Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU4288

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
AWB 11-1175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het werkleeraanbod en inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren zijn ingetrokken omdat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert. De rechtbank oordeelt dat het gegeven dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert niet afdoet aan haar recht op een werkleeraanbod. In dit geval heeft de niet rechthebbende partner geen recht op inkomensvoorziening. Gelet op artikel 28, derde lid, van de WIJ behoudt betrokkene dan ook het recht op een inkomensvoorziening naar de norm alleenstaande ouder. Uit de artikelen 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ juncto artikel 7 van de WIJ juncto artikel 34 van de WWB volgt dat het vermogen van de niet rechthebbende partner wel een rol kan spelen bij de vraag of betrokkene recht heeft op een inkomensvoorziening. Voorts volgt uit artikel 36, vijfde lid, van de WIJ, dat bij de hoogte van de inkomensvoorziening het inkomen van de niet rechthebbende partner eveneens een rol kan spelen bij de vraag hoe hoog de inkomensvoorziening is van de betrokkene. Verweerder wordt opgedragen nader onderzoek te doen naar het vermogen en inkomen van de niet rechthebbende partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/1175

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2011

inzake

[eiseres],

te [plaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.W.G.M. Kral,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder,

gemachtigde: A.M. Jacobs.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 21 december 2010 heeft verweerder de inkomensvoorziening en het werkleeraanbod van eiseres ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ) met ingang van 1 december 2010 ingetrokken.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 2 maart 2011 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 11 oktober 2011, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden zijn besluit heeft gehandhaafd, waarbij het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening ingevolgde de WIJ van eiseres is ingetrokken met ingang van 1 december 2010.

2. De rechtbank is bij haar oordeelsvorming uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiseres, geboren op [datum] 1985, ontving sinds 22 april 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 oktober 2009 is deze WWB-uitkering van rechtswege omgezet naar een uitkering ingevolge de WIJ. Naar aanleiding van een anonieme tip dat eiseres zou samenwonen met haar nieuwe partner, heeft verweerder de sociale recherche opdracht gegeven een nader onderzoek te verrichten. In de maanden april, juni, juli, augustus en september 2010 heeft de sociale recherche waarnemingen verricht in de nabijheid van de woning van eiseres. Op 12 oktober 2010 is eiseres schriftelijk verzocht een aantal nader genoemde stukken te overleggen vóór 20 oktober 2010. Omdat eiseres deze stukken niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd heeft verweerder het recht op uitkering van eiseres vanaf 20 oktober 2010 opgeschort. Op 29 oktober 2010 heeft eiseres alsnog stukken overgelegd, waarna verweerder op 2 november 2010 de opschorting weer ongedaan heeft gemaakt. Na een uitnodiging daartoe is eiseres op 24 november 2010 verschenen voor een gesprek. Tijdens dit gesprek heeft eiseres in eerste instantie verklaard dat zij sinds een half jaar een vriend, [vriend], heeft die af en toe bij haar is. Soms door de week, één of twee keer hooguit en in het weekend. Vervolgens heeft eiseres verklaard dat [vriend] hooguit vier nachten per week bij haar is. Hij zou wel iedere dag bij haar zijn, maar hij zou niet iedere nacht blijven slapen. Tijdens een tweede gesprek, anderhalf uur na de aanvang van het eerste gesprek, heeft eiseres verklaard dat [vriend] iedere dag bij haar is en minimaal vier nachten per week blijft slapen.

4. Op de urenspecificatie over de periode van 1 december 2010 tot en met 31 december 2010 is aangegeven dat de uitkering is geblokkeerd. Bij besluit van 21 december 2010 heeft verweerder de inkomensvoorziening ingetrokken, omdat eiseres een gezamenlijke huishouding voert en het inkomen van eiseres en [vriend] hoger is dan de uitkeringsnorm welke voor hen geldt. Op 21 december 2010 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de blokkering van haar uitkering. Op 3 januari 2011 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat hij er vanuit gaat dat dit bezwaar tevens gericht is tegen het besluit van 21 december 2010 waarbij het recht op een inkomensvoorziening is ingetrokken per 1 december 2010. Op 29 januari 2011 heeft eiseres alsnog bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 december 2010.

5. In het thans bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres een uitkering ontvangt naar de norm voor een alleenstaande ouder, maar dat zij niet meer als zodanig kan worden aangemerkt omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met [vriend]. Verweerder stelt dat uit de verklaring van eiseres overduidelijk blijkt dat [vriend] het overgrote deel van de week bij haar verblijft. Het gezamenlijk hoofdverblijf is daarmee volgens verweerder aangetoond. Ook is volgens verweerder gebleken van wederzijdse zorg voor elkaar. Dit blijkt volgens verweerder uit de volgende omstandigheden:

- eiseres doet de was voor [vriend];

- eiseres kookt voor [vriend];

- [vriend] maakt regelmatig gebruik van de auto van eiseres;

- [vriend] past soms op de kinderen van eiseres en laat soms haar hond uit;

- eiseres en [vriend] doen samen de boodschappen;

- [vriend] klust wel eens aan de auto van eiseres.

6. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij stelt dat zij niet eenduidig heeft verklaard dat [vriend] vier nachten of meer per week in haar woning verblijft. Uit haar niet eenduidige verklaringen kan volgens eiseres niet de conclusie worden getrokken dat [vriend] feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in haar woning. Haar niet bestreden verklaring dat er bijna geen persoonlijke bezittingen van [vriend] in haar woning lagen zet deze conclusie kracht bij. Daarnaast is de wederzijdse zorg volgens eiseres te beperkt van aard, te onregelmatig en te vrijblijvend om daaraan consequenties in termen van gezamenlijke huishouding te verbinden. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij zich nooit verzet heeft tegen een huisbezoek. Verweerder gaat er volgens eiseres ten onrechte vanuit dat [vriend] inkomsten genoot. Onderzoek daarnaar heeft niet plaatsgevonden. Ten slotte heeft eiseres nog opgemerkt dat zij [vriend] inmiddels uit haar leven heeft verwijderd en zij vanaf 22 december 2010 weer een uitkering ontvangt.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WIJ is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding, dan wel anderszins.

9. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de aanname dat [vriend] ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres op het adres [adres] te [plaats]. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de door eiseres over haar woon- en leefsituatie afgelegde verklaringen. Daaruit kan onder meer worden opgemaakt dat [vriend] dagelijks een aantal uren en daarnaast gemiddeld vier nachten per week bij eiseres doorbracht.

10. Het tweede criterium waaraan voldaan moet zijn is dat van de wederzijdse verzorging. Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkene in elkaars verzorging voorzien.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval aan het criterium van wederzijdse verzorging voldaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [vriend] met eiseres haar boodschappen deed, geregeld met eiseres mee at, op haar kinderen paste en haar hond uitliet. Daarnaast maakte [vriend] gebruik van de auto van eiseres en deed eiseres de was voor [vriend].

11. Op grond van het voorgaande is voor de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat eiseres en [vriend] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WIJ. De omstandigheid dat verweerder eiseres met ingang van 22 december 2010 wederom in aanmerking heeft gebracht voor een inkomensvoorziening naar de norm voor een alleenstaande ouder, doet daaraan op zichzelf niet af.

12. Dat eiseres en [vriend] een gezamenlijke huidshouding voerden ten tijde in geding betekent echter nog niet dat eiseres om die reden niet langer in aanmerking komt voor een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening naar de norm van een alleenstaande.

13. In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ staat vermeld dat desgevraagd recht heeft op een werkleeraanbod de jongere die zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 26 jaar bevindt en wiens in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de op hem van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29, waarbij voor het in aanmerking te nemen inkomen het inkomen van de echtgenoot buiten beschouwing wordt gelaten.

14. De rechtbank leidt uit dit artikel af dat voor een recht op een werkleeraanbod het inkomen en vermogen van de partner geen rol speelt. Derhalve doet het gegeven dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde met [vriend] niet af aan haar recht op een werkleeraanbod.

15. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a en b van de WIJ heeft de jongere van 18 jaar of ouder, die een aanvraag voor een werkleeraanbod heeft ingediend, recht op een inkomensvoorziening indien hij geen in aanmerking te nemen vermogen heeft, en zijn in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de op hem van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.

16. Ingevolge artikel 28, derde lid, van de WIJ is indien een van de gehuwden geen recht heeft op inkomensvoorziening, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem als alleenstaande of als alleenstaande ouder zou gelden.

17. Uit het rapport sociale recherche van 29 november 2010 begrijpt de rechtbank dat [vriend] geboren is op 9 juni 1970. Hieruit leidt de rechtbank af dat [vriend] geen recht heeft op inkomensvoorziening. Gelet op artikel 28, derde lid, van de WIJ behoudt eiseres dan ook het recht op een uitkering naar de norm alleenstaande ouder.

18. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres gegrond moet worden verklaard, nu daarin ten onrechte is overwogen dat eiseres ten onrechte een werkleeraanbod en inkomensvoorziening naar de norm alleenstaande ouder ontving. De rechtbank kan op grond van de huidige gedingstukken niet vaststellen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, voor zover het ziet op de intrekking van de inkomensvoorziening. Uit de artikelen 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ juncto artikel 7 van de WIJ juncto artikel 34 van de WWB volgt dat het vermogen van [vriend] wel een rol kan spelen bij de vraag of eiseres recht heeft op een inkomensvoorziening. Voorts volgt uit artikel 36, vijfde lid, van de WIJ, dat het inkomen van [vriend] eveneens een rol kan spelen bij de vraag hoe hoog de inkomensvoorziening is van eiseres. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar het inkomen en vermogen van [vriend], zodat niet kan worden beoordeeld of de intrekking van de inkomensvoorziening (gedeeltelijk) in stand kan blijven. Nu verweerder nog nader onderzoek dient te verrichten, ziet de rechtbank evenmin aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

19. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal

€ 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

20. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 41,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00, te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als rechter in tegenwoordigheid van drs. M.T. Petersen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2011.

<HR>

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: