Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BT7521

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
AWB 11-3132
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Stillegging uitbreiding gedoogde woonwagen. Omgevingsvergunningsplichtig. 5.17 van de Wabo, artikel 5, bijlage II van het Bor.

Er is sprake van de uitbreiding van een woonwagen aan de voorzijde, in strijd met het bestemmingsplan. Daargelaten dat voor de woonwagen zelf nooit een bouwvergunning is verleend en artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Bor ingevolge artikel 5, tweede lid, van bijlage II van het Bor reeds daarom niet van toepassing zijn, valt deze uitbreiding in geen van de categorieën genoemd in artikel 2 of artikel 3 van bijlage II van het Bor.

Artikel 5.17 van de Wabo biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtspraak van de Afdeling met betrekking tot artikel 100 van de Woningwet (oud), voor zover dat ziet op het staken van het bouwen niet kan worden voortgezet. Er zijn geen bijzondere omstandigheden waaronder moest worden afgezien van het gebruik van de bevoegdheid tot stillegging van de bouw.

Ten aanzien van het besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt overwogen dat, nu bij verweerder iedere bereidheid ontbreekt om medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan en niet bereid is de illegale uitbreiding te gedogen, er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 5.17
Besluit omgevingsrecht
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Wabo en omgevingsvergunning 2012/427
JOM 2012/464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/3132

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 oktober 2011

inzake

[verzoeker],

te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre,

verweerder,

gemachtigde mr. S.G. Beekman en mr. T.E.P.A. Lam.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 17 augustus 2011 heeft verweerder verzoeker gelast om met onmiddellijke ingang het handelen in strijd met artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), concreet het uitbreiden van de woonwagen op het perceel kadastraal bekend [kadastergegevens], plaatselijk bekend [adres] te [plaats], te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft verweerder vervolgens verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat verzoeker de woonwagen dient terug te brengen in de staat zoals die was ten tijde van het afgeven van de gedoogbeschikking d.d. 16 december 2005.

Tegen deze besluiten heeft verzoeker op 9 september 2011 bezwaarschriften ingediend.

Bij brieven van 13 september 2011 en 28 september 2011 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht voorlopige voorzieningen te treffen

De zaak is behandeld op de zitting van 30 september 2011, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

3. Verzoeker woont in een woonwagen aan het adres [adres] te [plaats]. Verweerder heeft op 29 november 2005 een gedoogbeschikking gegeven aan verzoeker. Hierin worden de woonwagen en berging, als vastgelegd op de bijgevoegde gewaarmerkte tekening, en het gebruik daarvan tijdelijk gedoogd. In de gedoogbeschikking staat vermeld dat deze van kracht is tot het nieuwe bestemmingsplan voor het woonwagencentrum in werking treedt en dat hierna de procedure om mogelijk tot legalisering te komen zal worden voortgezet. In de begeleidende brief van 16 december 2005 aan verzoeker is aangegeven dat nieuwe activiteiten of wijzigingen na 28 juli 2005 niet worden toegestaan en dat hiervoor een bouwvergunning is vereist.

4. Op 21 juni 2011 heeft de gemeenteraad van Waalre besloten niet langer volledige legalisatie na te streden. De grondslag van de gedoogbeschikkingen zijn daarmee komen te vervallen, maar de gedoogbeschikkingen worden totdat het nieuwe bestemmingsplan in werking treedt niet ingetrokken en tevens zal niet handhavend worden opgetreden tegen de illegale bebouwing die in 2005 al bestond. De bewoners van het woonwagencentrum aan de [weg] zijn hiervan bij brief van 22 juni 2011 in kennis gesteld.

5. Op 10 augustus 2011 is tijdens een controle geconstateerd dat op het perceel [adres] bouwactiviteiten werden verricht. De woonwagen van verzoeker werd uitgebreid aan de voorzijde. Op 16 augustus 2011 is bij een controle door een medewerker van team Handhaving geconstateerd dat ondanks de gegeven waarschuwing dat de uitbreiding zonder vergunning niet is toegestaan, de werkzaamheden waren voortgezet. Ter plaatse is direct een bouwstop opgelegd, welke bij schrijven van 17 augustus 2011 schriftelijk aan verzoeker is bevestigd.

6. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de uitbreiding van de woonwagen nodig is om een extra slaapkamer en een badkamer in de woonwagen te realiseren omdat recentelijk een tweede kind geboren is. Voorts stelt verzoeker dat de overige woonwagens op het centrum aan de [weg] bij allemaal twee tot drie maal groter zijn dan de woonwagen van verzoeker na realisering van de uitbreiding. Verzoeker verwijst naar de aan zijn buurman verleende bouwvergunning voor een woonwagen van 9 meter breed met verdieping. Verzoeker doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Tot slot stelt verzoeker dat hij de standplaats huurt en dat hij dan mag verwachten dat het bestemmingsplantechnisch ook mogelijk is om op de standplaats een woonwagen te plaatsen. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven bij verweerder een aanvraag voor een omgevingsvergunning te hebben ingediend en te verwachten dat deze aanvraag wordt verleend.

7. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat sprake is van een overtreding omdat zonder omgevingsvergunning wordt gebouwd. Volgens verweerder laat het geldende bestemmingsplan de (uitbreiding van) de woonwagen niet toe. Verweerder is niet bereid om toestemming te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan vooruitlopend op de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. Er is nog geen (voor)ontwerpbestemmingsplan. Er is daarom geen concreet zicht op legalisatie. Er is geen sprake van een gelijk geval en er is van de zijde van de gemeente niet het vertrouwen gewekt dat vergunning zal worden verleend. Er is geen sprake van onevenredigheid.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

9. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Op grond van het derde lid van dit artikel kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot de aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt. Deze categorieën gevallen zijn opgenomen in het Besluit omgevingsrecht (het Bor).

10. Bijlage II van het Bor bevat aanwijzingen van categorieën waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist en waarin een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 2º, van de Wabo kan worden verleend.

11. Ingevolge artikel 2, derde lid, onder f van Bijlage II, voor zover van belang van het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo vereist, als deze activiteiten plaatsvinden aan of bij een woonwagen.

12. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van bijlage II van het Bor zijn artikelen 2 en 3 niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de Wabo is gebouwd of wordt gebruikt.

13. Ingevolge artikel 4 van Bijlage II komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk:

a. binnen de bebouwde kom,

b. buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

1°. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

2°. de oppervlakte niet meer dan 150 m², en

3°. het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden.

14. Blijkens artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelactie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

15. Ingevolge artikel 5.17 van de Wabo kan, voor zover hier van belang, een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op het naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet inhouden dat het bouwen, gebruiken of slopen van een bouwwerk wordt gestaakt.

16. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van de uitbreiding van een woonwagen aan de voorzijde. Daargelaten dat voor de woonwagen zelf nooit een bouwvergunning is verleend en artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Bor ingevolge artikel 5, tweede lid, van bijlage II van het Bor reeds daarom niet van toepassing zijn, valt deze uitbreiding in geen van de categorieën genoemd in artikel 2 of artikel 3 van bijlage II van het Bor. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitbouw niet past binnen de bepalingen van het geldende bestemmingsplan “Natuurgebieden”. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel waar de woonwagen staat de bestemming Natuurgebied en de bestemming Bos. Voor de uitbreiding van de woonwagen is een omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wabo. Nu verzoeker niet beschikte over een dergelijke omgevingsvergunning was verweerder bevoegd handhavend op te treden.

17. Ten aanzien van het besluit van 17 augustus 2011 strekkende tot stillegging van de bouwwerkzaamheden overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar vaste en recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van 25 november 2009, www.rechtspraak.nl, LJN: BK4375, dat de uitoefening van de bevoegdheid tot het stilleggen van de bouwwerkzaamheden als bedoeld in artikel 100, derde lid, van de Woningwet (Ww), zoals deze gold tot 1 april 2007, bij uitstek is gericht op onmiddellijke stillegging van de met die wet strijdige bouwwerkzaamheden, waarbij gelet op de aard en het beoogde doel van die bevoegdheid niet na behoeft te worden gegaan of de bouw gelegaliseerd kan worden. Het doel en karakter van de bouwstop als ordemaatregel sluit echter niet uit dat onder bijzondere omstandigheden van het opleggen van een dergelijke maatregel moet worden afgezien. Artikel 5.17 van de Wabo biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze rechtspraak, voor zover dat ziet op het staken van het bouwen niet kan worden voortgezet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid ingevolge artikel 5.17 van de Wabo. De omstandigheid dat de woonwagen niet winterklaar kan worden gemaakt, is geen bijzondere omstandigheid als hierboven bedoeld. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat verzoeker, door zonder de vereiste omgevingsvergunning te gaan bouwen, dit risico zelf heeft genomen.

18. Ten aanzien van het besluit van 30 augustus 2011 waarbij aan verzoeker een last onder bestuursdwang is opgelegd overweegt de voorzieningenrechter dat wel van belang is, of sprake is van een concreet zicht op legalisatie.

19. Verzoeker heeft aangeven een omgevingsvergunning voor het bouwen te hebben aangevraagd. Deze aanvraag dient, gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo tevens te worden aangemerkt als een aanvraag voor het gebruik in strijd met bestemmingsplan.

20. Ten aanzien van de vraag of er concreet zicht is op legalisatie, overweegt de voorzieningenrechter dat van een concreet zicht op legalisatie eerst sprake kan zijn wanneer er voldoende zekerheid bestaat dat deze aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen en het gebruik in strijd met het geldende bestemmingsplan kan worden verleend.

21. Alleen de tijdige terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan dat voorziet in legalisatie kan tot het oordeel leiden dat ten tijde van het besluit op bezwaar concreet zicht op legalisatie zal bestaan. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2009, LJN BK6724. Op dit moment is het nieuwe bestemmingsplan nog in voorbereiding. Er ligt nog geen (voor)ontwerpbestemmingsplan ter inzage. Evenmin is duidelijk geworden dat een dergelijk (voor)ontwerpbestemmingsplan binnen afzienbare termijn ter inzage zal worden gelegd. Aan de enkele omstandigheid dat een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen concreet zich op legalisatie worden ontleend.

22. Niet gebleken is dat het geldende bestemmingsplan zelf mogelijkheid biedt voor een afwijking ten behoeve van de uitbreiding van de woonwagen. Verweerder ziet voorts geen mogelijkheden om af te wijken ten behoeve van het gebruik in strijd met het bestemmingsplan met toepassing van artikel 4 van het Bor omdat het perceel na de uitbreiding het aansluitend terrein voor meer dan 50% zal zijn bebouwd. Nu niet is gebleken dat het perceel is gelegen binnen de bebouwde kom, valt de uitbreiding daarom niet onder de lijst van gevallen in artikel 4 van het Bor. Dit is door verzoeker niet bestreden. Verweerder heeft verder ter zitting aangegeven niet bereid te zijn toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3, van de Wabo om af te wijken van het bestemmingsplan omdat verweerder niet wil vooruitlopen op de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. Verzoeker heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd waarom dit standpunt rechtens onhoudbaar zou zijn. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat op dit moment sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onder a, onderdeel 3, van de Wabo. Nu bij verweerder iedere bereidheid ontbreekt om medewerking te verlenen aan het gedogen van de illegale uitbreiding vooruitlopend op de vaststelling van het bestemmingsplan en er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat dit standpunt rechtens onhoudbaar is, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een concreet zicht op legalisatie.

23. Ten aanzien van het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel omdat zijn buurman een omgevingsvergunning heeft gekregen voor de bouw van een veel grotere woonwagen dan die van verzoeker overweegt de voorzieningenrechter dat van gelijke gevallen geen sprake is, omdat hier wel een omgevingsvergunning verleend, op basis van een ander bestemmingsplan. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat de andere door verzoeker bedoelde grotere woonwagens op het centrum aan de [weg] in 2005 reeds waren gerealiseerd. Niet valt uit te sluiten dat ten behoeve van deze grotere woonwagens gedoogbeschikkingen zijn gegeven. Nu niet is gebleken dat deze grotere woonwagens nadien zijn uitgebreid of gewijzigd, zijn dit evenmin gelijke gevallen.

24. Ten aanzien van het door verzoeker gedane beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de voorzieningenrechter dat een beroep op het vertrouwensbeginsel pas kan slagen als sprake is van een expliciete, ongeclausuleerde mededeling door een bevoegd persoon waaraan verzoeker het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat aan hem een omgevingsvergunning zou worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat door de medewerkers van het team Handhaving aan verzoeker dergelijke toezeggingen zijn gedaan. Daarom kan het beroep van verzoeker op het vertrouwensbeginsel niet slagen. Ook het feit dat verzoeker een standplaats huurt en er dus vanuit mocht gaan dat zijn woonwagen op grond van de bestemmingsplanvoorschriften op de standplaats mag staan, is niet voldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Op grond van de gedoogbeschikking van 29 november 2005 moest het voor verzoeker duidelijk dat zijn woonwagen in strijd met de planvoorschriften aan de [adres] te Waalre is geplaatst en dat tegen wijzigingen ten opzichte van de situatie ten tijde van het verlenen van de gedoogbeschikking handhavend zou worden opgetreden.

25. De voorzieningenrechter verstaat het bezwaar dat de last onder bestuursdwang feitelijk neerkomt op een intrekking van de gedoogbeschikking, aldus dat de last onder bestuursdwang feitelijk niet uitvoerbaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat indien door hem gehoor wordt gegeven aan de last, het verwijderen van de illegale uitbouw, de gehele woonwagen verloren zal gaan.

26. Nu het primaire besluit van 30 augustus 2011 rechtmatig is komt de voorzieningenrechter niet toe aan een belangenafweging.

27. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

28. Voor een veroordeling is de proceskosten over vergoeding van het door verzoeker gestorte griffierecht bestaat geen aanleiding.

29. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als rechter in tegenwoordigheid van R.G. van der Korput als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

<HR>

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: