Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU5134

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
01/840000-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ5335, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlokking van brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/840000-11

Datum uitspraak: 22 november 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 oktober 2011.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 november 2011 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

[medeverdachte1] en [medeverdachte2] op of omstreeks 09 maart 2010 in Vorstenbosch, gemeente Bernheze, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een schuur aan de [adres] in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die schuur aanwezige goederen en/of het woonhuis en/of beplanting nabij de schuur te duchten was;

welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 9 maart 2010, in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen over (de locatie en de bereikbaarheid van) het in brand te steken object, en/of de wijze van brandstichting en/of het verstrekken van een jerrycan met brandbare vloeistof en/of het verstrekken van krantenpapier en/of een aansteker.

(artikel 157 jo 47 lid 1 sub 2 wetboek van strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte1] en [medeverdachte2] op of omstreeks 09 maart 2010 in Vorstenbosch, gemeente Bernheze, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een schuur aan de [adres] in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die schuur aanwezige goederen en/of het woonhuis en/of beplanting nabij de schuur te duchten was;

tot het plegen van welk feit hij, verdachte in om ofstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 9 maart 2010, in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door het verschaffen van inlichtingen over (de locatie en de bereikbaarheid van) het in brand te steken object (via Google earth), en/of de meest effectieve wijze van brandstichting en/of het hiertoe verstrekken van een jerrycan met brandbare vloeistof en/of het verstrekken van krantenpapieren/of een aansteker.

(artikel 157 jo 47 lid 1 sub 2 wetboek van strafrecht)

2.

[medeverdachte1] en [medeverdachte2] op of omstreeks 26 februari 2010 in Veghel, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een stellage Bavaria-kratten in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in de nabijheid van die stellage aanwezige beplanting te duchten was;

welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 26 februari 2010, in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen over (de locatie en de bereikbaarheid van) het in brand te steken object, en/of de wijze van brandstichting en/of het verstrekken van een jerrycan met brandbare vloeistof en/of het verstrekken van krantenpapieren/of een aansteker.

(artikel 157 jo 47 lid 1 sub 2 wetboek van strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte1] en [medeverdachte2] op of omstreeks 26 februari 2010 in Veghel, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een stellage Bavaria-kratten in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de nabij die stellage aanwezige beplanting te duchten was;

tot het plegen van welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 26 februari 2010, in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door het verschaffen van inlichtingen over (de locatie en de bereikbaarheid van) het in brand te steken object (via Google earth), en/of de meest effectieve wijze van brandstichting en/of het hiertoe verstrekken van een jerrycan met brandbare vloeistof en/of het verstrekken van krantenpapier en/of een aansteker.

(artikel 157 jo 47 lid 1 sub 2 wetboek van strafrecht)

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte1] en [medeverdachte2] op of omstreeks 26 februari 2010 in Veghel, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een stellage Bavaria-kratten geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of aan hem, verdachte, heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door die stellage en/of die kratten in brand te steken, welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 9 maart 2010, in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door informatie te geven over de locatie en de bereikbaarheid van het in brand te steken object (via Google earth) en/of over de meest effectieve wijze van brandstichting en/of door het hiertoe verstrekken van een jerrycan met brandbare vloeistof en/of het verstrekken van krantenpapieren/of een aansteker;

(artikel 350 jo 47 lid 1 sub 2 wetboek van strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten

Op 26 februari 2010 hebben [medeverdachte1] en [medeverdachte2] met een brandbare vloeistof een stellage Bavaria-kratten en op 9 maart 2010 de schuur, gelegen aan de [adres] te Vorstenbosch, gemeente Bernheze in brand gestoken.1

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op grond van de door [medeverdachte1] en [medeverdachte2] bij de politie en ter terechtzitting van 8 november 2011 afgelegde verklaringen, alsmede de door [persoon1] afgelegde verklaring het onder feit 1 primair en feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de door [medeverdachte1] en [medeverdachte2] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar en alles behalve consistent zijn en derhalve niet als bewijs kunnen worden gebezigd. Verdachte dient derhalve naar de mening van de raadsvrouwe te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Uit het dossier is niet gebleken dat er gemeen gevaar voor goederen was. Op grond daarvan spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder feit 2 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen, zoals hierna is verwoord, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] heeft bewogen tot het plegen van het feit (uitlokking). Dit sluit de ten laste gelegde medeplichtigheid aan het in brand steken van de stellage Bavaria-kratten uit. Bovendien is niet gebleken van gemeen gevaar voor goederen. Op grond daarvan spreekt de rechtbank verdachte eveneens vrij van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 meer subsidiair:

Getuige [medeverdachte1] heeft ter terechtzitting van 8 november 2011 verklaard dat hij blijft bij de door hem bij de politie afgelegde verklaringen. Voorts heeft hij verklaard dat hij door verdachte is 'opgenaaid' om de branden te gaan stichten. Verdachte heeft hem en [medeverdachte2] op de computer laten zien waar de paardenschuur zich bevond en verteld hoe ze daar het beste naartoe konden rijden. Verder heeft verdachte hen, zowel bij de schuur als bij de Bavaria-kratten een brandbare vloeistof meegegeven. Het idee om de kratten aan te steken kwam ook van verdachte. Vervolgens zijn [medeverdachte1] en [medeverdachte2] naar de door verdachte aangewezen plaatsen gereden en hebben daar brand gesticht. 2

Bij de politie heeft [medeverdachte1] verklaard dat verdachte leuke plaatsen wist waar brand kon worden gesticht. Hij heeft ideeën gegeven hoe dat het beste kon worden gedaan door bij de Bavaria-kratjes te zeggen dat je het best benzine van boven naar beneden kunt strooien en in een soort geheimtaal gesproken. Met 'volle maan' bedoelde hij vuur en met 'mistig' bedoelde hij rook. Van de branden kreeg verdachte een melding en vervolgens ging hij daar naartoe om foto's te maken. De dag na de brand ging [medeverdachte1] samen met [medeverdachte2] naar verdachte toe om met hem te praten over het verloop van de brandstichtingen. 3

Getuige [medeverdachte2] heeft ter terechtzitting van 8 november 2011 verklaard dat hij blijft bij de door hem bij de politie afgelegde verklaringen. Voorts heeft hij verklaard door verdachte te zijn 'opgenaaid' de branden te stichten. Verdachte kwam met het idee de kratjes in brand te steken. Toen verdachte daarmee kwam was [medeverdachte2] samen met [medeverdachte1] bij verdachte thuis. Verdachte heeft hun een brandbare vloeistof gegeven en vervolgens is [medeverdachte2] samen met [medeverdachte1] naar de door verdachte aangewezen plek gereden en hebben zij de kratjes in brand gestoken. Ook het idee van het in brand steken van de paardenschuur is van verdachte gekomen. Bij hem thuis heeft verdachte op de computer laten zien waar de paardenschuur zich bevond. Verdachte heeft hun een brandbare vloeistof meegegeven en vervolgens zijn zij naar de paardenschuur in Vorstenbosch gereden en hebben daar brand gesticht. 4

Bij de politie heeft [medeverdachte2] verklaard dat wanneer verdachte sprak over 'volle maan' en 'mistig' hij wist dat hij daarmee bedoelde dat het weer tijd was om brand te gaan stichten. Verder heeft hij verklaard dat verdachte op hen inpraatte en dat zij op die manier niets anders konden dan brand stichten. Ondanks het feit dat hij de paardenstal niet in brand wilde steken heeft hij dat toch gedaan omdat verdachte zo bleef doordrammen. Verdachte wilde dat er brand werd gesticht, zodat hij daarvan foto's kon maken. Na de brandstichtingen is daarover met verdachte gepraat. Verdachte vertelde dan hoe het was verlopen en dat hij weer een mooie melding had. 5

[persoon1] heeft verklaard dat twee jongens ([medeverdachte1] en [medeverdachte2]) bij verdachte kwamen die vertelden dat ze net van de brand (stellage Bavaria-kratjes) afkwamen die zij gesticht hadden. Verder praatten zij met verdachte over diverse locaties die leegstonden. Verdachte zou volgens [persoon1] vaak over lege panden hebben gepraat, waarvan hij het mooi zou vinden als deze in brand zouden gaan.

Voorts heeft [persoon1] verklaard te hebben gehoord dat verdachte en [medeverdachte1] en [medeverdachte2] de kreten 'volle maan' en 'mist' gebruikten. 6

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de door de getuigen [medeverdachte1] en [medeverdachte2] afgelegde verklaringen betrouwbaar en consistent zijn. De getuigen verklaren onafhankelijk van elkaar in hoofdlijnen gelijk over het verloop van de brandstichtingen, waarmee zij ook zichzelf hebben belast. Beide getuigen hebben gedetailleerd verklaard van verdachte te hebben gehoord waar de objecten zich bevonden en ook hebben zij allebei verklaard over het gebruik van de codetaal 'volle maan' en 'mist'. Getuige [persoon1] heeft gehoord dat daarvan door verdachte en [medeverdachte1] en [medeverdachte2] gebruik werd gemaakt en bovendien heeft hij hen horen praten over leegstaande locaties, waarvan verdachte het mooi zou vinden als deze in brand zouden gaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat

1.

[medeverdachte1] en [medeverdachte2] op 09 maart 2010 in Vorstenbosch, gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging opzettelijk brand hebben gesticht, immers hebben zij toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een schuur aan de [adres] in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die schuur aanwezige goederen te duchten was, welk feit hij, verdachte omstreeks 9 maart 2010, in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen over de locatie en de bereikbaarheid van het in brand te steken object, en het verstrekken van een brandbare vloeistof.

2. meer subsidiair:

[medeverdachte1] en [medeverdachte2] op 26 februari 2010 in Veghel, tezamen en in vereniging, opzettelijk en wederrechtelijk een stellage Bavaria-kratten toebehorende aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] hebben vernield door die stellage van kratten in brand te steken, welk feit hij, verdachte omstreeks 26 februari 2010 in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van middelen en inlichtingen, te weten door informatie te geven over de locatie en de bereikbaarheid van het in brand te steken object en over de meest effectieve wijze van brandstichting en door het hiertoe verstrekken van een brandbare vloeistof.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 meer subsidiair een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, voor zover het betreft de immateriële schadevergoeding ten bedrage van EUR 500,--, zulks met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat deze niet eenvoudig van aard is.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken en dat hem derhalve geen straf toekomt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij refereert de verdediging zich subsidiair aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Strafverzwarend

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten (het aanzetten van 12 jaar jongere personen tot het in brand steken van een stellage Bavaria-kratten en een schuur) in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte door zijn gedragingen een groot gevaar voor goederen, in het bijzonder de paarden die normaal gesproken in de schuur stonden, in het leven heeft geroepen en zich om het lot van de paarden kennelijk volstrekt niet heeft bekommerd. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de overlast en materiële schade die als gevolg van verdachtes strafbare gedrag is ontstaan alsmede met de onrust en angst die bij [slachtoffer] is veroorzaakt. Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor andermans bezit. Bovendien heeft verdachte geen inzicht getoond in de gevolgen van zijn handelen. Voorts leidt dergelijk strafbaar gedrag tot algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Strafmatigend

De rechtbank heeft rekening gehouden met de door de verdediging in het geding gebrachte rapportage van drs. A.B.M.J. Tesink, GZ-psycholoog/psycholoog NIP, uit januari 2005.

Uit die rapportage blijkt dat er bij verdachte sprake is van een algeheel cognitief functioneren op zwakbegaafd niveau, waarbij de verbale kwaliteiten en het theoretisch leervermogen als indicatief voor een lichte verstandelijke functiebeperking zijn te zien. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het aanzienlijke tijdsverloop sedert het plegen van de strafbare feiten.

Alles overwegende zal de rechtbank een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank wil met de voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan. De straf zal niet ten uitvoer worden gelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 500,-- en materiële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 152,60 (post huur transport verbrandingsresten en afvalbijdrage resten dakpannen) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen, voorzover de materiële schadevergoeding het bedrag van EUR 152,60 te boven gaat, aangezien de post, betreffende de inboedelschade, geheel is gedekt door de uitkering van de verzekeringsmaatschappij.

De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 47, 57, 157, 350.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 2 primair en feit 2 subsidiair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, door het verschaffen van middelen en inlichtingen.

T.a.v. feit 2 meer subsidiair:

opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, door het verschaffen van middelen en inlichtingen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 meer subsidiair:

Een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 meer subsidiair:

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

T.a.v. feit 1 primair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 652,60 subsidiair 13 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 652,60 (zegge: zeshonderdtweeënvijftig euro en zestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 152,60 materiële schadevergoeding (post huur transport verbrandingsresten en afvalbijdrage resten dakpannen) en immateriële schadevergoeding ten bedrage van EUR 500,--.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsver-plichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van EUR 652,60 (zegge: zeshonderdtweeënvijftig euro en zestig cent), te weten materiële schadevergoeding (post huur transport verbrandingsresten en afvalbijdrage resten dakpannen) ten bedrage van EUR

152,60 en immateriële schadevergoeding ten bedrage van EUR 500,--.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van F.H.M. Klerkx, griffier,

en is uitgesproken op 22 november 2011.

1 de door [medeverdachte1] en [medeverdachte2] ter terechtzitting van 8 november 2011 afgelegde verklaringen;

2 de door [medeverdachte1] ter terechtzitting van 8 november 2011 afgelegde verklaring;

3 eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, district Maas en Leijgraaf, nummer PL21ZO 2010026872, d.d. 18 maart 2011 verder te noemen Eindpv., pag. 49 t/m 51 en 55 t/m 58, verklaring [medeverdachte1];

4 de door [ getuige ] ter terechtzitting van 8 november 2011 afgelegde verklaring;

5 Eindpv., pag 82,83, 86, 87, 91 verklaringen van [medeverdachte2];

6 proces-verbaal d.d. 18 augustus 2010 van de regiopolitie Brabant-Noord, district Maas en Leijgraaf, inhoudende verklaring van [persoon1], pag.2 en 3;