Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU5293

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
AWB 11-3136
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De planwetgever heeft beoogd om binnen de bestemming 'Openbaar groen' activiteiten toelaatbaar te achten die openbaar en vrij toegankelijk zijn. Niet alleen het park, maar ook de voorzieningen binnen die bestemming behoren openbaar te zijn. Het klimbos zal slechts tegen betaling toegankelijk zijn en is daarmee niet verenigbaar met de bestemming. De omgevingsvergunning had dan ook moeten worden geweigerd.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit, waarbij de verleende omgevingsvergunning in stand is gelaten, daarom in beroep geen stand kunnen houden.

Volgt schorsing van het besluit, totdat op het beroep zal zijn beslist.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/465

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/3136

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 november 2011

inzake

[verzoeker sub a], [verzoeker sub b], [verzoeker sub c], [verzoeker sub d], [verzoeker sub e], [verzoeker sub f], [verzoeker sub g] en [verzoeker sub h],

te [plaats],

verzoekers,

gemachtigde mr. drs. F.K. van den Akker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Oedenrode,

verweerder,

gemachtigden mr. T.T.M. Linotte-de Louw en mr. C.L.J.H.M. van Baar.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen Adventure Sport Nederland,

te 's-Hertogenbosch, vergunninghoudster.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend, ten behoeve van de aanleg van een klimbos met opslagruimte en een hekwerk op de locatie Kienehoef bos, plaatselijk bekend als Klothal 3, kadastraal bekend [kadastergegevens].

Verweerder heeft het door verzoekers tegen dit besluit ingediende bezwaar bij besluit van 18 augustus 2011 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 14 september 2011 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 11/3137. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht ter zake van dit besluit een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 3 november 2011, waar verzoekers zijn vertegenwoordigd door [verzoeker sub a] en door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden. Namens vergunninghoudster is[...] verschenen.

<b>Overwegingen</b>

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek niet meer kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter zal echter in deze zaak geen gebruik maken van deze bevoegdheid, omdat tegen het besluit van 18 augustus 2011 nog drie beroepen, met zaaknummers AWB 11/3147, AWB 11/3289 en AWB 11/3290, bij de rechtbank aanhangig zijn, in welke zaken het vooronderzoek, bij het sluiten van het onderzoek ter zitting in deze zaak, nog niet was afgerond. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat nader onderzoek door de rechtbank in die zaken nog relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Deze beroepen zullen, gelijktijdig met het beroep van verzoekers met zaaknummer AWB 11/3137, later nog worden behandeld op een zitting van de rechtbank.

3. De voorzieningenrechter zal daarom alleen beoordelen of er aanleiding bestaat het bestreden besluit van 18 augustus 2011 te schorsen totdat de rechtbank uitspraak zal hebben gedaan op het daartegen ingestelde beroep.

4. De bij het bestreden besluit gehandhaafde omgevingsvergunning voorziet in het realiseren van een aantal klimparcoursen in de bomen van een gedeelte van het recreatiepark De Kienehoef, alsmede in het oprichten van een opslagruimte en een hekwerk. Het klimbos zal bedrijfsmatig worden geëxploiteerd en is bedoeld voor (grotendeels) georganiseerd gebruik al dan niet in groepsverband. Gelet op de activiteiten is er begeleiding aanwezig. Het hekwerk met een lengte van 90 meter zal worden geplaatst rondom de opslagruimte en de opstijgpunten voor de klimvoorzieningen. De vergunde activiteit is voorzien ten noordoosten van de noordelijke vijver in het recreatiepark, dat onder meer een camping, dagrecreatieve voorzieningen, een kinderboerderij en sportfaciliteiten omvat.

5. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

6. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo - voor zover hier van belang - wordt de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

7. De toetsingsgronden die in het eerste lid van artikel 2.10 van de Wabo worden genoemd zijn dwingend. Dat betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden. Tegelijkertijd geldt dat als de bouwactiviteit in overeenstemming is met de in het eerste lid genoemde toetsingsgronden, de omgevingsvergunning moet worden verleend.

8. Ten aanzien van de locatie van het klimbos (inclusief opslagruimte en hekwerk) geldt gedeeltelijk het bestemmingsplan “Herziening Recreatiepark De Kienehoef”, vastgesteld door de raad van verweerders gemeente op 28 februari 1991, gedeeltelijk goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Brabant (GS) op 4 september 1991.

Door de onthouding van goedkeuring aan een gedeelte van dit plan, geldt voor een klein gedeelte het bestemmingsplan “Recreatiepark De Kienehoef”,vastgesteld door de raad van verweerders gemeente op 7 oktober 1975.

9. Voor zover gelegen binnen het bestemmingsplan “Herziening Recreatiepark De Kienehoef” zijn de vergunde activiteiten voorzien binnen de bestemming ‘Openbaar groen’.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften, zijn deze gronden bestemd voor de aanleg, onderhoud en beheer van recreatieve voorzieningen, zoals waterpartijen, speel-, zit- en wandelgelegenheid.

GS hebben goedkeuring onthouden aan artikel 6, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften: de aanleg van een speelvoorziening uitsluitend binnen de daarvoor op de inrichtingsschets deelgebied openbaar groen aangeduide zone -S-.

10. Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, zijn toegelaten: werken en bouwwerken welke passen in de in lid 1 omschreven doeleinden.

GS hebben goedkeuring onthouden aan het voorschrift onder b: een gebouwtje ten behoeve van de speelvoorziening binnen de op de inrichtingsschets als -S- aangeduide zone.

11. Ingevolge artikel 6, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, is de wijze waarop met het plan de toegekende doeleinden worden nagestreefd in hoofdlijnen beschreven in artikel 3. Volgens die beschrijving wordt, voor de onder ‘Openbaar groen’ vallende gronden, gestreefd naar het behoud van het bosachtige karakter. Daarin is plaats voor een dierenpark en een speelvoorziening.

In artikel 6, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, is verder aangegeven dat, ter uitvoering en met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, de wijze waarop de in lid 1 omschreven doeleinden worden nagestreefd, voor wat betreft de ontwikkeling van het plangebied als volgt wordt gespecificeerd. Ten behoeve van de inrichting is door Burgemeester en Wethouders een inrichtingsschets als leidraad (deelgebied openbaar groen) opgesteld, waarin de hoofdlijnen als een mogelijk eindbeeld zijn gevisualiseerd. Bij de inrichting alsmede de indeling van het gebied wordt de inrichtingsschets als leidraad gehanteerd, waarbij de uitgangspunten en de randvoorwaarden zoals genoemd in hoofdstuk 4 onder 4 van toepassing zijn verklaard.

12. In artikel 6, vierde lid, van de planvoorschriften is bepaald dat voor het bouwen van de in lid 2 bedoelde bouwwerken de volgende bepalingen gelden:

a. de hoogte van bouwwerken mag ten hoogste 3 m bedragen behoudens de speelvoorzieningen en verlichtingsarmaturen, waarvan de hoogte 8 m mag bedragen;

b. het oppervlak van een gebouwtje ten behoeve van de speelvoorziening mag ten hoogste 30 m² bedragen;

c. het gezamenlijk oppervlak van de gebouwtjes ten behoeve van berging, stalling en schuilgelegenheid mag ten hoogste 150 m² bedragen.

13. Ten gevolge van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring door GS aan een deel van de plankaart van het bestemmingsplan “Herziening Recreatiepark De Kienehoef”, geldt voor dat gedeelte van het perceel het bestemmingsplan “Recreatiepark De Kienehoef”. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften van dat plan, zijn de gronden met de bestemming ‘Recreatieve doeleinden’ bestemd voor de aanleg van recreatieve voorzieningen, zoals speelweiden, speelwerktuigen, terrassen, pergola’s en zitgelegenheden, inclusief de aanleg van voetpaden en waterpartijen. Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften mogen op de als zodanig bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd: bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het gebruik van de gronden voor recreatieve doeleinden.

14. De woningen van verzoekers zijn gelegen aan de [weg A], de [weg B] en de [weg C], in de directe nabijheid van de vergunde activiteit. Verzoekers zijn van mening dat deze activiteit in strijd is met het bestemmingsplan “Herziening Recreatiepark De Kienehoef” (hierna: het bestemmingsplan), zodat de daarvoor aangevraagde omgevingsvergunning op grond van artikel 2.10 van de Wabo had moeten worden geweigerd.

15. De Commissie bezwaarschriften (hierna: de Commissie) heeft verweerder geadviseerd het bezwaar van verzoekers gegrond te verklaren. De Commissie concludeerde - in navolging van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 15 april 2011 met zaaknummer AWB 11/980 - met verwijzing naar het algemeen spraakgebruik en hetgeen is opgenomen in de beschrijving in hoofdlijnen en de toelichting van het bestemmingsplan, dat het trimbos niet als een speelvoorziening als bedoeld in de planvoorschriften - te weten een speeldorp voor de jeugd tot 12 jaar - kan worden beschouwd. Wel kan het klimbos volgens de Commissie worden aangemerkt als een recreatieve voorziening in de zin van de planvoorschriften. Echter, door plaatsing van een hekwerk en de commerciële exploitatie van het klimbos, waardoor dit niet voor een ieder toegankelijk is maar slechts voor degene die voor de toegang betaalt, wordt volgens de Commissie geen recht gedaan aan hetgeen de planwetgever heeft bedoeld met het gebruik van het bos als openbaar groen.

16. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit, zoals toegelicht ter zitting - anders dan de Commissie - op het standpunt gesteld dat het klimbos als een speelvoorziening, maar ook als een recreatieve voorziening als bedoeld in het bestemmingsplan kan worden aangemerkt. Daarnaast is verweerder - eveneens in afwijking van de Commissie - van mening dat een klimbos wel degelijk binnen de bestemming ‘Openbaar groen’ past. Verweerder acht daarbij van betekenis dat alleen rondom de opslagruimte en de opstijgpunten van het klimbos een hekwerk wordt geplaatst, zodat nog steeds sprake is van een openbaar, vrij toegankelijk, gedeelte van het park Kienehoef. Dat een klein deel is omheind ten behoeve van de klimvoorziening, doet aan het openbare karakter van het gebied volgens verweerder geen afbreuk. Verweerder heeft daarbij tevens nog gewezen op de in de planvoorschriften opgenomen mogelijkheid tot het oprichten van een dierenpark en de daartoe vereiste omheining, hetgeen volgens verweerder getuigt van de intentie van de planwetgever om gedeeltelijke afscherming met een hekwerk toe te staan binnen de bestemming ‘Openbaar groen’. Daarnaast kent het dierenpark, evenals het klimbos, sluitings- en openingstijden. Het al dan niet commercieel exploiteren acht verweerder evenmin ter zake doende voor de algemene toegankelijkheid voor publiek van het bosgebied waarin het klimbos is geprojecteerd.

17. Verzoekers zijn daarentegen primair van mening dat het klimbos, uitgaande van het normale spraakgebruik, niet als een speelvoorziening kan worden beschouwd, nu dit commercieel wordt geëxploiteerd, slechts tegen betaling en onder begeleiding toegankelijk is en niet speciaal is bedoeld voor de jeugd (tot 12 jaar). Volgens verzoekers dient daarbij met terughoudendheid te worden gekeken naar de plantoelichting en de beschrijving in hoofdlijnen van het bestemmingsplan, nu deze voor wat betreft het begrip ‘speelvoorziening’ niet met elkaar in overeenstemming zijn. Verzoekers hebben daarbij vermeld dat ingevolge de plantoelichting bij het realiseren van een speelvoorziening dient te worden gedacht aan het realiseren van ‘een speeldorp voor de jeugd, waarin diverse speelmogelijkheden zijn geïntegreerd’, terwijl ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften slechts ‘een speelvoorziening’ is toegestaan. Omdat het klimbos als recreatieve voorziening de ingevolge artikel 6, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften maximaal toegestane hoogte van bouwwerken van 3 meter overschrijdt, had de gevraagde omgevingsvergunning moeten worden geweigerd.

Voor zover zou worden geoordeeld dat het klimbos wel een speelvoorziening is, zijn verzoekers van mening, dat het onthouden van goedkeuring door GS aan artikel 6, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften, waarin is bepaald dat de aanleg van een speelvoorziening uitsluitend is toegestaan binnen de daarvoor op de inrichtingsschets deelgebied openbaar groen aangeduide zone -S-, tot gevolg heeft dat speelvoorzieningen in het geheel niet meer zijn toegestaan binnen de bestemming ‘Openbaar groen’. De omstandigheid dat GS geen goedkeuring hebben onthouden aan de in artikel 6, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften voor speelvoorzieningen getuigt in de visie van verzoekers van een omissie.

18. In geschil is of de aanleg van klimparcoursen met een opslagruimte en een hekwerk in overeenstemming is met artikel 6 van de voorschriften behorende bij de bestemming ‘Openbaar groen’ van het bestemmingsplan.

19. De voorzieningenrechter acht in dit kader van belang dat, ingevolge de toelichting bij het bestemmingsplan, het plangebied is verdeeld in een verblijfsrecreatief gedeelte en een dagrecreatief gedeelte. Voor de dagrecreatie is een semi-openbaar gedeelte (het binnendijkse gebied) aangewezen en een openbaar gedeelte, gelegen aan de oostzijde van het plangebied. Dit laatste gedeelte betreft het onder de bestemming ‘Openbaar groen’ vallende gedeelte van het recreatiepark. Dit gedeelte bestaat volgens de toelichting met name uit bebossing met daar doorheen wandelpaden, een vijver met daarin een eiland en het dierenpark dat in de nieuwe situatie gehandhaafd zal blijven. Daarnaast zal in dit openbare, vrij-toegankelijke gedeelte van het recreatiepark nog een speelvoorziening voor de jeugd worden gerealiseerd, waarbij gedacht wordt aan een speeldorp waarin diverse speelmogelijkheden zijn geïntegreerd, aldus de plantoelichting.

20. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat de planwetgever heeft beoogd om binnen de bestemming ‘Openbaar groen’ activiteiten toelaatbaar te achten die openbaar en vrij toegankelijk zijn. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet alleen het park maar ook de voorzieningen binnen die bestemming, openbaar behoren te zijn. Het klimbos zal, naar niet in geschil is, slechts tegen betaling toegankelijk zijn en is daarmee niet verenigbaar met de bestemming. Een antwoord of de vraag of het klimbos moet worden beschouwd als een recreatieve voorziening, dan wel een speelvoorziening, is daarbij niet relevant.

21. Uit het voorafgaande volgt dat de beoogde activiteit niet in overeenstemming is met de ingevolge het bestemmingsplan op het plangedeelte rustende bestemming ‘Openbaar groen’ en de daarvoor gevraagde omgevingsvergunning wegens strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo had moeten worden geweigerd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit, waarbij de verleende omgevingsvergunning in stand is gelaten, daarom in beroep geen stand kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het bestreden besluit te schorsen, totdat uitspraak zal zijn gedaan op het met het verzoek om voorlopige voorziening samenhangende beroep van verzoekers.

22. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437;

• wegingsfactor 1.

23. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder verzoekers het door hen betaalde griffierecht dient te vergoeden.

24. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit van 18 augustus 2011, totdat de rechtbank uitspraak zal hebben gedaan op het beroep;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874;

- gelast verweerder verzoekers het door hen betaalde griffierecht, ten bedrage van € 152, te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.G.M. Willems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2011.

<HR>

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: