Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU9057

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
01/839808-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:6036, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van poging tot moord, poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Opgelegd een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek voorarrest. Daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 64.584,70.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummers: 01/839808-10 en 01/820272-11 (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummers vorderingen: 01/825259-08 en 01/825436-09

Datum uitspraak: 23 december 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. Zuid Oost, HvB Roermond.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 april 2011, 22 april 2011, 21 juni 2011, 13 september 2011 en 9 december 2011.

Op de zitting van 9 december 2011 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak met parketnummer 01/839808-10 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 maart 2011 en ter terechtzitting van 9 december 2011, ingevolge artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, aangepast.

De zaak met parketnummer 01/820272-11 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 april 2011.

Aan verdachte is onder parketnummer 01/839808-10 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 december 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging

met een ander of anderen ter uitvoering van het door verdachte en/of diens

medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een kogel heeft

afgevuurd/geschoten op/in het lichaam van die [slachtoffer1], terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 289/287/45 Sr);

2.

hij op of omstreeks 19 december 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging

met een ander of anderen ter uitvoering van het door verdachte en/of diens

medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen,

althans eenmaal met een vuurwapen een kogel heeft geschoten op/in het lichaam

van die [slachtoffer2] en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer2], terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(artikel 289/287/302/45 Sr);

3.

hij op of omstreeks 30 december 2010 te Eindhoven, althans (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een vuurwapen van categorie II (pistoolmitrailleur, model mini uzi, kaliber 9

mm) en/of bijbehorende munitie van categorie III (32 patronen, kaliber 9 mm)

voorhanden heeft gehad;

Artikel 26 Wet wapens en munitie

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/820272-11 tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 augustus 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, en/of op de openbare weg (Stieltjespad)

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (

ongeveer 4.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, die [slachtoffer3]

en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5] heeft geschopt en (met een vuurwapen) tegen

het gezicht heeft geslagen, en/of die [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5]

met een vuurwapen, althans daarop gelijkend voorwerp, tegen het hoofd heeft

gehouden en/of (met kracht) in de mond geduwd en/of met de voet op het hoofd

van die [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4] en/of [slachtoffer5] is gaan staan;

[artikel 312 Wetboek van Strafrecht]

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

Noch in de zaak met parketnummer 01/825436-09 noch in de zaak met parketnummer 01/825259-08 heeft de rechtbank in het dossier een vordering van de officier van justitie aangetroffen, zodat alleen al om deze reden de officier van justitie niet ontvankelijk zal worden verklaard.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing.

Zowel de raadsman als de officier van justitie zijn van oordeel dat het feit onder parketnummer 01/820272-11 niet bewezen is en dat er vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte onder parketnummer 01/820272-11 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie is van oordeel, op gronden die in het door haar overgelegde schriftelijke requisitoir, dat verdachte dient te worden veroordeeld voor het onder 1 primair (poging tot moord) en onder 2 primair (poging tot doodslag).

Door de raadsman is gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair, omdat er onvoldoende bewijs is.

Het oordeel van de rechtbank:

Verdachte heeft met een geladen vuurwapen (revolver, fors kaliber) van dichtbij gericht geschoten op het bovenlichaam van [slachtoffer1] en (even later) in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer2]. Indien iemand in het bovenlichaam wordt geraakt kan de kogel(punt) het lichaam binnendringen op een plaats waar zich o.a. hart, interne organen (maag-darmkanaal), de aorta, andere belangrijke (slag)aders bevinden. Indien een dergelijk lichaamsonderdeel wordt geperforeerd/geraakt ontstaat al zeer snel een acuut levensbedreigende situatie of treedt de dood meteen in. Naar uiterlijke verschijningsvorm is dit handelen van verdachte gericht geweest op het doden van een medemens en als zodanig heeft verdachte opzettelijk gehandeld.

De vraag is vervolgens of dat handelen dient te worden gekwalificeerd als poging

moord of poging doodslag, met andere woorden of al dan niet bewezen kan worden

dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Volgens de Hoge Raad is voor het aannemen dat er is gehandeld met voorbedachten rade voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had om zich te beraden op het te

nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan - ook al is dit zeer

kort - dat hij zich over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad

heeft nagedacht en dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven .

Voor de beantwoording van die vraag dienen het gedrag en handelen van verdachte

[verdachte] op 19 december 2010 in totale omvang te worden beschouwd.

Daarbij worden tevens de bewijsmiddelen aangegeven en zal meer in detail worden ingegaan op de andere relevante bewijsmiddelen in deze zaak.

Het vuurwapen

Anders dan verdachte heeft verklaard, gaat de rechtbank op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen ervan uit dat [verdachte] op het moment dat hij besluit de confrontatie aan te gaan met [slachtoffer1] het later gebruikte vuurwapen reeds bij zich had.

In de eerste plaats hebben nagenoeg alle getuigen die hebben verklaard dat zij het wapen hebben gezien, tevens en gelijkluidend verklaard dat zij zagen dat verdachte het vuurwapen uit zijn broeksband pakte1. Degenen die dat niet hebben verklaard, geven aan dat zij het vuurwapen pas zagen op het moment dat [verdachte] het al in zijn hand had2.

De rechtbank kent geen bewijswaarde toe aan de verklaring van [slachtoffer2] voor zover deze getuige op 31 mei jl. bij de rechter-commissaris verklaart dat [verdachte] voor het schieten langs [getuige 9/medeverdachte] liep en dat getuige toen een lichaamsbeweging zag 'alsof er stiekem iets werd overgedragen'3. De rechtbank hecht hieraan echter geen enkele waarde, omdat:

- [getuige 9/medeverdachte] tevens verklaart daarbij geen voorwerp te hebben gezien;

- [slachtoffer2] bovendien pas in zijn derde verklaring 'out of the blue' met dit verhaal

komt;

- dat verhaal bovendien strijdig is met diens eerdere verklaringen;

- en tot slot dit verhaal niet aansluit bij de lezing van [verdachte] zelf over

de wijze waarop een derde hem, [verdachte], dat vuurwapen zou hebben

aangereikt.

Dat verdachte heeft beschikt over een vuurwapen leidt de rechtbank verder af uit de navolgende bewijsmiddelen. Alle getuigen van de schietpartij die het door de schutter gebruikte wapen hebben gezien, verklaren verder vrijwel eensluidend dat het een (zilverkleurige) revolver betrof4. Uit het forensisch technische onderzoek blijkt ook dat de bij het schietincident gebruikte munitie vermoedelijk is verschoten met een revolver in

kaliber .38 Special of .357 Magnum5.

[getuige 9/medeverdachte] heeft in zijn eerste verklaring bij de politie aangegeven dat hij wist dat

[verdachte] die avond, toen ze bij het station stonden, 'een revolver in zijn

broek had'6. Een dag later verklaart hij dat iedereen weet dat [verdachte]

een pistool heeft en dat hij wist dat [verdachte] er op dat moment eentje bij zich had, omdat hij er altijd eentje bij zich heeft. Hij omschrijft vervolgens het door [verdachte] gebruikte wapen tot in detail - overeenkomstig de hiervoor genoemde forensische

bevindingen- en weet zelfs aan te geven dat het handvat verwisselbaar is én dat

[verdachte] van een dergelijk handvat drie verschillende heeft7. Dit laatste impliceert dat [getuige 9/medeverdachte] het wapen inderdaad al eerder bij verdachte heeft gezien.

[getuige 10/medeverdachte] bevestigt bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris desgevraagd de

verklaring van [getuige 9/medeverdachte], inhoudende dat [verdachte] altijd een wapen bij

zich heeft. Hij zegt verder te weten dat [verdachte] een .357 revolver (het proces-verbaal noemt een onjuist kaliber 3.57, rechtbank), chroom van kleur heeft. Op grond van de omschrijving in het dossier weet hij dat hetbij de schietpartij gebruikte wapen, het wapen van [verdachte] is. Hij heeft het wapen die dag niet gezien, maar eerder wel, hij is veel met [verdachte] op pad en heeft dat wapen op die momenten gezien 8.

Getuige [getuige1] heeft tot slot verklaard dat hij [verdachte] een week voor het

incident over een pistool 357 heeft horen praten9.

Dat [verdachte] ook de connecties heeft om aan een vuurwapen en munitie

te komen, blijkt wel uit het gegeven dat hij ten tijde van zijn aanhouding een

(geladen) mini-uzi bij zich had (feit 3) en bovendien eerder is veroordeeld in verband met

verboden (vuur)wapenbezit.

De conclusie van de rechtbank is dat [verdachte] met een geladen

vuurwapen binnen handbereik de confrontatie met [slachtoffer1] is aangegaan.

Het dossier bevat verder een aantal aanwijzingen dat verdachte niet alleen bewust en doelgericht die (tweede) confrontatie met [slachtoffer1] is aangegaan, maar daarvoor zelfs actief naar [slachtoffer1] en zijn vrienden op zoek is gegaan.

Het bellen naar [getuige2]

Door [slachtoffer2] en [getuige1] is eensluidend verklaard dat kort voor de schietpartij, toen

ze nog in de buurt van de Mac Donalds op de Markt in Eindhoven stonden, [getuige2] heeft of werd gebeld.

[slachtoffer2] heeft verklaard: "Ik zag dat op een gegeven moment [getuige2] gebeld werd. Ik hoorde dat [getuige2] in het gesprek alleen maar hummende geluiden maakte. Op dat moment stonden wij nog bij de Mac Donalds. Op een gegeven moment zeg ik tegen de rest: "kom we gaan". Op dat moment zag ik dat [getuige2] en [persoon1] niet meer in de groep stonden."10

[getuige1] heeft verklaard: 'Wij hebben bij de Mac Donalds even tegen de gevel gestaan. Ik weet dat [getuige2] daar of een telefoontje heeft ontvangen of zelf heeft gebeld. Ik hoorde haar zeggen: "bij de Mac Donalds" en vervolgens alleen "mompelen, hmm, hmmm, hmmm. Daarna zijn [getuige2] en [persoon1] weggelopen. (..) wij zijn de Hermanus Boexstraat ingelopen."

De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen . De verklaringen vinden verder belangrijke steun in de resultaten van het onderzoek naar de gevorderde verkeersgegevens van de zendmasten in de omgeving van het

Stationsplein en de Hermanus Boexstraat in Eindhoven. Uit die analyse komt naar voren dat er op 19 december 2010 om 05.23.14 uur gedurende

27 seconden contact is geweest tussen twee telefoonnummers, welke nummers

volgens de politiesystemen zijn te relateren aan [getuige2] (gebelde partij) en ver-dachte [getuige 10/medeverdachte] (bellende partij), die op dat moment bij (de groep van) verdachte was 11.

[getuige2] heeft bevestigd dat het gebelde nummer [telefoonnummer] van haar is12. Ze verklaart

wel: "het kan best zo zijn dat iemand uit het groepje van [alias] (bijnaam verdachte, rechtbank) mij heeft gebeld en aan

mij heeft gevraagd waar ik was en dat ik daar antwoord op gegeven heb13.

De rechtbank gaat er op grond van deze bewijsmiddelen van uit dat door iemand uit de groep verdachte aan [getuige2] is gevraagd waar zij zich met de groep van [slachtoffer1] bevond14. Deze conclusie wordt tevens bevestigd door het gegeven dat verdachten kort na het bewuste telefoontje rechtstreeks vanaf het station naar de Hermanus Boexstraat en daarmee in de richting van de McDonalds zijn gelopen, de plaats waar zich toen [slachtoffer1] zich bevond, samen met o.a. [slachtoffer2].

Het schieten op [slachtoffer1]

Vast staat dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer1] is aangegaan terwijl hij een geladen revolver onder handbereik had.

Het wel of niet bestaan van de voorbedachte raad mag worden vastgesteld aan

de hand van uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen en uitlatingen van verdachte.

Toegespitst op verdachte bestaat het volgende beeld. Verdachte heeft de (geladen) revolver uit zijn broeksband gepakt, met gestrekte arm daarmee gericht op [slachtoffer1] en vervolgens de trekker overgehaald15. Uit niets blijkt dat zich kort tevoren iets heeft voorgedaan dat verdachte enige aanleiding heeft kunnen geven om zijn vuurwapen te gebruiken.

Van een gevecht of geschil tussen [slachtoffer1] en verdachte is, ook volgens verdachte zelf geen sprake geweest. Hoewel veel personen hebben verklaard over de

agressieve houding van verdachte op het moment van de confrontatie op

de Hermanus Boexstraat, blijkt uit geen enkele verklaring dat

[slachtoffer1] zich op enig moment agressief of provocatief uitliet tegen verdachte voordat deze op hem schoot.

Uit de diverse verklaringen van zowel medeverdachten als getuigen, volgt

dat [slachtoffer1], vlak voordat hij werd neergeschoten,

- vanuit stilstand, met zijn gezicht naar verdachte toe, van deze

wegdraaide16; ofwel

- zich net had omgedraaid om van verdachte weg te lopen.

De verklaring van verdachte komt neer op het volgende. Hij liep zelf weg van

[slachtoffer1] , nadat hij onverwacht een vuurwapen in zijn handen geschoven had gekregen. Hij kreeg het gevoel dat hij door iemand werd aangevallen, en werd bang. Hij heeft zich toen omgedraaid en heeft in de draai geschoten op die persoon, die later [slachtoffer1] bleek

te zijn.

Deze lezing is ongeloofwaardig. Om te beginnen vindt deze verklaring geen steun in de andere genoemde bewijsmiddelen. Maar belangrijker nog is de omstandigheid dat deze verklaring niet te rijmen valt met het feit dat de door hem afgevuurde kogel in het linkerschouderblad, dus aan de achterzijde van het lichaam, van [slachtoffer1] is binnengedrongen

In dit verband acht de rechtbank het ook relevant dat na het vertrek van verdachte en zijn drie vrienden vanaf het centraal station, de beide auto's van verdachten daar

bleven staan met draaiende motor en dat [getuige3] in haar politieverklaring aan heeft gegeven dat zij van verdachte de opdracht kreeg om daar te wachten17. Daarmee heeft verdachte zichzelf voorzien van een reële vluchtmogelijkheid, die hij later ook heeft

benut. Hierbij is verder opvallend dat verdachte bij zijn vlucht ervoor kiest

om in de VW Golf te stappen, waarvoor hij eerst [getuige4] uit die auto moet trekken18.

De rechtbank kent ook bewijswaarde toe aan het gedeelte van de verklaring van [getuige3], waar zij spreekt over de gemoedstoestand van verdachte die avond. Volgens haar is tijdens de autorit naar het centraal station (dus voordat verdachte met drie anderen richting de McDonalds loopt) in de auto nog gesproken over de groep [slachtoffer1], in de trant van "die flikkers" en "kleine jongetjes". Zij zag dat verdachte toen erg boos was en dacht

toen al wel dat ze zouden gaan vechten19.

Uit de deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte al eerder had besloten om [slachtoffer1] neer te schieten.

Het schieten op [slachtoffer2]

Ten aanzien van de schoten op [slachtoffer2] acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte daarbij handelde met voorbedachten raad. Doordat verdachte [slachtoffer1] neerschoot is door [slachtoffer2] handelend opgetreden ter verdediging van zichzelf en de inmiddels op de grond liggende [slachtoffer1]. Voorshands kan niet worden gezegd dat het gebruik van een mes daarbij disproportioneel kan worden genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 (impliciet) primair tenlastegelegde poging moord op [slachtoffer1] en de onder 2 (impliciet) subsidiar tenlastegelegde poging doodslag op [slachtoffer2] wettig en overtuigend bewezen is.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring ter zake van medeplegen is vereist dat blijkt van een

nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten met het oog op de

totstandkoming van het delict, waarop het opzet van de medeplegers ook moet zijn

gericht. Het vereist een intensief samenwerken waarbij de rol van de medeplegers

min of meer gelijkwaardig is. Als de van medeplegen verdachte, niet daadwerkelijk betrokken is geweest bij de uitvoering van het delict kan de samenwerking blijken uit voorafgaande afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het feit en - onder omstandigheden- het feit dat daarvan geen afstand genomen is.

Er is geen bewijs dat [getuige 9/medeverdachte] en/of [getuige 10/medeverdachte] (voorwaardelijk) opzet hebben

gehad op de dood van [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], doordat bijvoorbeeld sprake was van

een gezamenlijk plan om een vuurwapen tegen hen te gebruiken. Dat het dossier

aanwijzingen bevat dat [getuige 9/medeverdachte] en mogelijk ook [getuige 10/medeverdachte] wist dat [verdachte] een vuurwapen bij zich had, is daartoe onvoldoende.

De rechtbank is daarom van oordeel dat er ten aanzien van verdachte onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de vereiste nauwe en bewuste samenwerking zodat verdachte van medeplegen dient te worden vrijgesproken.

Noodweer.

Door de raadsman is als verweer gevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is die bewapend met een geladen revolver de confrontatie heeft gezocht en als eerste is begonnen met (vuurwapen)geweld waartegen de slachtoffers zich in redelijkheid mochten verweren. Van noodweer aan de kant van verdachte kan geen sprake zijn onder de gegeven omstandig-heden. Het beroep op noodweer van verdachte kan daarom niet slagen.

Het onder 3 tenlastegelegde feit:

Het oordeel van de rechtbank.

Nu verdachte wat betreft het hem onder 3 tenlastegelegde feit met parketnummer 01/839808-10 heeft bekend, is, gelet op het bepaalde in artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht, op grond van:

-de verklaring van verdachte afgelegd tegenover de rechter-commissaris op 31 december 201020

-het relaas van verbalisant [verbalisant1]

-de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 december 201122,

wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit tenlastegelegde feit heeft begaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat

1.

hij op 19 december 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, eenmaal met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 19 december 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer2] van het leven te beroven, met dat opzet, meermalen,

met een vuurwapen een kogel heeft geschoten op het lichaam van die [slachtoffer2], terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij omstreeks 30 december 2010 te Eindhoven, een vuurwapen van categorie II (pistoolmitrailleur, model mini uzi, kaliber 9 mm) en bijbehorende munitie van categorie III (32 patronen, kaliber 9 mm) voorhanden heeft gehad;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 820272-11.

Ten aanzien van parketnummer 01/839808-10:

Zij acht 1. poging tot moord, 2. poging tot doodslag en

3. voorhanden hebben van vuurwapen en munitie wettig en overtuigend bewezen.

Voor deze feiten vordert zij een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

Tevens vordert zij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het gehele bedrag. Dit alles hoofdelijk met [getuige 10/medeverdachte], waarbij de vervangende hechtenis in verhouding dient te worden opgelegd.

Daarnaast acht zij de twee vorderingen na voorwaardelijke veroordeling toewijsbaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft gevraagd bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- verdachte heeft met name slachtoffer [slachtoffer1] een (vrijwel) onherstelbaar leed aangedaan, deze jonge man zal hoogstwaarschijnlijk als gevolg van dit delict de rest van zijn leven verlamd en incontinent blijven;

- verdachte heeft door zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor beide slachtoffers en verdere omstanders in het leven geroepen en heeft zich om het lot van de slachtoffers volstrekt niet bekommerd;

- het zeer gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, feiten die bij velen diepe gevoelens van onveiligheid oproepen en de rechtsorde hebben geschokt;

- uit het Uittreksel Justitiële Documentatie over verdachte blijkt dat hij ter zake van geweldsdelicten reeds eerder is veroordeeld;

- verdachte heeft de onderhavige strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van twee eerdere veroordelingen;

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten -als voorschot-immateriële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 60.000,--

en de gevraagde materiële schadevergoeding.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in (het hierna te noemen onderdeel van) de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, te weten immateriële schade voor zo ver deze het bedrag van EUR € 60.000,- te boven gaat

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit alleen heeft gepleegd, en dat hij daarbij de hulp van [getuige 10/medeverdachte] heeft gekregen. Omdat verdachte en de medeplichtige samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ten opzichte van de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 45, 57, 287, 289.

Wet Wapens en munitie art 26, 55

DE UITSPRAAK

T.a.v. 01/820272-11:

Vrijspraak.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01/820272-11 ten

laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/839808-10 feit 1:

Poging tot moord

T.a.v. 01/839808-10 feit 2:

Poging tot doodslag

T.a.v 01/839808-10 feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en

het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. 01/839808-10 feit 1, feit 2 en feit 3

Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 mobiele telefoon Sony Erissson

(kleur roze), 1 mobiele telefoon Nokia 1600 (kleur grijs), 1 mobiele telefoon

Samsung (kleur wit), 1 mobiele telefoon Nokia (kleur zwart)en een telefoonkaart

Ben kleur blauw, aan [verdachte] (verdachte).

T.a.v. 01/839808-10 feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 64584,70 subsidiair 307 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] van een bedrag van EUR 64.584,70

(zegge: vierenzestigduizend vijfhonderdvierentachtig euro en zeventig eurocent,

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 307 dagen hechtenis. Het

bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 60.000,- immateriële schade en materiële

schade EUR 4.584,70 .

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn medeplichtige is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer1] van een bedrag van EUR

64.584,70 (zegge: vierenzestigduizend vijfhonderdvierentachtig euro en zeventig

eurocent), te weten -als voorschot- EUR 60.000,- immateriële schade en EUR

4.584,70 materiële schade.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn medeplichtige is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover hij of zijn medeplichtige heeft voldaan aan een van de hem opgelegde

verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vordering onder parketnummer 01/825259-08.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vordering onder parketnummer 01/825436-09.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 23 december 2011.

Mr. Van Vliet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring [slachtoffer2] (blz. 398 van het politiedossier), verklaring [getuige 9/medeverdachte] (blz. 280 van het politiedossier) en getuige [getuige5] (blz. 479 van het politiedossier)

2 Verklaring [slachtoffer1] (blz. 366 en 394 van het politiedossier) en verklaring [getuige1] (blz. 457 van het politiedossier)

3 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer2] bij de rechter-commissaris op 31 mei 2011

4 Verklaring van [getuige1] (blz. 457 van het politiedossier), verklaring [slachtoffer1] (blz. 394 van het politiedossier) en verklaring [getuige 9/medeverdachte] (blz. 280 van het politiedossier en proces-verbaal van verhoor [getuige6] bij de rechter-commissaris (blz. 2)

5 NFI rapport d.d. 2 maart 2011 (blz. 6)

6 Verklaring [getuige 9/medeverdachte] (blz. 274 van het politiedossier)

7 Verklaring [getuige 9/medeverdachte] (blz. 280 van het politiedossier)

8 Verklaring [getuige 10/medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 30 mei 2011 (blz.2-3)

9 Verklaring [getuige1] bij de rechter-commissaris d.d. 11 juli 2011 (blz. 2)

10 Verklaring [slachtoffer2] (blz. 397 van het politiedossier en verklaring [getuige1] (blz. 457 van het politiedossier)

11 Proces-verbaal van bevindingen (blz. 572 van het politiedossier)

12 Verklaring van [getuige2] (blz. 304 van het politiedossier)

13 Verklaring [getuige2] (blz 307 van het politiedossier)

14 Verklaring [getuige7] (blz. 470 van het politiedossier)

15 Verklaring [getuige8] (blz. 422 van het politiedossier)

16 Verklaring [slachtoffer2] (blz. 221 en 398 van het politiedossier en verklaring [slachtoffer1] (blz. 366 en 394 van het politiedossier)

17 Verklaring [getuige 10/medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 30 mei 2011 (blz.1) verklaring [getuige3] (blz. 474 van het politiedossier)

18 Proces-verbaal van bevindingen (blz. 525 van het politiedossier) en de verklaring van [getuige4] (blz. 167 van het politiedossier)

19 Verklaring [getuige3] (blz. 473 van het politiedossier)

20 Proces-verbaal verhoor van verdachte ivm de inverzekeringstelling en inbewaringstelling (blz.2)

21 Proces-verbaal van bevindingen (blz. 542 van het politiedossier)

22 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 9 december 2011