Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU9063

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
AWB 10-1437
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een bedrag van € 3.750,00 aan eiseres toegekend in verband met door haar geleden planschade in verband met de aanleg van de A50 langs de gemeente Son. De rechtbank oordeelt dat de aanname door verweerder van een voorzienbaarheid van 50% geen stand kan houden. Verweerder is ruimschoots in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat bij het besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 14 december 1988, dan wel bij de Startnotitie ter voorbereiding van de Tracéstudie en het Milieu-effect rapport van 20 maart 1989, als bijlage een kaart was gevoegd die genoemde structuurvariant C aanduidde. Verweerder is er niet in geslaagd deze kaart te overleggen. Uit de tekst van het besluit valt niet af te leiden waar de gewraakte structuurvariant C is gelegen ten opzichte van de woning van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde een redelijk denkend en handelend koper ten tijde van de aankoop van het betreffende perceel te Son dan ook niet op basis van het besluit van 14 december 1988 rekening te houden met de aanmerkelijke kans dat de planologische situatie op het onderhavige perceel in ongunstige zin zou veranderen als gevolg van de aanleg van de A50 in de huidige vorm.

Verweerder heeft voorts bij de planschadeberekening ten onrechte rekening gehouden met het voordeel dat, daar waar de ontsluiting van de woonwijk De Gentiaan naar de snelweg voorheen via de provinciale weg door het centrum van Son plaatsvond, het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son” een kortere verbinding naar de rijksweg mogelijk maakt via de aansluiting op de A50 op de gemeentegrens Son en Breugel en Sint-Oedenrode. Hierdoor ontstond volgens verweerder – op enige afstand ten noorden van de woonwijk – een kortere snelwegaansluiting. Ter zitting heeft de rechtbank aan de hand van de plankaart horende bij het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son” vastgesteld dat dit bestemmingsplan niet voorziet in een kortere snelwegaansluiting. De kortere snelwegaansluiting is pas mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son, herziening 1999”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/1437

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2011

inzake

[eiseres],

te [plaats],

eiseres,

gemachtigde drs. H.P.M. van Aken,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel,

verweerder,

gemachtigden mr. B.J.P.G. Roozendaal en mr. A.C. Groeneveld.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 17 november 2009 heeft verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van planschade toegewezen en haar een planschadevergoeding van € 3.750,00 toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag tot aan de datum van uitbetaling.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 26 maart 2010 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 30 maart 2011, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld nadere stukken, inhoudende de bij het besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 14 december 1988 behorende bijlagen, inhoudende kaarten, alsmede de Startnotitie ter voorbereiding van de Tracéstudie en het Milieu-effect rapport van 20 maart 1989, en op welke wijze die stukken binnen de gemeente zijn gepubliceerd, te overleggen.

Bij brief van 27 april 2011 heeft verweerder de gevraagde stukken overgelegd. Namens eiseres is hierop bij brief van 10 mei 2011 gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb voor het achterwege laten van de nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 19 augustus 2011 gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek bij brief van 26 augustus 2011, onder toepassing van artikel 8:68 van de Awb, heropend. De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:12 van de Awb uit haar midden een rechter-commissaris benoemd om nader onderzoek te verrichten. In het kader van dit onderzoek is een inlichtingencomparitie gelast.

De inlichtingencomparitie heeft plaatsgevonden op 15 november 2011, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. B.J.P.G. Roozendaal.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of verweerders besluit van 26 maart 2010, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de (hoogte van) de aan haar toegekende planschadevergoeding ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

2. Bij de beoordeling van het onderhavige geding gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

3. Eiseres is sinds 15 mei 1990 eigenaar van het perceel [perceel] te [plaats], kadastraal bekend [kadastergegevens], gedeeltelijk, ter grootte van 5 a, 10 ca. Het perceel is gelegen in de woonwijk “De Gentiaan”. Voor het gebied ten westen van de Alpenlaan gold het bestemmingsplan “Buitengebied”, zoals vastgesteld op 22 september 1977, gedeeltelijk goedgekeurd op 3 januari 1979, en bij Koninklijk Besluit van 6 december 1982 onherroepelijk geworden. Ten aanzien van de onderdelen waar goedkeuring aan is onthouden is het bestemmingsplan herzien door middel van het bestemmingsplan “Buitengebied, 1e herziening”, vastgesteld op 21 mei 1987 en goedgekeurd op 25 september 1987. Daar waar het hier meest relevante gedeelte van de A50 en een gedeelte van de nieuwe Gentiaanweg zijn aangelegd golden hoofdzakelijk de bestemmingen “Open Agrarisch gebied” en “Agrarische bebouwing A”.

4. Bij brief van 10 maart 2009 heeft eiseres verzocht om vergoeding van planschade in de vorm van waardevermindering van haar woning ten gevolge van de gewijzigde planologische regimes ten behoeve van de aanleg van de nieuwe autosnelweg A50 en de verlengde Gentiaanlaan. Het gaat hierbij om het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son”, zoals vastgesteld op 29 juni 1995 en op 28 april 2000 in werking getreden en het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son, herziening 1999”, zoals vastgesteld op 25 november 1999 en in werking getreden op 20 februari 2002. De kortste afstand tussen de woning van eiseres en de gronden met de nieuwe verkeersbestemming voor de A50 bedraagt ongeveer 130 meter.

5. Met betrekking tot meerdere ingediende planschadeverzoeken in verband met de aanleg van de A50 heeft verweerder zich laten adviseren door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). De advisering van SAOZ kwam erop neer dat aan betrokkenen die hun woning voor 1 mei 1989 (toen de startnotitie “A50 Oss-Eindhoven” ter inzage werd gelegd) hebben gekocht voorzienbaarheid niet kan worden tegengeworpen. Degenen die, zoals eiseres en wijlen haar echtgenoot, na die datum hun woning hebben gekocht, hebben volgens SAOZ bewust het risico genomen van een voor hun woonomgeving nadeligere situatie. In het rapport van juli 2009 heeft SAOZ verweerder geadviseerd het verzoek van eiseres af te wijzen. Verweerder heeft vervolgens prof. mr. B.P.M. van Ravels advies gevraagd ter zake van de voorzienbaarheid. Van Ravels was van mening dat in verschillende perioden kan worden gesproken van gedeeltelijke voorzienbaarheid en heeft verweerder geadviseerd hiernaar nader onderzoek te doen.

Vervolgens heeft een commissie onder leiding van mr. ing. A.C.M.M. van Heesbeen een systematiek ontwikkeld voor de verzoeken om planschade in verband met de aanleg van de A50, waarbij in verband met de voorzienbaarheid van de verkeerskundige ontwikkelingen een kortingspercentage op de door SAOZ begrote schade wordt toegepast. In tegenstelling tot SAOZ, komt Van Heesbeen tot de conclusie dat deze planologische verslechtering niet volledig voorzienbaar was na 1 mei 1989. Volgens de commissie Van Heesbeen is volledige voorzienbaarheid met betrekking tot de A50 pas vanaf 16 juni 1993 aanwezig. In de periode 14 december 1988 tot 20 december 1991 was bij aankopen van woningen aan de [laan] in de systematiek van de commissie Van Heesbeen sprake van een voorzienbaarheidspercentage van 50%.

6. Op verzoek van verweerder heeft SAOZ haar rapport aangevuld met een bepaling van de schade voor en na de planologische wijziging. Volgens SAOZ is de onroerende zaak [perceel] per peildatum 28 april 2000 € 7.500 in waarde gedaald (van € 335.000,00 naar € 327.500,00). Op laatstgenoemd bedrag is door verweerder overeenkomstig het advies van Van Heesbeen vanwege gedeeltelijke voorzienbaarheid een korting toegepast van 50%.

7. Volgens eiseres zou het jaar van de waarderingsvergelijking, vanwege het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “A50/ Omlegging Son, herziening 1999” het jaar 2002 kunnen zijn of later om het argument (het “voordeel”) van de kortere verbinding tot het snelwegennet echt te kunnen waarderen. Eiseres stelt dat ten tijde van de aankoop van het perceel in het geheel niet voorzienbaar was dat de A50 ten westen van Son zou worden aangelegd. Volgens het tracébesluit van 1970 zou de snelweg ten oosten van Son komen. De door verweerder ingeschakelde deskundigen hebben dit niet onderkend. Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2010, onder zaaknummer 08/3724, waarin de rechtbank het door verweerder onderschreven standpunt van Van Heesbeen, dat sprake zou zijn van gedeeltelijke voorzienbaarheid, heeft verworpen. Op grond van het Raadsbesluit 1981 konden de bewoners van de Juralaan weliswaar op de hoogte zijn van het feit dat ten westen van de wijk “De Gentiaan” een provinciale weg op een afstand van 200 meter van de wijk was voorzien, maar dat wil nog niet zeggen dat voor de bewoners daarmee aanleiding bestond om rekening te houden met een verslechtering van de planologische situatie op hun perceel. De afstand was hiervoor te groot en er bestond geen aanwijzing dat het tracé zou komen te liggen op of in de buurt van het tracé van de A50 in de huidige vorm.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

10. Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing indien de aanvraag is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijk Ordening (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

11. Ingevolge artikel II, tweede lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder a, b, c of f, voor zover de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan onderscheidenlijk het desbetreffende besluit voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onherroepelijk is geworden, binnen vijf jaar na dat tijdstip worden ingediend.

12. De rechtbank stelt vast dat op de onderhavige aanvraag artikel 49 van de WRO van toepassing is, nu de aanvraag van 10 maart 2009 weliswaar is ingediend ná 1 juli 2008 maar de aanvraag betrekking heeft op planologische maatregelen die vóór 1 september 2005 onherroepelijk zijn geworden.

13. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

14. Niet in geschil is dat eiseres door de bestemmingsplanwijziging in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren en als gevolg daarvan schade lijdt.

15. Ten aanzien van de vraag of sprake is van voorzienbaarheid van de schade op grond waarvan deze redelijkerwijs voor rekening van eiseres dient te blijven, overweegt de rechtbank het volgende. Om, al dan niet gedeeltelijke, voorzienbaarheid aan te nemen, is voldoende dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar ten tijde van de aankoop van zijn eigendom, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie zou gaan veranderen in een voor hem negatieve zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

16. De rechtbank stelt vast dat ingevolge het besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 14 december 1988 de keuze is bepaald op de, overeenkomstig het advies van de Raad van de Waterstaat de in de Studie Hoofdwegenstructuur Noord-Oost-Brabant omschreven, structuurvariant C, inhoudende de wegverbinding Oss (Rijksweg 59) – Veghel – Son – Eindhoven (Rijksweg 50). Verweerder is ruimschoots in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat bij voornoemd besluit van 14 december 1988, dan wel bij de Startnotitie ter voorbereiding van de Tracéstudie en het Milieu-effect rapport van 20 maart 1989, als bijlage een kaart was gevoegd die genoemde structuurvariant C aanduidde. Verweerder is er niet in geslaagd deze kaart te overleggen. Uit de tekst van het besluit valt niet af te leiden waar de gewraakte structuurvariant C is gelegen ten opzichte van de woning van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde een redelijk denkend en handelend koper ten tijde van de aankoop van het perceel [perceel] te [plaats] op 15 mei 1990 dan ook niet op basis van het besluit van 14 december 1988 rekening te houden met de aanmerkelijke kans dat de planologische situatie op het onderhavige perceel in ongunstige zin zou veranderen als gevolg van de aanleg van de A50 in de huidige vorm. Derhalve kan de aanname van verweerder dat sprake is van een voorzienbaarheid van 50% geen stand houden.

17. De stelling van verweerder dat er burgers waren die naar aanleiding van de publicatie van het besluit van 14 december 1988 hebben geprotesteerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu daaruit niet kan worden afgeleid of er voor eiseres als redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie van het onderhavige perceel in ongunstige zin zou veranderen. Dit kan slechts op grond van objectieve gegevens worden vastgesteld. Zoals hiervoor is geoordeeld, ontbreken die gegevens in dit geval.

18. Nu op grond van het voorgaande geen voorzienbaarheid kan worden aangenomen, is er evenmin aanleiding eiseres (alsnog) in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen ter onderbouwing van haar stelling dat geen sprake was van voorzienbaarheid. Dit verzoek heeft de rechtbank dan ook afgewezen.

19. De grief van eiseres dat de hoogte van de planschade onjuist is berekend, aangezien de huidige WOZ-waarde van de woning € 492.000 bedraagt en derhalve lager is dan de waarde van € 510.875, die volgens de prijsindex zou moeten gelden, treft geen doel omdat het bij een planschadevergoeding gaat om een vergelijking van de waarde van de woning voor en na inwerkingtreding van de planologische maatregel. De prijsontwikkeling nadien speelt bij deze planvergelijking geen rol.

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht als peildatum voor de planschadeberekening 28 april 2000 genomen, het moment van inwerkingtreding van de eerste planologische maatregel, het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son”. De grief van eiseres dat het moment van inwerkingtreding van de tweede planologische maatregel, het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son, herziening 1999”, moet worden genomen treft geen doel, aangezien niet is gebleken van planologisch nadeel voor eiseres ten gevolge van de tweede planologische maatregel ten opzichte van de eerste planologische maatregel. De tweede planologische maatregel kende eerder een voordeel, aangezien daarbij een snellere aansluiting op de A50 tot stand kwam.

21. Wel slaagt de grief van eiseres dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een planologisch voordeel bij de planschadeberekening.

SAOZ heeft bij de planschadeberekening onder andere rekening gehouden met het voordeel dat, daar waar de ontsluiting van de woonwijk De Gentiaan naar de snelweg voorheen via de provinciale weg door het centrum van Son plaatsvond, het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son” een kortere verbinding naar de rijksweg mogelijk maakt via de aansluiting op de A50 op de gemeentegrens Son en Breugel en Sint-Oedenrode. Hierdoor kreeg men – op enige afstand ten noorden van de woonwijk – een snelwegaansluiting. SAOZ heeft verder aangegeven dat door het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son, herziening 1999” de aansluiting met het rijkswegennet nog korter is geworden doordat de A50 voortaan via de verlengde Gentiaanlaan kan worden bereikt.

Ter zitting heeft de rechtbank aan de hand van de plankaart horende bij het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son” vastgesteld dat dit bestemmingsplan niet voorziet in een kortere snelwegaansluiting. De kortere snelwegaansluiting is pas mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan “A50/Omlegging Son, herziening 1999”.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen ruimte voor een verrekening van het voordeel uit bestemmingsplan “A50/Omlegging Son, herziening 1999” met het nadeel als gevolg van bestemmingsplan “A50/Omlegging Son”. Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling kan verrekening van voordelen uitsluitend plaatsvinden indien uit dezelfde planologische wijzigingen ook nadelen voortvloeien, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 1999, www.rechtspraak.nl, LJN: AH6709.

22. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat hetgeen in het advies van SAOZ wordt aangevoerd onvoldoende grondslag vormt voor het daarin neergelegde standpunt dat op de peildatum 28 april 2000 tevens sprake was van een voordeel, inhoudende een snelwegaansluiting. Verweerder heeft het bestreden besluit op dit punt ten onrechte gebaseerd op het advies van SAOZ.

23. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens het ontbreken van voldoende feitelijke grondslag voor de aanname van gedeeltelijke voorzienbaarheid en voor de aanname van een voordeel, inhoudende een snelwegaansluiting.

24. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, aangezien uit het rapport van SAOZ niet blijkt welke waarde is toegekend aan het vermeende voordeel, inhoudende een snelwegaansluiting. Om die reden zal de rechtbank de zaak terugverwijzen naar verweerder en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

25. De rechtbank acht geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten, nu niet is gebleken dat eiseres gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

26. De rechtbank zal bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 150,00 dient te vergoeden.

27. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 150,00.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als voorzitter en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. J.H.G. van den Broek als leden in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. Anssems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: