Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU5166

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/791
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat eiseres, gelet op artikel 3, vierde lid, van de AOW verzekerd is ingevolge de AOW. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze verzekering niet afdoen het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onder a, van de Verordening 1408/71, aangezien eiseres in de betreffende periode niet werkzaam was op het grondgebied van Duitsland. Voor een analoge toepassing van dit artikel, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd, in een geval dat een betrokkene van het Duitse verzekeringsorgaan Kindererziehungszeiten toegekend heeft gekregen, ziet de rechtbank geen aanleiding.

Evenmin kan het bepaalde in Bijlage VI, onderdeel R (Nederland), onder 2b of 2h, van de Verordening 1408/71 aan deze verzekering afdoen, reeds omdat die bepalingen niet van toepassing zijn omdat eiseres nu juist wel verzekerd was ingevolge de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/791

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2011

inzake

[eiseres],

te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. B.J.M. de Leest,

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

te Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde mr. M.F. Sturmans.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 28 september 2010 heeft verweerder aan eiseres desgevraagd een pensioenoverzicht verstrekt.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 25 januari 2011 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 6 juli 2011, waar de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Tevens is de echtgenoot van eiseres verschenen.

<b>Overwegingen</b>

1. In dit geding is de vraag aan de orde of het besluit van 25 januari 2011 in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat uit van de navolgende relevante feiten en omstandigheden.

3. Eiseres is op [datum] 1949 geboren in Duitsland. Zij is op 2 juli 1971 gehuwd en samenwonend met de heer [echtgenoot], van Nederlandse nationaliteit, die destijds werkzaam was bij de Nederlandse Koninklijke Luchtmacht en als militair gestationeerd was in Duitsland. Eiseres heeft tot en met 30 juni 1972 in Duitsland werkzaamheden in loondienst verricht. Op [datum] 1972 is zoon [zoon] geboren en op [datum] 1976 dochter [dochter]. In juli 1988 zijn eiseres en haar echtgenoot vanuit Duitsland verhuisd naar Nederland.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat eiseres niet ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) verzekerd is geweest in de perioden:

- van 18 juli 1964 tot en met 1 juli 1971;

- van 12 juli 1971 tot en met 16 november 1971;

- van 3 januari 1972 tot en met 24 maart 1972;

- van 4 april 1972 tot en met 30 juni 1972;

- van 1 november 1972 tot en met 31 oktober 1973; en

- van 1 oktober 1976 tot en met 30 september 1977.

Gelet hierop is eiseres tot en met 27 september 2010, naar boven afgerond, 37 jaar verzekerd geweest voor de AOW. Ieder verzekerd jaar levert 2% AOW op. Eiseres heeft derhalve tot en met 27 september 2010 74% van het volledige ouderdomspensioen ingevolge de AOW opgebouwd. Verweerder heeft aan eiseres medegedeeld dat indien zij tot haar 65e jaar verzekerd blijft, zij 82% van het volledige AOW-pensioen zal ontvangen. Ten aanzien van de periode van 1 november 1972 tot en met 31 oktober 1973 en de periode van 1 oktober 1976 tot en met 30 september 1977 stelt verweerder dat eiseres op grond van het bepaalde in de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening 1408/71) over deze perioden niet als verzekerd voor de AOW wordt aangemerkt, aangezien zij gedurende deze perioden verzekerd is in Duitsland op grond van door het Duitse verzekeringsorgaan over die perioden toegekende Kindererziehungszeiten. Dat zijn verzekeringstijdvakken die worden toegekend voor het opvoeden van kinderen in Duitsland.

5. Eiseres is het hiermee niet eens en stelt zich op het standpunt dat verweerder de periode van 1 november 1972 tot en met 31 oktober 1973 en de periode van 1 oktober 1976 tot en met 30 september 1977 ten onrechte als niet verzekerde perioden heeft aangemerkt. In deze perioden heeft eiseres geen werkzaamheden in loondienst in Duitsland verricht, waardoor zij als echtgenote van een in Nederland verplicht verzekerde, als verzekerd voor de AOW moet worden aangemerkt. Het gegeven dat zij in die jaren van de Duitse staat Kindererziehungszeiten toegekend heeft gekregen, doet daar niet aan af.

6. Het wettelijke kader luidt als volgt.

7. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AOW – zoals dit artikellid tot 1 januari 1990 luidde – is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij:

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch terzake van binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

8. Ingevolge artikel 2 van de AOW – zoals dit artikel tot 1 januari 1990 luidde – is ingezetene in de zin van deze wet degene, die binnen het Rijk woont.

9. In artikel 3, vierde lid, van de AOW – zoals dit artikellid luidde tot zijn vervallenverklaring op 1 april 1985 – is, voor zover thans van belang, bepaald dat de buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, alsmede zijn echtgenote en de kinderen voor wie hij ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet recht op kinderbijslag heeft, worden geacht binnen het Rijk te wonen.

10. Ingevolge artikel 13, eerste lid aanhef en onder a, van de AOW, wordt op het bruto-ouderdomspensioen een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest.

11. Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder a, van de Verordening 1408/71 is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid- Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat.

12. Op grond van Bijlage VI, onderdeel R (Nederland), onder 2b, van de Verordening 1408/71 wordt de korting bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de AOW niet toegepast voor (delen van) kalenderjaren welke vóór 2 augustus 1989 zijn gelegen en gedurende welke een gehuwde of gehuwd geweest zijnde persoon tussen zijn/haar 15e en 65e jaar, wonende op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan Nederland, niet ingevolge genoemde wet verzekerd was, voor zover het (delen van) kalenderjaren betreft die samenvallen met verzekeringstijdvakken die door zijn/haar huwelijkspartner krachtens bedoelde wet zijn vervuld en gedurende welke tijdvakken zij met elkaar waren gehuwd.

Op grond van het bepaalde onder 2h van deze Bijlage geldt het bepaalde onder 2b niet voor tijdvakken welke samenvallen met die welke in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van pensioenrechten ingevolge de ouderdomspensioenregeling van een andere Lid-Staat dan Nederland.

13. De rechtbank overweegt als volgt.

14. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder eiseres terecht en op goede gronden als niet verzekerd ingevolge de AOW heeft aangemerkt over:

- de periode van 1 november 1972 tot en met 31 oktober 1973 en;

- de periode van 1 oktober 1976 tot en met 30 september 1977.

15. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat eiseres gedurende de perioden in geding van het Duitse verzekeringsorgaan Kindererziehungszeiten toegekend heeft gekregen. Op grond van het voorgaande is eiseres gedurende deze periode als verzekerd voor de ouderdomsverzekering in Duitsland aangemerkt.

16. Gelet op artikel 3, vierde lid, van de AOW – zoals dit artikellid luidde in de perioden in geding – is eiseres over deze perioden verzekerd ingevolge de AOW.

Naar het oordeel van de rechtbank kan aan deze verzekering niet afdoen het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onder a, van de Verordening 1408/71, aangezien eiseres in de perioden in geding niet werkzaam was op het grondgebied van Duitsland. Voor een analoge toepassing van dit artikel, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd, in een geval dat een betrokkene van het Duitse verzekeringsorgaan Kindererziehungszeiten toegekend heeft gekregen, ziet de rechtbank geen aanleiding.

Evenmin kan het bepaalde in Bijlage VI, onderdeel R (Nederland), onder 2b of 2h, van de Verordening 1408/71 aan deze verzekering afdoen, reeds omdat die bepalingen niet van toepassing zijn omdat eiseres nu juist wel verzekerd was ingevolge de AOW.

17. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiseres gegrond en zal het bestreden besluit, voor zover daarin het bezwaar van eiseres ongegrond is verklaard tegen de vaststelling dat zij niet als verzekerde ingevolge de AOW dient te worden aangemerkt over de periode van 1 november 1972 tot en met 31 oktober 1973 en van 1 oktober 1976 tot en met 30 september 1977, worden vernietigd wegens strijd met de wet.

18. Het vorenstaande brengt met zich dat verweerder nog slechts kan beslissen dat eiseres als verzekerde ingevolge de AOW dient te worden aangemerkt over genoemde perioden. De rechtbank zal om die reden, met toepassing van art. 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

19. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

20. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 41,00 dient te vergoeden.

21. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin het bezwaar van eiseres ongegrond is verklaard tegen de vaststelling dat eiseres niet als verzekerde ingevolge de AOW dient te worden aangemerkt over de periode van 1 november 1972 tot en met 31 oktober 1973 en van 1 oktober 1976 tot en met 30 september 1977;

- bepaalt dat eiseres wel als verzekerde ingevolge de AOW dient te worden aangemerkt over de periode van 1 november 1972 tot en met 31 oktober 1973 en van 1 oktober 1976 tot en met 30 september 1977;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 41,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als rechter in tegenwoordigheid van drs. J.G.J. van Geesink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2011.

<HR>

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: