Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BT8622

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
01/845249-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van delen van een koperen gasleiding uit een leegstaand pand en wordt veroordeeld voor die diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van 323 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij zijn bijzondere voorwaarden gesteld. Verdachte heeft een groot gevaar veroorzaakt voor het pand en mensen en goederen in de directe omgeving daarvan.

Niet bewezen verklaard is dat hij door zo te handelen geprobeerd heeft een ontploffing teweeg te brengen als bedoeld in artikel 157 Sr. Evenmin is bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 161 Sr: vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van enig werk dienende tot waterkering, waterlozing, gas- of waterleiding of riolering. Gelet op het te beschermen belang dat de wetgever met de wijziging van artikel 161 Sr (ivm uitvoering kaderbesluit terrorismebestrijding van de EU van 13-6-02) voor ogen heeft gestaan, dient naar het oordeel van de rechtbank onder de term 'gasleiding' uit de tenlastelegging te worden verstaan een infrastructurele voorziening als wezenlijk en essentieel onderdeel van - onder meer - de economische en sociale structuur van een land. De gasleiding in het bewust pand kan niet als een dergelijke infrastructurele voorziening worden aangemerkt. Weliswaar heeft de wetgever bij de formulering van de wettekst een voorbeeld genomen aan artikel 351 Sr zonder de daarin voorkomende beperking over te nemen dat het dient te gaan om 'werken ten algemenen nutte', maar dat enkele feit brengt nog niet met zich dat ieder particulier gasleidingnet dat niet ten algemene nutte is bestemd reeds om die reden onder de bescherming valt van artikel 161 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845249-11

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats, geboortedatum]

wonende te [woonplaats,adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 september 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 juni 2011 te Veghel ter uitvoering van het door hem

voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen in een

woning en/of bedrijfspand ([adres 1]), terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen (de inboedel van die woning en/of dat

bedrijfspand en of belendende woning(en) en/of bedrijfspand(en) en/of de

inboedel daarvan), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen

(medewerkers van de gealarmeerde hulpdiensten die (later) aanwezig waren in

die woning en/of dat bedrijfspand en/of personen die aanwezig waren in de

belendende woning(en) en/of bedrijfspand(en) en/of personen die aanwezig waren

in de directe omgeving van die woning/dat bedrijfspand (onder meer op een

nabij gelegen (drukbezocht) fietspad)), in elk geval levensgevaar en/of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was,

met dat opzet de zich in die woning/dat bedrijfspand bevindende gasleiding(en)

heeft verbroken/vernield/beschadigd, als gevolg waarvan (een grote

hoeveelheid) gas vrijelijk die woning/dat bedrijfspand in is gestroomd en/of

(vervolgens) die woning/dat bedrijfspand heeft verlaten, terwijl de uitvoering

van dat misdrijf niet is voltooid;

art. 45 juncto 157 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 juni 2011 te Veghel opzettelijk een of meer

gasleiding(en) (zich bevindende in een woning/bedrijfspand, gelegen aan de

[adres 1]) heeft vernield en/of onbruikbaar gemaakt en/of beschadigd,

terwijl hiervan

- gemeen gevaar voor goederen (de inboedel van die woning/dat bedrijfspand

en/of belendende woning(en) en/of bedrijfspand(en) en/of de inboedel daarvan),

in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

- levensgevaar voor anderen (medewerkers van de gealarmeerde hulpdiensten die

(even later) in die woning/dat bedrijfspand aanwezig waren en/of personen die

aanwezig waren in die belendende woning(en) en/of bedrijfspand(en) en/of

personen die aanwezig waren in de directe omgeving van die woning/dat

bedrijfspand (onder meer op een nabij gelegen (drukbezocht) fietspad)), in elk

geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

art. 161 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 18 juni 2011 te Veghel met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning/bedrijfspand (Middegaal

11) heeft weggenomen een of meer koperen gasleiding(en), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art. 310 juncto 311 Wetboek van Strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding

De vaststaande feiten.

Op zaterdag 18 juni 2011 werd verdachte omstreeks 17.45 door surveillanten van de politieregio Brabant-Noord, district Maas en Leijgraaf, Team Veghel staande gehouden op de Dr. Vervoortsingel te Veghel. Verdachte droeg een rugzak waaruit diverse koperen leidingen staken die kennelijk recent waren afgebroken of afgesneden. Tevens bleek de rugzak enige gereedschappen te bevatten zoals een ijzerzaag, betonschaar, pijpensnijder en waterpomptang. De surveillanten hebben de rugzak met leidingen en gereedschappen in beslag genomen in verband met hun vermoeden dat de leidingen van diefstal afkomstig waren.

Bij een op zondag 19 juni 2011 uitgevoerd onderzoek naar leegstaande panden in de omgeving alwaar verdachte de dag ervoor was aangetroffen stuitte de politie op een leegstaand bedrijfspand aan de [adres 1] te Veghel. Geconstateerd werd dat in een niet-afgesloten ruimte delen van het (koperen) leidingenwerk waren vernield en weggenomen. Omdat de politiebeambten in het vervolg van hun onderzoek een sterke gaslucht roken en gesis hoorden hebben zij het pand ontruimd en de brandweer ingeschakeld1. Uit metingen van de brandweer in het pand bleek dat er een explosief gasmengsel in het gebouw aanwezig was, kennelijk afkomstig van een gaslek2. Nadat het gaslek was gedicht heeft de technische recherche een onderzoek ingesteld. Van de leiding waar het gas uitstroomde is een deel afgezaagd3 en vergeleken met de (uiteinden van de) koperen leidingen die de dag ervoor onder verdachte in beslag waren genomen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de beide onderzochte delen koperen leiding voorheen een geheel hebben gevormd4.

Op 19 juni 2011 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van diefstal van koperen leidingen uit het bedrijfspand [adres 1] te Veghel. Aangever is eigenaar van dit pand.

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, omdat de opzet van verdachte om een ontploffing te weeg te brengen ontbreekt.

Wel acht de officier van justitie het onder 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen, nu verdachtes opzet gericht was op de vernieling van gasleidingen. Voor bewezenverklaring van dit feit is het niet nodig dat het opzet van verdachte ook gericht was op het veroorzaken van een gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor anderen. Er ontstond door deze vernieling gevaar voor een ontploffing.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op dezelfde gronden als de officier van justitie op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is de verdediging van oordeel dat ook dit feit niet bewezen kan worden omdat verdachte niet wist of kon weten dat er in die leidingen gas zat. Daarom ontbreekt ook hier het opzet dan wel het voorwaardelijk opzet.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde:

Gezien de verklaring van verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris staat vast dat verdachte bij het wegnemen van koperen leidingen uit het bedrijfspand van de [adres 1] te Veghel een gaslek heeft veroorzaakt. Verdachte verklaarde immers:

'Op 18 juni 2011 heb ik koperen pijpen in een bedrijfspand in Veghel weggenomen. Ik ben het pand binnen gegaan door schroefjes van een plank los te maken. Ik was al een keer eerder bij het pand op het dak geweest. Ik had gereedschap bij mij, maar heb uiteindelijk de gasleiding met mijn hand losgewrikt. Op een gegeven moment spoot bij een pijp het gas eruit.'

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte (al dan niet voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het teweeg brengen van een explosie is - onder meer - van belang of verdachte ten tijde van het slopen en wegnemen van de leidingen wist dat de leidingen onder druk stonden en dat bij het verbreken ervan de stoffen die via de leidingen werden getransporteerd vrijelijk zouden kunnen ontsnappen. Verdachte ontkent dat namelijk. De rechtbank is van oordeel dat verdachtes wetenschap op dat punt niet is komen vast te staan, in aanmerking nemende dat:

* verdachte ter zitting verklaarde dat hij bij eerdere diefstallen van koperen leidingen uit het pand niet heeft gemerkt dat het leidingennet onder druk stond;

* de beschrijving die verdachte ter zitting heeft gegeven van het leidingennet zoals door hem op de 18e juni 2011 aangetroffen (verdachte beschrijft een leidingennet met een aantal openstaande leidinguiteinden) ook geen aanleiding gaf om te vermoeden dat het netwerk onder druk stond;

* het een leegstaand en kennelijk niet in gebruik zijnd bedrijfspand betrof.

Omdat niet vast is komen te staan dat verdachte wist dat de door hem vernielde koperen leiding op 18 juni 2011 onder druk stond, kan - ook indien wordt aangenomen dat verdachte wist dat het een gasleiding betrof - zijn opzet niet gericht zijn geweest op het teweegbrengen van een ontploffing, noch kan gezegd worden dat verdachte de kans dat zich als gevolg van zijn gedraging een explosie zou kunnen voordoen op de koop toe heeft genomen.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

De tenlastelegging is kennelijk toegespitst op de delictsomschrijving van artikel 161 Wetboek van Strafrecht (Sr), waarin strafbaar wordt gesteld hij die enig werk dienende tot waterkering, waterlozing, gas- of waterleiding of riolering, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt.

Artikel 161 Sr is gewijzigd bij wet van 24 juni 20045, ter uitvoering6 van het kaderbesluit terrorismebestrijding van de Europese Unie van 13 juni 20027. De bepaling is aldus aangepast dat het van toepassing is op werken dienende tot waterkering, waterlozing, gas- of waterleiding of riolering. Vóór de wijziging stelde artikel 161 Sr slechts strafbaar 'hij die opzettelijk enig werk dienende tot waterkering of waterlozing vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt' . Blijkens de memorie van toelichting8 wordt op deze wijze 'mede invulling gegeven aan de verplichting van het kaderbesluit, straf te stellen op de vergaande verwoesting van infrastructurele voorzieningen, alsmede op het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, stroom of andere essentiële hulpbronnen'. Ook uit de - van de memorie van toelichting deel uitmakende - transponeringstabel Kaderbesluit - blijkt dat de wijziging van artikel 161 Sr bedoeld is ter bescherming van infrastructurele voorzieningen.

Gelet op het te beschermen belang dat de wetgever - blijkens het voorgaande - met de wijziging van artikel 161 Sr voor ogen heeft gestaan dient naar het oordeel van de rechtbank onder de term 'gasleiding' uit de tenlastelegging te worden verstaan een infrastructurele voorziening als wezenlijk en essentieel onderdeel van - onder meer - de economische en sociale structuur van een land9. De gasleiding in het pand aan de Middegaal te Veghel kan niet als een dergelijke infrastructurele voorziening worden aangemerkt. Weliswaar heeft de wetgever bij de formulering van de wettekst een voorbeeld genomen aan artikel 351 Sr zonder de daarin voorkomende beperking over te nemen dat het dient te gaan om 'werken ten algemenen nutte', maar dat enkele feit brengt nog niet met zich dat ieder particulier gasleidingnet dat niet ten algemene nutte is bestemd reeds om die reden onder de bescherming valt van artikel 161 Sr.

Nu niet is komen vast te staan dat verdachte een gasleiding, opgevat in de zin zoals door de opsteller van de tenlastelegging bedoeld, heeft beschadigd dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte heeft het feit erkend.

Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 07 oktober 201110 , de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 2]11 bij de politie en het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]12, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlaste gelegde feit heeft begaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

2.

op 18 juni 2011 te Veghel met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand ([adres 1]) heeft weggenomen koperen leidingen, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming en het weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Vrijspraak voor het onder 1 primair tenlaste gelegde feit.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feit:

Een gevangenisstraf voor de tijd van 323 dagen met aftrek, waarvan een gedeelte groot 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met bijzondere voorwaarden, een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging:

Vrijspraak voor het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit.

Met betrekking tot het voorwaardelijk deel refereert de verdediging zich en verzoekt zij om het toezicht van de reclassering te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het feit dat verdachte zijn eigen belang voorop is blijven stellen, ook nadat het hem duidelijk was geworden dat door het plegen van de diefstal met braak van de leidingen een gaslek en daarmee een bijzonder gevaarlijke situatie voor personen en goederen was ontstaan.

De rechtbank zal een zelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf, hoewel de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking brengt. De verdachte heeft immers door de diefstal van delen van de koperen gasleiding een groot gevaar veroorzaakt voor het pand en mensen en goederen in de directe omgeving daarvan. Daarmee wordt bij de straftoemeting rekening gehouden.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 310, 311.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 1 primair, feit 1 subsidiair: Vrijspraak

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het onder 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf :

T.a.v. feit 2:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 323 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 270 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan

wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

-dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de

aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio

's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze

instelling zulks noodzakelijk acht;

- dat veroordeelde zich binnen drie dagen dient te melden bij de

verslavingsreclassering van Novadic Kentron op het volgende adres: Doctor

Poletlaan 74-76 te Eindhoven. Hierna moet hij zich gedurende door de

verslavingsreclassering van Novadic-Kentron bepaalde perioden blijven

melden zo frequent als de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron dit gedurende

deze perioden nodig acht;

- dat veroordeelde dient deel te nemen aan de Cognitieve vaardigheidstraining

(CoVa);

- dat veroordeeld zich voor de verslavingsproblematiek en

persoonlijkheidsproblematiek dient te laten behandelen bij Novadic-Kentron

verslavingszorg.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 19 augustus 2011 reeds

geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. P.J. Appelhof, leden,

in tegenwoordigheid van J.C. de Steur, griffier,

en is uitgesproken op 21 oktober 2011.

1 Zie proces-verbaal van bevindingen, deel uitmakend van het eindproces-verbaal van de Regiopolitie Brabant-Noord, district Maas en Leijgraaf, team Veghel, doorgenummerd tot pagina 82, afgesloten op 5 september 2011, hierna aan te duiden als 'Eind-pv', pagina's 37-38

2 Verklaring van [verbalisant 3], teamleider risicobeheersing c.q. officier van dienst district de Leijgraaf van de brandweer te Veghel, pagina 44 Eind-pv.

3 Proces-verbaal van bevindingen, Eind- pv p. 38-39.

4 Proces-verbaal sporenonderzoek, Eind-pv p. 73-74

5 Stbl. 2004, 290, in werking getreden op 10 augustus 2004

6 Kamerstukken II, 2001/2002, 28.463 pagina 1

7 Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding PBL 163 van 22 juni 2002, blz 3-7

8 Kamerstukken II, 2001/2002, 28.463 pagina 6

9 Kamerstukken II, 2001/2002, 28.463, p. 2

10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting, proces-verbaal ter terechtzitting van 7 oktober 2011

11 Verklaring van [slachtoffer 2], blz. 34-35 van het Eind-pv.

12 Relaas van verbalisanten, blz.37 en 38 van het dossier

??

??

10

Parketnummer: 01/845249-11

[verdachte]