Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU8835

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
AWB 11-4097
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft omgevingsvergunning voor het slopen van het gebouw aan de Kloosterstraat 6 (voormalige muziekschool) te Nuenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich geen van de weigeringsgronden voor. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat het pand onvoldoende beschermenswaardig is en verzoekster heeft het tegendeel onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen bepalen dat de vergunning onverwijld in werking treedt. Volgt afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/4097

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2011

inzake

[verzoekster]

verzoekster,

([gemachtigde]

tegen

[verweerder]

verweerder,

[gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2011 heeft verweerder aan de gemeente Nuenen c.a. omgevingsvergunning verleend voor het slopen van gebouwen op het perceel plaatselijk bekend Kloosterstraat 4, 6 en 10 in Nuenen, kadastraal bekend gemeente Nuenen, E 6940 (“de Kloostertuin”).

Tegen dit besluit heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 9 december 2011 heeft verzoekster tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 19 december 2011, waar verzoekster is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [secretaris], secretaris van verzoekster. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De aanvraag om omgevingsvergunning dateert van 21 oktober 2011. De aanvraag heeft betrekking op de panden Kloosterstraat 4 (basisschool Triangel), Kloosterstraat 6 (voormalige muziekschool) en Kloosterstraat 10 (kinderdagverblijf Erica). In het gebied stonden ook tijdelijke noodlokalen van kinderdagverblijf Erica (Kloosterstraat 10a), maar deze maken geen deel uit van de omgevingsvergunning.

2. Het perceel is gelegen in het geldende bestemmingsplan “Nuenen Centrum” en heeft daarin de bestemming “gebied recreatieve en bijzondere doeleinden”.

3. Verweerder heeft bij besluit van 15 december 2011 opnieuw een omgevingsvergunning verleend en bepaald dat het besluit onverwijld in werking treedt. Dit besluit treedt in de plaats van het besluit van 28 november 2011.

Standpunten partijen

4. Verweerder heeft zich in het besluit van 28 november 2011 op het standpunt gesteld dat geen van de weigeringsgronden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het slopen zich voordoen. In het besluit van 15 december 2011 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het gerechtvaardigd is om het besluit onverwijld in werking te laten treden gelet op het risico op vandalisme en brandstichting in de te slopen panden, vooral rondom de jaarwisseling. Bij een eventuele brand kan het in de panden aanwezige asbest zich snel verspreiden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het de intentie is het pand te slopen voor de jaarwisseling, hetgeen met zich meebrengt dat niet valt uit te sluiten dat het pand wordt gesloopt voor afloop van de bezwarentermijn.

5. Ter zitting is gebleken dat het verzoek om voorlopige voorziening slechts betrekking heeft op het pand Kloosterstraat 6. Verzoekster vindt dat alvorens tot sloop kan worden overgegaan eerst een evaluatie van de architectonische en cultuurhistorische waarde van de gebouwen in het licht van een eventuele herontwikkeling van het gebied ‘Kloostertuin’ zal moeten plaatsvinden.

Wettelijk kader

6. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

7. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt voor zover ingevolge een bepaling van een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een bouwwerk te slopen een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

8. Ingevolge artikel 6.2 van de Wabo kan het bevoegd gezag, in gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een beschikking als bedoeld in artikel 6.1 van de Wabo naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, in afwijking van dat artikel bepalen dat zij terstond na haar bekendmaking in werking treedt.

9. Ingevolge artikel 8.1.1 (Sloopvergunning), eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Nuenen c.a. is het verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag.

Ingevolge artikel 8.1.6 van de Bouwverordening moet een omgevingsvergunning voor het slopen worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van de nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend.

Beoordeling

10. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

11. In de omstandigheid dat het ingediende verzoek om voorlopige voorziening eerst ter zitting is ondertekend door een medebestuurslid, zoals is voorgeschreven in de statuten van verzoekster, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het ingediende verzoek niet ontvankelijk te verklaren.

12. Het bezwaarschrift alsmede het ingediende verzoek om voorlopige voorziening worden, ingevolge artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb geacht zich tevens tegen het besluit van 15 december 2011 te richten.

13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat zich geen gronden voordoen om de gevraagde omgevingsvergunning voor het slopen van het pand Kloosterstraat 6 te weigeren. Geen van de in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening van verweerders gemeente genoemde weigeringsgronden doet zich voor. Voorts is geen verzoek ingediend het pand Kloosterstraat 6 aan te wijzen als gemeentelijk monument of rijksmonument. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder voldoende onderbouwd dat het pand Kloosterstraat 6 onvoldoende beschermenswaardig is en heeft verzoekster het tegendeel onvoldoende aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat verzoekster een architectenbureau heeft ingeschakeld om dit te onderzoeken acht de voorzieningenrechter onvoldoende.

14. In de omstandigheid dat de gedachtevorming en de besluitvorming rond de toekomstige ontwikkeling van het gebied “de Kloostertuin” niet zijn afgerond, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit vormt geen onderdeel van het toetsingskader voor de gevraagde omgevingsvergunning.

15. De bezwaren van verzoekster hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook betrekking op het besluit van verweerder de verleende omgevingsvergunning onverwijld in werking te laten treden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij deze beslissing alle betrokken belangen voldoende zorgvuldig afgewogen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder meer gewicht heeft kunnen hechten aan het voorkomen van risico’s van brandstichting in het pand en het hieraan gekoppelde risico van asbestverspreiding, dan aan de belangen van verzoekster, waaronder begrepen het belang om eerst de gevraagde evaluatie te laten plaatsvinden. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het voorstel van verzoekster om te volstaan met een asbestsanering te kort schiet om het hierboven genoemde risico uit te sluiten. Uit de uitgevoerde asbestinventarisatie komt naar voren dat hierbij geen destructief onderzoek is verricht en dat oorspronkelijke bestekgegevens ontbreken zodat niet valt uit te sluiten dat zich meer asbest in het pand bevindt dan is aangetroffen bij de inventarisatie.

16. De omstandigheid dat het pand enkele maanden leeg heeft gestaan en de stelling van verzoekster dat in deze periode slechts in beperkte mate sprake is geweest van vandalisme, wat hier ook van zei, leidt niet tot een ander oordeel, nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk is geworden dat juist tijdens de jaarwisseling het risico op brandstichting groter is.

17. Gelet op het bovenstaande bestaat aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

18. In de omstandigheid dat verweerder aanleiding heeft gezien om, met het oog op een zo spoedig mogelijke sloop, het besluit van 28 november 2011 naderhand te wijzigen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster, bestaande uit reis- en verletkosten. De reiskosten bedragen € 29,10. Verzoekster heeft gevraagd de verletkosten vast te stellen op een bedrag van € 116,18, voor twee uren in verband met het bijwonen van de zitting en reistijd. De voorzieningenrechter acht een aantal van twee uren voor de reistijd Nuenen -’s-Hertogenbosch v.v. en het bijwonen van de zitting passend. De voorzieningenrechter constateert voorts dat het verzochte uurtarief door verzoekster niet is onderbouwd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in zaken als deze, van 10 juni 2011, zaaknummers 201103254/1/H1 en 201103254/2/H1, rechtsoverwegingen 2.5.1 en 2.7, zal de voorzieningenrechter in dit geval uitgaan van de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde laagste forfaitaire vergoeding van € 4,54 per uur. De verletkosten worden derhalve begroot op twee uren maal € 4,54 is € 9,08. Het totale bedrag van proceskosten bedraagt derhalve € 38,18. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerders gemeente aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 302,00 dient te vergoeden.

19. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 302,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op € 38,18.

Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2011.