Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU8372

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
AWB 11-592
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BY8083, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijdering laag puingranulaat van bosweg heeft beperking aantal categorieën weggebruikers tot gevolg. Zwaar vrachtverkeer kan na verwijdering niet langer gebruik maken van deze weg. Gelet op artikel 15, tweede lid, WVW 1994 had verweerder hierover een verkeersbesluit moeten nemen.

Afdoening: Inhoudelijk standpunt van verweerder is onjuist, geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Ruime beoordelingsmarge bij beoordeling of verkeersbesluit moet worden genomen, daarom niet zelf in de zaak voorzien. Opdracht aan verweerder om nieuw besluit op bezwaar te nemen. Verweerder dient hierbij alle bij het nemen van een verkeersbesluit over de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg betrokken belangen af te wegen en mee te nemen in de beoordeling of alsnog tot het nemen van een verkeersbesluit zal worden overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/592

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2011

inzake

[eiseres],

te Sterksel,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren,

verweerder,

gemachtigde: J. van de Kolk.

<b>Procesverloop</b>

Bij brief van 12 juli 2010 heeft verweerder geweigerd een verkeersbesluit te nemen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

Bij besluit van 6 januari 2011 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 22 september 2011, waar eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door haar directeur, [directeur], en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de periode van 1979 tot 2006 heeft eerst de provincie Noord-Brabant en later verweerder overeenkomsten gesloten met achtereenvolgens Zandbank B.V. en Bowie B.V. over het transport van zand via de bosweg gelegen aan de gemeentegrens van Asten-Someren en de gemeente Heeze-Leende. Deze overeenkomsten hielden onder meer in dat het de wederpartij was toegestaan een verharding op de bosweg aan te brengen indien dat noodzakelijk was voor het uitvoeren van zandtransporten. Ook was de wederpartij verplicht de verharding bij het einde van de overeenkomst te verwijderen en de weg in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Uiterlijk in 1981 is de bosweg van een laag puingranulaat voorzien. In de loop van de jaren is hieraan extra puingranulaat toegevoegd en ook cement. De einddatum van de laatste overeenkomst met Bowie B.V. was 13 juni 2006. Bij brief van 21 april 2006 heeft verweerder Bowie B.V. erop gewezen dat volgens de overeenkomst uiterlijk 13 juni 2006 de weg in de oorspronkelijke staat hersteld moet zijn. Bij brief van 22 juni 2007 heeft verweerder Bowie B.V. opnieuw gewezen op de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting om de verharding van de bosweg te verwijderen. Verweerder heeft aangegeven ervan uit te gaan dat Bowie B.V. voor 1 juli 2007 een aanvang maakt met de werkzaamheden. Bowie B.V. is uiteindelijk in week 15 van 2010 begonnen met de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg. De laag puingranulaat is inmiddels van de bosweg verwijderd. Bij brief van 14 april 2010 heeft eiseres verweerder verzocht een verkeersbesluit te nemen over de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg. In de brief van 12 juli 2010 heeft verweerder het volgende vermeld: <small><i>“Op 12 april jl. zijn wij gestart met ontharding van de tijdelijk met puin verharde bosweg, gelegen langs de grens met de gemeente Heeze-Leende.” </i></small>

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de brief van 12 juli 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het hiertegen gerichte bezwaarschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In het advies van de bezwaarschriftencommissie van 10 december 2010 is vermeld dat de brief van 12 juli 2010 niet is gericht op rechtsgevolg maar op feitelijk handelen, te weten het verwijderen van de laag puingranulaat. Het verwijderen van de laag puingranulaat op de bosweg is aan te merken als een maatregel op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de WVW 1994, maar deze maatregel heeft geen beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers tot gevolg. Daarom hoefde geen verkeersbesluit te worden genomen voor de verwijdering van het puingranulaat.

3. Eiseres betoogt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en dat het nemen van een verkeersbesluit noodzakelijk is. Door het verwijderen van de laag puingranulaat is sprake van een wijziging van het aantal categorieën weggebruikers dat van de bosweg gebruik kan maken. Doel van het destijds aanbrengen van de laag puingranulaat was het berijdbaar maken van de bosweg voor zandtransport. Het verwijderen van deze laag ziet dan ook op het onberijdbaar maken van de bosweg voor zandtransporten. Zwaar vrachtverkeer als zandtransporten moeten worden aangemerkt als aparte categorie weggebruikers: de categorieën N1-3.

Verweerder gaat er ten onrechte van uit dat geen sprake is van een wijziging van het aantal categorieën weggebruikers, omdat met de verwijdering van de puinlaag geen gebruiksverbod voor vrachtverkeer is ingetreden. Feitelijk is het na verwijdering van de laag puingranulaat niet mogelijk voor zwaar vrachtverkeer, zoals zandtransporten, om over de bosweg te rijden. Indien verweerder over de verwijdering van de laag puingranulaat een verkeersbesluit had genomen, was het voor eiseres mogelijk geweest hiertegen bezwaar en beroep in te stellen. Deze mogelijkheid is haar nu ten onrechte onthouden.

4. Het wettelijk kader luidt als volgt.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld de schriftelijke weigering een besluit te nemen.

5. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de WVW 1994 geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

6. Ingevolge artikel 1.1 van de Regeling voertuigen – voor zover thans van belang – wordt onder ‘voertuigen van de voertuigcategorie N’ verstaan voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen, gedefinieerd overeenkomstig onderstaande voertuigclassificatie:

a. N1: voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg;

b. N2: voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg;

c. N3: voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg.

<u>Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar</u>

7. Zoals ter zitting aan de orde is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Eiseres heeft verweerder verzocht een verkeersbesluit te nemen en dit heeft verweerder in de brief van 12 juli 2010 geweigerd. De schriftelijke weigering om een besluit te nemen wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, voor de toepassing van de bepalingen over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Dit geldt ook voor een besluit van algemene strekking als het verkeersbesluit. Het bezwaar van eiseres is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het beroep is reeds hierom gegrond.

8. In het bestreden besluit is verweerder naast de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar inhoudelijk ingegaan op het bezwaar van eiseres tegen het niet nemen van een verkeersbesluit. Ook in het beroepschrift en het verweerschrift hebben partijen hun standpunten over de vraag of verweerder een verkeersbesluit had moeten nemen uitvoerig naar voren gebracht. In het beroepschrift heeft eiseres de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder een verkeersbesluit moet nemen. In het hiernavolgende zal de rechtbank uit een oogpunt van finale geschilbeslechting over het inhoudelijke standpunt van verweerder oordelen.

<u>Nemen verkeersbesluit</u>

9. In dit verband ziet de rechtbank zich allereerst gesteld voor de vraag of eiseres belanghebbende is bij het nemen van het verkeersbesluit over de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat zij over een door de provincie verleende ontgrondingsvergunning beschikt die geldig is tot april 2012 en dat zij nog gebruik van deze vergunning wil maken omdat er nog zand van haar perceel moet worden afgevoerd. Op dit moment wordt het zand niet afgevoerd omdat de overeenkomst met de afnemer van het zand is opgezegd. Eiseres zoekt naar een nieuwe afnemer, hetgeen wordt bemoeilijkt doordat afvoer van het zand nu niet mogelijk is omdat de laag puingranulaat van de bosweg is verwijderd. In de ontgrondingsvergunning is de bosweg aangewezen als afvoerroute voor het vrijgekomen zand omdat bezwaren bestonden tegen andere afvoerroutes. Dat – naar verweerder heeft gesteld – andere afvoerroutes mogelijk zijn, is reeds daarom niet voldoende om tot het oordeel te leiden dat eiseres geen belanghebbende is bij een verkeersbesluit over de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg.

10. Niet in geschil is dat het verwijderen van de laag puingranulaat van de bosweg is aan te merken als een maatregel op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de WVW 1994. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier een maatregel van verweerder, nu – zoals hiervoor bij de relevante feiten is vermeld – verweerder bij herhaling heeft aangedrongen op de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg bij Bowie B.V., die hiertoe vervolgens is overgegaan.

11. Voor de vraag of verweerder een verkeersbesluit moet nemen over de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg, is bepalend of de verwijdering van deze laag een beperking van het aantal categorieën weggebruikers dat van de bosweg gebruik kan maken tot gevolg heeft.

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat het begrip ‘beperking van het aantal categorieën weggebruikers’ feitelijk moet worden ingevuld. Dit gelet op de tekst van artikel 15, tweede lid, van de WVW 1994 waarin is vermeld dat het gaat om een beperking van het aantal categorieën weggebruikers dat van de weg gebruik <i>kan</i> maken. Bovendien is dit artikel bedoeld om de waarborgen van een verkeersbesluit te bieden aan diegenen die door een maatregel tot wijziging van de inrichting van een weg worden getroffen.

