Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BT6501

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
01/889082-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0599, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel - arbeidsuitbuiting - seizoensarbeid

Veroordeling mensenhandel: seizoensarbeiders werven en huisvesten met het oogmerk van uitbuiting en bewegen tot het verrichten van arbeid waarbij misbruik wordt gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en de kwetsbare positie van die seizoensarbeiders.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte geweld heeft gepleegd of gedreigd heeft met geweld.

De arbeiders konden zich niet onttrekken aan het werk en de zware werkomstandigheden omdat zij vreesden bij tussentijds vertrek geen loon te ontvangen.

De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie werd gevorderd, omdat zij geweld, dreiging met geweld en intimidatie niet bewezen acht. Voorts weegt de rechtbank mee dat het niet gaat om een vorm van uitbuiting waarbij slachtoffers gedurende een langere periode in een uitzichtloze situatie verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/889082-09

Datum uitspraak: 04 oktober 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

thans gedetineerd te: PI Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 april 2010, 21 juli 2010, 30 juni 2011 en 20 september 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 maart 2010.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 september 2011 is gewijzigd is aan verdachte tenlastegelegd dat:

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart

2009 tot en met 26 juni 2009, in elk geval in de maand(en) maart 2009 en/of

april 2009 en/of mei 2009 en/of juni 2009 te Someren en/of/althans (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens)

A. (sub 1)

(een) ander(en) genaamd

- [medewerker 1] en/of

- [medewerker 2] en/of

- [medewerker 3] en/of

- [medewerker 4] en/of

- [medewerker 5] en/of

- [medewerker 6] en/of

- [medewerker 7] en/of

- [medewerker 8] en/of

- [medewerker 9] en/of

- [medewerker 10] en/of

- [medewerker 11] en/of

- [medewerker 12] en/of

- [medewerker 13] en/of

- [medewerker 14] en/of

- [medewerker 15] en/of

een of meer andere perso(o)n(en),

door dwang, geweld of (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met

geweld of (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude,

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het

geven of ontvangen van betalingen, bovenvermelde perso(o)n(en) heeft/hebben

geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van

uitbuiting van die ander(en) en/of

B. (sub 4)

(een) ander(en), genaamd

- [medewerker 1] en/of

- [medewerker 2] en/of

- [medewerker 3] en/of

- [medewerker 4] en/of

- [medewerker 5] en/of

- [medewerker 6] en/of

- [medewerker 7] en/of

- [medewerker 8] en/of

- [medewerker 9] en/of

- [medewerker 10] en/of

- [medewerker 11] en/of

- [medewerker 12] en/of

- [medewerker 13] en/of

- [medewerker 14] en/of

- [medewerker 15] en/of

een of meer andere perso(o)n(en),

door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of

een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht, door

misbruik van een kwetsbare postie of door het geven of ontvangen van

betalingen heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen

tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of dan wel onder voornoemde

onstandigheden enige handelingen heeft/hebben ondernomen waarvan verdachte

en/of haar medeverdachte(n) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden

dat voornoemde perso(o)n(en) zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het

verrichten van arbeid of diensten,

bestaande

- die dwang, dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die dreiging

met geweld of andere feitelijkhe(i)d(en), afpersing, fraude, misleiding dan

wel dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of

misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen

en/of

- die uitbuiting en/of die arbeid en/of diensten en/of die overige omschreven

handelingen en/of omstandigheden als omschreven onder A. (sub 1) en/of B (sub

4),

hieruit dat verdachte en/of haar mededader(s) in voornoemde periode meermalen,

althans eenmaal,

- bovenvermelde perso(o)n(en) heeft/hebben gehuisvest en/of opgenomen in

haar, verdachtes woning (perceel [adres verdachte] te Someren)

- bovenvermelde perso(o)n(en) heeft/hebben gehuisvest terwijl zij met meerdere

personen de kamer (zonder raam) moesten delen en/of met een groot aantal

personen slechts een klein aantal douches en/of een klein aantal toiletten ter

beschikking en/of slechts een beperkt deel van de dag de beschikking hadden

over warm water en/of gebruik moest(en) maken van onhygiënisch sanitair en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) voedsel heeft/hebben verschaft onvoldoende van

kwaliteit en/of kwantiteit en/of

- de/het paspo(o)rt(en) en/of de/het identiteitsdocument(en) van bovenvermelde perso(o)n(en) (al dan niet

tijdelijk) heeft/hebben ingenomen en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) heeft/hebben gehuisvest terwijl deze

perso(o)n(en) het nachtverblijf niet konden en/of mochten verlaten gedurende

de voor de nachtrust bestemde tijd en/of 's nachts een (agressieve) hond los heeft/hebben laten lopen op het erf en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) heeft/hebben gehuisvest terwijl het

nachtverblijf niet voldeed aan de eisen van brandveiligheid en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) intimiderend en/of bedreigend heeft/hebben

bejegend en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) (een) overeenkomst(en) heeft/hebben doen laten

tekenen terwijl deze overeenkomst gesteld was in de Nederlandse taal, in elk

geval in een voor hen onbekende taal en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) (gemiddeld) tien tot veertien uur per dag en/of

zeven dagen per week heeft/hebben laten werken en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) maximaal 40 à 45 cent per gestoken kilo asperges

en/of 5 euro per uur heeft/hebben laten verdienen waardoor het voor voormelde perso(o)n(en)

onmogelijk was om (bij een veertigurige werkweek) een salaris te verdienen

gelijk aan het wettelijk vastgestelde minimumloon en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) heeft/hebben verplicht om voor kost en inwoning

een bedrag te betalen van (gemiddeld) 13 euro per dag en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) eerst heeft/hebben uitbetaald aan het eind van

het aspergeseizoen en tussentijds een voorschot van 50 euro per week

heeft/hebben uitbetaald en/of

- bovenvermelde perso(o)n(en) uiteindelijk niet het volledige resterende

bedrag heeft/hebben uitbetaald en/of

- een zodanig (financiële) situatie heeft/hebben gecreëerd dat het voor

bovenvermelde perso(o)n(en), gelet op hun (financiële)

afhankelijkheidssituatie niet mogelijk was om (vrijelijk) over het door hen

verdiende geld te kunnen beschikken en/of

- gelet op vorenstaande heeft/hebben bewerkstelligd dat bovenvermelde

perso(o)n(en) van haar, verdachte en/of haar medeverdachte(n), afhandelijk

was/waren in welke afhandelijkheidssituatie bovenvermelde perso(o)n(en) zich

(telkens) niet konden en/of durfden verzetten en/of onttrekken tegen/aan die

voornoemde (financiële) uitbuiting en/of opgedragen arbeid en/of diensten

- gelet op vorenstaande misbruik heeft/hebben gemaakt van de kwetsbare positie

van bovenvermelde perso(o)n(en), immers verkeerde(n) zij in een (sociaal)

isolement (mede) omdat zij de Nederlandse taal niet machtig was/waren

en/of zij niet vrijelijk kon/konden beschikken over het door hen verdiende

geld.

art. 273f lid 1 sub 1 en 4 Wetboek van strafrecht

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

Beroep op algehele nietigheid

De verdediging voert aan dat art. 273f van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de verdragshistorische achtergrond, beoogt om personen te beschermen tegen compulsery labour en enslavement. Vereist is dat de tenlastelegging dient aan te geven waarom tewerkgestelden zich in casu niet aan dwangarbeid konden onttrekken. Nu de tenlastelegging daarvan geen melding maakt, is zij nietig, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit beroep op algehele nietigheid. De stelling van de verdediging dat artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht in het licht van de verdragsachtergrond enkel ziet op situaties van slavernij of dwangarbeid vindt geen steun in de wet of de verdragshistorie, zoals uit het volgende blijkt.

Bij wet van 9 december 2004 (inwerkingtreding 1 januari 2005) is artikel 273a wetboek van strafrecht ingevoegd, welk artikel op 1 september 2006 is vernummerd tot artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel is in de plaats gekomen van artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht beoogde alle vormen van seksuele uitbuiting strafbaar te stellen. Kenmerkend voor uitbuiting in dat artikel is de aanwezigheid van dwang in ruime zin of misleiding, blijkens de tekst van artikel 250a, eerste lid, onder 1: een persoon dwingen of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen ... enz.

Blijkens de Memorie van Toelichting (kamerstukken 2003/2004, 29291, nr. 3) voorziet het wetsvoorstel (betreffende o.a. artikel 273a/273f) in uitvoering van 8 mondiale rechtsinstrumenten ter bestrijding van o.a. mensenhandel, waaronder het VN Protocol inzake mensenhandel en het Kaderbesluit van de Raad inzake bestrijding van mensenhandel.

De omschrijving van mensenhandel in artikel 3 van het VN Protocol inzake mensenhandel luidt kort gezegd als volgt: 'Het werven, bieden van onderdak aan of opnemen van personen door dwang, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie met het oogmerk van uitbuiting. Uitbuiting omvat tenminste gedwongen arbeid of diensten'.

Bij de omschrijving van mensenhandel zowel in artikel 1 van het Kaderbesluit van de Raad inzake bestrijding van mensenhandel als in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de hierboven weergegeven omschrijving van mensenhandel.

Blijkens de Memorie van Toelichting bestaat uitbuiting tenminste uit gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij of met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken. Dat zijn alle vormen van moderne slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keus heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld kan worden genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.

De tenlastelegging is voor het overige voldoende feitelijk.

Beroep op partiële nietigheid

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is. Daarbij is verzocht om de dagvaarding voor wat betreft het onder B tenlastegelegde nietig te verklaren. Zij voert daartoe aan dat in het onder A en B tenlastegelegde dezelfde uitvoeringshandelingen worden vermeld, zonder dat sprake is van een primair en subsidiair tenlastegelegd feit.

De rechtbank oordeelt als volgt. Er zijn 2 verschillende strafbare feiten tenlastegelegd. Het onder A tenlastegelegde ziet, kort gezegd, op onder meer het onder dwang werven en huisvesten van personen met het oogmerk van uitbuiting (art. 273 lid 1 aanhef en onder1 Sr). Het onder B tenlastegelegde ziet -kort gezegd- op het onder dwang bewegen van personen tot het verichten van arbeid (art. 273f lid 1 aanhef en onder 4 Sr). Dat daarbij dezelfde uitvoeringshandelingen worden omschreven in de tenlastelegging maakt die tenlastelegging niet innerlijk tegenstrijdig. Het beroep op partiële nietigheid wordt derhalve verworpen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de rechtbank bevoegd is van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de officier van justitie in haar vervolging kan worden ontvangen.

Redenen voor schorsing.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bijzondere overweging ten aanzien van de betrouwbaarheid van de afgelegde getuigenverklaringen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen die zijn afgelegd door de seizoensarbeiders niet betrouwbaar zijn. Onderdelen van verklaringen zijn aantoonbaar in strijd met de waarheid en onderlinge meningsverschillen en vriendschappen werken door in de afgelegde verklaringen. Voorts heeft de verdediging gewezen op het gevaar dat verklaringen van getuigen kunnen zijn beïnvloed doordat zij in groepen zijn gehoord, gesproken hebben met de burgemeester van Someren en daarbij sprake is geweest van negatieve publiciteit voorafgaand aan de getuigenverhoren.

De rechtbank realiseert zich dat onderlinge sympathieën en antipathieën getuigenverklaringen kunnen kleuren alsmede dat getuigen met elkaar kunnen hebben gesproken over de inhoud van de af te leggen verklaringen. De rechtbank zal de getuigenverklaringen om die reden met behoedzaamheid bezien. Het openbaar ministerie heeft proces-verbaal opgemaakt omtrent de wijze waarop de selectie van de in het opsporingsonderzoek gehoorde getuigen tot stand is gekomen. De gehoorde getuigen zijn zorgvuldig en aselect gekozen, waarbij er zorg voor is gedragen dat Roemenen, Portugezen en Polen zijn vertegenwoordigd1. Bovendien heeft ook de verdediging een deel van de te horen getuigen geselecteerd. De rechtbank constateert dat de in deze zaak afgelegde getuigenverklaringen op essentiële punten gedetailleerd en overwegend gelijkluidend zijn en dat de verklaringen zijn afgelegd door personen van wie niet steeds kan worden gezegd dat zij op vriendschappelijke voet stonden met elkaar. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen, voor zover tot bewijs gebezigd, daarom betrouwbaar kunnen worden geacht.

De bewijsmiddelen2 en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten onder A en onder B wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van medeplegen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging kwamen ook tot deze conclusie.

Ten aanzien van het onder A tenlastegelegde dient de rechtbank voorts de volgende vragen te beantwoorden:

1. Heeft verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen?

2. Is sprake van dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, dan wel misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen?

bestaande uit de in de tenlastelegging genoemde gedragingen?

3. Is sprake van het oogmerk van uitbuiting van die personen?

Ten aanzien van het onder B tenlastegelegde luiden te door de rechtbank te beantwoorden vragen als volgt:

1. Heeft verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten?

2. Is sprake van toepassing van dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, dan wel misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen?

bestaande uit de in de tenlastelegging genoemde gedragingen?

De gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft bij de beantwoording van de gestelde vragen acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Verklaringen van in de tenlastelegging genoemde personen.

Een verklaring van [medewerker 1] d.d. 26 oktober 20093, onder meer inhoudend:

Op 21 maart 2009 ben ik naar Nederland vertrokken om te werken. [tussenpersoon] was de tussenpersoon bij gesprekken met werkgeefster [verdachte]. Voordat ik in Nederland ging werken, heb ik [tussenpersoon] gevraagd naar de arbeidsvoorwaarden en het salaris in Nederland. Hij legde mij uit dat de werkgeefster met mij een arbeidscontract zou sluiten voor drie maanden, dat mij 45 eurocent per kilogram gestoken asperges betaald zou worden, dat ik zou moeten werken volgens arbeidstijden van 07.00 uur 's morgens tot 20.00 uur 's avonds met een eetpauze van een uur. De werkgeefster zorgde voor huisvesting. [tussenpersoon] heeft mij verder verteld dat wanneer ik aan de lopende band zou werken, ik per uur betaald zou worden en wel 5 euro per uur. Ik had in Roemenië geen werk. Ons werd uitgelegd dat we de woonruimte met inbegrip van de binnenplaats, maar vooral onze arbeidsplaats niet mochten verlaten. Wij ontvingen 50 euro aan het einde van de week. Ik heb aan het eind van het seizoen totaal 1.050 euro gekregen voor drie maanden werk. Op de plaats waar wij gehuisvest waren, had de werkgeefster een hond die ze 's nachts losliet en het is een keer gebeurd dat die hond een Pool, die ook daar werkte, in zijn hand beet. Ik heb de verwondingen aan zijn hand gezien.

Vanaf het begin heeft mevrouw [verdachte] ons laten weten dat het geld waarop we recht hadden voor het werk, pas betaald zou worden aan het eind van de periode van drie maanden. Gemiddeld oogstte ik 10 -15 kg asperges per uur.

Een verklaring van [medewerker 2] d.d. 26 oktober 20094, onder meer inhoudend:

Op 25 april 2009 liet [tussenpersoon] mij weten dat hij werk voor mij had gevonden bij het steken van asperges en dat het de bedoeling was dat ik 45 eurocent per kilogram zou ontvangen, terwijl de bazin waar wij tewerkgesteld zouden worden tevens zou zorgen voor kost en inwoning. Ik ging akkoord met deze condities, aangezien ik in Roemenië geen werk kon vinden en ik een familie moest onderhouden. Ik heb met [tussenpersoon] besproken met welk vervoermiddel ik naar Nederland zou reizen. Hij raadde mij aan een kaartje te kopen bij Eurolines. Het kaartje heeft mij 139 euro gekost. Er zijn mij twee formulieren gepresenteerd, één in het Nederlands en één in het Roemeens. Ondanks het feit dat ik geen tolk had, heb ik het in het Nederlands opgestelde formulier ingevuld. Het formulier dat ik het Roemeens was opgesteld gaf niets anders aan dan het feit dat wij gerechtigd waren om in Nederland te werken, zonder de andere clausules te verduidelijken. De arbeidsdag begon om 07.00 uur en eindigde om 20.00 uur. We hadden lunchpauze tussen 13.00 en 14.00 uur. Betaling voor de verrichte werkzaamheden zou aan het einde van het seizoen plaatsvinden. Ik heb ongeveer 2 maanden bij mevrouw [verdachte] gewerkt en ik heb geen enkele vrije dag gehad.

Mevrouw [verdachte] had een hond, die zij overdag opgesloten hield. 's Nachts liet zij het dier vrij rondlopen. Ik heb gezien hoe de hond een Pool heeft gebeten. Aan het einde van iedere week ontvingen wij 50 euro van mevrouw [verdachte]. Voor de hoeveelheid van 6.200 kilogram had ik het bedrag van 2.790 euro moeten ontvangen en voor de overuren (de rechtbank begrijpt: betreffende andere arbeid dan asperges steken) nog eens 115 euro. Met mevrouw [verdachte] hadden we afgesproken dat voor ieder overuur het bedrag van 5 euro zou worden betaald. Van dit bedrag is afgehouden 450 euro, wat het geld was dat ik aan het einde van iedere week ontving. Verder het bedrag van 290 euro, het bedrag dat voor de kost werd betaald en het bedrag van 208 euro voor de 26 dagen verblijf en verder 200 euro voor de bonnen die door mij gebruikt zijn in de winkel van mevrouw [verdachte]. Als men van het bedrag van 2905 euro de hierboven vermelde onkosten aftrekt, een bedrag van in totaal 1.148 euro, blijft het bedrag van 1.757 euro over dat ik van mevrouw [verdachte] had moeten ontvangen. Ik ontving in plaats daarvan het bedrag van 1.145 euro. Mijn slaapkamer had wel ramen, maar andere slaapkamers niet. Indien wij 's nachts de slaapkamers wilden verlaten, wat dit niet mogelijk aangezien de doorgang die via de kantine liep op slot was, terwijl wij via de andere doorgang in de tuin terechtkwamen waar de hond van mevrouw [verdachte] was.

Een verklaring van [medewerker 3], nationaliteit: Roemeense, d.d. 26 oktober 20095 onder meer inhoudend:

Ik heb in Nederland gewerkt, van maart tot mei 2009, bij een zekere [verdachte] in de plaats Someren. Een paar uit Bazna had een advertentie in de krant geplaatst dat zij mensen werfden. De advertentie was geplaatst door een Nederlandse vriend van [verdachte] en zijn vriendin [persoon 1]. In Eindhoven ben ik opgehaald door [verdachte], met zeven anderen. 's Avonds bracht zij formulieren in de Poolse taal en ze vertelde dat het contracten waren. Vooral de vrouwen hebben haar verzocht om de contracten ook in een andere taal te bezorgen, waarop zij vertelde dat het standaard contracten waren. De eerste twee weken bewaarde [verdachte] onze documenten zonder de reden aan te geven waarom ze dat wilde. De kamers waar wij verbleven waren op de zolder van het gebouw waar de asperges werden verwerkt. Er waren daar rond de veertig kamers, waarvan enkele met en andere zonder ramen. Het werk begon om 07.00 uur 's ochtends. Na ongeveer drie dagen vertelden de arbeiders dat we 45 cent per kilogram betaald krijgen. Ik kon maximaal ongeveer 15 kilogram per uur steken. Doordat er niet zo veel asperges waren, verdienden wij soms niet eens voldoende om de onkosten per dag te betalen. Ik werkte 7 dagen in de week. [verdachte] zei dat als we dat niet doen dan gaat zij ons inkomen korten. Gedurende de tijd dat ik daar was heb ik een vrije dag gehad. Per dag werkten wij net zolang tot de oogst binnengehaald was. Op deze wijze, toen er asperges waren, werkten wij van 's ochtends 07.00 uur tot 18.00 - 19.00 uur 's avonds. De vrouwen werkten 17 à 18 uur per dag omdat er veel werk was. De vrouwen kregen 5 euro per uur. Wekelijks kregen wij 100 bonnen ter waarde van 50 cent. Behalve de bonnen kreeg ik 50 euro per week. Er waren weken dat ik de 50 euro niet kreeg omdat ik er niet om vroeg. Na een maand vroeg ik 100 euro omdat ik dat naar huis wilde versturen. Ik kreeg het geld.

We hadden niet altijd warm water, omdat [verdachte] niet altijd de geiser aanzette. De hygiëneomstandigheden waren minimaal, de doucheruimten waren oud en vies. In twee maanden zijn deze slechts één keer schoongemaakt.

We wilden graag het salaris om de twee weken of aan het einde van de maand krijgen, maar zij was daarmee niet akkoord. Wij begrepen dat het geld, aan het einde van de periode, contant werd uitbetaald.

Na twee maanden ben ik erachter gekomen dat we niet eens de 45 cent per kilogram gingen krijgen, maar slechts 40 cent. Toen weigerde ik om nog te gaan werken. Toen heeft [verdachte] een berekening gemaakt waaruit bleek dat ik haar nog 29 euro schuldig was. Volgens mijn berekening moest ik nog ongeveer 1.500 euro krijgen na aftrek van kosten voor verblijf, eten, waardebonnen en het geld dat ik al had ontvangen. Bij vertrek vroeg ik aan [verdachte] de verzekering en het contract. Zij zei dat ze de verzekering niet kon vinden en met betrekking tot het contract zei ze dat zij het contract heeft ontbonden. Toen ik uit Roemenië vertrok, heb ik een schuld gemaakt van 250 euro en ik wilde werken om de schuld af te betalen.

[verdachte] had een hond, die zij in huis hield om te waken. 's Avonds liet zij de hond op het erf loslopen. Ik was bang voor die hond omdat hij er gevaarlijk uitzag.

Een verklaring van [medewerker 4] d.d. 26 oktober 20096, onder meer inhoudend:

Ik heb gewerkt bij mevrouw [verdachte] in de plaats Someren in de periode april-mei 2009. Van [persoon 1] uit Bazna had ik van het werkaanbod gehoord. Mevrouw [verdachte] kwam ons ophalen in Eindhoven. Meteen toen we bij het bedrijf aankwamen gaf zij ons contracten die we moesten ondertekenen. Op verzoek van mevrouw [verdachte] heb ik mijn paspoort en de verzekering afgegeven. Zowel ik als ook het merendeel van de mensen met wie ik daar was, hebben haar gevraagd om een contract in de Roemeense taal, zodat we het konden lezen, maar zij weigerde en zei dat we het later zouden krijgen. De kamers waarin wij verbleven waren boven haar bedrijf. De kamer waarin ik verbleef had geen ramen. Ik verbleef daar samen met twee andere personen. In de doucheruimte waren de omstandigheden niet zo goed, vooral omdat we warm water pas na 18.00 uur 's avonds hadden en soms zelfs dan niet. Als je niet werkte, verdiende je ook niet, maar het verblijf en eten moest je wel betalen. Tegen het einde van de periode was er weinig werk. Hierom hebben ik en drie vrienden mevrouw [verdachte] gevraagd om ons naar huis te laten gaan. Ze zei dat we naar huis konden maar dat zij ons geen cent zou geven.

's Avonds na 22.00 uur mochten wij niet meer naar buiten. Mevrouw [verdachte] deed de toegangsdeur op slot en ze liet de hond los. Het was een grote, agressieve hond, waar ik bang voor was. Per week kreeg ik 50 euro. Mevrouw [verdachte] zei dat we alleen aan het einde van het seizoen betaald kregen. Van het bedrag van 1650 euro dat mij toekomt voor het werk dat ik heb verricht, moet ik nog 550 euro krijgen.

Een verklaring van [medewerker 16] d.d. 26 oktober 20097, onder meer inhoudend:

Ik heb in Nederland gewerkt, in de landbouw, bij de asperges. Ik weet dat de plaats 7 kilometer van Someren lag en dat wij op het bedrijf hebben gelogeerd. Ik ben uit Roemenië op 23 april vertrokken. Ik had een advertentie gezien in de lokale krant, waarin vermeld stond dat er mensen werden gezocht voor werk in de landbouw in Nederland. De advertentie was geplaatst door [persoon 1], die samenwoont met een Nederlandse man. 25 April was de eerste werkdag en op 24 juni was de laatste werkdag. Toen we aankwamen, werden we door mevrouw [verdachte] naar onze kamer gebracht. We zagen dat het een erg kleine kamer was, zonder ramen. Wij hebben er met drie personen verbleven. In Eindhoven hebben we een contract in de Nederlandse taal getekend. Ik kon het contract niet lezen en niemand heeft me uitgelegd wat er in stond. Ik heb asperges gestoken. Ik heb zeven dagen per week gewerkt. Ik heb 10 en soms 12 uur per dag gewerkt, gemiddeld 10 uur per dag. Alleen na 21.00 uur in de avond gaf zij warm water, slechts twee uur lang, daarna werd het weer afgesloten. Het gebouw waarin ik verbleef werd 's nachts afgesloten. Ik heb in totaal 1370 euro gekregen, zoals zij dat heeft berekend. Volgens mijn berekeningen moet ik nog ongeveer 600 euro krijgen. In de laatste week heb ik aan de bazin gevraagd om ons naar huis te laten gaan omdat er niet meer veel werk was. Wij gingen naar het veld slechts één tot twee uur en op deze manier was het voor ons verlies, want wij moesten voor huisvesting en eten betalen. Zij zei toen dat wij tot de 24e moesten blijven. Mevrouw [verdachte] zei dat ze ons niet zou betalen als we niet tot 24 juni zouden blijven. Op 24 juni wilde ze nog maar 40 cent betalen. Er was een grote hond. Overdag zat hij opgesloten omdat hij gevaarlijk was. 's Nachts werd hij losgelaten. Wij konden niet naar buiten gaan, anders werden wij door de hond aangevallen.

Een verklaring van [medewerker 6] d.d. 26 oktober 20098, onder meer inhoudend:

Voordat ik naar Nederland ben gegaan heb ik zwart gewerkt in de bouw en heb ongeveer 400 euro per maand verdiend. Via een Nederlander die [persoon 2] heet en die samenwoont met een Roemeense, [persoon 1] genaamd, ben ik in Bazna aan werk gekomen bij mevrouw [verdachte]. Ik heb in april 2009 bij mevrouw [verdachte] gewerkt. Ik ben er een maand en twee weken gebleven. Wij kregen 50 euro per week en de rest zouden wij aan het einde krijgen. Wij kregen contracten om ze te tekenen, maar deze waren niet in de Roemeense taal, dus wij wisten niet wat we getekend hadden. De hele groep wilde tekenen, maar niet voordat we wisten wat erin stond. Mevrouw [verdachte] zei dat ze geen mogelijkheid had om het te laten vertalen en dat wij dus geen andere keuze hadden dan te tekenen. Zij heeft mondeling niet medegedeeld wat er in het contract stond. Daarna heeft ze onze identiteitsdocumenten gevraagd en om de verzekering en heeft deze gehouden tot aan ons vertrek, dus een maand en twee weken. Dit was een verzekering die wij bij Eurolines hadden afgesloten. Dit bedrijf zou aan ons een bepaald bedrag terugbetalen, als we na terugkomst met die verzekeringspapieren terug zouden gaan, maar mevrouw [verdachte] heeft ons die verzekeringspapieren niet meer teruggegeven.

Ik was gehuisvest ergens op een bovenverdieping, op haar boerderij. Er waren geen ramen, wij konden niet luchten. Om te douchen kregen we alleen maar koud water. Warm water werd er slechts voor korte tijd gegeven. Alleen 's avonds na het werk, ongeveer twee uur. Wij waren met drie personen op de kamer. Ik moest asperges steken. Ik heb zeven dagen per week gewerkt. Gemiddeld tien uur per dag. Alleen met Pasen waren we op zondag vrij. Wij hadden één uur pauze. Wij kregen iedere week 50 euro van haar. Om 22.00 uur 's avonds deed zij de deur op slot. Na 22.00 uur konden wij het complex niet meer verlaten.

Ik werd 45 cent per kilogram betaald. In het begin maakten wij niet meer dan 50 kilogram per dag. Er was een keer ruzie, in het begin toen we gevraagd hadden om per uur te worden betaald. Toen heeft hij zij dreigingen geuit als dat ze ons naar huis zou sturen zonder salaris. 's Avonds na 22.00 uur zat de hond in de keuken op een plek die het onmogelijk maakte om daar langs te lopen. Hij was heel groot en gevaarlijk. Ik moet nog 1.000 euro krijgen voor het werk dat ik daar heb verricht.

Een aangifte van [medewerker 7] d.d. 15 mei 20099, onder meer inhoudend:

Ik werk nu ongeveer twee weken voor mevrouw [verdachte]. Op de dag dat ik begon met werken moest ik mijn identiteitsbewijs, verzekeringspapieren en reispapieren aan mevrouw [verdachte] geven. Nu ik niet langer voor mevrouw [verdachte] wil werken, heb ik alleen mijn identiteitskaart van haar teruggekregen. Ik wilde ook graag mijn reis- en verzekeringspapieren terug, maar kreeg deze niet van haar. Morgen ga ik met de bus terug naar Roemenië.

Een verklaring van [medewerker 7] d.d. 26 oktober 200910, onder meer inhoudend:

Ik heb in de plaats Someren gewerkt, voor mevrouw [verdachte], in de periode 1 mei - 18 mei. Ik had gesproken met [persoon 1] en zij vertelde me dat ik op het land kon gaan werken. In die periode had ik vast werk bij een beveiligingsbedrijf en ik verdiende ongeveer 150 euro per maand. [persoon 1] en haar Nederlandse vriend (de rechtbank begrijpt: [persoon 2]) vertelden mij dat ik een ticket van Eurolines nodig had. Ik heb voor zes personen de vervoerskosten betaald. Omdat ik niet voldoende geld had, was ik genoodzaakt om een gedeelte te lenen. We hebben een contract ondertekend dat volgens mij in de Engelse taal was opgemaakt. Mevrouw [verdachte] zei dat we moesten tekenen zonder verder details te geven. Mevrouw [verdachte] vroeg onze identiteitskaarten en ze zei dat het wettelijk voorschrift was en ze wilde er zeker van zijn dat we niet weggingen. We hebben ons geconformeerd want we hadden geen andere mogelijkheid. We werden ondergebracht op een zolder zonder ramen. De omstandigheden waren niet goed omdat we niet altijd warm water hadden. De doucheruimtes waren vies. Ik werkte op het land bij het steken van asperges en mijn vrouw werkte in de hal. We werkten zeven dagen per week. We werkten tussen de 13-14 uur per dag. 's Avonds na het werk deed zij de deur op slot en liet zij de hond los, zodat wij het bedrijf niet konden verlaten. Mevrouw [verdachte] vertelde ons dat we na 21.00 uur 's avonds niet meer in of uit mochten gaan omdat de deur van de hoofdingang, de deur naar buiten, op slot ging en dat de hond werd losgelaten. Het was een grote en gevaarlijke hond waar ik bang voor was. Ik heb geen geldbedrag ontvangen gedurende mijn verblijf. Mijn vrouw heeft ook geen geldbedrag ontvangen. De man van [persoon 1] (de rechtbank begrijpt: [persoon 2]) heeft een gedeelte van het geld wat ons toekwam gebracht. Ik kreeg 125 euro van 253,80 wat ik nog tegoed had en mijn vrouw kreeg 250 euro van het totaalbedrag van 586 euro wat haar toekwam.

Een verklaring van [medewerker 8] d.d. 27 oktober 200911, onder meer inhoudend:

Ik verdien nu in de bouw het minimumloon, ongeveer 150 euro in de maand. Ik spreek alleen Roemeens. Ik heb van 8 april tot en met 26 juni bij [verdachte] in de asperges gewerkt.

Wij hebben voor de reis met Eurolines betaald, heen 126 en terug 158. Eerst hebben wij de contracten getekend. Zij wees alleen maar waar we moesten tekenen, zonder dat wij wisten wat wij tekenden. Wij hadden om een Roemeense vertaling gevraagd, maar zij zei slechts nee. Het contract was in het Nederlands. Zij heeft mijn paspoort genomen en wij kregen onze paspoorten pas terug nadat de politie was gekomen. De kamer waarin ik verbleef was een kleine ruimte op zolder, er waren geen ramen. Ik werkte iedere dag, gemiddeld 10 uren per dag. Ik had geen vrije dagen. Wij kregen een uur pauze.

We mochten niet naar buiten. [verdachte] deed de achterpoort op slot en de toegangsdeur naar het gebouw. Verder was er ook een hond die zij vrij liet lopen en het was onmogelijk langs die hond te lopen. Hij is ook achter mij aangerend om mij aan te vallen. Alleen 's avonds werd hij vrijgelaten. Als ze klaar was met haar werk, om 21.00 of 22.00 uur, ging de deur op slot. We konden niet via een andere uitgang naar buiten lopen. We hadden alleen 's avonds warm water. Ik kreeg mijn salaris op de laatste dag uitbetaald. Drie keer heeft ze mij buiten gestuurd omdat ik 45 cent per kilogram eiste en zij slechts 40 cent per kilogram wilde betalen. Uiteindelijk kregen wij 45 cent. Iedere week kreeg ik 50 euro en één keer 500 euro die ik naar huis heb gestuurd. Ik had 3600 euro verdiend en na het aftrekken van geld voor eten en wonen had ik nog 2800 euro moeten krijgen. Maar ik kreeg slechts 2170 euro. Voor 170 euro had ik van haar bonnen gekocht. De vrouwen verdienden 5 euro per uur.

Een verklaring van [medewerker 9] d.d. 12 november 200912, onder meer inhoudend:

In het najaar van 2008 had ik een advertentie gezien in een lokale krant over werk in Nederland in de asperges. Daarna ben ik naar [persoon 1], de geliefde van [persoon 2], in Bazna gegaan. Het was de enige keer dat ik in Nederland heb gewerkt, op het bedrijf van [verdachte] in Someren, bij het steken van asperges. Ik ben er twee maanden geweest, in de periode april-juni 2009. Het arbeidscontract was in de Nederlandse taal opgesteld. Wij hebben om een contract in de Roemeense taal gevraagd, maar de eigenaresse heeft dat geweigerd. Wij vertrokken 's ochtends om 07.00 uur naar het werk en bleven tot 's avonds om 20.00 uur. We hadden maar één pauze om te eten, tussen 12.30 en 13.30 uur. Wij hebben nooit een vrije dag gehad. We moesten voor 22.00 uur gaan slapen. 's Nachts werd de toegangsdeur naar het gebouw met een slot en een grendel afgesloten. Bij het douchen hadden we maar af en toe warm water en het was vechten om te gaan douchen als er warm water was. De situatie met de toiletvoorzieningen was desastreus (niet schoon, geen ontluchting). Elke zaterdag kregen degenen die dat wilden 50 euro. Toen dat gebouw door de Nederlandse autoriteiten werd gesloten, heb ik de bazin verzocht om aan mij het hele loon te betalen waar ik recht op had. Zij heeft dat geweigerd en heeft gezegd dat alles aan het einde zou worden betaald. Behalve de 50 euro die ik iedere zaterdag heb gekregen, heb ik aan het einde van de werkperiode nog een bedrag van 980 euro gekregen. Dit bedrag kwam niet overeen met het bedrag dat ik dacht te moeten krijgen. Daar was ook een hele grote hond. Eén dag voor ons vertrek uit Nederland werd een Pool door deze hond gebeten. Ik vind dat ik voor een bedrag van 500 euro ben benadeeld.

Een verklaring van [medewerker 10] d.d. 10 november 200913, onder meer inhoudend:

Bij [verdachte] heb ik in 2009 gedurende drie maanden gewerkt. Ik kreeg hier 300 euro voor. Ik werkte van 07.00 uur 's ochtends tot 20.00 uur, 7 dagen in de week en gedurende drie maanden. Ik zou aan het einde van het aspergeseizoen uitbetaald krijgen. [verdachte] heeft me een overeenkomst in de Nederlandse taal gegeven en ik weet dus niet wat ik getekend heb. Ik heb gevraagd of ik een arbeidsovereenkomst in het Pools kon krijgen maar [verdachte] antwoordde: "Wil je, dan kan je werken, wil je niet, dan werk je niet." Als ik geen contract zou tekenen dan zou ik geen werk hebben. Ik begon met werken eind maart 2009 en ik was klaar na drie maanden. Ik werkte non stop en ik had geen vrije dag. Iedereen moest om 21.00 uur op zijn kamer zijn. [verdachte] deed het gebouw met de kamertjes op slot. Zij zette het warm water alleen open als zij het zelf wilde. Er waren zeer slechte sanitaire voorzieningen, het was vies. Ik kreeg het geld slechts een keer. Dat was na drie maanden, toen het werk afgelopen was. Ik verdiende 300 euro. Ik heb [verdachte] twee keer gevraagd om de uitbetaling van het hele salaris maar zij heeft het geweigerd. Ik had ruim 4.000 euro moeten verdienen.

Wij mochten de boerderij niet verlaten. Zij liet 's avonds de hond los. Ze zei dat zij geen verantwoording nam voor de hond en dat de hond ons kon bijten. [verdachte] liet de hond op mij los op het moment dat ik salaris voor mij en [medewerker 11] heb opgeëist. Hij heeft slechts 200 euro voor drie maanden werk gekregen. De hond heeft me in mijn hand gebeten. Een buurvrouw die in de buurt werkte heeft toen de politie gebeld.

Een verklaring van [medewerker 11] d.d. 17 november 200914, onder meer inhoudend:

Op 9 april 2009 heeft mijn tante me naar de boerderij van mevrouw [verdachte] gebracht. Ik heb van mevrouw [verdachte] documenten in het Nederlands gekregen die ik moest invullen. Mevrouw [verdachte] beloofde mij dat ik 45 cent per kilogram geoogste asperges zou krijgen.

Mevrouw [verdachte] zei tegen mij dat ik vanaf 07.00 uur 's ochtends tot 19.00 uur 's avonds zou werken en soms nog langer als de asperges van een bepaald veld nog niet geoogst zouden zijn. Ik zou ook op zondag moeten werken. Warm water werd door mevrouw [verdachte] alleen laat in de nacht aangezet. De ruimtes waarin de werknemers woonden werden rond 22.00 uur 's avonds door mevrouw [verdachte] met een sleutel op slot gedaan, zodat ik en andere werknemers niet konden weggaan. Vervolgens liet mevrouw [verdachte] een grote hond los die het perceel moest bewaken. Mevrouw [verdachte] vertelde dat we niet weg mochten gaan omdat de hond gevaarlijk is en kan bijten.

Elke werknemer kreeg wekelijks een voorschot van 50 euro. Het gehele bedrag zouden ik en andere werknemers op het einde van het seizoen krijgen. Ik heb twee keer een voorschot van 50 euro genomen. Op 26 juni 2009 ben ik gestopt met het werken bij mevrouw [verdachte] omdat het aspergeseizoen afgelopen was. Mevrouw [verdachte] heeft mij toen 250 euro uitbetaald. Zij zei dat ik nog recht had op dit bedrag na aftrek van alle kosten. Ik had verwacht dat ik 2.100 euro zou krijgen. Ik heb elke dag berekend hoeveel asperges ik had geoogst en van het verdiende bedrag heb ik de kosten voor het eten en voor de woning afgetrokken. Ik heb geen gebruik gemaakt van de bonnen.

Een verklaring van [medewerker 12] d.d. 12 mei 200915, onder meer inhoudend:

[medewerker 13] en ik werkten samen op een aspergeteelt. Wij sliepen en woonden op de boerderij van de eigenaresse [verdachte], gevestigd op de [adres verdachte] te Someren. Ik werkte ongeveer 22 dagen voor haar en [medewerker 13] werkte er al ongeveer 28 dagen. Wij werden per kilo betaald. Wij kregen € 0,40 per kilo asperges. Ik heb in 22 dagen ongeveer 1.343,5 kilo asperges geoogst. In de eerste week heb ik niks ontvangen. In de tweede week heb ik 50 euro ontvangen en in de derde week heb ik nogmaals 50 euro ontvangen. Ik heb dus nog geld van haar tegoed. Ik moest zeven dagen per week werken en kreeg geen vrije dagen. Ik werkte gemiddeld 12 tot 14 uur per dag. Dat gold ook voor de rest van de werknemers. Sommige kamers hadden niet eens een raam. Vaak werd het warme water afgesloten en moesten we koud douchen.

Een verklaring van [medewerker 12] d.d. 07 december 200916, onder meer inhoudend:

De getuige verklaarde dat:

Hij van 23 april 2009 tot en met 12 mei 2009 bij [verdachte] heeft gewerkt. Hij 40 cent per kilo gestoken asperges kreeg. Hij 10 à 15 uur per dag moest werken. Hij van maandag tot en met zondag moest werken en hij geen dag vrij had gehad. Dat hij in 22 dagen 1.343,5 kilogram asperges gestoken had. Dat hij 100 euro aan voorschot heeft gekregen en 50 bonnen met een waarde van 25 euro. Dat zij zei: "Betalen doen we alleen maar aan het einde." Dat hij regelmatig om zijn documenten heeft gevraagd. Dat hij in het begin niet weg kon bij [verdachte] omdat hij helemaal geen geld meer had. Dat hij zich dus gedwongen voelde om bij [verdachte] te blijven. Dat er warm water was vanaf 20.00 uur. Dat ze 's avonds niet op de binnenplaats konden komen omdat dit dan dicht was. Dat ze van [verdachte] niet van het erf afmochten. Dat [verdachte] buiten een hond had rondlopen. Dat de hond groot en agressief was. Dat in de 22 dagen dat hij bij [verdachte] gewerkt had de toiletten maar twee keer schoongemaakt waren; dit omdat men toen het vermoeden had dat er inspectie zou komen. Dat hij op zijn laatste werkdag aan [verdachte] zijn salaris had gevraagd. Dat [verdachte] niet wilde betalen omdat ze niet genoeg geld in huis had en nog steeds geen kopieën van de documenten had. Dat de kopieën later per post naar [verdachte] zijn opgestuurd maar zij nooit betaald heeft.

Een verklaring van [medewerker 12] d.d. 20 september 200917, onder meer inhoudend:

De getuige heeft verklaard:

Hij kent [verdachte] aangezien hij tussen april en mei 2009 22 dagen voor haar heeft gewerkt. Hij heeft asperges gestoken en hij kreeg onderdak op de kwekerij. De hygiënische omstandigheden van de toiletruimtes waren niet goed. De toiletruimtes zijn slechts twee keer schoongemaakt. Iedereen die op de kwekerij werkte kon 's avonds niet naar buiten omdat de verdachte de poort van de ene uitgang dicht deed en ze bij de andere uitgang een grote hond had. Daarnaast hield [verdachte] alle belangrijke documenten in, om precies te zijn de identiteitskaarten, paspoorten en de kaart van het Nederlandse Burgerservicenummer. Zijn documenten zijn door [verdachte] ingehouden gedurende de hele periode die hij voor haar heeft gewerkt. Hij kreeg aan het eind van elke week 50 euro van [verdachte]. Het totaalbedrag zouden ze aan het einde van het seizoen krijgen. Verder zegt hij dat hij een contract met [verdachte] heeft ondertekend dat zowel in het Nederlands als in het Pools was opgesteld. Omdat hij beide talen niet beheerst, wist hij niet wat er in dat contract stond. Buiten de 100 euro die hij in twee delen van 50 euro heeft ontvangen, alsmede de twee keren dat hij bonnetjes heeft gekregen ter waarde van 25 euro, heeft hij uiteindelijk niets ontvangen voor het werk dat hij verricht heeft.

Een verklaring van [medewerker 12] afgelegd bij de rechter-commissaris18, onder meer inhoudend:

De raadsman vraagt waarom ik niet ben weggegaan, nadat ik met werken begonnen was. Dat was moeilijk, want ik had geen identiteitspapieren meer. Die hield mevrouw [verdachte] onder zich en ik had ook geen geld. 's Nachts ging alles op slot. Ik heb mijn geld niet gekregen en ik kreeg ook mijn papieren niet terug. Ik heb verschillende keren geklaagd bij mevrouw [verdachte], over de omstandigheden, het geld en de teruggave van mijn identiteitspapieren.

Een verklaring van [medewerker 13] d.d. 07 december 200919, onder meer inhoudend:

Korte samenvatting van het verhoor:

Ik ken mevrouw [verdachte]. Ze heeft een boerderij in Someren. Ik heb daar 8 à 9 maanden geleden gewerkt. Ik kreeg een contract aangeboden in het Pools. Ik begreep hier niks van. Dat moest ik accepteren anders kreeg ik geen werk. Ik was hiervoor lange tijd werkloos. Ik zou 40 cent per kilogram gestoken asperges krijgen.

Ik heb mijn ID-kaart afgegeven aan [verdachte]. Uiteindelijk heeft ze deze het hele seizoen onder zich gehouden. Ik moest iedere dag werken, ook in het weekend. Je kon geen vrije dagen hebben. De boerderij bestond uit een woning met daaraan vast een soort loods. In deze loods werd gegeten en gewerkt. Op de eerste verdieping zijn allemaal kamers. We lagen met twee personen op één kamer. We werkten 10, 12 à 14 uur per dag. Na het werken ging ik vroeg slapen. Je mocht niet van de boerderij af. Dat werd onmogelijk gemaakt. De poort naar buiten en de poort naar de binnenplaats werd afgesloten. Ook liep er dan een grote hond los. Ik was bang voor die hond. De hond was groot en blafte veel. Vanaf het eten tot slaaptijd rond 22.00 uur had je warm water. Daarna niet meer, dat werd door [verdachte] afgezet. Als [verdachte] weg was dan had niemand warm water omdat ze dan de knop niet omzette. Dat is een paar keer gebeurd. Er waren voldoende toiletten. Deze werden niet schoongemaakt. Er lag soms ontlasting in de hoek van de toiletruimte. Ik stak100 à 150 kilogram per dag.

Een verklaring van [medewerker 13] d.d. 24 september 201020, onder meer inhoudend:

De getuige heeft het volgende verklaard.

Dat hij [verdachte] kent aangezien hij tussen april en mei 2009 22 dagen voor haar heeft gewerkt. Hij heeft asperges gestoken en hij kreeg onderdak op de kwekerij. Ze konden pas vanaf 20.00 uur over warm water beschikken en dat was voor een beperkte tijd, namelijk ongeveer twee uur. De hygiënische omstandigheden van de toiletruimtes waren niet goed. De toiletruimtes zijn slechts twee keer schoongemaakt. Iedereen die op de kwekerij werkte kon 's avonds niet naar buiten omdat de verdachte de poort van de ene uitgang dicht deed en ze bij de andere uitgang een grote hond had. Daarnaast hield [verdachte] alle belangrijke documenten in, om precies te zijn de identiteitskaarten, paspoorten en de kaart van het Nederlandse Burgerservicenummer. Zijn documenten zijn door [verdachte] ingehouden gedurende de hele periode die hij voor haar heeft gewerkt. Zij werkten ook op zaterdag en zondag. Hij zou aan het einde van het seizoen voor zijn werk betaald worden. Hij kreeg aan het einde van elke week 50 euro van de verdachte, zijnde een voorschot op de betaling. Het enige dat hij kon doen was de situatie verdragen, omdat hij geen enkele mogelijkheid zag om hieraan te ontsnappen.

Verder zegt hij dat hij een contract met [verdachte] heeft ondertekend dat zowel in het Nederlands als in het Pools was opgesteld. Omdat hij beide talen niet beheerst, wist hij niet wat er in dat contract stond. Buiten de 100 euro die hij in twee delen van 50 euro heeft ontvangen, alsmede de twee keren dat hij bonnetjes heeft gekregen ter waarde van 25 euro, heeft hij uiteindelijk niets ontvangen voor het werk dat hij verricht heeft.

Een verklaring van [medewerker 13] afgelegd bij de rechter-commissaris21, onder meer inhoudend:

Op de vraag of ik voor mijn indiensttreding met mevrouw [verdachte] over de arbeidsvoorwaarden heb gesproken antwoord ik met nee. De eerste keer had ze geen tijd voor mij. Toen ze mij daarna sprak gaf ze mij de keus om wel of niet te komen werken. Ik had geen werk, dus ik ben daar begonnen. Ze wilde mij een arbeidscontract in het Pools voorleggen. Er is afgesproken dat er aan het einde van de campagne of bij eerder vertrek zou worden betaald. Als voorschot is 50 euro per week voorgesteld en dat heb ik twee keer gehad. Ik had geen identiteitspapieren, omdat die waren ingehouden door mevrouw [verdachte]. Ik kreeg ze maar niet terug. Raadsman vraagt of ik eerder weggegaan zou zijn als ik de kans had gehad. Ja, maar het was moeilijk omdat ik geen geld en geen identiteitspapieren had.

Een verklaring van [medewerker 14] d.d. 09 december 200922, onder meer inhoudend:

Korte samenvatting van het verhoor:

Ik heb dit jaar van maart tot en met mei in Nederland gewerkt. Bij [verdachte]. Het was een boerderij in Someren. Er werd ons een contract in het Pools gegeven. Ik begreep het contract niet. Ik heb daar 25 dagen gewerkt. Ik heb de eerste drie dagen niet gedoucht omdat er geen warm water was. [verdachte] zette de knop niet aan. Dat gebeurde vaak. Sommige kamers hadden geen ramen. Ik heb één keer een voorschot gehad van 50 euro. We zouden aan het eind van het seizoen betaald worden. [verdachte] hield ons paspoort onder zich. Ik heb het heel vaak teruggevraagd. Om 21.00 uur sloot [verdachte] de boel af. Je kon dan niet naar buiten. Als je wegging, kreeg je geen geld. Je kreeg pas aan het eind van het seizoen uitbetaald. Daarom gingen we niet weg. Ik heb zeker 60 à 70 kilogram per dag gestoken. Mannen staken minstens 100 kilogram per dag. Na een week bleek dat we 40 cent per kilogram kregen. Ik heb geen cent meer gekregen voor die 25 dagen die ik daar gewerkt heb. Ik heb een keer bonnetjes gekregen.

Een verklaring van [medewerker 14] d.d. 13 oktober 201023, onder meer inhoudend:

De getuige heeft verklaard:

Zij heeft op het adres van de verdachte gewoond, namelijk aan de [adres verdachte] te Someren. De douches stonden steeds ter beschikking van de werknemers, maar alleen met koud water. Het warme water werd slechts aangezet wanneer het de verdachte uitkwam en bovendien voor een beperkte tijdsperiode die afhankelijk was van de goede wil van de verdachte. De toiletruimtes konden altijd gebruikt worden maar de hygiënische omstandigheden waren zeer precair. Ze werden namelijk niet schoongemaakt. Vaak lag er ontlasting en urine op de vloer, alsmede modder dat met de werklaarzen mee naar binnen werd gelopen. Toen ze bij de werkplek aangekomen waren, vroeg de verdachte hen hun identiteitsdocumenten bij haar in te leveren. Deze documenten zijn pas teruggegeven toen de politie naar de kwekerij was gekomen. Ze werden verhinderd de kwekerij te verlaten, aangezien de verdachte de kwekerij om 22.00 uur dicht deed en een grote hond op het terrein losliet. Het contract werd hen in het Pools getoond. Ze hebben dit contract getekend en om een vertaling daarvan gevraagd, die echter nooit gemaakt is. Ze werkten iedere dag van de week en altijd meer dan tien uur per dag. Af en toe hebben ze zelfs zestien uur per dag gewerkt. In eerste instantie werd 50 cent per kilogram afgesproken, maar op de tweede werkdag begon de verdachte al te praten over andere bedragen, namelijk tussen de 40 en 45 cent. Verder hebben ze nooit een gesprek gehad over het minimumloon. De verdachte heeft haar niets betaald voor de gestoken asperges. Ze heeft haar alleen een voorschot van 50 euro gegeven. De manier waarop verdachte handelde heeft ervoor gezorgd dat iedereen totaal afhankelijk van haar was, aangezien men geen identiteitsdocumenten, geld en vervoersmiddelen had om naar een andere locatie te gaan.

Een verklaring van [medewerker 14] afgelegd bij de rechter-commissaris24, onder meer inhoudend:

Ik kwam bij mevrouw [verdachte] terecht op het moment dat ik geen werk meer had. Het werk was klaar als de campagne was afgelopen. Ik werd per kilogram betaald en niet per uur. Ik had mijn paspoort bij mevrouw [verdachte] achtergelaten. Je mocht alleen weg aan het einde van de campagne. Toen ik wegging, heb ik mijn paspoort niet meegekregen en ook geen geld. Ik wil ook nog zeggen dat wij een keer een contract in de Poolse taal getekend hebben, maar dat hebben wij nooit ter hand gesteld gekregen.

We konden niet weg omdat we geen geld hadden en ze zei dat als we weg wilden dat we dan maar moesten gaan, maar geen geld zouden krijgen.

Een verklaring van [medewerker 15] d.d. 09 december 200925, onder meer inhoudend:

Korte samenvatting van het verhoor:

Ik heb in Nederland gewerkt. In februari 2009 hoorde ik dat er werk was in de asperges. We hebben in maart met [verdachte] gesproken. We zouden 40 cent per kilogram verdienen. Onze werkzaamheden bestonden uit asperges steken. Je zou aan het eind van het seizoen uitbetaald krijgen. Een keer per week kreeg je een voorschot van 50 euro. We kregen hier huisvesting. Het contract kon ik niet lezen omdat het opgesteld was in het Pools. We moesten onze ID-kaart afgeven. Ze heeft deze bij zich gehouden. Er waren kamers zonder ramen. We hadden om 12.00 uur één uur pauze. Het avondeten was om 21.00 uur. Na het eten gingen we slapen. We mochten de boerderij niet af. [verdachte] sloot alles af. Om 22.00 uur liet ze de hond los. Alles van het sanitair was vies. Er lag ontlasting op de grond van de wc. De eerste week heb ik 50 euro voorschot gevraagd. Ook kreeg ik 50 bonnetjes voor 25 euro.

Toen de politie kwam hebben we onze ID teruggekregen. We zijn daar 25 dagen geweest. Mijn vriendin en ik hebben samen 1700 kilogram gestoken, mijn vriendin ongeveer 600 kilogram en ik de rest. Ik heb daar kamers gezien zonder ramen. Er waren dagen bij dat we van 07.00 uur tot 22.00 uur moesten werken. Je moest iedere dag werken, geen vrije dagen.

Een verklaring van [medewerker 15] afgelegd bij de rechter-commissaris26, onder meer inhoudend:

Raadsman vraagt hoe ik bij mevrouw [verdachte] terecht kwam. Ik had geen werk meer en hoorde via een zus van mijn vrouw over werk in de aspergecampagne. Raadsman vraagt waarom ik daar niet eerder weg ben gegaan als ik de omstandigheden zo slecht vond. Ik kon daar helemaal niet weg. Ik had geen vervoer. Ik zou er drie maanden blijven en dan vertrekken. Op de vraag of ik, los van het gemis aan identiteitspapieren, in de gelegenheid was om het bedrijf te verlaten moet ik zeggen dat dat alleen mogelijk was tijdens de werktijden, maar daarna niet meer. Dan zat alles op slot.

Verklaringen van in de tenlastelegging niet met name genoemde werknemers.

Een verklaring van [medewerker 17] d.d. 10 augustus 201027, onder meer inhoudend:

De getuige heeft verklaard:

Dat hij [verdachte] kent aangezien hij vijf maal voor haar heeft gewerkt, voor het eerst in 1999 en voor het laatst in juni 2010. [verdachte] heeft hem altijd betaald wat overeengekomen was, 45 cent per kilogram asperges. Hij bevestigt dat alle contracten in het Nederlands werden opgesteld, dat er geen kopieën van het contract in een andere taal bestonden en dat er geen tolk aanwezig was om alles te vertalen. Hij geeft aan dat de verrekening pas aan het einde van het aspergeseizoen werd uitgevoerd, maar dat de werknemers voorschotten kregen.

Een verklaring van [medewerker 18] d.d. 09 november 201028, onder meer inhoudend:

Ik moest in de keuken blijven om voor de arbeiders te koken. Er is een mondelinge afspraak gemaakt dat ik 40 euro per dag kreeg. Ik ben slechts 6 weken en 2 à 3 dagen gebleven. Ik betaalde 8 euro voor de huisvesting en voor het eten hoefde ik niet te betalen.

Een verklaring van [medewerker 18] d.d. 09 november 201029, onder meer inhoudend:

Ik heb bij mevrouw [verdachte] gewerkt van 9 april 2009 tot 24 juni 2009. Het arbeidscontract was niet in de Roemeense taal. Mijn werktijden waren van 's morgens 06.30 uur tot 20.00 - 20.30 uur. Ik kon tussendoor ook rusten. Ik heb elke dag gewerkt. Op zaterdag van elke week kregen we 50 euro. De rest kreeg ik toen ik naar huis ging. De verdiensten waren in totaal 1.800 euro, waarvan 300 euro voor huisvesting. Er bleef 1.500 euro over.

Een aangifte van [medewerker 19] d.d. 15 mei 200930, onder meer inhoudend:

Ik werk nu ongeveer twee weken voor [verdachte]. Toen we hier aankwamen moesten we onze papieren, zoals paspoort en verzekeringspapieren, bij haar inleveren. Die zouden we terugkrijgen aan het einde van onze werkzaamheden. Omdat we nu weg moeten, hebben we gisteravond wel onze paspoorten teruggekregen, maar niet onze verzekeringspapieren. We hebben daar wel om gevraagd.

Een aangifte van [medewerker 20] d.d. 15 mei 200931, onder meer inhoudend:

Ik heb nu ongeveer 25 dagen voor mevrouw [verdachte] gewerkt. Op de dag dat ik begon te werken, heb ik mijn paspoort en verzekeringspapieren bij haar in moeten leveren. Ik zou deze terugkrijgen als ik stopte met werken. Gisterenavond heb ik wel al mijn paspoort van haar teruggekregen. Ik vroeg haar ook om de rest van mijn papieren en met name mijn verzekeringspapieren. Die kreeg ik echter niet.

Een verklaring van [medewerker 21]32, onder meer inhoudend:

Ik ben op 7 april 2009 uit Roemenië naar Nederland vertrokken. De volgende dag zijn wij in Someren aangekomen waar wij werden opgewacht door [verdachte]. Op de avond dat wij aankwamen, heb ik een arbeidscontract ondertekend, maar ik wist niet wat er in geschreven stond omdat dat in een vreemde taal was. Ik heb begrepen dat wij tot het einde van het oogstseizoen moesten blijven. Wat betreft de huisvestingsomstandigheden, twee of drie kamers hadden geen ramen. Naarmate het warmer weer werd, werkte ik van 's morgens 07.00 uur tot 's avonds 20.00 uur met een lunchpauze van 1 uur. Er waren dagen waarop ik in mijn eentje 120 kilogram asperges oogstte. Vanaf het begin was er de afspraak dat welk van ons 50 euro per week ontvang bij wijze van voorschot, terwijl het restant voor het geleverde werk betaald werd bij afsluiting van de contractsperiode. Over de gehele periode heb ik ongeveer 2.800 euro verdiend, welk bedrag mij na aftrek van de kosten voor huisvesting en maaltijden is uitbetaald.

Ik heb bij mevrouw [verdachte] gewerkt van 9 april tot en met 30 juni in het jaar 2009. Ik kreeg 45 eurocent per kilogram.

Als ik werk zou hebben in Roemenië dan zou ik per maand minder dan 200 euro verdienen.

Een verklaring van [medewerker 22] d.d. 09 november 201033, onder meer inhoudend:

Ik heb in Nederland bij mevrouw [verdachte] gewerkt, vanaf 9 april 2009 tot 15 mei 2009. Ik sorteerde asperges in de loods. Ik was gehuisvest op de boerderij. Onze kamer had ramen, ik had het geluk ze te hebben. Er waren ook kamers zonder ramen, daar woonden ook mensen. Mevrouw [verdachte] gaf 5 euro per uur. Ik heb een arbeidsovereenkomst getekend toen ik aankwam. Die overeenkomst was in het Engels en Pools. Ik heb niet begrepen wat erin stond.

Ik verdien op dit moment 720 Lei in nieuwe munt, dat is ongeveer 170 euro, per maand. Dat is voor een volledige werkweek.

Een verklaring van [medewerker 23] d.d. 09 november 201034, onder meer inhoudend:

Op 7 april 2009 ben ik uit Roemenië vertrokken naar Nederland. In Someren werden wij opgewacht door [verdachte]. Wij werden naar een boerderij gebracht. Op de avond dat wij aankwamen, heb ik een arbeidscontract ondertekend, maar ik wist niet wat erin geschreven stond, omdat dat in een vreemde taal was, Pools of Engels. Uit een gesprek met mevrouw [verdachte] heb ik begrepen dat de vrouwen die aan de sorteerband werkten 5 euro per uur betaald kregen. Ik heb gewerkt bij het sorteren van de asperges aan de transportband. Afgesproken was bij het begin dat ieder 50 euro per week ontving bij wijze van voorschot, terwijl het overige voor het verrichte werk aan het eind van de contractsperiode werd betaald. Op 22 mei 2009 ben ik naar Roemenië vertrokken. Over de gehele periode heb ik ongeveer 2.200 euro verdiend, welk bedrag resteerde na aftrek van de kosten voor huisvesting en maaltijden.

Ik heb van 9 april 2009 tot 22 mei 2009 bij mevrouw [verdachte] gewerkt. Ik werkte vanaf 07.00 uur tot 's avonds 19.00 uur.

Een verklaring van [medewerker 24] d.d. 08 oktober 200935, onder meer inhoudend:

Ik heb bij [verdachte] gewerkt. De eerste dag dat ik bij haar begon te werken was 19 april 2009, de laatste dag was 20 juni 2009. Ik heb in totaal 3190 kilo asperges gestoken en ook 24 uur 's nachts voor [verdachte] gewerkt. 5 Euro per uur was afgesproken voor de nachten. Overdag werd 45 cent per kilo afgesproken.

Overige verklaringen en stukken.

Een verklaring van [persoon 3], onder meer inhoudend:

Ik woon aan de [adres persoon 3]. Aan huis hebben wij een agrarisch bedrijf. Bij ons bedrijf hebben wij een boerderijwinkel. Ongeveer drie dagen voor 15 mei 2009 kwamen er werknemers van [verdachte] bij mij in de winkel. Toen heb ik [medewerker 10], [medewerker 11] en een Roemeense man leren kennen. Zij werkten bij [verdachte]. (-) [medewerker 10] en [medewerker 11] hadden 200 euro gekregen. Zij zijn hierna verhaal gaan halen bij [verdachte]. Hierna is men naar mij gekomen. [medewerker 10] is toen door de hond gebeten. Ik zag dat hij een wond van ongeveer 10 centimeter in zijn onderarm had. Ik zag dat ook het gezicht van [medewerker 10] onder het bloed zat. Dit is op 24 juni 2009 gebeurd. De hond van [verdachte] is een grote wit met bruine hond. Als deze hond los is, dan pakt hij voorbijgangers. Zelf ben ik ook een keer door deze hond aangevallen. Ik fietste toen langs het terrein van [verdachte] en die hond was los en heeft mij in mijn broek gebeten.

Een verklaring van [medewerker 25] afgelegd bij de rechter-commissaris37, onder meer inhoudend:

Ik heb in 2009 de loonadministratie verzorgd voor het bedrijf van mevrouw [verdachte]. Dat er (de rechtbank begrijpt: een voorschot van) 50 euro betaald werd, was omdat de mensen dat wilden. De officier van justitie houdt mij voor dat ik bij de politie een andere verklaring hiervoor heb gegeven, namelijk dat [verdachte] bang was dat ze tussentijds zouden vertrekken. Dat ook, maar dat heb ik allemaal van [verdachte] gehoord.

De bevindingen van [inspecteur 1] en [inspecteur 2], inspecteurs van de Arbeidsinspectie38, onder meer inhoudend:

Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag met betrekking tot de [onderneming verdachte], handelend onder de naam (eenmanszaak) [verdachte].

- Arbeidsduur per week volgens CAO: 38 uur.

- Normbedragen over 1-1-2009 tot en met 30-06-2009:

23 jaar en ouder: € 8,39 per uur bruto

€ 7,12 per uur netto

- Uit informatie verstrekt door de Belastingdienst blijkt dat door de Belastingdienst en de desbetreffende branchevereniging de norm gehanteerd wordt dat één ervaren aspergesteker onder ideale omstandigheden gemiddeld maximaal twaalf kilo asperges per uur kan oogsten/steken.

- Gezien voornoemde norm kan worden gesteld dat een nettoloon per kilogram geoogste asperges minimaal € 0,59 (€ 7,12 / 12 kg) zou moeten zijn om aan de gestelde wetgeving te voldoen. Doch enkel in het geval dat de werknemer de gestelde norm van 12 kilogram per uur daadwerkelijk behaalt. Als een werknemer bijvoorbeeld maar 6 kilogram per uur oogst dan dient hij toch voor dat gewerkte uur conform het wettelijk minimumloon te worden betaald.

- Gezien voornoemde norm en het feit dat er op voornoemde netto lonen netto inhoudingen plaatsvinden, was het voor zowel de aspergestekers als de sorteerders onmogelijk om het netto minimum uurloon van € 7,12 per uur te verdienen.

Boeterapport Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van [inspecteur 1] en [inspecteur 2]39, onder meer inhoudend:

Wij stellen vast dat in de periode maart 2009 tot en met juni 2009 tenminste 74 personen voor [verdachte] arbeid hebben verricht en feitelijk in dienst waren bij haar.

Een verklaring van [ambtenaar gemeente]40, onder meer inhoudend:

Ik ben senior medewerker handhaving bij de gemeente Someren. Op 15 mei 2009 ben ik de hele middag op het bedrijf van mevrouw [verdachte] geweest. Ook in de dagen voorafgaand aan 15 mei 2009 ben ik daar geweest. De reden van die controles was om de huisvesting van de arbeidsmigranten te controleren en dan vooral de brandveiligheid. In totaal zijn er 43 kamers aanwezig voor de huisvesting van de arbeiders. Op dit totaal moeten vier vluchttrappen aanwezig zijn omdat al deze kamers op de eerste verdieping gesitueerd zijn, onder de schuine kap. Er ontbreken twee vluchttrappen. Een belangrijk punt van de brandveiligheid waren de sloten aan de binnenkant van de slaapkamerdeur. Deze waren niet te openen middels een draaiknop. Verder ontbreekt in het pand een brandmeldinstallatie en de compartimentering is niet op orde. Er waren een aantal kamers waar geen raam aanwezig was.

Een verklaring van [adviseur gemeente]41, onder meer inhoudend:

Ik ben betrokken geweest bij de controles bij de aspergekwekerij van [verdachte] te Someren vanuit mijn functie als brandveiligheidsadviseur van de gemeente Someren. Na 18 juni 2008 zijn er gesprekken geweest met mevrouw [verdachte] en medewerkers van de gemeente om haar pand brandveilig te krijgen voor het volgende aspergeseizoen. Op 24 april 2009 ben ik weer naar haar pand geweest. Ergens zijn wij te weten gekomen dat mevrouw [verdachte] wederom arbeidsmigranten in haar gebouw had en dat was in strijd met de afspraken. Haar pand moest eerst brandveilig zijn. Het pand voldeed nog steeds niet aan de brandveiligheidseisen. Het college heeft vervolgens het besluit genomen dat er ontruimd moest worden. Zij heeft toen voorlopige voorzieningen gevraagd bij de rechtbank. De rechtbank heeft die voorzieningen afgewezen en zodoende heeft er een ontruiming plaatsgevonden op 15 mei 2009.

Een verklaring van [ambtenaar gemeente]42, onder meer inhoudend:

Ik ben buitengewoon opsporingsambtenaar tevens toezichthouder in de gemeente Someren en ik bekleed deze functie vijf jaar. Ik denk dat ik in 2009 een kleine twintig keer het bedrijf van [verdachte] heb bezocht. Wat ik naar aanleiding van mijn bezoeken vond, is dat het daar altijd vies was. Het stonk er altijd. Vloeren waren vies en het sanitair was de dag van 15 mei 2009 in ieder geval hartstikke smerig. We hadden berekend dat we zo een 50/60 arbeidsmigranten zouden aantreffen. We hebben er 65 aangetroffen.

Een proces-verbaal bevindingen van [verbalisant 1] en [verbaliant 2]43, onder meer inhoudend:

Op 18 april 2009 kregen wij het verzoek te gaan naar de [adres verdachte] te Someren. Ter plaatse aangekomen werden wij aangesproken door een Roemeense man. Hij verklaarde de melder te zijn. Hij verklaarde dat hij vandaag met twee andere Roemenen met de bus terug zou gaan naar Roemenië. [verdachte] weigerde nu de identiteitspapieren van de andere twee Roemenen terug te geven. [verdachte] vertelde ons dat ze de identiteitspapieren niet terug kon geven, omdat ze op maandag een afspraak had met de belastingdienst en dat de Roemenen hierbij aanwezig moesten zijn. [verdachte] deelde ons het volgende mede: "Als deze Roemenen niet meegaan om hun sofinummer op te halen, dan loopt [verdachte] veel geld mis. En ze moet dan geld betalen aan de belastingdienst omdat de Roemenen dan bij haar gewerkt hebben zonder in het bezit te zijn van een sofinummer." Wij hoorden [verdachte] zeggen dat haar werknemers in Polen via een Nederlandse tussenpersoon een baan bij haar aangeboden krijgen.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] en [verbaliant 4]44, onder meer inhoudend:

Op 10 mei 2009 omstreeks 21.40 uur kregen wij de melding om te gaan naar de [adres verdachte] te Someren. De meldkamer meldde ons dat een Portugese man, [medewerker 26], gemeld had dat hij was mishandeld. Wij kwamen omstreeks 22.15 uur ter plaatse. Ik, [verbalisant 4], heb telefonisch contact gelegd met de melder en hem gevraagd of het mogelijk was dat hij de poort voor ons opende. De melder vertelde ons dat dit niet mogelijk was omdat hij het gebouw niet kon verlaten omdat dit afgesloten was door de eigenaresse.

Een proces-verbaal bevindingen van [verbalisant 5]45, onder meer inhoudend:

Op 15 mei 2009 bevond ik mij op het tuinbouwbedrijf van [verdachte], gevestigd aan de [adres verdachte] te Someren. Toen ik [verdachte] mededeelde dat door mij collega's op 10 mei 2009 was geconstateerd dat een Portugese medewerker die een beroep op de politie had gedaan niet zelf naar buiten kon komen, antwoordde zij mij: "Natuurlijk wordt hier 's avonds gesloten. Dat is maar goed ook. Anders zwerven ze 's avonds maar rond in de omliggende dorpen. Wij maken het wel een beetje gezellig hier en zo heeft er niemand last van. Daarom houd ik ze hier en dat is maar goed ook, toch?"

Proces-verbaal bevindingen van [verbalisant 6]46, onder meer inhoudend:

Op 15 mei 2009 bevond ik me op het tuindersbedrijf van [verdachte], gevestigd aan de [adres verdachte] te Someren. Ik ben naar de slaapvertrekken gegaan. Ik zag dat de douches zeer smerig waren. Ik zag dat de douchebakken vies/smerig waren. Ik zag dat er een grote laag modder in de douchebakken stond. Ik zag dat enkele douchebakken tot aan de bovenzijde gevuld stonden met water. Bij enkele doucheruimtes kwam het water naar buiten lopen. Het water stond tot op de gang. De ruimtes roken vies en muf. Het was er duidelijk al langere tijd nat en er werd dus duidelijk niet schoongemaakt. De muffe/vochtige geur hing ook op de slaapkamers. Op de kamers hingen en lagen natte kledingstukken van arbeidsmigranten te drogen. Aangezien niet alle kamers een raam hadden was het voor hen niet mogelijk om de kamer goed te luchten.

Proces-verbaal van [verbalisant 7]47, onder meer inhoudend:

In Roemenië is het bedrijf 'Benelux', bemiddelings- en adviesburo Nederland-Roemenië, gevestigd. Dit bedrijf werft als intermediair/bemiddelaar in Roemenië de werknemers/seizoensarbeiders voor verdachte [verdachte]. De intermediair/bemiddelaar is [persoon 2].

Een verklaring van [persoon 2]48, onder meer inhoudend:

Het gemiddelde inkomen dat een Roemeen heeft bedraagt zo tussen de 100 en 150 euro per maand. Van dit geld kun je met een gezin niet leven. Ik schat dat het levensonderhoud van een gemiddeld Roemeens gezin ongeveer 350 euro per maand kost. Van alleen een uitkering kun je in Roemenië zeker niet leven. In Roemenië is veel werkloosheid en het werk dat er is, wordt slecht betaald. [verdachte] heb ik leren kennen in 2008. [verdachte] zei mij dat ze een vrij grote aspergeboerin was. Ze gaf mij aan dat ze op zoek was naar werknemers. Ik heb haar toen gezegd dat er in Roemenië waarschijnlijk veel mensen te vinden zijn die dit werk bij haar wel wilden doen. Er was in die tijd een grote werkloosheid in Roemenië en veel behoefte aan werk en inkomen. Ik heb haar toen gevraagd hoeveel mensen ze dacht nodig te hebben. Door [verdachte] werd toen aangegeven dat ze wel zo'n 50 à 60 mensen kon gebruiken gedurende het seizoen. Door [verdachte] werd aangegeven dat ze op haar boerderij wel zo'n 45 slaapplaatsen had. Ik heb toen met [verdachte] de afspraak gemaakt dat ik en mijn vrouw na zouden denken over het verzoek dat [verdachte] aan ons had gedaan. Namelijk of wij voor haar in Roemenië op zoek zouden willen gaan naar seizoenarbeiders voor haar aspergebedrijf. Uiteindelijk hebben [persoon 1] en ik besloten om [verdachte] te bellen en haar aan te geven dat we wel mee wilden werken aan haar verzoek. In totaal zijn 46 mensen door mijn bemiddeling naar [verdachte] gestuurd.

[verdachte] vertelde mij dat de mensen ongeveer 5 euro netto per uur betaald werden.

Een verklaring van [tussenpersoon]49, onder meer inhoudende:

Ik woon in Roemenië. In Resita. Het is armoedig, net zoals Roemenië in het algemeen. Als er al werk is dan verdien je daar niet meer dan 100 euro per maand. Het minimum daar is 150 euro bruto. Dat is bijna niet genoeg om te overleven. Ik heb geen inkomen in Roemenië. In 2008 heb ik voor het eerst in Nederland gewerkt bij [verdachte]. U vraagt mij te vertellen over 2009, dat ik weer ben gaan werken bij en voor haar. [verdachte] had mij gevraagd of ik 20, 30 of 40 vrienden kon meenemen naar haar. Begin maart 2009 kwam mijn zwager met twee vrienden. Mijn broer kwam pas eind april 2009. Dat zijn dus familie en vrienden van mij. U vraagt mij of ik voor deze mensen werk bij [verdachte] had geregeld. Ja. Het aspergeseizoen begon in 2009 volgens mij in de eerste week van april. Toen kon er gestoken worden. Tussen februari en april 2009 heb ik alles voorbereid voor de nieuwe oogst. Ik zou 5 euro per uur gaan verdienen. Met aspergesteken verdiende ik € 0,45 per kilogram.

De beoordeling van de bewijsmiddelen door de rechtbank in het licht van de te beantwoorden vragen.

1.Heeft verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen (A)geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen en/of (B) gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid/diensten?

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte actief heeft gehandeld bij het werven van de bij haar werkzame seizoensarbeiders. Zij heeft de in Roemenië woonachtige [persoon 2] benaderd om arbeiders voor haar te vinden en ook [tussenpersoon] heeft op haar verzoek arbeiders gerekruteerd. Vervolgens heeft zij de arbeiders gehuisvest op haar bedrijf en arbeid laten verrichten. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van werven, huisvesten en bewegen tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van arbeid. Hiermee zijn de hierboven onder 1 gestelde vragen in positieve zin beantwoord.

2. Is sprake van toepassing van dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, dan wel misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen?

bestaande uit de in de tenlastelegging genoemde gedragingen?

De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is geweest van door verdachte uitgeoefende dwang, geweld, dreiging met geweld, afpersing of fraude, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.

Weliswaar verklaart een aantal werknemers over een dreigende sfeer, maar daar tegenover staan enkele andersluidende verklaringen. Bovendien acht de rechtbank, zo er sprake is geweest van een intimiderende of dreigende sfeer, onvoldoende bewezen dat verdachte daarbij zelf direct of indirect betrokken was.

Vervolgens resteert de vraag of verdachte door misleiding, dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of door misbruik van een kwetsbare positie de werknemers heeft geworven, gehuisvest en bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat verdachte de werknemers heeft misleid. Mededelingen gedaan door tussenpersonen kunnen niet aan haar worden toegerekend. Zo is niet komen vast te staan dat zij tegen haar tussenpersonen heeft gezegd dat er € 10,00 per uur kon worden verdiend. Voorts hebben de meeste arbeiders verklaard dat [verdachte] geen uitleg gaf over het contract dat zij tekenden en was hen duidelijk dat zij

€ 5,00 per uur of € 0,45 per kilogram kregen betaald.

Kwetsbare positie werknemers

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de betreffende werknemers zich bevonden in een economisch kwetsbare en zwakke positie. De levensstandaard en lonen liggen in de landen van herkomst aanzienlijk lager dan in Nederland. Met betrekking tot die kwetsbare positie is mede van belang dat de werknemers zelf hun reis naar en van Nederland betaalden en dat de kosten van de reis van bijvoorbeeld de Roemeense werknemers naar Nederland ongeveer even hoog was als een gemiddeld maandsalaris in Roemenië. Door een groot aantal van de in de tenlastelegging genoemde personen is daarmee een voor hen grote investering gedaan vóórdat met de werkzaamheden kon worden begonnen, hetgeen ertoe leidt dat deze werknemers eerder geneigd zijn om akkoord te gaan met geboden werk en werkomstandigheden.

Uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.

Voorts kan worden vastgesteld dat verdachte overwicht had op haar werknemers op grond van het feit dat zij eenzijdig besliste of, en hoeveel, loon op welk moment werd betaald, welke uren moesten worden gewerkt en doordat zij behalve als werkgeefster ook als huisbaas fungeerde. Bovendien maakte zij gebruik van een agressieve hond om te voorkomen dat de werknemers na 22.00 uur het terrein konden verlaten en hield zij van een aantal werknemers de identiteitspapieren gedurende langere tijd onder zich.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank de hierna onder het kopje "De bewezenverklaring " vermelde gedragingen bewezen.

Voor beantwoording van de vraag of sprake is geweest van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, danwel misbruik van de kwetsbare positie van de werknemers acht de rechtbank in het bijzonder relevant dat:

- van een aantal werknemers de identiteitsbewijzen tijdelijk werden ingehouden

(variërend van enkele dagen tot verschillende weken);

- werknemers werden gehuisvest, terwijl zij het nachtverblijf niet mochten én feitelijk niet konden verlaten;

- het nachtverblijf niet voldeed aan de eisen van brandveiligheid;

- werknemers arbeidsovereenkomsten in een voor hen vreemde taal kregen voorgelegd;

- werknemers gemiddeld tien tot twaalf uur per dag en zeven dagen per week werkten;

- het overeengekomen loon 0,45 eurocent per gestoken kilo asperges bedroeg, dan wel 5 euro per uur voor sorteerwerkzaamheden;

- het overeengekomen loon aldus aanzienlijk onder het geldende minimumloon van netto 7,12 euro per uur lag; Dat voor sorteerwerkzaamheden slechts € 5,00 netto per uur werd betaald en daarmee aanzienlijk minder dan het netto minimumloon blijkt uit de bewijsmiddelen. Verdachte heeft nog als verweer gevoerd dat uitbetaling van € 0,45 per kilogram toereikend is voor het minimumloon. Gelet op de verwijzing van de arbeidsinspectie naar de branchegegevens (die uitgaan van 12 kilogram per uur en een minimale vergoeding van € 0,59 per kilogram om aan het netto minimumuurloon te komen), gelet op de verklaringen van de meeste werknemers met betrekking tot de gemaakte uren en de door hen gestoken kilogrammen, acht de rechtbank bewezen dat een gemiddeld productieve aspergesteker niet zoveel kilogrammen per uur steekt dat hij met een vergoeding van € 0,45 per kilogram het minimumloon ad € 7,12 netto per uur verdient. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de meeste werknemers melding maken van zeer lange werkdagen, wat gelet op de aard van de werkzaamheden de gemiddelde productie per uur zal doen afnemen.

- de werknemers, behoudens doorgaans een wekelijks voorschot van 50 euro, eerst werden uitbetaald aan het einde van het aspergeseizoen;

- verdachte een groot aantal werknemers uiteindelijk niet het overeengekomen loon heeft betaald.

Gelet op deze bewezenverklaarde gedragingen kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de werknemers.

Voor het bewijs dat verdachte misbruik van dit overwicht en/of die kwetsbare positie heeft gemaakt, is toereikend dat kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden waaruit het overwicht voortvloeit dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet aanwezig moet zijn. De rechtbank acht het meer dan aannemelijk dat verdachte zich ervan bewust is geweest dat de arbeiders zich ten opzichte van haarzelf in een volstrekt ongelijkwaardige positie bevonden. De arbeiders accepteerden het loon dat verdachte hen aanbood, hoewel dit onder het wettelijk verplichte minimumuurloon lag en zij accepteerden de te werken uren. Dit is verklaarbaar tegen de achtergrond van hun economische/financiële situatie. Dit geldt ook voor de geboden huisvesting. Een mondige Nederlandse werknemer had met deze omstandigheden niet ingestemd. Dat verdachte dit moet hebben geweten leidt de rechtbank ook af uit de omstandigheid dat zij aan de Nederlandse werkneemster [naam], die alleen 's avonds enkele uren werkte, wel het minimumuurloon betaalde50.

Door de omstandigheden die verdachte op haar bedrijf heeft gecreëerd was het voor de arbeiders in redelijkheid niet mogelijk zich aan de situatie te onttrekken. Verdachte weigerde sommige werknemers (tijdelijk) hun identiteitspapieren terug te geven en verklaarde geen loon te zullen betalen indien men zonder haar toestemming van het bedrijf vertrok.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder genoemde omstandigheden bewezen worden verklaard dat de verdachte bij het werven, huisvesten en tewerkstellen van de in de tenlastegelegde genoemde personen doelbewust misbruik heeft gemaakt van hun zwakkere/kwetsbare positie en van het overwicht dat verdachte op grond van de feitelijke omstandigheden op hen had.

Ten aanzien van onderdeel A dient ten slotte te worden vastgesteld of ook vraag 3 in positieve zin kan worden beantwoord: heeft verdachte gehandeld met het oogmerk van uitbuiting?

De vraag of en zo ja, wanneer, sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Er komt betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor betrokkene met zich meebrengen, en het economisch voordeel dat door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

Verdachte heeft haar werknemers structureel lange dagen van 10 à 12 uur per dag laten werken. Verdachte baseerde zich voor wat betreft het uit te betalen loon op een grondslag van 45 cent per kilogram gestoken asperges voor de stekers en van 5 euro per uur voor de sorteerders. De arbeidsinspectie heeft in haar berekening aangetoond dat het niet mogelijk is om op deze manier het wettelijk minimumuurloon te verdienen. Deze handelwijze leverde haar een financieel voordeel op. Het niet investeren in een naar Nederlandse maatstaven acceptabele en veilige huisvesting leverde haar eveneens een besparing op. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 26 juni 2009 te Someren

A. (sub 1)

anderen genaamd

- [medewerker 1] en/of

- [medewerker 2] en/of

- [medewerker 3] en/of

- [medewerker 4] en/of

- [medewerker 5] en/of

- [medewerker 6] en/of

- [medewerker 7] en/of

- [medewerker 8] en/of

- [medewerker 9] en/of

- [medewerker 10] en/of

- [medewerker 11] en/of

- [medewerker 12] en/of

- [medewerker 13] en/of

- [medewerker 14] en/of

- [medewerker 15] en/of

andere personen,

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie bovenvermelde personen heeft geworven en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van die anderen en

B. (sub 4)

anderen genaamd

- [medewerker 1] en/of

- [medewerker 2] en/of

- [medewerker 3] en/of

- [medewerker 4] en/of

- [medewerker 5] en/of

- [medewerker 6] en/of

- [medewerker 7] en/of

- [medewerker 8] en/of

- [medewerker 9] en/of

- [medewerker 10] en/of

- [medewerker 11] en/of

- [medewerker 12] en/of

- [medewerker 13] en/of

- [medewerker 14] en/of

- [medewerker 15] en/of

andere personen,

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en door

misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen

tot het verrichten van arbeid

bestaande

- dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

misbruik van een kwetsbare positie en/of

- die uitbuiting en/of die arbeid als omschreven onder A. (sub 1) en/of B (sub

4),

hieruit dat verdachte in voornoemde periode

- bovenvermelde personen heeft gehuisvest op haar, verdachtes, perceel [adres verdachte] te Someren en

- bovenvermelde personen heeft gehuisvest terwijl zij met meerdere personen de kamer (zonder raam) moesten delen en zij slechts een beperkt deel van de dag de beschikking hadden over warm water en gebruik moesten maken van onhygiënisch sanitair en

- de paspoorten en/of de identiteitsdocumenten van bovenvermelde personen (al dan niet

tijdelijk) heeft ingenomen en

- bovenvermelde personen heeft gehuisvest terwijl deze personen het nachtverblijf niet konden en/of mochten verlaten gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd en 's nachts een agressieve hond los heeft laten lopen op het erf en

- bovenvermelde personen heeft gehuisvest terwijl het nachtverblijf niet voldeed aan de eisen van brandveiligheid en

- bovenvermelde personen een overeenkomst heeft laten tekenen terwijl deze overeenkomst gesteld was in de Nederlandse taal, in elk geval in een voor hen onbekende taal en

- bovenvermelde personen gemiddeld tien tot twaalf uur per dag en zeven dagen per week heeft laten werken en

- bovenvermelde personen maximaal 45 cent per gestoken kilo asperges of 5 euro per uur heeft laten verdienen waardoor het voor voormelde personen onmogelijk was om een salaris te verdienen gelijk aan het wettelijk vastgestelde minimumloon en

- bovenvermelde personen eerst heeft uitbetaald aan het eind van het aspergeseizoen en tussentijds een voorschot van 50 euro per week heeft uitbetaald en

- bovenvermelde personen uiteindelijk niet het volledige resterende bedrag heeft uitbetaald en

- een zodanige situatie heeft gecreëerd dat het voor bovenvermelde personen, gelet op hun financiële afhankelijkheidssituatie niet mogelijk was om over het door hen verdiende geld te kunnen beschikken en

- gelet op vorenstaande heeft bewerkstelligd dat bovenvermelde personen van haar, verdachte, afhankelijk waren in welke afhankelijkheidssituatie bovenvermelde personen zich niet konden onttrekken aan die voornoemde (financiële) uitbuiting en opgedragen arbeid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het feit, de grootschaligheid van de uitbuiting, de bedreigende en intimiderende bejegening van de werknemers door verdachte en de kans op herhaling.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen is als volgt:

- [medewerker 7] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

- Van de vordering van [medewerker 15] kan worden toegewezen in totaal EUR 524,50 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit post 1 ad EUR 360,00 en post 4 ad EUR 164,50.

Er is onvoldoende causaal verband tussen post 4 en het bewezenverklaarde feit. De posten 2 en 3 zijn onvoldoende bepaald.

- Van de vordering van [medewerker 26] kan worden toegewezen in totaal EUR 2.113,36 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit post 2 (na verrekening en correctie) ad EUR 1.613,36 en een voorschot op post 4 ad EUR ad EUR 500,00. Er is onvoldoende causaal verband tussen post 1 en het bewezenverklaarde feit.

- Van de vordering van [medewerker 14] kan worden toegewezen in totaal EUR 1.832,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit post 1 ad EUR 1.685,50 en post 4 (na verrekening van kosten en correctie) ad EUR 146,50. Post 2 gaat op in post 4 en het causaal verband tussen post 3 en het bewezenverklaarde feit is onduidelijk.

- Van de vordering van [medewerker 12] kan worden toegewezen in totaal EUR 1.879,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit post 3 ad EUR 1.379,00 en een voorschot op post 4 ad EUR 500,00. De posten 1 en 2 zijn onvoldoende onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat verdachte al voldoende is gestraft door de veiling van al haar eigendommen door de staat, de forse bestuursrechtelijke boetes die aan verdachte zijn opgelegd, de aandacht die door de media aan deze zaak is geschonken, de lengte van het voorarrest en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals neergelegd in de rapportage van de psycholoog. Voorts wijst de verdediging op het feit dat verdachte geen strafblad heeft op het gebied van mensenhandel. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het bijzonder houdt de rechtbank rekening met de volgende aspecten.

Verdachte heeft een aanzienlijk aantal buitenlandse werknemers uitgebuit in die zin dat deze werknemers gedurende lange werkdagen (gemiddeld 10 tot 12 uur per dag en 7 dagen per week) zwaar lichamelijk werk verrichtten tegen een lager loon dan het minimumloon. Voorts is gebleken dat verdachte het loon vrijwel nooit volledig heeft uitbetaald.

Daarnaast werd de bewegingsvrijheid van deze werknemers beperkt in die zin dat zij hun nachtverblijf feitelijk niet mochten en konden verlaten na 22.00 uur.

De rechtbank acht, zoals hiervoor weergegeven, niet bewezen dat verdachte jegens deze werknemers geweld heeft gebruikt of gedreigd heeft met geweld.

Dat neemt niet weg dat deze werknemers zich redelijkerwijs niet konden onttrekken aan de situatie. Immers, het loon zou pas uitbetaald worden aan het einde van het aspergeseizoen. Verdachte heeft meermalen op verzoeken om uitbetaling van het loon gereageerd met de mededeling dat werknemers tussentijds konden vertrekken, maar dat zij dan geen loon zouden ontvangen. Op deze wijze werden de werknemers feitelijk gedwongen door te werken tot het einde van het seizoen omdat zij vreesden niet uitbetaald te worden.Schrijnend is in dat verband de verklaring van [medewerker 16]:

"In de laatste week heb ik aan de bazin gevraagd om ons naar huis te laten gaan omdat er niet meer veel werk was. Wij gingen naar het veld slechts één tot twee uur en op deze manier was het voor ons verlies, want wij moesten voor huisvesting en eten betalen. Zij zei toen dat we tot de 24ste moesten blijven. Mevrouw [verdachte] zei dat ze ons niet zou betalen als we niet tot 24 juni zouden blijven"

Er is aldus sprake geweest van uitbuiting en van een ernstige aantasting van de menselijke waardigheid van financieel van verdachte afhankelijke en kwetsbare mensen.

Het handelen van verdachte is uitsluitend ingegeven door eigen gewin en het willen voortzetten van haar ondernemingsactiviteiten op de door haar gewenste schaal en onder de door haar gewenste voorwaarden.

Doordat verdachte onder andere een lager loon dan het minimumloon betaalde, is sprake geweest van oneerlijke concurrentie. Zij had op die manier immers veel

minder kosten dan collega aspergekwekers die zich wel aan de regelgeving hielden.

Verdachte toont geen enkel besef van de strafwaardigheid van haar gedragingen. Zij rechtvaardigt haar handelwijze met de mededeling dat nederlandse werknemers niet bereid zijn om de werkzaamheden te verrichten, dat zij van de autoriteiten slechts tegenwerking ondervindt en dat de buitenlandse werknemers blij zijn om voor haar te werken.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de uitbuiting heeft plaatsgevonden in een relatief korte periode. Het betreft geen situatie waarin mensen gedurende een lange, uitzichtloze periode worden gedwongen om arbeid te verrichten.

Voorts heeft deze zaak geleid tot veel publiciteit rond de persoon van verdachte. Weliswaar heeft verdachte die publiciteit mede door haar handelwijze over zichzelf afgeroepen, maar anderzijds is in de media over verdachte ook een beeld geschapen, in het bijzonder ten aanzien van verwijten van geweld of intimidatie, dat niet wordt bevestigd door de bewijsmiddelen in deze strafzaak. De impact van dergelijke ernstige beschuldigingen op verdachte en haar privé-leven weegt de rechtbank mee.

Dat verdachte aanzienlijke bestuursrechtelijk opgelegde boetes heeft verbeurd en dat haar bezittingen gedwongen zijn verkocht neemt de rechtbank niet mee, omdat deze gevolgen rechtstreeks voortvloeien uit andere overtredingen van verdachte.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor mensenhandel. Hoewel haar bezittingen zijn verkocht, is niet uit te sluiten dat verdachte in de toekomst als eigenaar of feitelijk leidinggever werkzaam zal zijn in de land- of tuinbouw. Ter voorkoming van herhaling acht de rechtbank het aangewezen om naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [medewerker 7].

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat deze vordering in het licht van de betwisting door verdachte ter zitting, onvoldoende is onderbouwd en van verificatoire stukken voorzien. Een aanhouding teneinde de benadeelde partij gelegenheid te bieden aanvullende stukken te overleggen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [medewerker 15].

De rechtbank acht in beginsel toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende materiële schadevergoeding 484,00 (post 1: 900 kg asperges). De rechtbank gaat voor de berekening van dit bedrag uit van een gemiddelde opbrengst van 12 kilogram asperges per uur, waardoor het totaal aantal gewerkte uren wordt vastgesteld op 900/12 = 75 uren. Deze uren worden verloond tegen het wettelijk minimumuurloon ad EUR 7,12. Het reeds ontvangen voorschot ad EUR 50,00 wordt in mindering gebracht. Nu [medewerker 15] terzake materiële schade een bedrag vordert ad € 360,-- zal de rechtbank dat bedrag toewijzen.

De rechtbank zal de overige onderdelen van de vordering afwijzen op grond van het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de opgevoerde schade en de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [medewerker 26].

De rechtbank acht in beginsel toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.000,00 (post 4) en materiële schadevergoeding ad EUR 2.092,96 (post 2: uitgevoerde arbeid). Ten aanzien van de berekening met betrekking tot post 2 is de rechtbank uitgegaan van 28 dagen arbeid van gemiddeld 11 uur per dag. Deze uren, te weten 308 uur, worden berekend tegen het wettelijk minimumuurloon ad EUR 7,12. Het reeds ontvangen voorschot van EUR 100,00 wordt in mindering gebracht.

Nu [medewerker 13] terzake uitgevoerde arbeid een bedrag vordert ad € 2.000,00 zal de rechtbank dat bedrag toewijzen.

De rechtbank zal het volgende onderdeel van de vordering afwijzen, te weten materiële schadevergoeding zoals gevraagd onder post 1 (vervoer), op grond van het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de hierna te noemen onderdelen van de vordering, te weten post 3 (overige inkomsten) en post 4 voor zover deze het bedrag van EUR 1.000,00 te boven gaat. De rechtbank merkt in dat kader op dat niet is komen vast te staan dat verdachte direct dan wel indirect betrokken is geweest bij de mishandeling van [medewerker 13]. De rechtbank is van oordeel dat voor de vaststelling van deze vorderingen nadere informatie danwel bewijslevering nodig is en dat aanhouding van de behandeling te dien einde een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [medewerker 14].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, materiële schadevergoeding ad EUR 1.829,68. Dit bedrag betreft post 4 (vergoeding van de geleden schade). De rechtbank is bij de berekening van dit bedrag uitgegaan van een periode van 24 werkdagen met een gemiddelde werkdag 11 uur, zijnde in totaal 264,00 uur te berekenen tegen het minimumloon ad EUR 7,12 per uur. Van het totaalbedrag is vervolgens afgetrokken het reeds uitgekeerde voorschot ad EUR 50,00.

De rechtbank zal de volgende onderdelen van de vordering afwijzen. De materiële schadevergoeding zoals opgevoerd onder post 1 (vervoer), aangezien het rechtstreeks verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten ontbreekt en de materiële schadevergoeding zoals opgevoerd onder post 2 (gestoken asperges), aangezien deze post geheel opgaat in post 4.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van post 3 (boete belastingdienst). De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de geleden schade onvoldoende duidelijk is en dat aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken te overleggen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De vordering van de benadeelde partij [medewerker 12].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 700,00 (post 4) en materiële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.388,08.

De rechtbank zal de volgende onderdelen van de vordering afwijzen, te weten materiële schadevergoeding zoals gevorderd onder post 1 (vervoer) en post 2 (arts en medicijnen), wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voor zover deze het bedrag van EUR 700,00 te boven gaat, omdat de vaststelling van een hoger bedrag nadere informatie en mogelijk bewijslevering vergt en aanhouding van de behandeling leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 57, 60a, 273f.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

mensenhandel, meermalen gepleegd

en

mensenhandel, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen:

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [medewerker 7] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden

begroot op nihil.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 360,00 subsidiair 7 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [medewerker 15] van een bedrag van EUR 360,00

(zegge: driehonderdzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te

vervangen door 7 dagen hechtenis. Het bedrag betreft uitsluitend materiële

schadevergoeding (post 1).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [medewerker 15]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag

en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [medewerker 15], van een bedrag van EUR 360,00 (zegge driehonderdzestig

euro.) Dit bedrag betreft uitsluitend materiële schadevergoeding (post 1).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 3.000,00 subsidiair 40 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [medewerker 26] van een bedrag van EUR

3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

40 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.000,00 immateriële

schadevergoeding (post 4) en een bedrag van EUR 2.000,00 materiële schadevergoeding

(post 2 uitgevoerde arbeid).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [medewerker 26]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt

verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [medewerker 13] van een bedrag van EUR 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), te weten EUR 1.000,00 immateriële

schadevergoeding (post 4) en EUR 2.000,00 materiële schadevergoeding (post 2

uitgevoerde arbeid).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van post 3 van de vordering

(overige inkomsten) niet ontvankelijk is.

Wijst af post 1 van de vordering (vervoer).

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1829,68 subsidiair 28 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [medewerker 14] van een bedrag van EUR 1.829,34

(zegge: duizend achthonderdnegenentwintig euro en vierendertig cent), bij

gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis. Het

bedrag betreft uitsluitend materiële schadevergoeding (post 4 geleden schade).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [medewerker 14]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt

verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [medewerker 14],

van een bedrag van EUR 1.829,34 (zegge: duizend achthonderdnegenentwintig euro.

Dit bedrag betreft uitsluitend materiële schadevergoeding (post 4 geleden

schade).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van post 3 (boete belasting) van

de vordering niet-ontvankelijk is.

Wijst de vordering af ten aanzien van post 1 (terugreis) en post 2 (gestoken

asperges).

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 2088,08 subsidiair 30 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [medewerker 12] van een bedrag van EUR 2.088,08

(zegge: tweeduizend achtentachtig euro en acht cent), bij gebreke van betaling

en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een

bedrag van EUR 700,00 immateriële schadevergoeding (post 4) en een bedrag van

EUR 1.388,08 materiële schadevergoeding (post 3 gederfde inkomsten).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [medewerker 12]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt

verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [medewerker 12],

van een bedrag van EUR 2.088,08 (zegge: tweeduizend achtentachtig euro en acht

cent), te weten EUR 700,00 immateriële schadevergoeding (post 4) en EUR

1.388,08 materiële schadevergoeding (post 3 gederfde inkomsten).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van post 4 (immateriële schade)

voor zover deze het bedrag van EUR 700,00 te boven gaat niet-ontvankelijk is.

Wijst af post 1 (vervoer) en post 2 (medicijnen) van de vordering.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.P.M. Rousseau, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. S. van Lokven, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 4 oktober 2011.

1 Aanvullend proces-verbaal d.d. 27 april 2010 met als opschrift 'Werkwijze te horen getuigen'.

2 Voor zover in de voetnoten wordt verwezen naar Eindpv. wordt hiermee bedoeld een eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche, met OPS-dossiernummer 223309418 (Dartmoor), sluitingsdatum 07 maart 2010, aantal doorgenummerde pagina's: 2953.

3 Eindpv. pag. 1407-1412.

4 Eindpv. pag. 1422, 1424-1430.

5 Eindpv. pag. 1519-1524.

6 Eindpv. pag. 1536-1538.

7 Eindpv. pag. 1483-1488.

8 Eindpv. pag. 1503-1509.

9 Eindpv. pag. 183.

10 Eindpv. pag. 1461-1464.

11 Eindpv. pag. 1545-1550.

12 Eindpv. pag. 1567-1570.

13 Eindpv. pag. 1595-1600.

14 Eindpv. pag. 1616-1620.

15 Eindpv. pag. 148.

16 Eindpv. pag. 1745-1751.

17 Een beëdigde vertaling uit het Portugees van een proces-verbaal van verhoor met kenmerk 815644, dossier: 366/10.4TAENT

18 Proces-verbaal d.d. 07 april 2011

19 Eindpv. pag. 1660-1664.

20 Beëdigde vertaling uit het Portugees van een proces-verbaal van verhoor, kenmerk: 819418, dossier: 366/10.4TAENT.

21 Proces-verbaal d.d. 07 april 2011.

22 Eindpv. pag. 1684-1690.

23 Beëdigde vertaling uit het Portugees van een proces-verbaal van verhoor, kenmerk: 1705450, dossier: 757/10.0TATNV.

24 Proces-verbaal d.d. 07 april 2011.

25 Eindpv. pag. 1711-1714, 1716-1717.

26 Proces-verbaal d.d. 07 april 2011.

27 Beëdigde vertaling uit het Portugees van een proces-verbaal van verhoor, kenmerk: 8549094, dossier: 464/10.4T3OBR.

28 Proces-verbaal met kennelijke ondertekening door officier van justitie en getuige, nr. 442/D/II/5/2010.

29 Proces-verbaal van [medewerker 27 en 28], nr. 442/D/II/5/2010.

30 Eindpv. pag. 187.

31 Eindpv. pag. 190.

32 Een beëdigde vertaling van een getuigenverklaring van het parket bij Hooggerechtshof voor Beroep en Justitie, Directie Onderzoek Misdrijven van Georganiseerde Criminaliteit, Territoriale Dienst Sibiu, dossier: 442/D/II/5/2010.

33 Een beëdigde vertaling van een getuigenverklaring van het parket bij Hooggerechtshof voor Beroep en Justitie, Directie Onderzoek Misdrijven van Georganiseerde Criminaliteit, Territoriale Dienst Sibiu, dossier: 442/D/II/5/2010

34 Een beëdigde vertaling van een getuigenverklaring van het parket bij Hooggerechtshof voor Beroep en Justitie, Directie Onderzoek Misdrijven van Georganiseerde Criminaliteit, Territoriale Dienst Sibiu, dossier: 442/D/II/5/2010

35 Eindpv. pag. 359-362.

36 Eindpv. pag. 326, 327, 333, 334.

37 Proces-verbaal d.d. 02 juli 2010.

38 Eindpv. pag. 1345-1347.

39 Eindpv. pag. 448, 450.

40 Eindpv. pag. 213-216.

41 Eindpv. pag. 310, 312-313.

42 Eindpv. pag. 221-223, 225.

43 Eindpv. pag. 172-173.

44 Eindpv. pag. 130.

45 Eindpv. pag. 175.

46 Eindpv. pag. 179, 181, 182.

47 Eindpv. pag. 170.

48 Eindpv. pag. 2757 - 2760, 2767-2768.

49 Eindpv. pag. 2022, 2023, 2038, 2040, 2041, 2043.

50 Proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris d.d. 16 september 2010.

40

Parketnummer: 01/889082-09

[verdachte]