Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BT6905

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
07-10-2011
Zaaknummer
AWB 11-2938
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw. In het bestemmingsplan is het verboden binnen de als zodanig aangeduide “milieuzone-geurzone” geurgevoelige objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij op te richten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van de oprichting van een geurgevoelig object. Het deel van het gebouw gelegen binnen de “milieuzone-geurzone”, is naar zijn aard geschikt voor verblijf en niet valt in te zien dat werknemers hier slechts korte tijd zullen verblijven. Gelet op de belangen van de nabijgelegen veehouderij wordt het bestreden besluit geschorst.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2938

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2011

inzake

vennootschap onder firma [verzoekster],

te [plaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. J.T.F. van Berkel,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel,

verweerder,

gemachtigden J.A.M. van Sambeeck en M.J. Bierens.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghoudster], te [plaats], vergunninghoudster, gemachtigde mr. P.W.M. Dorn.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 1 augustus 2011 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] te [plaats] (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen voor het bouwen van een bedrijfsgebouw (Venco Campus) aan het adres Meerheide 200 in Eersel, op het perceel kadastraal bekend [kadastergegevens].

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 26 augustus 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 26 augustus 2011 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld op de zitting van 26 september 2011, waar verzoekster is verschenen, vertegenwoordigd door haar vennoten [vennoot A], [vennoot B], alsmede haar gemachtigde, vergezeld door [C]. Verweerder is verschenen bij gemachtigden. Verschenen is voorts de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [directeur], directeur.

<b>Overwegingen </b>

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3. De voorzieningenrechter zal beoordelen of aanleiding bestaat verweerders besluit van 1 augustus 2011 te schorsen totdat door verweerder op het daartegen aanhangige bezwaarschrift van verzoekster is beslist.

4. Bij de beoordeling gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

5. De aanvraag om omgevingsvergunning dateert van 4 maart 2011 en voorziet in het oprichten van een bedrijfsgebouw in de vorm van een ei. Ten tijde van de indiening van de aanvraag gold het bestemmingsplan “Buitengebied”. De gronden waarop het bedrijfsgebouw wordt gerealiseeerd zijn in dit bestemmingsplan gedeeltelijk bestemd “Agrarisch” en gedeeltelijk “Recreatie” met daarnaast de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie aandachtsgebied”. Het bouwplan voldoet niet aan de bij deze bestemmingen horende regels.

6. Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Eersel het bestemmingsplan “Venco Campus” vastgesteld. De gronden, waarop het bedrijfsgebouw is voorzien, zijn daarin bestemd tot “Bedrijf-1”. Een gedeelte van deze gronden is tevens aangeduid als “milieuzone - geurzone”. Ingevolge artikel 13.1 van de planregels mogen op de gronden binnen de aanduiding “milieuzone – geurzone” geen geurgevoelige objecten, als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), mogen worden opgericht. De “milieuzone - geurzone” is mede bepaald door de geuremissie van het bedrijf van verzoekster.

7. Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan “Venco Campus” is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. In de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 25 juli 2011 (LJN: BR3975, www.rechtspraak.nl) is het verzoek afgewezen. De voorzitter heeft overwogen dat naar zijn oordeel de belangen van de nabijgelegen veehouderijen met artikel 13.1 van de planregels voorshands voldoende zijn beschermd. De Afdeling heeft nog geen uitspraak gedaan op de aanhangige beroepen. De uitspraak heeft tot gevolg gehad dat het bestemmingsplan “Venco Campus” in werking is getreden.

8. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan “Venco Campus” en dat zich ook geen andere grond voor weigering van de gevraagde vergunning voordoet.

9. Verzoekster heeft zich –zakelijk weergegeven– op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is voor welke activiteiten omgevingsvergunning is verleend. Voorts heeft verzoekster gesteld dat het bedrijfsgebouw moet worden aangemerkt als een geurgevoelig object en dat de vergunning is verleend in strijd is met artikel 13.1 van het bestemmingsplan “Venco Campus”.

