Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BV0280

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
721783
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dubbele (?) switch toelaatbaar, in vervolg op o.m. HR 07-10-1994 LJN:ZC1476 en Rb. Almelo 17-10-2006 LJN BA2430 en afwijzing kennelijk onredelijke opzegging

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/40
AR-Updates.nl 2012-0017
JAR 2012/40

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Eindhoven

In de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde: voorheen mr. A.H.M. van den Broek, thans mr. C.H.M. van Oosterhout, advocaat te Eindhoven,

en

[gedaagde].

gevestigd en kantoorhoudend te [plaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. L.V. Claassens, advocaat te Eindhoven,

wijst de kantonrechter als volgt vonnis.

Partijen zullen verder tevens worden aangeduid met respectievelijk 'eiser' en 'gedaagde'.

1. De procedure

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft schriftelijk geantwoord. Vervolgens heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden op 6 januari 2011. Partijen hebben ieder nog een akte genomen. Daarna is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist staat tussen partijen het volgende vast.

Eiser is geboren op 27 september 1947 en is sinds 3 januari 2000 bij gedaagde althans haar rechtsvoorgangster in dienstbetrekking werkzaam tegen een laatstelijk verdiend salaris van € 2.400,- bruto per maand. De collectieve arbeidsovereenkomst voor het Metaalverwerkingsbedrijf is op de dienstbetrekking van toepassing. Per 1 november 2009 is door opzegging het tussen partijen geldende dienstverband geëindigd.

Op 5 mei 2009 is bij UWV werk bedrijf te [plaats] een ontslagvergunning aangevraagd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid vanaf 27 maart 2007. UWV Werkbedrijf heeft de ontslagvergunning op 14 augustus 2009 afgegeven.

2.2. Eiser vordert samengevat dat voor recht zal worden verklaard dat de opzegging door gedaagde kennelijk onredelijk is en dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding ex artikel 7:681 BW nader op te maken bij staat alsmede een bedrag van € 25.000,- uit hoofde van immateriële schade alsook een bedrag van € 1.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente.

2.3 Hij legt daaraan het volgende ten grondslag.

In de procedure bij UWV werk bedrijf heeft eiser een advies van de bedrijfsarts van 15 april 2009 overgelegd waaruit blijkt dat per 1 april 2009 voor eiser nog mogelijkheden waren om in eigen werk te re-integreren onder de voorwaarde dat er bij gedaagde de wil aanwezig was om de werkomstandigheden van eiser aan te passen. Gedaagde is hiertoe niet bereid gebleken en heeft willens en gewetens aangestuurd op een einde van het dienstverband.

De arbeidsongeschiktheid kan niet los gezien worden van de afspraak tussen partijen op 29 augustus 2005 dat eiser per 19 september 2005 voor onbepaalde tijd als productiemanager tewerkgesteld zou worden bij Technowaste in Basildon in Engeland. Hij werd min of meer voor de leeuwen gegooid en ondervond daar veel tegenwerking van het zittende management. Bij het oplossen van de problemen heeft eiser van gedaagde geen steun of onvoldoende ondersteuning gekregen met betrekking tot het verrichten van zijn functie. Gedaagde heeft er toen voor gekozen om eiser per 6 februari 2006 naar Nederland terug te halen. Vanaf het moment van terugkeer heeft hij in Nederland van gedaagde en de heer [B] met name, veel tegenwerking ondervonden. Eiser voelde zich bij terugkeer bij gedaagde niet welkom. Hij had geen woonruimte meer en moest daarnaar op zoek. Hij had geen functie meer binnen het bedrijf van gedaagde en er werd een nieuwe functie gezocht. Eiser wilde vanwege de bedrijfscultuur weer te Eindhoven worden geplaatst en niet te Dordrecht maar in eerste aanleg werd hem door gedaagde desondanks werk te Dordrecht aangeboden en niet in Eindhoven. De lichamelijke en geestelijke situatie van eiser was in het begin van het jaar 2006 dusdanig slecht dat zijn gezondheid sterk achteruit begon te gaan en per 18 mei 2006 heeft hij zich ziek moeten melden vanwege stress en spanning klachten. Op 17 juli 2006 heeft hij zijn werkzaamheden als voorman bij gedaagden te Eindhoven hervat. Op 31 januari 2007 kwam die functie te vervallen waardoor eiser weer onzekerheid en spanningen ondervond. Op 27 maart 2007 kreeg eiser op de werkplek en hartinfarct. Als alternatief kreeg hij de functie van productiemedewerker aangeboden de na een periode van herstel is eiser in aangepast werk op 11 juni 2007 weer begonnen. Het werk had totaal geen inhoud. Hij moest koelkasten tellen, kon op de werkplek niemand spreken en werd acht wekenlang door zijn leidinggevende genegeerd hetgeen door eiser als geestelijke mishandeling is ervaren.

Op 24 juli 2007 kreeg eiser een bericht dat hij op 27 juli 2007 de mobilofoon en de sleutels van het bedrijf moest inleveren. Hoewel hij dit niet terecht vond heeft hij een afspraak gemaakt en is hij daarvoor extra vanuit Rosmalen naar Eindhoven gereden maar bij aankomst bleek de heer [D] al te zijn vertrokken zodat eiser 90 km voor niets gereden heeft. Het is hem op 30 juli 2007 allemaal teveel geworden en hij heeft zich weer volledig ziek moeten melden. Sindsdien is hij niet meer aan het werk geraakt.

Door de arbeidsrechtelijke situatie is eiser letterlijk ziek geworden. Hij is in zijn werk vastgelopen en heeft lichamelijke en psychische klachten gekregen. Na het intreden van de arbeidsongeschiktheid is er naar het gevoel van eiser van de zijde van gedaagde geen serieuze poging tot re-integratie gedaan. Eiser is door gedaagde ziek geworden en/of ziek gemaakt, althans onder druk van de omstandigheden geestelijk en lichamelijk bezweken. Gedaagde heeft eiser in elk geval niet behandeld op een wijze zoals die een goed werkgever betaamt. Eiser is zijn baan die voor hem zijn lust en zijn leven was kwijtgeraakt. Hij voelt zich het kind van de rekening. Vanaf 9 maart 2009 ontvangt hij een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar omdat de hoogte van deze uitkering slechts 70 procent van zijn eerdere inkomsten uit arbeid bedraagt heeft hij een aanmerkelijk loonverlies.

Eiser was op het moment van het einde van het dienstverband 62 jaar. Naar de mening van eiser is het kennelijk onredelijk dat hij door het ontslag zijn baan is kwijtgeraakt en in de arbeidsongeschiktheid terechtkomt zonder enig toekomstperspectief. Hij acht het billijk dat hij voor wat betreft zijn inkomen schadeloos zal worden gesteld tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en dat hij vanwege de geleden psychische schade een bedrag van € 25.000,- als smartengeld zal ontvangen.

2.4.Gedaagde heeft, verkort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

Met ingang van 3 januari 2000 is eiser op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst bij gedaagde in dienst getreden in de functie van productiemedewerker in welke functie hij zich bezighield met de verwerking van afgedankte koel- en vriesapparatuur. Hij was op dat moment 52 jaar. Hij verrichtte zijn werkzaamheden naar tevredenheid en is in 2003 bevorderd tot voorman. In 2005 is in onderling overleg besloten dat eiser de laatste jaren van zijn actieve loopbaan werkzaam zou zijn in Engeland, voor het Engelse bedrijf omdat hij de Engelse taal beheerst en de Engelse gebruiken kent en in staat werd geacht om kennis over te brengen naar en toe te passen in Engeland. Eiser zag de aan hem geboden uitdaging om in Engeland aan de slag te gaan wel zitten. Er zijn afspraken gemaakt over de salariëring. Het werk in Engeland was geen onverdeeld succes. Het klikte niet tussen de directie en eiser en eiser meende dat hij werd tegengewerkt. Hoewel gedaagde binnen de speelruimte die zij had omdat,Technowaste immers een zelfstandige vennootschap was, heeft getracht de verschillen van inzicht weg te nemen en zelfs een P&O medewerker in december 2005 naar Engeland heeft gestuurd om te bemiddelen bleek dit niet mogelijk.

Enerzijds had gedaagde te maken met een medewerker die formeel nog steeds bij gedaagde in dienst was en die zich in Engeland niet 'senang' voelde en anderzijds had zij geen invloed op de wijze waarop de werkzaamheden in Engeland waren georganiseerd. Gedaagde vond het echter niet verantwoord om deze situatie te laten voortduren en heeft al vrij snel nadat eiser in Engeland aan de slag is gegaan besloten om hem terug naar Nederland te halen. Het was niet in zijn belang om nog langer bij Technowaste te blijven. Voor beide partijen is dit teleurstellend verlopen.

Direct na terugkomst in Nederland heeft eiser zich arbeidsongeschikt gemeld en er is meteen een re-integratieproject gestart. De heer [B] heeft dat op geen enkele wijze tegengewerkt. Daarnaast heeft gedaagde eiser geholpen bij het vinden van de woonruimte en hem daarbij financieel ondersteund. Onderzocht is waar eiser zou kunnen worden herplaatst zodra hij weer volledig arbeidsgeschikt was en er was in die periode een reorganisatie op handen waarbij mogelijk de werkzaamheden die in Eindhoven werden uitgevoerd zouden worden verplaatst naar Dordrecht. Eiser gaf te kennen zo mogelijk in Eindhoven te willen blijven werken. Vanaf september 2006 werd eiser weer volledig geschikt geacht voor de bedongen arbeid en is hij de Eindhoven gaan werken zoals hij wilde. In die periode is er tussen partijen een discussie ontstaan die geresulteerd heeft in een jarenlange juridische procedure met betrekking tot de afspraken over het salaris. Aangezien de kosten voor eisers onderhoud in Engeland hoger zijn dan in Nederland is afgesproken dat gedurende zijn periode in Engeland een hoger salaris zou worden uitbetaald. Na terugkeer in Nederland is gedaagde weer het zelfde salaris gaan betalen dat eiser ontving voor zijn vertrek naar Engeland. Daarover zijn procedures gevoerd.

Onduidelijk is waarom eiser meent dat er sprake van tegenwerking is geweest na terugkeer naar Nederland. Aan het begin van 2007 is een verandering opgetreden in de werksituatie omdat door veranderende marktomstandigheden de vestiging in Eindhoven gereorganiseerd moest worden als gevolg waarvan de functie van voorman verviel. Eiser zijn twee alternatieven geboden namelijk de voorman functie uitoefenen in Waalwijk of blijven werken in Eindhoven. Voor dit laatste heeft hij gekozen en aan de arbeidsvoorwaarden is niet getornd. Hij mocht ook de functie naam voorman blijven voeren hoewel hij als productiewerker aan het werk ging.

Afgezien van de onenigheid over de salariëring leek de lucht geklaard maar op 27 maart 2007 is eiser onwel geworden en bleek hij een hartaanval te hebben gehad. Er is bij terugkeer een re-integratietraject gestart en na enkele maanden rustig aan te hebben gedaan is eiser weer gaan werken. Gedaagde betwist nadrukkelijk dat eiser door zijn leidinggevende zou zijn tegengewerkt. Het betreft een niet onderbouwde stelling; eiser heeft dat indertijd ook niet kenbaar gemaakt. Op 30 juni 2007 heeft hij zich opnieuw volledig arbeidsongeschikt gemeld. Het re-integratietraject is verder in gang gezet.

Toen gebeurde er iets opmerkelijks omdat eiser plotseling het standpunt verkondigde dat er sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsrelatie. Er is een mediationtraject gestart op aangeven van de Arboarts hoewel gedaagde niet van mening was dat sprake was van een verstoorde relatie. Volgens eiser zou de mediator partijdig zijn. Volgens eiser zouden er te weinig re-integratie-inspanningen worden verricht en daarna is re-integratie in het tweede spoor ingezet. Aangezien eiser niet bij gedaagde wilde re-integreren is een ander bedrijf ingeschakeld maar met ingang van 17 maart 2009 is de begeleiding beëindigd omdat eiser volledig werd afgekeurd in het kader van de WIA. Met ingang van 24 maart 2009 ontvangt eiser een loongerelateerde WIA uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid percentage van 80-100%.

Primair dient eiser niet-ontvankelijk verklaard worden omdat hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te switchen van het verweer van kennelijk onredelijk ontslag naar de nietigheid van het ontslag omdat hij tot en met 22 mei 2008 op de kandidatenlijst voor een ondernemingsraad heeft gestaan. Dit standpunt is onjuist omdat de toestemming van de kantonrechter alleen nodig is wanneer de arbeidsovereenkomst met een werknemer die op het moment van de opzegging geplaatst is op een kandidatenlijst van de ondernemingsraad of binnen een termijn van twee jaar daarvoor lid is geweest van de ondernemingsraad, maar beide situaties deden zich niet voor. Bovendien dient een beroep op de nietigheid gedaan te worden binnen een termijn van twee maanden en was het beroep verjaard. Op 26 maart 2010 heeft de gemachtigde van eiser bericht dat wederom een beroep werd gedaan op de vermeende kennelijk onredelijk uit van het ontslag en dat is niet mogelijk. De rechtszekerheid verzet zich tegen de dubbele switch.

Ook op inhoudelijke gronden moeten de vordering van eiser worden afgewezen.

3. De beoordeling

3.1. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen werd eiser niet rechtskundig bijgestaan. Zijn persoonlijk omstandigheden zijn uitgebreid aan bod gekomen, waartoe hij ook een vriend c.q. belangenbehartiger had meegebracht. Over het primaire verweer heeft hij zich echter niet uitgelaten. De raad om een advocaat in de arm te nemen heeft hij zich ter harte genomen en nadien is door zijn huidige gemachtigde een akte genomen. Overigens heeft deze ook daarna een brief toegezonden maar die kan niet meer in de behandeling worden betrokken omdat de zaak in staat van wijzen was.

3.2. Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidverweer heeft de laatste gemachtigde slechts aangevoerd dat uit het arrest van Hoge Raad van 1994 niet blijkt dat een werknemer niet ontvankelijk verklaard zou moeten worden als hij meer dan eens de grondslag van zijn vordering wijzigt.

Partijen zijn het erover eens dat een zogenaamde switch in ieder geval mogelijk is. De rechtszekerheid verzet zich tegen het vaker veranderen van opstelling volgens gedaagde. Daarop is eiser niet verder ingegaan. De uitspraak van de kantonrechter te Enschede, die door gedaagde als vergelijking wordt gebruikt, kent als verschil met deze zaak dat sprake was van een overgang van een onderneming en dat de verandering van opstelling van de werknemer van een schadeplichtig ontslag naar een vernietigd ontslag tot gevolg had dat de overgang van de onderneming effect sorteerde; een opzegging was daarom niet meer aan de orde.

In het onderhave geval speelt geen overgang van een onderneming noch het inroepen van de nietigheid voor het verstrijken van de opzegtermijn. Wat betreft de rechtszekerheid is verder op te merken dat de Hoge Raad in gemeld arrest juist van belang acht dat duidelijkheid dient te bestaan over het einde van de arbeidsovereenkomst. Het inroepen van de nietigheid van het ontslag brengt die onzekerheid en het is toelaatbaar geacht dit beroep duidelijk en ondubbelzinnig in te trekken waardoor de gewenste duidelijkheid omtrent de beëindiging niet in het gedrang komt. De mogelijkheid tot het behoud van de aanspraak op een schadeplichtig ontslag is daarbij inbegrepen.

3.3. De onderhavige casus volgt hetzelfde spoor, immers de ingeroepen nietigheid wordt ingetrokken en daarmee is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gegeven (volledigheidshalve wordt overwogen dat geen herstel van de arbeidsovereenkomst is gevorderd). Er verzet zich in het kader van de rechtszekerheid, noch in de beslissing van de Hoge Raad op dit punt niets tegen het handhaven van een beroep op een schadeplichtig ontslag.

In feite heeft de laatste switch de rechtszekerheid gediend nu het einde van de arbeidsovereenkomst zeker gesteld is. Er is in ieder geval geen nadeel voor gedaagde aangevoerd of ontstaan door de wijziging van standpunt.

Waar aangenomen moet worden dat zolang nog geen onherroepelijke uitspraak is gedaan over de geldigheid van het ontslag en de daaraan ten grondslag liggende reden, de werknemer afstand kan doen van zijn beroep op de vernietigbaarheid ( Hof 's-Hertogenbosch 6 juni 2006, LJN: AZ7499), is daaraan voldaan in dit geval.

3.4. Voor de volledigheid overweegt de kantonrechter dat gedaagde zich niet heeft verzet tegen de eerste switch. Deze mogelijkheid is in de gemelde uitspraak door de Hoge Raad niet behandeld en in de uitspraak van de kantonrechter te Enschede, waarnaar gedaagde verwijst, mogelijk geacht, dus gaat de kantonrechter ervan uit - nu gedaagde zich op deze uitspraken beroept - dat gedaagde deze ook inhoudelijk accepteert. Arbeidsrechtelijk verzet ook niets zich daartegen. Overigens is het de vraag of de per e-mailbericht van eiser zelf ingeroepen vernietiging, terwijl hij deskundig werd bijgestaan, wel als zodanig beschouwd diende te worden. De kantonrechter is daarvan niettemin uitgegaan nu partijen zich daarover niet uitlaten.

3.5. Het beroep op een kennelijk onredelijke opzegging heeft eiser in de dagvaarding als kennelijk onredelijk betiteld omdat hij na zijn dienstverband bij gedaagde door het ontslag zijn baan is kwijtgeraakt en in de arbeidsongeschiktheid is terechtgekomen zonder enig toekomstperspectief. Bij nadere akte zijn als concrete verwijten geformuleerd dat eiser hem heeft overgeplaatst naar Basildon in Engeland waar de Managing Director diens functioneren onmogelijk heeft gemaakt waardoor eiser ziek geworden is. Eiser bestrijdt daarbij de stelling van gedaagde dat het om twee verschillende bedrijven ging. Gedaagde heeft volgens hem niet adequaat gereageerd op de tegenwerking die hij ondervond en eiser is daarmee blootgesteld aan extreme psychische druk.

3.6. De kantonrechter vat dit op als een beroep op het zogenaamde 'gevolgencriterium' van artikel 7:681 lid 2, aanhef en onder b BW. Bij de beantwoording van de vraag of het ontslag ingevolge het 'gevolgencriterium' van art. 7:681 lid 2, aanhef en onder b BW, kennelijk onredelijk is, moeten alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in aanmerking worden genomen. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor een vordering als bedoeld in art. 7:681 lid 1 BW. In een dergelijk geval moet voor het aannemen van kennelijke onredelijkheid sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen. Dat geldt ook in het geval als het onderhavige, waarin de werkgever wegens twee jaar onafgebroken arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsverhouding mag beëindigen. Als eenmaal door de rechter is aangenomen dat het ontslag kennelijk onredelijk is, heeft de werknemer recht op een vergoeding.

3.7. De kantonrechter overweegt inhoudelijk op de aangevoerde gronden vooreerst dat tussen partijen onbetwist is dat het een keuze van beide partijen was om eiser in Basildon tewerk te stellen. Het leek in het voordeel van eiser te zijn. Beide partijen betreuren dat het geen succesvolle invulling heeft gekregen, maar voor zover sprake zou zijn van een stressvolle werkzaamheid heeft gedaagde daaraan in ieder geval een einde gemaakt. Kennelijk zelfs tegen de wens van eiser.

Voor zover gedaagde een verwijt gemaakt wordt dat eiser te weinig steun ondervond moet voorts ook onderkend worden dat sprake is van invulling van een managementfunctie op niveau waarbij de eigen persoonlijk inbreng van groot belang is. Voor zover gedaagde verweten kan worden dat eiser boven zijn niveau en of kunnen is ingezet moet worden geoordeeld dat dit ook de wens van eiser was en dat hij tijdig is teruggetrokken toen het onhoudbaar bleek. Het management van Basildon is daarin kennelijk een verwijt te maken, daarover zijn partijen het wel eens, maar deze is in dit verband niet zonder meer te vereenzelvigen met gedaagde als zodanig. Dat er sprake was van tegenwerking op (lager) managementniveau omdat er een nieuwe manager komt kan niet zonder meer laakbaar geacht worden. In dit geval was het partijen bekend dat het een afzonderlijk opererend bedrijf betrof. Indien niet door gedaagde ingegrepen zou zijn terwijl men wist dat er serieuze problemen aan de orde waren zou het anders hebben kunnen liggen maar er is zelfs tussentijds poolshoogte genomen en door gedaagde gesproken met het plaatselijk management; toen dat niet hielp is eiser teruggehaald.

Begrijpelijkerwijs is sprake van grote teleurstelling bij eiser over het verloop van zaken maar een doorslaggevend verwijt valt gedaagde daarover niet te maken.

Gedaagde heeft eiser daarvan ook geen verwijt gemaakt. De heer [J] heeft ter comparitie aangegeven dat hij bij eiser op bezoek gegaan is toen hij enige tijd in Engeland zat en heeft moeten onderkennen dat het eiser niet goed ging en dat het voor zijn eigen welbevinden en gezondheid beter was dat hij terugkwam. Desgevraagd heeft eiser aangegeven dat hij ondersteuning vanuit Nederland miste en dat die ondersteuning er in had dienen te bestaan dat er een linemanager uit Nederland zou komen. Uiteindelijk, zo was zijn stelling had het management van het Engelse bedrijf in zijn geheel ontslagen moeten worden.

De kantonrechter kan niet treden in die beslissing van de ondernemer. Een ondernemer heeft ook een grote mate van vrijheid de onderneming in te richten. In ieder geval blijkt dat de situatie zoals die zich had ontwikkeld, serieus bezien is en dat een beslissing is genomen die recht deed aan de belangen van eiser.

Eiser verwijst naar een bericht van de GZ-psycholoog van 9 april 2008 waarin deze, gesteund door psychiater, zich over de situatie van eiser uitspreekt. Daaruit blijkt dat eiser in een periode van twee jaar in die mate klachten heeft opgebouwd, waaronder het obsessief bezig zijn met zijn werk, het juridisch traject en onzekerheid over de toekomst, dat van een normaal dagelijks psychosociaal functioneren geen sprake meer is. Door de gebeurtenissen en het wegvallen van werk is een vacuüm ontstaan en verlies van eigenwaarde.

Gehele remissie van de klachten kan niet plaatsvinden omdat het lopende juridische proces met de werkgever en de onzekerheid over de toekomst een blijvende stressor en onderhouden factor is geworden voor de klachten; herintreding lijkt een mission impossible die ten koste gaat van de gezondheid tenzij er op zeer overtuigende wijze eerherstel gaat plaatsvinden. De GZ-psycholoog adviseert om tot een snelle afhandeling te komen van het juridisch proces en daarna het re-integratietraject op starten; enkel volledig eerherstel en het weer verkrijgen van een volwaardige bestuurlijke managementfunctie bij gedaagde zou een kleine kans geven op psychisch herstel.

De kantonrechter kan hierin echter niet de vaststelling vinden dat eiser door de arbeidsrechtelijke situatie letterlijk ziek is geworden zoals eiser het omschrijft. De kwestie van de juridische procedure heeft geleid tot voor eiser afwijzende uitspraken. Dat terugkeer in een volwaardige bestuurlijke managementfunctie wordt bepleit is niet een reëel beeld te noemen gelet op het arbeidsverleden van eiser, de inrichting van het bedrijf van gedaagde en de capaciteiten van eiser. Het beeld dat wordt geschetst is eerder van een reactie van eiser op een teleurstelling die hoog is opgelopen maar niet kan worden gerijmd met de gang van zaken en de positie van eiser. Evenmin wordt recht gedaan aan de mogelijkheden en inspanningen van gedaagde. Hetgeen in het advies van gedaagde gevraagd wordt behoorde in alle redelijkheid niet tot de mogelijkheden en kon daarom ook niet van gedaagde worden gevraagd. In dat verband is het ook geen reëel verwijt dat tegenwerking is ondervonden bij het re-integreren. Het advies van de psycholoog was overigens om niet bij gedaagde zelf maar bij een derde bedrijf te re-integreren. Ondanks het door gedaagde inroepen van de hulp van een gespecialiseerd bedrijf (FourstarTotal Solution) is dat niet succesvol geworden

Op zich kan aldus wel worden aangenomen dat eiser in zijn werk is vastgelopen en dat een en ander aan hem is gaan 'vreten' hetgeen tot arbeidsongeschiktheid heeft geleid. Dit lijkt echter hoofdzakelijk te zijn veroorzaakt door de wijze waarop eiser zich daarin heeft opgesteld.

Voor de volledigheid relateert de kantonrechter dat het hartinfarct waardoor eiser in 2007 is getroffen, door hem niet in direct verband gebracht wordt met de problemen die hij op het werk ervoer.

3.8. Wat betreft de naweeën van het verblijf in Engeland hebben partijen ten aanzien van de salariëring een gerechtelijk traject doorlopen in welk verband de vordering van eiser is afgewezen. Bij terugkeer van eiser uit Engeland is het probleem gerezen van de huisvesting en de plaats van tewerkstelling. Niet anders volgt uit de stellingen van partijen dat gedaagde adequaat is opgetreden en daarbij aan de wensen van eiser heeft geprobeerd tegemoet te komen. Op de klachten van eiser in dat verband is een bevredigend antwoord gevolgd. Ten aanzien van de beweerde tegenwerking van zijn direct leidinggevende is onvoldoende uit de verf gekomen waaruit die zou hebben bestaan. Er is door gedaagde vervolgens correct gehandeld in het arbeidsongeschiktheidsverloop. Uit het relaas ter zake van partijen kan niet worden herleid dat het aan gedaagde heeft gelegen dat de arbeidsongeschiktheid is blijven voortbestaan of niet heeft geleid tot hervatting van het werk. Inzoverre kan gedaagde aldus gevolgd worden in haar stellingname dat gedaagde verzuim concreet te worden en ongefundeerde stellingen poneert.

De periode na terugkeer was voor eiser moeilijk. Hij heeft echter ten onrechte gesteld dat hij zelf naar woonruimte heeft moeten zoeken want ter comparitie heeft hij erkend dat de heer [J] op zijn verzoek naar een woning in Rosmalen is gaan kijken en deze voor hem heeft vastgelegd. Het verwijt dat overbleef was dat de documenten door eiser nog zelf verzorgd moesten worden. Het is echter moeilijk in te zien waarom het een belasting zou zijn om de huurovereenkomst en andere zaken die horen bij de bewoning van een huis door de werkgever gedaan zouden moeten worden, tenzij dat zou zijn gevraagd door eiser. Dat is echter niet gedaan. Wat betreft de woning is in ieder geval wel gebleken dat [J] op alle verzoeken van eiser is ingegaan.

Vervolgens heeft eiser een periode van bijna een jaar gehad om weer aan het werk te gaan in Eindhoven. Hij verwijt gedaagde de gang van zaken hierin bestaande dat nog openbleef dat hij wellicht in Dordrecht zou kunnen gaan werken. Een verwijt blijft echter niet over waar hij uiteindelijk aan het werk is gegaan op de plek en in de functie zoals hij die wilde. Door een reorganisatie is nadien de functie van voorman vervallen voor eiser, maar gedaagde heeft hem in de gelegenheid gesteld om een lager niveau te werken als productiemedewerker waarbij hij zijn functiebenaming en bijbehorend salaris heeft mogen behouden. Eiser noemt het misleiding dat is opgegeven dat voorman zijn functie was terwijl hij productiemedewerker was. Kennelijk betoogt hij daarmee dat er een verkeerde indruk is gewekt en dat werkbelasting hoger was dan die in werkelijkheid was. Dat is echter niet uit de verf gekomen.

Ten aanzien van het verwijt van geestelijke mishandeling op grond van de werkzaamheden die op arbeidstherapeutische basis zijn aangeboden heeft gedaagde aangevoerd dat het werkzaamheden betroffen die de Arbo-arts passend achtte en dat er geen andere passende werkzaamheden voor handen waren. Niet ten onrechte doet gedaagde er verder een beroep op dat ook een werknemer zich in deze omstandigheden flexibel dient op te stellen als het er om gaat om zo snel mogelijk te re-integreren.

3.9. Aldus blijkt niet van het bestaan van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Het aspect van het eventueel niet handelen als goed werkgever gaat niet op. De duur van het dienstverband, korter dan 10 jaar, is niet dusdanig dat een voorziening als gegeven beschouwd moet worden. Eiser is de kans geboden om zich te ontwikkelen en om - in veranderde omstandigheden - werk naar zijn mogelijkheden te doen. Er is onvoldoende aanwijzing dat de arbeidongeschiktheid te wijten is aan het werk of de werkomstandigheden.

De re-integratie-inspanningen zijn voldoende te achten. Het lijkt eerder aan eiser dan aan gedaagde te wijten dat deze niet succesvol verlopen zijn. Wat betreft het mediationtraject kan ook niet gedaagde aangewreven worden dat het niet succesvol is geweest. Wat betreft het conflict dat is gerezen tussen partijen kan niet gezegd worden dat het door gedaagde is gewekt of in stand gehouden. Wat betreft de salariëring kan dat blijken uit rechterlijke uitspraken die daarover gedaan zijn.

Ook wat betreft het inkomensaspect moet worden vastgesteld dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen verschil maakt nu aan eiser geen salaris meer werd betaald en gedaagde een (volledige) arbeidsongeschiktheidsuitkering geniet en naar de eigen stellingen zal blijven genieten tot de pensioengerechtigde leeftijd.

3.10 Aldus resteren in dit geval als bijzondere omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen dat de kans op een nader werkverband inderdaad niet groot te achten is gelet op de leeftijd van eiser en zijn arbeidsongeschiktheid. Wat betreft de afweging die gemaakt moet worden in het kader van de beoordeling of de gevolgen voor de werknemer ernstiger zijn dan voor de werkgever blijft het daarbij en is het onvoldoende om tot toewijzing van de vordering te komen. Voor zover die het karakter heeft van het verschaffen van genoegdoening in overeenstemming met de aard en ernst van de tekortkoming van de wederpartij, moet worden vastgesteld dat in feite en in redelijkheid geen tekortkoming aan de zijde van gedaagde aan te nemen is.

3.11. De kantonrechter wijst de door eiser gevorderde immateriële schadevergoeding af, nu eiser gelet op het verweer van gedaagde op dit punt onvoldoende heeft gesteld om de stelling dat hij immateriële schade heeft geleden of zal lijden aannemelijk te achten. Dat eiser zich gegriefd voelt door het einde van het dienstverband is wellicht voorstelbaar, maar dit is onvoldoende voor de conclusie dat hij hierdoor immateriële schade zou hebben geleden. Ook overigens is geen immateriële schade gebleken.

3.12. Eiser heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen, maar nu dat bewijsaanbod niet ter zake dienend is, zal de kantonrechter het bewijsaanbod passeren.

3.13. De slotsom is dat de vordering zal worden afgewezen.

3.14. Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

verwijst de eisende partij in de kosten van het geding en veroordeelt die partij tot betaling van deze kosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op € 450,- voor salaris van de gemachtigde van gedaagde.

Gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en op de in de aanhef vermelde datum uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.