Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU6561

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
AWB 11-2272
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX5237, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering bouwvergunning voor de uitbreiding van een kalkoenhouderij in verband met eisen van dierenwelzijn. De weigering is gegrond op een rechtstreeks werkend voorschrift van de Verordening ruimte 2011 van de provincie Noord-Brabant, strekkend tot het stellen van beperkingen aan de intensieve veehouderij.

De rechtbank komt tot de conclusie dat dit voorschrift onverbindend is, omdat het strijdig is met de Reconstructiewet concentratiegebieden (Rcw). Op grond van deze wet hebben provinciale staten een reconstructieplan vastgesteld, waarin de beleidsuitspraak is vastgelegd dat uitbreiding van een intensieve veehouderij met het oog op dierenwelzijn mogelijk is, ook als het bedrijf – zoals hier – is gelegen in een zogenaamd extensiveringsgebied. De provinciale verordening maakt de in het reconstructieplan neergelegde beleidsuitspraak betekenisloos en heeft in materieel opzicht dezelfde gevolgen als een wijziging van het reconstructieplan, evenwel zonder dat bij de totstandkoming ervan de waarborgen in acht zijn genomen waarmee de totstandkoming van reconstructieplannen is omkleed. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt dit zich niet met de Rcw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2011-12-13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2272

Uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2011

inzake

[eiser],

te Helmond,

eiser,

gemachtigde: mr. G.H. Blom,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond,

verweerder,

gemachtigde: mr. P. Helmus.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het oprichten van een kalkoenstal op het perceel aan [adres] te Helmond afgewezen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 26 mei 2011 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 20 oktober 2011, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde alsmede [man]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van verweerder van 26 mei 2011, strekkende tot handhaving van de weigering om aan eiser de door hem aangevraagde bouwvergunning te verlenen, in rechte stand kan houden.

Feiten en omstandigheden

2. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.

3. Eiser exploiteert een intensieve pluimveehouderij (kalkoenhouderij) op het perceel aan [adres] te Helmond. Het perceel is gelegen in een extensiveringsgebied, als bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden (Rcw).

4. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan ‘Geledingszone Brouwhuis’. Het perceel heeft daarin de bestemming ‘agrarisch bouwblok’. Op het perceel is blijkens de bestemmingsplankaart een als zodanig aangeduide bouwgrens aangegeven.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften is een bouwvlak: een door bouwgrenzen omsloten vlak waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.

Ingevolge artikel 10, lid C, onder 1.1, van de planvoorschriften mogen op de tot ‘agrarisch bouwblok’ bestemde gronden uitsluitend gebouwen worden gebouwd ten behoeve van het in lid A toegestane gebruik met dien verstande dat uitsluitend op het als zodanig op de plankaart aangegeven bouwvlak zal worden gebouwd.

Ingevolge artikel 10, lid F, onder 1, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van lid C, onder 1.1, voor het overschrijden van de bouwgrenzen, respectievelijk het vergroten van het bouwvlak, met dien verstande dat wordt voldaan aan het bepaalde in lid B, onder 1 en 2, en andere waarden en belangen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de bedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

5. Eiser heeft op 30 juli 2010 een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend voor het oprichten van een kalkoenstal om te kunnen voldoen aan de eisen ten behoeve van dierenwelzijn. De aanvraag is niet ingediend teneinde meer dieren te kunnen gaan houden.

Standpunten partijen

6. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan omdat wordt gebouwd buiten het aangeduide bouwvlak. Van de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt omdat dit in strijd is met de regels ten aanzien van intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden in de Verordening ruimte, fase 1, van de provincie Noord-Brabant.

7. Eiser betwist primair dat door realisering van het bouwplan het bouwvlak, zoals neergelegd in het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan, wordt overschreden. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat verweerder gebruik had dienen te maken van de in het bestemmingsplan neergelegde mogelijkheid tot ontheffing van het verbod tot overschrijding van het bouwvlak. De Verordening ruimte, fase 1, staat daar naar zijn mening niet aan in de weg nu deze pas op 1 oktober 2010 in werking is getreden, derhalve nadat de aanvraag om bouwvergunning is ingediend. Eiser acht het voorts onaanvaardbaar dat de, in het kader van dierenwelzijn noodzakelijke, bouwvergunning is geweigerd. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat er een positief advies is afgegeven door de Agrarische adviescommissie. De ter zake in het reconstructieplan neergelegde rechten dienen zijns inziens te worden gerespecteerd.

Wettelijk kader

8. Het wettelijk kader ten tijde van het bestreden besluit, voor zover van belang, luidt als volgt.

9. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd indien:

(…)

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een projectbesluit als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) of met een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet;

(…)

f. het bouwen in strijd is met de regels, gesteld bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wro of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van die wet;

(…).

10. Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van de Wro kunnen bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wro in werking is getreden. Bij de verordening kan worden bepaald dat gedeputeerde staten met inachtneming van de bij de verordening te geven regels ontheffing kunnen verlenen van bij die verordening aan te geven regels.

11. In de Verordening ruimte 2011 van de provincie Noord-Brabant (verder: de Verordening), geldend vanaf 1 maart 2011, is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 9.2. Regels voor extensiveringsgebieden

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied bepaalt dat:

(…)

c. bouwblokken voor intensieve veehouderij ten hoogste de omvang hebben zoals opgenomen in bestemmings-, uitwerkings- of wijzigingsplannen waarover Gedeputeerde Staten een onherroepelijk besluit tot goedkeuring van dat plan hebben genomen ná 17 juli 1992 en vóór 22 april 2005 alsmede de bouwrechten waaraan vanaf 22 april 2005 planologische medewerking is verleend;

(…)

3. In afwijking van het eerste lid, onder c en d, geldt dat in een bestemmingsplan is vastgelegd dat het percentage dat de grootte van het deel van het bouwblok aangeeft dat ten hoogste bebouwd mag worden ten behoeve van een intensieve veehouderij, overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan op de peildatum 1 oktober 2010.

4. Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het derde lid in werking is getreden, geldt de regel dat vergroting van de bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij welke op de peildatum 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan, niet is toegestaan.

12. In de toelichting op de Verordening is ten aanzien van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden het volgende opgenomen:

‘Uitbreiding ziet op het uitbreiden van het bouwblok om nieuwe bebouwing op te richten. Uitbreiding is niet het vergroten van het aantal dieren dat wordt gehouden. Indien er binnen het bestaande bouwblok nog ruimte is om een nieuwe stal te bouwen en hiervoor wordt de vereiste milieuvergunning verleend, dan is dit ook in het kader van de Verordening ruimte mogelijk. Het benutten van de ruimte binnen een bestaand bouwblok is een gevolg van de afspraken die de reconstructiepartners in de zogenoemde Overeenkomst van Cork hebben gemaakt. Het zogenaamde respecteren van bestaande rechten is neergelegd in eerste lid, onder c, waar is bepaald dat de bouwblokken de (maximale) omvang hebben van eerder goedgekeurde bouwblokken. (…)

Naar aanleiding van de behandeling van het Burgerinitiatief negatieve gevolgen en schaalvergroting intensieve veehouderij zijn de regels voor de intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden aangescherpt. Dit heeft ertoe geleid dat in het eerste lid onder b is opgenomen dat binnen gebouwen hooguit één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. Voor volière- en scharrelstallen voor legkippen wordt een uitzondering gemaakt. In deze stallen mogen maximaal twee bouwlagen worden gebruikt. Er is tevens een rechtstreeks werkende regel opgenomen om te voorkomen dat er toch nog van rechten in geldende bestemmingsplannen gebruikgemaakt wordt alvorens deze zijn aangepast. Een verdere aanscherping betreft de beperking van het respecteren van bestaande rechten zoals dat hierboven beschreven is. Hoewel dit nog steeds uitgangspunt is, is dit nu gekoppeld aan een overgangstermijn. Intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden konden van hun bestaande rechten zoals beschreven in eerste lid, onder c en d, nog gebruikmaken tot 1 oktober 2010. Vanaf die datum geldt als omvang van het bouwblok de op dat moment bestaande bebouwing, de in aanbouw zijnde of de op basis van een volledige ontvankelijke bouwaanvraag te vergunnen bebouwing. Er is dan sprake van het zogenaamde ‘slot op de muur’. In het derde lid is dit als zodanig bepaald. Om te voorkomen dat er toch nog van rechten in geldende bestemmingsplannen gebruik wordt gemaakt alvorens deze zijn aangepast, is in het vierde lid een rechtstreeks werkende regel opgenomen waarin het ‘slot op de muur’ is neergelegd’.

Beoordeling.

13. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat het bouwplan wordt gerealiseerd buiten een, op de plankaart als zodanig aangegeven, bouwvlak omdat de aangegeven bouwgrenzen worden overschreden. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat dit bouwvlak niet samenvalt met de grenzen van het plandeel met de bestemming ‘agrarisch bouwblok’. Verweerder heeft terecht overwogen dat de benaming ‘agrarisch bouwblok’ niet met zich meebrengt dat alle gronden met deze bestemming een bouwvlak in de zin van het bestemmingsplan vormen. Deze, door eiser verdedigde uitleg verdraagt zich niet met artikel 10, lid C, onder 1.1, van de planvoorschriften. Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, met dien verstande dat dit bestemmingsplan een ontheffingsmogelijkheid bevat als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro.

14. Eiser betoogt voorts tevergeefs dat, nu de bouwaanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Verordening ruimte Noord-Brabant fase 1 op 1 oktober 2010, verweerder deze verordening ten onrechte bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken. In lijn met hetgeen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) meermalen heeft overwogen over de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan (bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 februari 2002, LJN AD9423) moet bij het nemen van een besluit over de aanvraag om bouwvergunning en het besluit op bezwaar, in beginsel het recht dat op dat moment geldt, worden toegepast. Bij wijze van uitzondering mag verweerder het recht toepassen zoals dat gold bij het indienen van de aanvraag, maar slechts indien – voor zover hier van belang – op het moment van het indienen van de aanvraag geen voorbereidingsbescherming van kracht was. Op 19 maart 2010, vóór de indiening van de aanvraag, is een krachtens artikel 4.1, vijfde lid, van de Wro gegeven voorbereidingsbesluit met betrekking tot de provinciale verordening in werking getreden. Reeds hierom lag het op de weg van verweerder om bij het nemen van het besluit op bezwaar, te toetsen aan het alsdan geldende recht en niet aan het recht zoals dat op het moment van indienen van de aanvraag gold.

15. De rechtbank verstaat het bestreden besluit aldus, dat verweerder zich op het standpunt stelt dat verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro met gebruikmaking van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 10, lid F, onder 1, van de planvoorschriften, in strijd is met de rechtstreeks werkende regels in de Verordening ruimte, fase 1. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit de Verordening gold en niet de Verordening ruimte, fase 1 welke in dit kader niet voorziet in overgangsrecht. Artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening wijkt inhoudelijk echter niet af van hetgeen daarvoor in artikel 3.3.3, vierde lid, van de daarvoor geldende Verordening ruimte Noord-Brabant fase 1, was bepaald. In de omstandigheid dat verweerder niet de juiste verordening heeft aangehaald is, gelet hierop, geen reden gelegen voor vernietiging van het bestreden besluit.

16. De rechtbank merkt het bouwvlak in het bestemmingsplan ‘Geledingszone Brouwhuis’ aan als een bouwblok als bedoeld in de Verordening. Dit bouwblok komt nagenoeg overeen met de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan aanwezige bebouwing. De in het bestemmingsplan neergelegde mogelijkheid tot verlening van een binnenplanse ontheffing ten behoeve van de vergroting van het bouwblok is in strijd met artikel 9.2, derde lid, van de Verordening. Dit brengt mee dat het rechtstreeks werkende verbod, neergelegd in artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening van toepassing is. Verweerder heeft dit op zichzelf terecht vastgesteld.

17. Eiser heeft aangevoerd dat het onaanvaardbaar is dat de aanwezige bebouwing voor de intensieve veehouderij niet kan worden vergroot ten behoeve van dierenwelzijn gelet op de bestaande rechten, waaronder de uitbreidingsmogelijkheid met het oog op dierenwelzijn, zoals neergelegd in het reconstructieplan ‘De Peel, correctieve herziening’. De Verordening maakt hier volgens eiser ten onrechte inbreuk op.

18. In het geldende reconstructieplan ‘De Peel, correctieve herziening’, vastgesteld door provinciale staten op 27 juni 2008 en goedgekeurd door de ministers van LNV en VROM op 12 augustus 2008, is ten aanzien van intensieve veehouderijen in extensiveringgebieden de beleidsuitspraak vastgelegd dat uitbreiding van bouwblokken is toegestaan om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen. Dit geldt enkel voor die diercategorie die ten tijde van de inwerkingtreding van dit Reconstructieplan in een bestaande intensieve veehouderij wordt gehouden. Deze beleiduitsuitspraak heeft geen rechtstreekse werking als bedoeld in artikel 27 van de Rcw.

19. De rechtbank stelt vast dat artikel 9.2 van de Verordening afwijkt van de hierboven weergegeven beleidsuitspraak in het reconstructieplan ‘De Peel, correctieve herziening’. De Verordening staat, anders dan het reconstructieplan, een eenmalige uitbreiding van de bebouwing ten behoeve van dierenwelzijn immers niet toe. Uit de hierboven weergegeven toelichting op de Verordening begrijpt de rechtbank dat provinciale staten bij de vaststelling van de Verordening de bewuste keuze hebben gemaakt om af te wijken van het geldende reconstructieplan. Dit wordt bevestigd in de Structuurvisie Noord-Brabant van 1 januari 2011, pagina 14, waarin is aangegeven dat in de Verordening het kaderstellende beleid uit de provinciale reconstructieplannen op onderdelen fors is aangepast waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden zijn beperkt. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of het mogelijk is om door middel van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wro, af te wijken van een geldend reconstructieplan.

20. De rechtbank stelt voorop dat de Rcw een bijzondere wet is die tot doel heeft een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur te bevorderen.

21. In de memorie van toelichting op de Wro (Kamerstukken II 2002/2003 28916, nr. 2) is het volgende opgenomen ten aanzien van de bevoegdheid tot het stellen van een provinciale verordening:

‘De bevoegdheid tot algemene normstelling kan zelfstandig ingezet worden. De noodzaak en de inhoud van een dergelijk maatregel wordt vastgesteld in het politieke totstandkomingsproces. Er kunnen zich onverwachte of ongewenste ontwikkelingen voordoen die een centrale sturing vergen en die tot een snelle reactie en tot algemene regelgeving nopen. Als voorbeelden uit het recente verleden kunnen worden genoemd de hoogwaterproblematiek, dierziekten en risicovolle opslag van vuurwerk. Een strikte koppeling van de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels aan een voorafgaande structuurvisie zou zulk een regelgeving in de weg staan.’

22. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2002/2003 28916, nr. 12) is het volgende opgenomen ten aanzien van de verhouding tussen de Wro en de Rcw:

‘De verhouding tussen de Rcw en de nieuwe Wro is geen andere dan die tussen de Rcw en de huidige Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Bij de Invoeringswet ruimtelijke ordening zal onder meer de Rcw worden aangepast. Zo zal waar daarbij sprake is van een streekplan als bedoeld in artikel 4a van de WRO hiervoor in beginsel gelezen moeten worden een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wro. Naar het zich nu laat aanzien is er materieel geen verandering ten aanzien van deze provinciale beleidsplannen.’

23. De besluitvorming tot wijziging van een reconstructieplan is met waarborgen omkleed. Voor een besluit tot wijziging van een reconstructieplan geldt op grond van artikel 26 van de Rcw dezelfde procedure als voor de totstandkoming van het oorspronkelijke reconstructieplan. Dit houdt in dat een wijziging van een reconstructieplan door de betrokken ministers moet worden goedgekeurd. Ingevolge artikel 29 kan een belanghebbende voorts beroep instellen bij de Afdeling tegen het besluit tot wijziging van het reconstructieplan. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling moet voorts worden aangenomen dat de in het onderhavige reconstructieplan neergelegde beleidsuitspraak, inhoudende dat een uitbreiding van bouwblokken in extensiveringsgebieden is toegestaan om te kunnen voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake dierenwelzijn, ofschoon niet rechtstreeks doorwerkend naar geldende bestemmingsplannen, wel bij de vaststelling en toetsing van een bestemmingsplan dient te worden betrokken (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2011, LJN: BU5399). Ook burgers kunnen een beroep doen op deze beleidsuitspraak.

24. Met de vaststelling van artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening is deze beleidsuitspraak uit het reconstructieplan betekenisloos geworden. Dit voorschrift verbiedt immers elke uitbreiding van bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden. De Verordening heeft in materieel opzicht derhalve dezelfde gevolgen als een wijziging van het reconstructieplan, evenwel zonder dat bij de totstandkoming ervan de waarborgen in acht zijn genomen waarmee in de Rcw de totstandkoming van reconstructieplannen is omkleed. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt dit zich niet met de Rcw.

25. In artikel 16, tweede lid, van de Rcw ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Ingevolge dit artikellid geldt het reconstructieplan als een besluit tot herziening van de structuurvisie ten aanzien van de onderdelen van het reconstructieplan die een afwijking inhouden van een vastgestelde structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, van de Wro. Uit de wetsgeschiedenis ten aanzien van de totstandkoming van de Rcw kan niet worden afgeleid dat hiermee tevens is beoogd om tot uitdrukking te brengen dat, omgekeerd, een vastgesteld reconstructieplan, kan worden gewijzigd door middel van een nieuwe structuurvisie of door toepassing van een ander in de Wro neergelegd instrument. De artikelen 26 en 29 van de Rcw zouden dan immers geen praktische betekenis hebben.

26. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wro, zoals hier voor weergegeven, volgt voorts dat de wetgever niet heeft beoogd een materiële wijziging ten aanzien van de werking van reconstructieplannen aan te brengen ten opzichte van die onder de vigeur van de WRO. Ook de doelstelling van de wetgever aan het stellen van algemene regels als bedoeld in artikel 4.1 van de Wro leidt niet tot een andere conclusie, nu de Rcw ten opzichte van de Wro als een bijzondere wet heeft te gelden.

27. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening, wegens strijd met de Rcw, zijnde een wettelijk voorschrift van hogere orde, verbindende kracht mist. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend bij het nemen van het bestreden besluit. Door te volstaan met toetsing aan de Verordening heeft verweerder ten onrechte nagelaten te motiveren waarom geen ontheffing op basis van artikel 10, lid F, onder 1, van de planvoorschriften wordt verleend ten behoeve van het door eiser voorgestane bouwplan. Het bestreden besluit is aldus onvoldoende gemotiveerd en genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

28. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen aanleiding om verweerder gelegenheid te geven het gebrek te herstellen. De rechtbank volstaat met de opdracht aan verweerder een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

29. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 152,00 dient te vergoeden.

30. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 152,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzitter en mr. C.A.F. van Ginneken en mr. M.J.H.M. Verhoeven als leden in tegenwoordigheid van mr. A.G.M. Willems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2011.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: