Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BT2777

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
AWB 10-3509
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht; vergoeding proceskosten in bezwaar

Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)

Gewicht van de zaak

Toe te kennen punt voor een telefonische hoorzitting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/1190 met annotatie van M. Koenis
FutD 2011-2354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht, enkelvoudige

belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/3509

Uitspraakdatum: 5 september 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende

te [plaats], eiser,

gemachtigde [gemachtigde],

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats], per waardepeildatum 1 januari 2009, voor het tijdvak 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 vastgesteld op € 412.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelasting 2010 bekend gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2010 de waarde verminderd tot een bedrag van € 356.000 en de aanslag met inachtneming hiervan eveneens verminderd. Verweerder heeft de kosten in bezwaar voor verleende rechtsbijstand, onder toepassing van een wegingsfactor van 0,5 vergoed tot een bedrag van € 109,- en de kosten voor het op verzoek van eiser uitgebrachte taxatierapport tot een bedrag van € 162,44.

Eiser heeft bij brief van 25 oktober 2010, ontvangen bij de rechtbank op 28 oktober 2010, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar, voorzover deze betrekking heeft op de door verweerder toegekende proceskostenvergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2011 te ’s-Hertogenbosch, waar beide partijen zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. Geschil

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat in dit geding uitsluitend in geschil is de door verweerder toegekende vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Verweerder heeft bij de uitspraak in bezwaar de kosten van indiening van het bezwaarschrift ten bedrage van € 109 vergoed, alsmede de kosten die verband houden met de opstelling van een taxatierapport tot een bedrag van € 162,44.

Verweerder heeft bij de berekening van de kostenvergoeding de wegingsfactor 0,5 toegepast, onder overweging dat het bezwaar een eenvoudig waardebezwaar betreft. Met betrekking tot het door eiser ingebrachte taxatierapport heeft verweerder aangegeven dat de kosten voor het opstellen van een taxatierapport door een makelaar of taxateur weliswaar vallen onder de categorie ‘ kosten van een deskundige’ maar dat deze werkzaamheden een vergoeding op basis van een maximum uurtarief redelijkerwijs niet rechtvaardigen. Onder verwijzing naar rechtspraak van de rechtbank Den Haag (bedoeld zal zijn de uitspraak, gepubliceerd in LJN: AZ 7354) heeft verweerder de kosten voor het rapport vastgesteld op € 162,44, uitgaande van een uurtarief van € 40,61 en een tijdsbesteding van 4 uur.

Ten slotte heeft verweerder zich onder verwijzing naar de wetgeschiedenis van de Awb op het standpunt gesteld dat voor het telefonisch horen van eisers gemachtigde geen kosten worden vergoed.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat het gewicht van zijn bezwaarzaak als gemiddeld dient te worden beoordeeld en dat volgens vaste jurisprudentie bij een gegrond bezwaar dat niet alleen op formele aspecten is gebaseerd een wegingsfactor van gemiddeld gewicht toepasselijk is. Met betrekking tot de vergoeding van het deskundigenrapport stelt eiser dat verweerder ten onrechte heeft gematigd tot een uurtarief van € 40,61. Gesteld is dat het door de taxateur in rekening gebracht uurtarief marktconform is en het dat het door verweerder gehanteerde uurtarief ver bezijden de maatschappelijke realiteit staat.

Gesteld is dat taxatiewerkzaamheden specifieke kennis en vaardigheden vereisen en dat uit de toelichting op het Besluit tarieven in strafzaken blijkt dat er ruimte is voor marktwerking aangaande de genoemde uurtarieven. Eiser acht een uurtarief van € 40,61 niet marktconform en stelt dat het gehanteerde uurtarief € 78,50 redelijk en marktconform is.

Voorts is door eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten in verband met de telefonische hoorzitting. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank Groningen van 11 juli 2006, LJN: AY5186 stelt eiser dat kosten in verband met de telefonische hoorzitting op grond van artikel 7:15 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen, mede in aanmerking genomen dat ook de telefonische hoorzitting kan worden aangemerkt als werkbelasting voor de gemachtigde, bestaande uit voorbereiding en controle van het hoorzittingsverslag.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijze heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Nadere regels over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld, zijn neergelegd in het Bpb.

Volgens artikel 1, aanhef en onder a en b, van het Bpb kan, voor zover hier van belang, een veroordeling in de kosten betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Voor de vergoeding van de kosten van een deskundige geldt, op grond van artikel 6 van het Bpb, in samenhang met artikel 3, onderdeel a, van de Wet tarieven in strafzaken, een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur. In artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken is bepaald dat dit tarief geldt voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3 onderdeel a, van de Wet tarieven in strafzaken, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn. In de Nota van Toelichting bij het Besluit tarieven in strafzaken wordt over artikel 6 het volgende vermeld:

<i>"In dit artikel is opgenomen de inhoud van artikel 1, eerste lid, onderdeel IV, van het ingetrokken besluit. Het artikel stelt het maximum uurtarief vast voor vergoedingen voor werkzaamheden waarvoor elders in het besluit geen speciaal tarief is bepaald. De vraag of voor deze werkzaamheden het maximum uurtarief of een lager tarief geldt, is afhankelijk van de mate van wetenschappelijke of bijzondere aard van de werkzaamheden. Door een maximumtarief op te nemen is er ruimte voor marktwerking; om deze reden is eveneens afgezien van het opnemen van een minimumtarief."</i>

Niet in geschil is dat sprake is van herroeping van het in bezwaar bestreden besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb heeft eiser dus recht op vergoeding van kosten, die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kostenvergoeding wegens beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig de bijlage opgenomen in het Bpb en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt en met de toepasselijke wegingsfactoren. De waarde van 1 punt is in belastingzaken voor de bezwaarfase € 218.

De wegingsfactor van een ‘gemiddelde’ zaak is 1, die van een ‘lichte’ zaak 0,5 en die van een ‘zeer lichte’ zaak 0,25. In de Nota van toelichting bij het Besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Bpb in verband met de vergoeding van de kosten van bezwaar en administratief beroep, Stb 2002, 113, is het onderdeel wegingsfactoren als volgt toegelicht:

<i>“Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Het bestuursorgaan heeft de bevoegdheid om in uitvoeringsvoorschriften vast te leggen op welke wijze de wegingsfactoren worden gehanteerd.”</i>

De rechtbank leidt hieruit af dat wegingsfactor 1 het uitgangspunt is. Daarvan kan voor lichtere of zwaardere zaken gemotiveerd worden afgeweken, waarbij het uitgangspunt steeds het gewicht van de zaak is.

Verweerder stelt dat bij de vergoeding van kosten wegens door een derde verleende rechtsbijstand in de onderhavige zaak wegingsfactor 0,5 gehanteerd moet worden onder overweging dat het bezwaar een eenvoudig waardebezwaar betreft. De rechtbank overweegt dat het gelet op het bepaalde in het Bpb bij de hantering van de wegingsfactor niet gaat om het gewicht van het bezwaarschrift, maar van de zaak. Volgens vaste jurisprudentie wordt een zaak slechts als ‘licht’ (factor 0,5) - dan wel ‘zeer licht’ (factor 0,25) - aangemerkt als geen materiële beoordeling van het geschil behoefde plaats te vinden. In de onderhavige zaak staat vast dat in de bezwaarfase een inhoudelijke heroverweging van de WOZ-beschikking heeft plaatsgevonden. Na heroverweging is het bezwaar ook op materiële gronden gegrond verklaard door verweerder, waarna de eerder vastgestelde waarde en OZB-aanslag zijn verlaagd. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat het een ‘lichte’ zaak betreft. Verweerder had de zaak dus als ‘gemiddeld’ moeten aanmerken en wegingsfactor 1 moeten hanteren.

De hoogte van de vergoeding van de kosten voor het taxatierapport stelt de rechtbank -gelet op de inhoud en de kwaliteit van het rapport en uitgaande van het gedeclareerde tijdsbeslag van in totaal 3,5 uur- vast op € 175,00, gebaseerd op een uurtarief van € 50,00 inclusief BTW. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door de taxateur verrichte werkzaamheden geen werkzaamheden van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, zodat aanleiding bestaat voor matiging van het uurtarief.

Verweerder heeft terzake van de telefonische hoorzitting geen kostenvergoeding toegekend onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Awb, waarin is aangegeven dat telefonisch horen niet geldt als verschijnen ter hoorzitting.

De rechtbank ontleent aan de toelichting op het Besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep, Stb. 2002/113 (hierna: Besluit) het volgende:

“De bezwaarprocedure kent een eenvoudiger structuur en levert slechts een drietal handelingen op die voor puntentoekenning in aanmerking komen, te weten: het indienen van een bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting en ter nadere hoorzitting. In de term hoorzitting en nadere hoorzitting is ook begrepen de nadere correspondentie die uit een hoorzitting of nadere hoorzitting kan voortvloeien. Het komt regelmatig voor dat bestuursorganen overeenstemming bereiken met de belanghebbende over een andere wijze van horen, waarbij dan veelal wordt afgesproken om het horen telefonisch te laten plaatsvinden. In dergelijke gevallen zal de werkbelasting voor de rechtsbijstandverlener beduidend lager zijn. De term hoorzitting als bedoeld in onderdeel A4 van de bijlage ziet dan ook niet op situaties waarin het horen in de bezwaarfase of de fase van het administratief beroep op een andere wijze plaatsvindt dan door middel van een hoorzitting.”

Ter ondersteuning van zijn standpunt in beroep heeft eiser verwezen naar voornoemde uitspaak van de rechtbank Groningen van 11 juli 2006, LJN: AY5186. In die uitspraak heeft rechtbank Groningen onder meer het volgende overwogen:

‘De rechtbank constateert dat de hiervoor geciteerde toelichting afwijkt van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. In deze bijlage wordt namelijk onder A4. Bezwaar en administratief beroep onder 2 genoemd: verschijnen hoorzitting (artikel 7:2, 7:16) en daaraan is in deze Bijlage 1 punt toegekend.

Naar het oordeel van de rechtbank moet ook het deelnemen aan een telefonische hoorzitting worden aangemerkt als het verschijnen ter hoorzitting in de zin van artikel 7:2, eerste lid, Awb. Het betreft hier immers een directe uitwisseling van standpunten tussen gehoorde en hoorder. In deze situatie kan hetgeen in de toelichting op de wijziging van deze amvb is vermeld geen afbreuk doen aan de (letterlijke) tekst van de Bijlage.

De rechtbank vindt bovendien steun voor die gedachte in hetgeen (eerder) in de toelichting op de wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht is opgenomen, te weten dat tot het onder A4 van de bijlage genoemde ‘verschijnen (nadere) hoorzitting’ tevens wordt gerekend de nadere correspondentie, die voortvloeit uit een (nadere) hoorzitting. In het geval een telefonische hoorzitting is gehouden, betekent dit dat ook deze nadere correspondentie niet voor vergoeding in aanmerking zou komen. Daarmee zou dit gedeelte uit de toelichting zinledig zijn.

De rechtbank komt derhalve tot de slotsom dat de tekst van het Besluit proceskosten bestuursrecht in casu geen grondslag biedt voor het standpunt van verweerder om geen punt toe te kennen voor een telefonische hoorzitting.’

De rechtbank kan zich geheel verenigen met de overwegingen van de rechtbank Groningen en neemt deze over in haar beoordeling van het onderhavige geding.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de bestreden uitspraak op bezwaar vernietigen, voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding voor de behandeling van het bezwaar, en zelf in de zaak voorzien op de hierna te melden wijze.

4. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het bepaalde in het Bpb, de daarbij behorende bijlage en het Besluit tarieven in strafzaken, begroot op in totaal € 611:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) bezwaarschrift;

• 1 punt voor de hoorzitting;

• Waarde per punt € 218;

• Wegingsfactor 1;

• € 175, (inclusief BTW) voor de kosten van het taxatierapport;

• Tijdsbeslag van 3,5 uur;

• Uurtarief van € 50;

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het bepaalde in het Bpb en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 437 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437;

• wegingsfactor 0,5.

Bij het bepalen van de wegingsfactor heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in beroep slechts de hoogte van de bij de bestreden uitspraak op bezwaar toegekende proceskostenvergoeding in geschil was.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 41 dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2010 voor zover verweerder daarbij de vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase heeft vastgesteld op € 271,44;

- veroordeelt verweerder in door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar, vastgesteld op € 611;

- bepaalt dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 437;

- gelast verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.W.T. Landman, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2011.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

<small><i><b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.(belastingkamer), Postbus 70583, 5201CZ te ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.</i></small>