Bij beantwoording van de vraag of in dit geval een verkeersbesluit moet worden genomen, moet dan ook worden beoordeeld of in vergelijking met de situatie vóór de verwijdering van de laag puingranulaat, in de situatie ná verwijdering feitelijk minder categorieën weggebruikers van de bosweg gebruik kunnen maken. Zwaar vrachtverkeer is een aparte categorie weggebruikers, gelet op de vermelding daarvan in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of zwaar vrachtverkeer gebruik kon maken van de bosweg vóór verwijdering van de laag puingranulaat en daarna.

12. In het kader van de vraag of zwaar vrachtverkeer gebruik kon maken van de bosweg vóór verwijdering van de laag puingranulaat, overweegt de rechtbank als volgt.

Dat zwaar vrachtverkeer op grond van de destijds geldende bepalingen alleen met ontheffing gebruik mocht maken van de bosweg, zoals verweerder stelt, kan – wat hier ook van zij – niet leiden tot het oordeel dat de bosweg niet openstond voor zwaar vrachtverkeer. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat een ieder feitelijk van de bosweg gebruik maakte, ook zwaar vrachtverkeer dat niet over een ontheffing beschikte. Ter plaatse was niet kenbaar gemaakt dat de weg alleen toegankelijk was voor zwaar vrachtverkeer dat over een ontheffing beschikte en er werden geen controles uitgevoerd. Gelet hierop was de bosweg dan ook feitelijk toegankelijk voor alle categorieën weggebruikers, waaronder zwaar vrachtverkeer.

13. Bij de beoordeling of zwaar vrachtverkeer na verwijdering van de laag puingranulaat gebruik kan maken van de bosweg is van belang dat de bosweg na verwijdering van de laag puingranulaat een zandweg is. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat, zoals eiseres stelt, de bosweg bij gebruik door zwaar vrachtverkeer zal worden beschadigd. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 5.18.18, vijfde lid, van de Regeling Voertuigen waarin is vermeld dat op onverharde wegen de last onder enig wiel van een voertuig niet meer dan 2.400 kg mag bedragen. Deze bepaling heeft onder meer tot doel om beschadigingen van onverharde wegen te voorkomen. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de bosweg door gebruik door zwaar vrachtverkeer zal worden beschadigd.

Naar het oordeel van de rechtbank moet onder gebruik in de zin van artikel 15, tweede lid, van de WVW 1994, normaal gebruik worden begrepen en niet gebruik waardoor de weg wordt beschadigd. De stelling van verweerder dat de weg ondanks de beschadigingen kan worden gebruikt door zwaar vrachtverkeer als deze vaker wordt onderhouden, leidt gelet hierop niet tot het oordeel dat zwaar vrachtverkeer gebruik kan maken van de zandweg. Normaal gebruik van de bosweg door zwaar vrachtverkeer is na verwijdering van de laag puingranulaat dan ook niet mogelijk.

14. Gelet op het vorenstaande is sprake van een beperking van het aantal categorieën weggebruikers dat na verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg gebruik kan maken ten opzichte van de situatie vóór verwijdering. Gelet op het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van de WVW 1994 heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg kon plaatsvinden zonder een verkeersbesluit hierover te nemen.

15. Bij de beoordeling of een verkeersbesluit moet worden genomen komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarbij hij alle bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar dient af te wegen. Niet is gebleken dat verweerder de bij het nemen van een verkeersbesluit over de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg betrokken belangen heeft betrokken bij de weigering een verkeersbesluit te nemen.

16. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu het inhoudelijke standpunt van verweerder onjuist is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Gelet op voormelde ruime beoordelingsmarge kan de rechtbank evenmin zelf in de zaak voorzien. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Verweerder dient alle bij het nemen van een verkeersbesluit over de verwijdering van de laag puingranulaat van de bosweg betrokken belangen af te wegen en mee te nemen in de beoordeling of alsnog tot het nemen van een verkeersbesluit zal worden overgegaan.

17. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb dienen redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar, op verzoek van de belanghebbende, door het bestuursorgaan te worden vergoed voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval daarvan sprake is. Zij zal verweerder daarom ook veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar.

18. De proceskosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1.748,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) bezwaarschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting;

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1.

19. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 302,00 dient te vergoeden.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 302,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.748,00.

Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten als rechter in tegenwoordigheid van Z. Selkan als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2011.

De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: