Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU8619

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
01/825546-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kans aanmerkelijk dat iemand door het krachtig slaan met een kettingslot op het hoofd en de nek dodelijk letsel bekomt. Door met kracht blijven inslaan op het slachtoffer aanmerkelijk risico ook aanvaard.

Opgelegd een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek voorarrest en een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering, ook als dit inhoudt ambulante behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825546-10

Datum uitspraak: 20 december 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 december 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 maart 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 oktober 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn

mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het

leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet met een kettingslot (van ongeveer 1,5 kilo) meermalen, althans een maal

(met kracht) op het hoofd en/of de nek en/of de rug en/of de benen en/of de

billen, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen

en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/302 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 oktober 2010 te Eindhoven met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, de Pardijslaan, in elk geval op of aan een openbare

weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer],

welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een

kettingslot (van ongeveer 1,5 kilo) slaan op het hoofd en/of de nek en/of de

rug en/of de benen en/of de billen, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer]

en/of uit het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer];

(artikel 141 van het wetboek van strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmotivering1.

Vaststaande feiten.

Op 24 oktober 2010 is verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] na cafébezoek in Eindhoven naar een parkeergarage gegaan. Zij hadden veel bier gedronken en wilden iets uit een automaat halen. Dat lukte niet direct. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben tegen de automaat geslagen. Verdachte is toen door een man aangesproken op zijn gedrag. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn vervolgens weggegaan. Verdachte eerst op de fiets en later te voet en medeverdachte [medeverdachte] met zijn fiets. In de fietstas van de fiets van medeverdachte [medeverdachte] zat een roodkleurig kettingslot. Bij de hoge flats buiten de parkeergarage tegenover het Stadhuisplein, is een jongen ([slachtoffer] genaamd) naar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gelopen. [slachtoffer] heeft verdachte vastgepakt en vast gehouden. Verdachte heeft met deze jongen geworsteld. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verdachte geholpen los te komen van [slachtoffer] door hem van achter vast te pakken en op zijn rug te springen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben [slachtoffer] een paar keer geschopt. Medeverdachte [medeverdachte] heeft het kettingslot uit zijn fietstas gepakt en [slachtoffer] daarmee tegen diens kont geslagen. Hij heeft het slot vervolgens aan verdachte gegeven. [slachtoffer] had verdachte op dat moment bij zijn benen vast. Verdachte heeft [slachtoffer] meerdere keren geslagen met dat slot. Daarbij heeft verdachte de nek, het hoofd en de bovenrug van [slachtoffer] geraakt. [slachtoffer] heeft verdachte losgelaten en is op de grond gevallen. [slachtoffer] bewoog niet toen hij op de grond lag. Verdachte weet dat het hard aankomt als iemand met een dergelijk kettingslot wordt geslagen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben [slachtoffer] laten liggen en zijn weggegaan.2 Als gevolg van het slaan met het kettingslot door verdachte is [slachtoffer] aan zijn hoofd gewond geraakt.3 In het ziekenhuis zijn meerdere bloeduitstortingen in het gelaat en is een barstwond op het achterhoofd van [slachtoffer] geconstateerd.4

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder primair tenlastegelegde poging tot doodslag in vereniging wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft bepleit dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling in vereniging.

Het oordeel van de rechtbank.

Op basis van de vaststaande feiten is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer heeft geschopt en hem met een kettingslot heeft geslagen, waardoor het slachtoffer verwondingen aan zijn hoofd heeft opgelopen.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of in de onderhavige strafzaak het slaan met het bewuste kettingslot voldoende grond is om (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer aan te nemen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verdachte heeft met het kettingslot met kracht ingeslagen op het slachtoffer op het moment dat het slachtoffer hem bij zijn benen vast had. Het kettingslot woog 1,5 kilogram. Hij heeft het slachtoffer met het slot geslagen totdat deze hem los liet. Verdachte heeft het slachtoffer op zijn achterhoofd en in zijn nek geraakt. Vervolgens zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] vertrokken en hebben het slachtoffer gewond en bewegingsloos op de grond achtergelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is de kans aanmerkelijk dat iemand door het krachtig slaan met een kettingslot op het hoofd en in de nek dodelijk letsel bekomt.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet gericht op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. De rechtbank leidt uit voornoemde omstandigheden echter af dat verdachte het aanmerkelijke risico heeft genomen dat het slachtoffer als gevolg van het slaan met het slot kon komen te overlijden. Door immers met het kettingslot met kracht te blijven inslaan op het slachtoffer totdat deze losliet en zonder iets te doen om te voorkomen dat het slachtoffer daarbij geraakt werd, zoals is gebeurd, op kwetsbare plaatsen als hoofd en nek, heeft verdachte dit risico ook aanvaard.

De rechtbank acht dan ook het onder primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 24 oktober 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een kettingslot (van ongeveer 1,5 kilo) meermalen (met kracht) op het hoofd en de nek en de rug en de billen van die [slachtoffer] heeft geslagen en tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

De strafmotivering.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van het primair tenlastegelegde een werkstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe is van mening dat de gevorderde werkstraf dient te worden gematigd. Voor het overige refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte kan zich vinden in het reclasseringstoezicht en staat open voor een behandeling bij de GGzE.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het door verdachte en de medeverdachte gepleegde strafbare feit heeft het leven van het slachtoffer in gevaar gebracht en grote onrust veroorzaakt in de plaatselijke gemeenschap en het gevoel van veiligheid van personen in het uitgaansgebied van de gemeente Eindhoven geweld aangedaan. Verdachten hebben door hun gedragingen een groot en potentieel levensbedreigend gevaar voor het slachtoffer in het leven geroepen en zij hebben zich om het lot van het slachtoffer volstrekt niet bekommerd. Verdachten hebben het slachtoffer bewegingsloos op de grond achtergelaten en zijn weggegaan van de plaats van het delict. Het slachtoffer en daarmee ook verdachte mag van geluk spreken dat hij nog leeft en dat er geen fataal hersenletsel is ontstaan, maar dat de schade relatief beperkt is gebleven tot een hersenschudding en een gelijmde hoofdwond.

Verdachte verkeerde tijdens het plegen van het feit onder invloed van alcohol waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen en welke hij kennelijk toch in grote hoeveelheid heeft gebruikt. Ook heeft verdachte na het incident geen contact gezocht met het slachtoffer om zijn excuses aan te bieden.

In strafmatigende zin zal de rechtbank rekening houden met het volgende.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit moet gelet op de persoon van verdachte en gelet op het strafblad van verdachte kennelijk gezien worden als een enerzijds zeer ernstig, maar anderzijds eenmalige misstap. Verdachte heeft er ter zitting van 6 december 2011 blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed inziet en hij heeft zijn spijt betuigd. Ook heeft hij de contacten met zijn mededader verbroken en is hij, nadat de voorlopige hechtenis werd geschorst, vrijwillig in behandeling gegaan. Verdachte heeft het door hem gepleegde strafbare feit bij de aanvang van het tegen hem ingestelde onderzoek toegegeven en tevens zijn volledige medewerking aan dat onderzoek en aan het onderzoek naar zijn geestvermogens verleend. Uit het door de reclassering omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport blijkt, dat na het aan het licht komen van het door verdachte gepleegde strafbare feit zijn persoonlijke omstandigheden zich zodanig hebben gewijzigd dat redelijkerwijs aangenomen kan worden dat het gedrag van verdachte zich ten goede zal kunnen keren. Daarnaast blijkt uit het omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapport door kinder- en jeugdpsychiater mw. G.C.G.M. Broekman van 30 januari 2011, dat het door hem gepleegde strafbare feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Bovendien heeft verdachte zich bereid getoond zich in verband met zijn psychische problemen zoals die uit een omtrent hem uitgebrachte rapport naar voren zijn gekomen ambulant te laten behandelen bij de afdeling De Woenselse Poort van de GGzE of een soortgelijke instelling. Verdachte heeft voorts de hem in het kader van een schorsing van zijn voorlopige hechtenis opgelegde voorwaarden tot aan de zitting van 6 december 2011 naar behoren nageleefd

Tenslotte dient rekening te worden gehouden met het tijdsverloop sedert het feit.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van de bewezen verklaarde poging tot doodslag onvoldoende tot uitdrukking brengt. Slechts door de zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die hiervoor aan de orde zijn gesteld, zal aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Wel dient de op te leggen werkstraf voor het maximale aantal uren te worden opgelegd.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich voor het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45, 47, 287.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van primair

medeplegen van:

poging tot doodslag.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen.

Ten aanzien van primair:

Werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid;

Ten aanzien van primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en stelt daarbij als bijzondere voorwaarde:

dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht, ook indien dit inhoudt meewerken aan een ambulante behandeling bij De Woenselse Poort van de GGzE te Eindhoven.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht;

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 4 november 2010 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. W.M. Weerkamp, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 20 december 2011.

1 De hierna voor het bewijs gebruikte verklaringen zijn afkomstig uit het dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Gezamenlijke Recherche, met dossiernummer 2010161786, afgesloten op 26 oktober 2010, aantal doorgenummerde pagina's 80.

2 De verklaring van verdachte ter zitting van 6 december 2011, het verhoor van verdachte op de pagina's 75, 76, 78 en 79 en het verhoor van medeverdachte [medeverdachte] op de pagina's 68, 72 en 73.

3 Proces-verbaal van aangifte op pagina 48.

4 Medische informatie van [arts] van 1 november 2010 na onderzoek van het slachtoffer op 24 oktober 2010.