Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BU3846

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
216134 - HA ZA 10-1821
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ6532, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onteigening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 216134 / HA ZA 10-1821

Vonnis van 9 november 2011

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiser,

advocaat mr. B.S. ten Kate te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. G.L. de Gier te ’s-Hertogenbosch

en tegen

[intervenient],

wonende te [woonplaats],

interveniënt,

advocaat mr. drs. J.P. de Man te Rosmalen.

Partijen zullen hierna De Staat, [gedaagde] en [intervenient] genoemd worden.

1. De verdere procedure

1.1. Bij tussenvonnis d.d. 6 oktober 2010 werd (onder meer) de onteigening vervroegd uitgesproken, met bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] op EUR 401.085,00.

1.2. Het onteigeningsvonnis is op 18 november 2010 ingeschreven in de openbare registers.

1.3. Het conceptrapport is op 5 mei 2011 aan partijen en de rechtbank toegezonden. Zijdens de Staat is daarop bij brief van mr. Ten Kate d.d. 13 mei 2011 medegedeeld dat de Staat afziet van commentaar op het concept-rapport. Zijdens [gedaagde] is op het rapport gereageerd bij brief van mr. De Gier d.d. 31 mei 2011.

1.4. Het (definitieve) rapport van deskundigen d.d. 7 juli 2011 is op 8 juli 2011 ter griffie van de rechtbank gedeponeerd.

1.5. Partijen hebben hun zaak vervolgens doen bepleiten op 1 oktober 2011. Bij die gelegenheid zijn de volgende stukken in het geding gebracht:

- de pleitnota van [gedaagde]

- de pleitnota van interveniënt [.].

1.6. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De motivering van de beslissing.

2.1. Na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting heeft de voorzitter van de commissie van deskundigen een brief aan de raadslieden van de gedaagde partijen in de nog lopende onteigeningsprocedures in verband met de verlegging van de Zuid-Willemsvaart (uitgezonderd de onderhavige zaak, waarin immers het onderzoek ter terechtzitting al was gesloten en een datum voor vonnis was bepaald) toegezonden.

Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Deskundigen zijn onlangs in één van de andere nog lopende onteigeningsprocedures in verband met de verlegging van de Zuid-Willemsvaart door de gedaagde partij benaderd met vragen over de onafhankelijkheid van de heer [X] ten opzichte van de Staat. Naar aanleiding van deze vragen heeft de heer [X] moeten vaststellen dat hij door in één zaak werkzaamheden te verrichten in opdracht van en ten behoeve van de Staat onvoldoende heeft onderkend dat die werkzaamheden strijdig zouden kunnen zijn met zijn werkzaamheden als onafhankelijke rechtbankdeskundige in onteigeningszaken op naam van de Staat.

Met de heer [X] heb ik afgesproken dat wij deze kwestie middels deze brief aan u en uw cliënten melden en daarbij (uiteraard) tevens volledige openheid van zaken willen verschaffen.

Deze kwestie laat zich als volgt toelichten: tót 2006 heeft de heer [X] veelvuldig als extern deskundige/partij-deskundige in opdracht van en ten behoeve van diverse regionale diensten van Rijkswaterstaat adviezen uitgebracht in civielrechtelijke zaken op het gebied van bouwschades en grondverwervingen.

Per ultimo 2005 heeft de heer [X] om hem moverende redenen aan Rijkswaterstaat laten weten dat hij niet langer als partij-adviseur in bouwschades en/of grondverwervingszaken wilde optreden. In 2006 heeft de heer [X] nog één laatste advies uitgebracht aan Rijkswaterstaat Limburg.

Sinds 2006 treedt de heer [X] voor het overige uitsluitend nog in bestuursrechtelijke zaken op als lid van nadeelcompensatiecommissies van Rijkswaterstaat/de Minister. Deze commissies treden -zoals u weet- niet op als “partij-adviseur” van Rijkswaterstaat/de Minister, maar brengen juist als commissies van onafhankelijke deskundigen advies uit aan de Minister over verzoeken om schadevergoeding/nadeelcompensatie. Met deze beslissing heeft de heer [X] voorts willen bewerkstelligen dat hij in voorkomende gevallen vrij zou staan om benoemingen van de rechtbank te aanvaarden in onteigeningszaken op naam van de Staat.

Eerst naar aanleiding van de vragen van eerder genoemde gedaagde partij heeft de heer [X] zich gerealiseerd dat hij het strikte onderscheid dat hij vanaf 2006 heeft bedoeld te maken tussen zijn voormalige werkzaamheden als partij-adviseur van de Staat/Rijkswaterstaat en zijn optreden als lid van onafhankelijke nadeelcompensatiecommissies en als rechtbankdeskundige in één thans lopende civiele zaak bij de rechtbank Arnhem onvoldoende heeft gemaakt. In deze zaak heeft de heer [X] in 2004 samen met twee andere externe deskundigen van Rijkswaterstaat Oost advies uitgebracht over de verwerving van gronden van een groenrecyclingbedrijf in de omgeving van Arnhem. Samen met die beide andere externe deskundigen heeft de heer [X] in 2007/2008 een vervolgadvies gegeven over een aanvullende schadeloosstelling aan dat bedrijf. Over deze aanvullende schadeloosstelling is tussen de Staat en het bedrijf in april 2011 een civiele procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Arnhem. In deze procedure treedt mr. B.S. ten Kate op als advocaat van de Staat/Rijkswaterstaat Oost. In deze procedure heeft de heer [X] met de beide andere externe deskundigen opgetreden als partijdeskundige voor de Staat/Rijkswaterstaat Oost.

De heer [X] heeft zich eerst naar aanleiding van de vragen van eerder genoemde gedaagde partij gerealiseerd dat hij de opdracht voor het optreden als partijdeskundige voor de Staat/Rijkswaterstaat Oost in de civiele zaak bij de rechtbank Arnhem niet had mogen aanvaarden (althans niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de rechtbank en met name ook uw cliënten), en in elk geval ook had moeten melden aan de rechtbank (en aan u/uw cliënten). Ter verklaring, doch niet als excuus, geldt hiervoor dat deze zaak voor de heer [X] een oude kwestie betrof, waarin hij samen met twee andere externe deskundigen als “schadecommissie Rijkswaterstaat” eerder reeds advies had uitgebracht, en de werkzaamheden nadien in respectievelijk 2007/2008 en 2011 door hem (achteraf te gemakkelijk) beschouwd zijn als “louter” aanvullende werkzaamheden van die schadecommissie in de oude kwestie van 2004.

De heer [X] betreurt deze omissie ten zeerste en kan in dit stadium niet anders dan aan u en uw cliënten alsnog volledige openheid van zaken geven. De heer [X] heeft mij daarbij verzekerd dat hij uiteraard bereid is om met onmiddellijke ingang zijn werkzaamheden in het kader van de civiele zaak bij de rechtbank Arnhem te beëindigen.

Zelf heb ik geen enkele reden om te twijfelen aan de integriteit en onafhankelijkheid van de heer [X] bij zijn optreden als rechtbankdeskundige in onteigeningszaken op naam van de Staat. De heer [X] en ik realiseren ons echter dat bij een optreden als rechtbankdeskundige ook iedere schijn van mogelijke belangenverstrengeling voorkomen moet worden.

Graag verneem ik van u of uw cliënten -met inachtneming van de verklaring van de heer [X] ten aanzien van de feitelijke gang van zaken- voldoende vertrouwen kunnen (blijven) hebben in de onafhankelijkheid en integriteit van de heer [X] bij zijn werkzaamheden als rechtbankdeskundige in de onteigeningszaak van uw cliënten. Indien uw cliënten dat vertrouwen niet meer zouden hebben, zal de heer [X] zich uiteraard beraden over zijn positie, en ik kan niet uitsluiten dat aan de rechtbank zal worden verzocht om een andere deskundige in zijn plaats in deze zaak te benoemen.

Met het oog op de gewenste transparantie zend ik een afschrift van deze brief, per gelijke post ook aan mr. Ten Kate, alsmede aan mr. J.A. Bik als voorzitter van de onteigeningskamer van de rechtbank den Bosch. Een soortgelijke brief zend ik voorts aan de gedaagde partijen in de andere nog lopende onteigeningsprocedures in verband met de verlegging van de Zuid-Willemsvaart.”

2.2. De rechtbank acht termen aanwezig partijen ook in de onderhavige zaak de

gelegenheid te bieden zich uit te laten, waartoe de zaak naar de rol wordt verwezen.

2.2. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 november 2011 voor het nemen van een akte door partijen over hetgeen is vermeld onder r.o. 2.2.,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik, mr. J.P.M. van der Ham en mr. E.G.J.M. Bogaerts en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.