor de vaststelling van de alimentatie van belang zijnde omstandigheid zich voor zal doen, de rechter daarmee reeds op voorhand rekening mag houden. De geboorte van het kind van de man en zijn nieuwe partner betreft een dergelijke omstandigheid, zodat de rechtbank hiermee reeds op voorhand rekening zal houden. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat het kind van de man en diens partner in december 2011 zal worden geboren.

Nu ingevolge het per 1 maart 2009 gewijzigde artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bij de bepaling van het aandeel van een ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kinderen rekening dient te worden gehouden met alle onderhoudsverplichtingen die deze ouder heeft jegens zijn of haar kinderen, dient de beschikbare draagkracht van de man in het onderhavige geval te worden verdeeld over [A], [B], [C] en het nog ongeboren kind. De draagkracht van de vrouw dient voorts te worden verdeeld over [A], [B] en [C]. Deze verdelingen van de draagkracht dienen te geschieden naar rato van de behoefte van de kinderen. Om die reden zal de rechtbank hieronder allereerst de behoefte van de betreffende kinderen vaststellen.

2.1 Behoefte van [A]

[A] stelt dat zijn behoefte is toegenomen, nu hij sinds 30 september 2009 een middenkader opleiding volgt aan de [naam]school te [plaats]. De studiebeurs die hij ontvangt, is onvoldoende om zijn studie volledig te bekostigen. Hij stelt - een en ander ter zitting door zijn advocaat aangevuld - dat voor de bepaling van zijn behoefte moet worden aangesloten bij de door de DUO gehanteerde normen. Volgens [A] bedraagt zijn behoefte € 856,40 per maand, bestaande uit de door hem te ontvangen basisbeurs van € 75,39, de door de DUO bepaalde bijdrage van de man ad € 308,40 en het maximaal te lenen bedrag van € 472,61. Hij merkt op dat daarbij nog geen rekening is gehouden met extra studiegerelateerde kosten, zoals de kosten voor aanschaf van een laptop.

De man heeft de door [A] gestelde behoefte betwist. Hij stelt dat moet worden aangesloten bij de door de DUO vastgestelde ouderbijdrage ad € 308,40 per maand, waarop vervolgens de eigen inkomsten van [A] in mindering dienen te worden gebracht. In dat kader wijst de man op de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 18 januari 2011. De man stelt de eigen inkomsten van [A] op een bedrag van € 250,00 per maand en stelt dat hiervan € 200,00 in mindering dient te worden gebracht op de bijdrage van € 308,40 per maand. Derhalve bedraagt de behoefte van [A] € 108,40 per maand.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens de aanbevelingen van het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen dient bij de bepaling van de behoefte van een jongmeerderjarige in beginsel te worden aangesloten bij de normbedragen, zoals genoemd in de Wet Studiefinanciering 2000 (hierna: WSF). De rechtbank ziet in het door partijen gestelde geen reden om af te wijken van deze aanbeveling. De WSF-norm bedraagt in het geval van [A] in 2011 € 549,00 per maand, bestaande uit een basisbeurs van € 75,39, een eventuele aanvullende beurs van € 309,40 en een lening van € 164,21. Naar het oordeel van de rechtbank dient voor zover de WSF-norm de basisbeurs omvat hiermee bij de bepaling van het aandeel van de ouders in de kosten van [A] geen rekening te worden gehouden. In dit deel van de behoefte van [A] wordt immers reeds door de overheid voorzien. Voorts dienen, in navolging van de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 18 januari 2011, de eigen inkomsten van [A] in mindering te worden gebracht op zijn behoefte. De rechtbank ziet echter, gelijk het Gerechtshof Leeuwarden, aanleiding om niet de volledige inkomsten hierop in mindering te brengen, doch slechts voor zover het inkomen van [A] het bedrag van € 100,00 per maand overschrijdt. Gelet op het voorgaande becijfert de rechtbank het aandeel van de ouders in de kosten van levensonderhoud en studie van [A] op een bedrag van € 323,61 per maand (€ 549,00 -/- € 75,39 -/- € 150,00).

2.2 Behoefte van [B] en [C]

De vrouw stelt de behoefte van [B] en [C] is toegenomen, nu de inkomens van partijen zijn gestegen sinds de echtscheiding. Zij stelt het huidige netto inkomen van partijen samen op een bedrag van € 4.500,00 netto per maand, waarmee een behoefte van € 422,00 voor [B] en [C] correspondeert.

Voorts stelt de vrouw dat rekening dient te worden gehouden met het feit dat [B] sinds september studeert en per 1 november 2011 op kamers is gaan wonen. Omdat [B] pas vanaf januari 2012 studiefinanciering en een OV-kaart zal ontvangen, zorgt dit voor een tijdelijke verhoging van haar behoefte, bestaande uit de extra reiskosten in verband met haar studie van € 500,00 per maand en vanaf november 2011 bestaande uit de huur van haar kamer van € 310,00 per maand.

De man heeft de door de vrouw gestelde behoefte betwist en stelt daartoe het navolgende. Conform de Tremanormen dient, indien het inkomen van één van de ouders het netto-gezinsinkomen ten tijde van de echtscheiding overstijgt, voor de bepaling van de behoefte van de kinderen uit te worden gegaan van het nieuwe inkomen van deze ouder. Daarbij dienen niet, zoals de vrouw stelt, de inkomens van beide ouders bij elkaar te worden geteld. Voor de bepaling van de behoefte van [B] en [C] dient dan ook enkel uit te worden gegaan van het huidige netto inkomen van de man ad € 3.000,00 per maand. De behoefte van [B] en [C] bedraagt derhalve € 257,00 per kind per maand.

Voorts erkent de man dat de behoefte van [B] tijdelijk is verhoogd vanwege het feit dat zij sinds september studeert, per 1 november 2011 op kamers is gaan wonen en pas vanaf januari 2012 studiefinanciering zal ontvangen. Hij betwist de door de vrouw gestelde reiskosten en stelt dat deze reiskosten € 336,00 bedragen. Hij stelt voorts voor om rekening te houden met een gemiddelde tijdelijke verhoging van de behoefte van september 2011 tot december 2011 van € 320,00 per maand. Voorts stelt de man dat rekening moet worden gehouden met het feit dat [B] op 21 november 2011 meerderjarig wordt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uitgangspunt is dat de behoefte van de minderjarigen wordt vastgesteld aan de hand van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, tenzij het netto inkomen van één ouder na de echtscheiding dit voormalige gezinsinkomen te boven gaat. Daarbij dienen niet, zoals de vrouw stelt, de inkomens van beide ouders bij elkaar te worden geteld. Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige netto inkomen van de man het voormalige netto-gezinsinkomen overstijgt. Door de man is onbetwist gesteld dat zijn inkomen € 3.000,00 per maand bedraagt, waarmee een behoefte correspondeert van € 257,00 per kind per maand. De rechtbank zal dan ook de behoefte van [B] en [C] bepalen op een bedrag van € 257,00 per kind per maand.

Ten aanzien van de tijdelijke verhoging van de behoefte van [B] overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [B] vanaf het moment dat zij is begonnen met haar studie (september 2011) tot het moment waarop zij op kamers is gegaan (1 novem-ber 2011) extra reiskosten heeft moeten maken in verband met haar studie. De man heeft de stelling van de vrouw dat deze kosten meer dan € 336,00 per maand bedragen gemotiveerd betwist. Nu de vrouw haar stelling niet nader met stukken heeft onderbouwd, gaat de rechtbank uit van een bedrag aan reiskosten van € 336,00 per maand. Vanaf 1 november 2011 woont [B] op kamers, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat vanaf dat moment de extra reiskosten komen te vervallen. Hiervoor in de plaats treedt echter de huur van de kamer van € 310,00 per maand. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk om de behoefte van [B] voor de periode september 2011 tot december 2011 te bepalen op gemiddeld € 580,00 per maand.

Nu [B] vanaf 1 januari 2012 studiefinanciering zal ontvangen, zal de rechtbank - conform de aanbevelingen van het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen en onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder punt 2.1 is overwogen - voor de behoefte van [B] na 1 januari 2012 uitgaan van de WSF-norm voor een uitwonende student (€ 739,54), minus de bijbehorende basisbeurs (€ 246,00), zijnde € 493,54 per maand.

2.3 Behoefte van het ongeboren kind

De behoefte van het nog ongeboren kind van de man en zijn nieuwe partner dient te worden bepaald aan de hand van het huidige netto inkomen van de man en diens partner.

De man stelt dat dit gezamenlijke inkomen thans € 4.528,85 per maand bedraagt, waarmee een behoefte van € 700,00 per maand correspondeert. Hij stelt voorts dat daarbij nog de te maken kosten voor de kinderopvang moeten worden geteld.

De vrouw stelt daarentegen dat van een lager gezamenlijk inkomen moet worden uitgegaan, nu de nieuwe partner van de man, na de geboorte van het kind, minder zal gaan werken. Zij acht het redelijk om uit te gaan van een netto inkomen van € 3.000,00 per maand, waarmee een behoefte van € 450,00 per maand correspondeert.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals hiervoor onder punt 2 is overwogen mag de rechter, bij de bepaling van de te betalen kinderalimentatie, rekening houden met toekomstige omstandigheden voor zover er redelijke zekerheid bestaat dat deze omstandigheden zich zullen voordoen. Thans is nog onvoldoende duidelijk in hoeverre de nieuwe partner van de vrouw na de geboorte van het kind haar werkzame uren zal verminderen. Ook bestaat er geen duidelijkheid omtrent eventuele kosten van de kinderopvang. Gelet hierop zal de rechtbank voor de bepaling van de behoefte van het ongeboren kind uitgaan van het huidige gezamenlijke inkomen van de man en diens nieuwe partner en de daarbij behorende behoefte als door de man gesteld. De rechtbank gaat dan ook uit van een behoefte van het ongeboren kind van € 700,00 per maand.

3. Verdeling naar rato van draagkracht

De rechtbank zal, ter bepaling van ieders aandeel in de behoefte van de minderjarigen, de draagkracht van partijen met elkaar vergelijken.

3.1 Draagkracht van de man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

3.1.1 Inkomsten uit arbeid

De vrouw en [A] stellen dat voor de bepaling van het inkomen van de man uit arbeid uit moet worden gegaan van de door hem overgelegde jaaropgave 2010, waarop een fiscaal loon is vermeld van € 69.340,00 per jaar. Hierop dient voorts de fiscale bijtelling ter zake van het privé-gebruik van de auto van de zaak in mindering te worden gebracht. Voorts dienen het spaarloon alsmede de bijdrage van de werkgever in de levensloopregeling bij het loon te worden geteld.

De man betwist dat uit moet worden gegaan van het fiscaal loon als vermeld op de jaaropgaaf 2010 en voert daartoe, naar de rechtbank begrijpt, het volgende aan. Door de fiscale bijtelling van de auto volledig buiten beschouwing te laten, wordt bij de berekening van de draagkracht van de man ten onrechte geen rekening gehouden met de extra belasting die de man als gevolg van de bijtelling feitelijk dient te voldoen. Hij acht het dan ook redelijk dat om die reden een correctie wordt toegepast. Voorts stelt hij dat, indien wordt uitgegaan van de jaaropgaaf 2010, hierbij weliswaar het spaarloon dient te worden geteld. De bijdrage van de werkgever in de levensloopregeling is echter reeds in het fiscaal loon is inbegrepen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Conform de aanbevelingen van het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen dient bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige de fiscale bijtelling ter zake van het privé-gebruik van de auto van de zaak buiten beschouwing te worden gelaten. De achterliggende gedachte hiervan is dat de belastingclaim die door deze bijtelling wordt veroorzaakt ruimschoots wordt goed gemaakt door de besparing die het gratis gebruik van de auto oplevert. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om van voormeld uitgangspunt af te wijken. Derhalve gaat de rechtbank uit van het fiscaal loon als vermeld op de jaaropgave ad € 69.340,00 per jaar, minus de bijtelling ad € 722,29 per maand (zijnde € 8.667,48 per jaar), zonder daarop een nadere correctie toe te passen. Voorts dient bij dit inkomen het spaarloon ad € 51,08 per maand (zijnde € 612,96 per jaar) te worden geteld. Uit de overgelegde salarisstroken volgt voorts dat de bijdrage van de werkgever in de levensloopregeling reeds in het fiscaal loon is begrepen, zodat dienaangaande geen correctie behoeft plaats te vinden.

3.1.2 Fiscale aspecten

- belaste inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW

- te realiseren fiscaal voordeel in verband met de betaalde hypotheekrente

- fiscale bijtelling eigenwoningforfait van € 935,00.

3.1.3 Heffingskortingen

- algemene heffingskorting

- arbeidskorting.

Ten slotte is rekening gehouden met de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.1.4 Maandelijkse lasten

Wwb-normbedrag

De rechtbank zal rekening houden met het normbedrag voor een alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud.

Woonlast

De man bewoont samen met zijn nieuwe partner een eigen woning. Hij stelt dat hij maandelijks een bedrag van € 736,04 ter zake aftrekbare hypotheekrente dient te voldoen en daarnaast een bedrag van € 176,78 per maand ter zake van de annuïteitenhypotheek. Voorts stelt de man dat, gelet op het verschil in inkomen tussen hem en zijn nieuwe partner, het redelijk is dat zijn nieuwe partner wordt geacht een vierde deel van de kosten verbonden aan de woning voor haar rekening te nemen.

De vrouw en [A] hebben de door de man opgevoerde posten betwist. Zij stellen dat uit het door de man overgelegde hypotheekoverzicht volgt dat het bedrag dat de man ter zake van de annuïteitenhypotheek dient te voldoen voor een groot deel uit rente bestaat en derhalve fiscaal aftrekbaar is. Voorts stellen zij dat, zoals gebruikelijk is, de nieuwe partner van de man moet worden geacht voor de helft bij te dragen in de woonlasten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het door de man als productie 8 overgelegde hypotheekoverzicht volgt dat de man ter zake van de annuïteitenhypotheek van € 33.500,00 een rente van 4,85% per jaar dient te voldoen. Dit brengt met zich dat de door de man opgevoerde premie van € 176,78 per maand voor een bedrag van € 135,40 uit rente bestaat, welke rente voor de man fiscaal aftrekbaar is. Nu de nieuwe partner van de man in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, gaat de rechtbank, conform de aanbevelingen van het rapport van de Werkgroep Alimentatie-normen, er van uit dat zij de helft van de feitelijke woonlasten voor haar rekening neemt. In het door de man gestelde ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om rekening te houden met slechts een vierde deel. Ingevolge artikel 1:400 BW dient immers een onderhoudsver-plichting jegens kinderen voor te gaan op iedere andere onderhoudsverplichting. Bovendien is het gedeelte van de woonlasten dat voor rekening van de nieuwe partner komt niet exorbitant hoog is in vergelijking met haar inkomen.

Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank rekening met de navolgende posten:

- aftrekbare hypotheekrente € 871,44

- aflossing hypotheek € 41,38

- eigenaarslasten € 95,00

Hierop strekt in mindering:

- gemiddelde basishuur € 210,00

- bijdrage van de partner in de woonlasten € 503,91

Ziektekosten

- nominale premie basisverzekering € 161,81

- verplicht eigen risico € 14,17

AF: in bijstandsnorm begrepen nominaal deel ZVW € 45,00

Kosten verbonden aan de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De man stelt dat de verblijfskosten verbonden aan de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken € 30,00 per maand bedragen. Daarnaast stelt hij dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om rekening te houden met een bedrag aan reiskosten. Hij stelt deze reiskosten, aan de hand van onder meer de kosten van de treinkaartjes, op een bedrag van € 50,00 per maand.

De vrouw en [A] hebben betwist dat rekening moet worden gehouden met de door de man gestelde reiskosten. Zij voeren daartoe aan dat de man de auto van de zaak kan gebruiken om de kinderen op te halen, zodat hij feitelijk geen kosten hoeft te maken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verblijfskosten verbonden aan de contactregeling zijn tussen partijen niet in geschil en kunnen worden bepaald op € 30,00 per maand. Ten aanzien van de reiskosten overweegt de rechtbank als volgt. In beginsel dient geen rekening te worden gehouden met de aan de contactregeling verbonden reiskosten, tenzij is gebleken van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, gezien de grote reisafstand tussen de woonplaats van de man (in Duitsland) en de woonplaats van de kinderen. Dat de man er zelf voor heeft gekozen om in Duitsland te gaan wonen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat geen rekening moet worden gehouden met de reiskosten van de contactregeling. Door de man is voorts onbetwist gesteld dat de kinderen in het kader van de contactregeling met de trein naar de man reizen. Het door hem gestelde bedrag aan kosten voor de treinkaartjes komt de rechtbank niet onredelijk voor, zodat de rechtbank rekening zal houden met een bedrag van € 50,00 per maand aan reiskosten. De totale kosten verbonden aan de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bedragen derhalve € 80,00 per maand.

3.2 Draagkracht van de vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

3.2.1 Inkomsten uit arbeid

De vrouw heeft inkomsten uit arbeid. De man stelt aan de hand van de cumulatieven als vermeld op de salarisstrook van de maand september 2011 het inkomen van de vrouw op € 38.845,33 bruto per jaar. Hij stelt dat daarbij de eindejaarsuitkering volgens de CAO van de politie ad 8% dient te worden geteld.

De vrouw betwist dat uit moet worden gegaan van de cumulatieven op de salarisstrook, nu haar inkomen wisselend is vanwege weekenddiensten. Zij stelt dat uit dient te worden gegaan van een inkomen van € 38.544,00 bruto per jaar, zoals dit door de DUO is meegenomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de door de vrouw overgelegde jaaropgaaf 2010 volgt dat de vrouw in 2010 een fiscaal loon van € 38.073,00 ontving. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze jaaropgaaf een getrouw beeld van de werkelijkheid, te meer nu door de vrouw onweersproken is gesteld dat haar inkomen per maand wisselend is vanwege weekenddiensten. Nu het inkomen als vermeld op de jaaropgaaf het dichtst aansluit bij het door de vrouw gestelde inkomen van € 38.544,00 bruto per jaar, zal de rechtbank van laatst genoemd inkomen uitgaan.

3.2.2 Fiscale aspecten

- belaste inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW

- te realiseren fiscaal voordeel in verband met betaalde hypotheekrente

- fiscale bijtelling eigenwoningforfait van € 2.222,00.

3.2.3 Heffingskortingen

- algemene heffingskorting

- arbeidskorting.

De rechtbank merkt daarbij op dat de vrouw gelet op de leeftijd van de kinderen niet in aanmerking komt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Ten slotte is rekening gehouden met de door de werkgever ingehouden inkomens-afhankelijke bijdrage ZVW.

3.2.4 Maandelijkse lasten

Wwb-normbedrag

De rechtbank zal rekening houden met het normbedrag voor een alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud.

Woonlast

De vrouw bewoont samen met haar nieuwe partner een eigen woning. Tussen partijen is niet in geschil dat de hypotheekrente € 1.596,32 per maand bedraagt.

De man heeft voorts gesteld dat, gezien het verschil in inkomen tussen de vrouw en haar nieuwe partner, de nieuwe partner moet worden geacht voor drie vierde deel bij te dragen in de woonlasten.

De vrouw stelt daarentegen dat normaliter er van uit wordt gegaan dat de nieuwe partner voor de helft bijdraagt in de woonlasten. Daarnaast wijst zij er op dat de lasten van de woning al hoger zijn, gelet op de aanwezigheid van de kinderen in het gezin. Bovendien stelt de vrouw dat haar partner recent zijn baan heeft verloren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals hiervoor onder punt 3.1.4 is overwogen, dient, voor zover de nieuwe partner in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, er van te worden uitgegaan dat hij de helft van de woonlasten voor zijn rekening neemt. In het door de man gestelde ziet de rechtbank, mede gelet op de stellingen van de vrouw ter zitting, onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken.

Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank rekening met de navolgende lasten:

- aftrekbare hypotheekrente € 1.596,32

- eigenaarslasten € 95,00

Hierop strekt in mindering:

- gemiddelde basishuur € 210,00

- bijdrage van de partner in de woonlasten € 845,66

Ziektekosten

- nominale premie basisverzekering € 128,59

AF: in bijstandsnorm begrepen nominaal deel ZVW € 45,00

De rechtbank houdt aan de zijde van de vrouw geen rekening met het verplichte eigen risico, nu de man deze post heeft betwist en de vrouw niet heeft aangetoond dat zij dit risico daadwerkelijk realiseert.

3.3 Verdeling van de beschikbare draagkracht van de man

Uitgaande van de gegevens als vermeld onder punt 1.3 en rekening houdend met het te realiseren fiscaal voordeel begroot de rechtbank de draagkracht van de man op een bedrag van € 1.705,00 per maand. Deze draagkracht dient voorts naar rato van de behoefte van de kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig is te worden verdeeld.

Gelet op de wisselende behoeftes van de kinderen en gezien het feit dat het kind van de man en zijn nieuwe partner nog niet is geboren, zal de rechtbank per onderscheiden periode een berekening maken van de verdeling van de draagkracht van de man. Daarbij gaat de rechtbank er van uit dat het kind van de man en zijn nieuwe partner in december 2011 zal worden geboren.

Voor de periode tot september 2011 ziet deze verdeling er als volgt uit:

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[A] 323,61 323,61 / 837,61 659

[B] 257,00 257,00 / 837,61 523

[C] 257,00 257,00 / 837,61 523 +

Totaal 837,61 1.705

Voor de periode tot december 2011 ziet deze verdeling er als volgt uit:

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[A] 323,61 323,61 / 1.160,61 475

[B] 580,00 580,00 / 1.160,61 852

[C] 257,00 257,00 / 1.160,61 378 +

Totaal 1.160,61 1.705

Voor de periode tot januari 2011 ziet deze verdeling er als volgt uit:

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[A] 323,61 323,61 / 1.860,61 297

[B] 580,00 580,00 / 1.860,61 531

[C] 257,00 257,00 / 1.860,61 236

Ongeboren kind 700,00 700,00 / 1.860,61 641 +

Totaal 1.860,61 1.705

Voor de periode na januari 2012 ziet deze verdeling er als volgt uit:

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[A] 323,61 323,61 / 1.774,15 311

[B] 493,54 493,54 / 1.774,15 474

[C] 257,00 257,00 / 1.774,15 247

Ongeboren kind 700,00 700,00 / 1.774,15 673 +

Totaal 1.774,15 1.705

3.4 Verdeling van de beschikbare draagkracht van de vrouw

Aan de hand van de gegevens als vermeld onder punt 3.2 becijfert de rechtbank de beschikbare draagkracht van de vrouw op een bedrag van € 738,00 per maand. Deze draagkracht dient voorts naar rato van de behoefte van de kinderen waarvoor de vrouw onderhoudsplichtig is te worden verdeeld.

Gelet op de wisselende behoeftes van de kinderen zal de rechtbank per onderscheiden periode een berekening maken van de verdeling van de draagkracht van de vrouw.

Voor de periode tot september 2011 ziet deze verdeling er als volgt uit:

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[A] 323,61 323,61 / 837,61 285

[B] 257,00 257,00 / 837,61 226,50

[C] 257,00 257,00 / 837,61 226,50 +

Totaal 837,61 738

Voor de periode tot januari 2011 ziet deze verdeling er als volgt uit:

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[A] 323,61 323,61 / 1.160,61 206

[B] 580,00 580,00 / 1.160,61 369

[C] 257,00 257,00 / 1.160,61 163 +

Totaal 1.160,61 738

Voor de periode na januari 2012 ziet deze verdeling er als volgt uit:

Kind Behoefte Wegingsfactor Verdeling

[A] 323,61 323,61 / 1.074,15 222

[B] 493,54 493,54 / 1.074,15 339

[C] 257,00 257,00 / 1.074,15 177 +

Totaal 1.074,15 738

3.5 Conclusie na draagkrachtvergelijking

Na vergelijking van de beschikbare draagkracht van de man en de beschikbare draagkracht van de vrouw becijfert de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van de kinderen als volgt.

Het aandeel van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige [A] bedraagt:

- voor de periode tot september 2011:€ 226,00 per maand

- voor de periode tot december 2011: € 226,00 per maand

- voor de periode tot januari 2012:€ 191,00 per maand

- voor de periode na januari 2012: € 189,00 per maand

Het aandeel van de man in de kosten van verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. kosten van levensonderhoud en studie van de thans jongmeerderjarige [B] bedraagt:

- voor de periode tot september 2011: € 179,00 per maand

- voor de periode tot december 2011: € 405,00 per maand

- voor de periode tot januari 2012:€ 342,00 per maand

- voor de periode na januari 2012:€ 288,00 per maand

Het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [C] bedraagt:

- voor de periode tot september 2011: € 179,00 per maand

- voor de periode tot december 2011: € 180,00 per maand

- voor de periode tot januari 2012:€ 152,00 per maand

- voor de periode na januari 2012:€ 150,00 per maand

De rechtbank zal de bijdrage van de man vaststellen conform de hierboven becijferde aandelen, voor zover dit het verzoek van de vrouw niet te buiten gaat. Daarbij merkt de rechtbank op dat, gezien het verzoek van de vrouw en het verweer van de man, geen lagere bijdrage kan worden vastgesteld dan de thans geldende bijdrage, te weten € 172,61 per maand in 2011 en € 174,85 per maand vanaf 1 januari 2012.

Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat, op het moment dat [B] en [C] gaan studeren, de bijdrage van de man zal worden bepaald op het bedrag dat door de DUO zal worden vastgesteld voor zover dit hoger is dan de in deze beschikking bepaalde bijdrage, zal worden afgewezen als zijnde onvoldoende bepaald.

4. Ingangsdatum

Partijen verschillen van mening omtrent de ingangsdatum van de verzochte bijdrage.

[A] stelt, ten aanzien van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie, dat de man al vanaf juni 2010 ervan op de hoogte is dat de behoefte van [A], gezien zijn studie, is toegenomen. Hij acht het dan ook redelijk dat als ingangsdatum 1 augustus 2010 wordt gehanteerd.

Ten aanzien van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [B] en [C] stelt de vrouw dat deze in dient te gaan per 1 oktober 2010.

De man voert verweer tegen de verzochte ingangsdata, stellende dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een wijziging met terugwerkende kracht zouden rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Als uitgangspunt voor de ingangsdatum van een wijziging van de kinderalimentatie hanteert de rechtbank de datum van indiening van het verzoekschrift. In het door [A] en de vrouw gestelde ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Om die reden zal de rechtbank de wijziging in laten gaan per datum indiening verzoekschrift, te weten 4 februari 2011.

5. Voorwaardelijk zelfstandig verzoek

De man heeft verzocht te bepalen dat, voor zover bij de draagkrachtberekening geen rekening wordt gehouden met de fiscale bijtelling voor het privé-gebruik van de auto dan wel met de reiskosten in het kader van de omgangsregeling, de vrouw een deel van de reis voor haar rekening dient te nemen, in die zin dat zij de man tot Arnhem tegemoet zal rijden.

Nu, gezien hetgeen hiervoor onder 3.1.4 is overwogen, rekening wordt gehouden met de reiskosten in het kader van de contactregeling, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke zelfstandige verzoek van de man.

6. Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

Gelet op het bovenstaande beslist de rechtbank als volgt.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 14 november 2001, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage, door de man te voldoen in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige:

- [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

aldus, dat deze bijdrage:

- voor de periode van 4 februari 2011 tot december 2011 nader wordt bepaald op € 226,00 (tweehonderdzesentwintig euro) per maand;

- voor de periode van december 2011 tot januari 2012 nader wordt bepaald op € 191,00 (honderdeenennegentig euro) per maand;

- voor de periode vanaf januari 2012 nader wordt bepaald op € 189,00 (honderdnegenentachtig euro) per maand;

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijzigt de beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 14 november 2001, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage, door de man te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. levensonderhoud en studie van de thans jongmeerderjarige:

- [B], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

aldus, dat deze bijdrage:

- voor de periode van 4 februari 2011 tot september 2011 nader wordt bepaald op € 179,00 (honderdnegenenzeventig euro) per maand;

- voor de periode van september 2011 tot januari 2012 nader wordt bepaald op € 300,00 (driehonderd euro) per maand;

- voor de periode vanaf januari 2012 nader wordt bepaald op € 288,00 (tweehonderdachtentachtig euro) per maand;

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijzigt de beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 14 november 2001, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage, door de man te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:

- [C], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

aldus, dat deze bijdrage:

- voor de periode van 4 februari 2011 tot september 2011 nader wordt bepaald op € 179,00 (honderdnegenenzeventig euro) per maand;

- voor de periode van september 2011 tot december 2011 nader wordt bepaald op € 180,00 (honderdtachtig euro) per maand;

- voor de periode van december 2011 tot januari 2012 nader wordt bepaald op € 172,61 (honderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) per maand;

- voor de periode na januari 2012 nader wordt bepaald op € 174,85 (honderdvierenzeventig euro en vijfentachtig cent) per maand;

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het meer of anders verzochte af;

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Wolfs, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011 in aanwezigheid van de griffier.

Conc: JdW

Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a) door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

15