10. Vergunninghoudster heeft zich in grote lijnen aangesloten bij de standpunten van verweerder.

11. Het wettelijk kader, voor zover hier relevant, luidt als volgt.

12. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

13. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

14. De toetsingsgronden die in het eerste lid van artikel 2.10 van de Wabo worden genoemd zijn dwingend. Dat betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden. Tegelijkertijd geldt dat als de bouwactiviteit in overeenstemming is met de in het eerste lid genoemde toetsingsgronden, de omgevingsvergunning moet worden verleend.

15. In artikel 1 van de Wgv is aangegeven dat onder “geurgevoelig object” wordt verstaan: “gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt”.

16. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

17. Verzoekster heeft gesteld dat niet duidelijk is voor welke activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 van de Wabo omgevingsvergunning is verleend. Uit het bestreden besluit blijkt dat de verleende omgevingsvergunning slechts betrekking heeft op de activiteit bouwen van een bouwwerk, als bedoel in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Ter zitting is gebleken dat een melding is gedaan op grond van het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer). Deze melding is door verweerder geaccepteerd. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het niet onaannemelijk dat niet mede toestemming is vereist voor het oprichten of veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, onder e, van de Wabo.

18. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of het bouwplan strijdig is met artikel 13.1 van het bestemmingsplan “Venco Campus” en of het gedeelte van het bouwplan dat is gelegen in de “milieuzone - geurzone” dient te worden aangemerkt als een geurgevoelig object in de zin van de Wgv. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe is het volgende van belang.

19. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 24 december 2008, LJN: BG8312) is voor de vraag of een bedrijfsgebouw als geurgevoelig object in de zin van de Wgv moet worden aangemerkt, naast de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf dient te worden gebruikt, allereerst van belang of de gebouwen bestemd en geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Daarbij is van belang dat uit de wetgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz. 16 e.v.) blijkt dat met de term “bestemd” wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijven en dat uit die wetsgeschiedenis verder blijkt dat het bij de beoordeling of een gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf niet van belang is hoeveel personen in het gebouw verblijven. Het verblijven van maar één persoon is voldoende. In eerder genoemde uitspraak is voorts overwogen dat er in de Wgv voor is gekozen om de aard van het verblijf noch het aantal personen dat verblijft een rol te laten spelen bij de vaststelling of een (bedrijfs)gebouw als geurgevoelig object moet worden aangemerkt.

20. In de uitspraak van 25 juli 2011 heeft de Voorzitter in hetgeen door de buren van verzoekster ten aanzien van de mogelijkheid dat wordt gebouwd binnen de geurcontour van hun veehouderij geen aanleiding gezien het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan te schorsen. De Voorzitter heeft in zijn uitspraak overwogen dat de belangen van de nabijgelegen veehouderijen –waaronder die van verzoekster– voldoende zijn beschermd doordat is bepaald dat geen geurgevoelige objecten mogen worden opgericht binnen de “milieuzone - geurzone”. De voorzieningenrechter volgt de Voorzitter hierin en gaat er bij de verdere beoordeling van uit dat het mogelijk is om bedrijfsgebouwen, niet zijnde geurgevoelige objecten, op te richten binnen de “milieuzone - geurzone”. Als gevolg van de gekozen bestemmingsplansystematiek dient in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen bij de toetsing aan het bestemmingsplan te worden bezien of een geurgevoelig object wordt opgericht. De stelling van vergunninghoudster dat de Voorzitter zich hierover reeds (impliciet) heeft gelaten omdat het bouwplan bekend was en sprake is van een op maat gemaakt bestemmingsplan wordt niet gevolgd. In de uitspraak van de Voorzitter is hiervoor geen enkel aanknopingspunt te vinden.

21. Op grond van de bouwtekeningen behorende bij de aanvraag wordt vastgesteld dat beoogde functies in het gedeelte van het gebouw dat binnen de “milieuzone - geurzone” is gelegen –onder andere– zijn aangeduid als opstelstrook en verkeerszone laden en lossen, opstelplaats voor goederen (onder meer van zogenoemde wisselaars), servicebussen en afvalcontainers en een montage werkplaats voor wisselaars. Opgemerkt wordt dat de bouwtekeningen ten aanzien van de gebruikte aanduidingen niet consistent zijn. Zo wijkt de bouwtekening “BT33 gebruik begane grond plattegronden overzicht begane grond, blad 87 d.d. 14 juli 2011” af van “bestektekening 2 plattegrond begane grond deel 2, blad 51 d.d. 31 maart 2011 en gewijzigd op 20 april 2011”, zonder dat hiervoor een afdoende verklaring is gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bedrijfsgebouw waarvoor een omgevingsvergunning is verleend en meer in het bijzonder, het gedeelte van het gebouw dat voor opslag (waaronder stellingen), logistiek en uitlevering wordt gebruikt en dat deels binnen de “milieuzone - geurzone” is gelegen, naar zijn aard geschikt voor het verblijf van één of meerdere werknemers. Niet valt in te zien dat binnen dit gedeelte van het bedrijfsgebouw werknemers slechts korte tijd zullen verblijven en dat met de logistieke activiteiten niet enige tijd gemoeid zal zijn. Hetzelfde geldt voor de werkplaats waar de warmtewisselaars worden geassembleerd, die op werkblad 51 wel binnen de “geurzone -milieuzone” is gesitueerd en op werkblad 87 niet. De enkele aanduiding op de bouwtekeningen van de “geurzone - milieuzone” met de toevoeging dat hier geen geurgevoelige activiteiten plaats zullen vinden, maakt dit niet anders. Ter zitting is door vergunninghoudster toegelicht dat de indeling van het gebouw flexibel is en dat het gedeelte dat binnen de “milieuzone - geurzone” is gelegen niet fysiek is afgescheiden van de rest van het gebouw. Nu aannemelijk is dat één of meerdere werknemers gedurende enige tijd aanwezig zullen zijn in het gedeelte van het gebouw bestemd voor opslag (waaronder stellingen), uitlevering en logistiek alsmede werkplaats, moet worden aangenomen dat dit deel van het gebouw bestemd is voor menselijk verblijf en daarvoor (permanent) kan worden gebruikt. Het bouwplan moet worden beschouwd als een geurgevoelig object, hetgeen in strijd is met artikel 13.1 van het bestemmingsplan “Venco Campus”. De omstandigheid dat de in dit gedeelte van het gebouw ondergebrachte functies doorgaans buiten worden gesitueerd, maar dat daarvoor niet is gekozen uit het oogpunt van beeldkwaliteit, maakt het vorenstaande niet anders. Het bouwplan dient te worden beoordeeld op grond van de aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen.

22. Bij dit oordeel acht de voorzieningenrechter niet zonder belang dat niet helder is of handhavend optreden mogelijk is wanneer het gebouw, na de oprichting ervan, als gevolg van het (gewijzigd) gebruik moet worden aangemerkt als geurgevoelig object, nu dit in het bestemmingsplan niet uitdrukkelijk is verboden. Om deze reden kan de redenering van vergunninghoudster dat in dat geval wederom sprake is van het oprichten van een geurgevoelig object en dat alsdan op basis van het bestemmingsplan handhavend kan worden opgetreden, niet worden gevolgd. Op grond van vaste jurisprudentie dienen de voorschriften van een bestemmingsplan restrictief te worden uitgelegd. Gelet op de flexibele indeling van het gebouw, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin uit te sluiten dat het gebruik van delen van het gebouw kan worden gewijzigd zonder dat sprake is van ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.

23. Gelet op bovenstaande overwegingen komt de voorzieningrechter tot het oordeel dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Om te voorkomen dat als gevolg van het uitvoeren van de verleende omgevingsvergunning een onomkeerbare situatie ontstaat, ziet de voorzieningenrechter –gelet op de zwaarwegende belangen van verzoekster bij het voorkomen van een beperking van haar bedrijfsvoering als gevolg van de aanwezigheid van geurgevoelige objecten binnen de aan haar bedrijf verbonden geurzone–, aanleiding het verzoek om een voorlopig voorziening toe te wijzen.

24. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1.

25. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 302,00 dient te vergoeden.

26. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit van 1 augustus 2011 wordt geschorst;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 302,00;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00.

Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2011.

<HR>

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: