Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BT2586

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
AWB 11-2761
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Leerlingenvervoer / verkeersonveilige situatie / hardheidsclausule

De zoon van verzoeker is bekend met het syndroom van Down. De zoon ging met aangepast vervoer naar school. Verweerder heeft voor dit schooljaar een vervoersbudget toegekend voor openbaar vervoer met begeleiding. De zoon moet vanaf de uitstaphalte van de bus ruim één kilometer onder begeleiding naar school lopen. Verzoeker heeft onderbouwd dat sprake is van een verkeersonveilige situatie op deze route. De achterliggende gedachte van artikel 4 van de Wet op de expertisecentra is dat een gehandicapte leerling langs een voldoende begaanbare en veilige weg op school moet kunnen komen. Verweerder dient te bezien of hij in de verkeersveiligheid en de andere aangevoerde omstandigheden aanleiding ziet om de hardheidsclausule toe te passen. De voorzieningenrechter draagt verweerder op zorg te dragen voor aangepast vervoer tot zes weken na het besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2761

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2011

inzake

[verzoeker],

te [plaats],

verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo,

verweerder,

gemachtigde mr. G. Kamminga.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2011 heeft verweerder aan verzoeker een vergoeding van € 1.399,00 toegekend voor het leerlingenvervoer ten behoeve van zijn zoon [zoon], van [plaats] naar de Antoon van Dijkschool in Helmond. Het betreft een vergoeding voor het openbaar vervoer met begeleiding voor de periode van 6 september 2011 tot 31 juli 2013.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Op 15 augustus 2011 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 5 september 2011, waar verzoeker is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium met zich brengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure. De eventueel te treffen voorlopige voorziening dient eveneens een voorlopig karakter te hebben. Dit betekent dat verzoeker niet kan worden gevolgd in zijn aanvullende verzoek om verweerder op te dragen voor de rest van het schooljaar het reizen tussen huis en school van [roepnaam zoon] middels aangepast vervoer in natura te organiseren. De voorziening kan, anders dan verzoeker meent, niet verder strekken dan een tijdelijke voorziening tot (zes weken nadat) verweerder op het bezwaar heeft beslist.

3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de leerling op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast. Ingevolge het vierde lid voorziet de regeling erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is. Op grond van het vijfde lid bepaalt de regeling dat de kosten worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school (…) gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.

4. De hiervoor bedoelde regeling is de Verordening leerlingenvervoer gemeente Geldrop-Mierlo (hierna: de Verordening), zoals op 18 april 2011 vastgesteld door de raad van verweerders gemeente. De artikelen 20 tot en met 23 hebben betrekking op het vervoer van leerlingen van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van en naar school. Artikel 30 van de Verordening bevat de zogeheten hardheidsclausule. Op grond van deze bepaling kan verweerder in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.

5. [zoon] (roepnaam: [roepnaam zoon]), de zoon van verzoeker, was ten tijde van het bestreden besluit 19 jaar. [roepnaam zoon] woont samen met zijn ouders, een oudere en een jongere zus en twee jongere broers. De moeder en beide broers zijn bekend met psychische klachten. Verzoeker, de vader van [roepnaam zoon], werkt fulltime. [roepnaam zoon] volgt (voortgezet) speciaal onderwijs bij de Antoon van Dijkschool te Helmond. [roepnaam zoon] is bekend met het Syndroom van Down en functioneert op een ontwikkelingsleeftijd van 4 tot 5 jaar. [roepnaam zoon] heeft tot het schooljaar 2011-2012 aangepast vervoer gehad in de vorm van groepsvervoer met een taxibusje. [roepnaam zoon] zal de Antoon van Dijkschool alleen nog dit schooljaar bezoeken. Verzoeker heeft bij de onderhavige aanvraag verweerder verzocht om verlenging van dit vervoer.

6. Bij de behandeling van de aanvraag van verzoeker heeft verweerder een vervoersindicatie opgevraagd. Deze vervoersindicatie is uitgevoerd door de onafhankelijke indicatieadviseur MO-zaak op basis van eigen onderzoek, observatie en medische gegevens van [roepnaam zoon], zoals die door verzoeker zijn verstrekt. In de situatie van [roepnaam zoon] is de vervoersindicatie opgesteld door een ergotherapeute, werkzaam bij de MO-zaak. Deze vervoersindicatie is voor [roepnaam zoon] gesteld op reizen met het openbaar vervoer met begeleiding voor een periode van twee jaar.

7. Verweerder heeft op basis van verzoekers aanvraag, de door verzoeker verstrekte gegevens en de ten behoeve van [roepnaam zoon] verstrekte vervoersindicatie op 14 juni 2011 een besluit genomen. Aan verzoeker is, gelet op de artikelen 21 en 22 van de Verordening, een vervoersbudget toegekend voor de kosten van het openbaar vervoer met begeleiding over de afstand tussen de woning te [plaats] en de Antoon van Dijkschool te Helmond, heen en terug.

8. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder kon besluiten met ingang van het schooljaar 2011-2012 niet langer leerlingenvervoer in de vorm van een taxibusje te organiseren voor [roepnaam zoon], maar in plaats daarvan aan verzoeker een vervoersbudget toe te kennen voor openbaar vervoer met begeleiding naar zijn school.

9. Niet in geschil is dat [roepnaam zoon] is aangewezen op het volgen van (voortgezet) speciaal onderwijs en dat daarvoor de Antoon van Dijkschool te Helmond is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor [roepnaam zoon]. Tevens staat vast dat [roepnaam zoon], gelet op zijn verstandelijke handicap, niet zelfstandig in staat is naar zijn school te reizen. Niet in geschil is dat hij onder begeleiding gebruik moet maken van openbaar vervoer. Verder staat vast dat [roepnaam zoon] met gebruikmaking van openbaar vervoer met een enkele reis naar school of terug minder dan anderhalf uur onderweg is.

10. Gelet op het voorgaande moet verweerders standpunt dat verzoeker op grond van de artikelen 20 tot en met 23 van de Verordening recht heeft op vergoeding van de kosten van openbaar vervoer van [roepnaam zoon] en van een begeleider in beginsel voor juist worden gehouden. Dat laat echter onverlet dat verweerder in voorkomende gevallen bevoegd is toepassing te geven aan de hardheidsclausule, zoals die is neergelegd in artikel 30 van de Verordening. De toepassing daarvan kan betrekking hebben op alle bepalingen van de Verordening. Om voor toepassing van de hardheidsclausule in aanmerking te komen, moet sprake zijn van een bijzonder geval. Het ligt op de weg van verzoeker om aan te geven waarom er naar zijn mening sprake is van een bijzonder geval. Vervolgens behoort het tot de discretionaire bevoegdheid van verweerder om de hardheidsclausule al dan niet toe te passen. De uitoefening van deze bevoegdheid dient door de voorzieningenrechter dan ook terughoudend te worden getoetst.

11. Verzoeker heeft in dit verband aangevoerd dat [roepnaam zoon] vanaf de bushalte in Helmond waar hij uitstapt tot aan de school een afstand van 1,3 kilometer lopend dient af te leggen. Ter zitting heeft verzoeker, mede aan de hand van een luchtfoto van Google-maps, verduidelijkt dat langs het grootste gedeelte van de te nemen wandelroute naar de Antoon van Dijkschool een voetpad ontbreekt en dat deze route beperkt verlicht is. Bovendien is er met name in de ochtend sprake van druk autoverkeer naar de verschillende scholen die aan deze route zijn gelegen. Volgens verzoeker is sprake van een verkeersonveilige situatie. Dit wordt nog versterkt door de verstandelijke handicap van [roepnaam zoon] en de daarmee gepaard gaande beperkte verkeersveiligheid, ook als [roepnaam zoon] deze route met een begeleider aflegt. Verzoeker heeft er bovendien op gewezen dat verweerder de reistijd niet juist heeft berekend omdat www.ov9202.nl uitgaat van een foutieve locatie van de school. Verzoeker heeft een recente verklaring van de Commissie van Begeleiding van de Antoon van Dijkschool overgelegd, waarin ook deze commissie aangeeft dat het een verkeersonveilige route is.

De Commissie van Begeleiding heeft verder aangegeven dat de wandeling voor [roepnaam zoon] een grote tijdsinvestering vergt en van hem zowel lichamelijk als psychisch veel energie vraagt. De impact hiervan zal tot gevolg hebben dat [roepnaam zoon] niet in staat zal zijn op adequate wijze op school te functioneren.

Ten slotte heeft verzoeker gewezen op zijn gezinssituatie. Hij werkt zelf fulltime. Omdat de echtgenote van verzoeker bekend is met ADD waarvoor ze medicatie gebruikt is het voor haar vrijwel onmogelijk om [roepnaam zoon] te begeleiden. Dit heeft er de afgelopen twee weken toe geleid dat [roepnaam zoon] één dag niet naar school is gegaan. Ter zitting heeft verzoeker aan verweerder aangeboden, desgewenst, nadere stukken te willen verstrekken over haar medische situatie. Daar komt bij dat in het gezin van verzoeker nog twee kinderen zijn met psychische klachten die ook intensieve verzorging en aandacht vragen. Vanwege het tijdsintensieve karakter is het voor verzoeker zelf vrijwel onmogelijk het vervoer van [roepnaam zoon] naar school te combineren met zijn fulltime werkzaamheden.

12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder vooralsnog niet voldoende blijk gegeven van een individuele op de situatie van [roepnaam zoon] toegesneden beoordeling, waarbij aan de door verzoeker aangevoerde specifieke omstandigheden aandacht is besteed.

Ter zitting is gebleken dat verweerder niet op de hoogte was van de verkeerssituatie op de route naar de Antoon van Dijkschool te Helmond. De gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat bij verweerders gemeente een groot aantal aanvragen voor leerlingenvervoer binnenkomen en dat in beginsel bij de beoordeling van die aanvragen er van wordt uit gegaan dat de verkeersveiligheid rondom de school gegarandeerd moet zijn. Verweerder ziet in de eigen gemeente daar ook op toe. Dit betekent dat doorgaans de verkeerssituatie ter plaatse niet wordt gecontroleerd. Naar aanleiding van de door verzoeker getoonde foto’s, de door hem gegeven toelichting alsmede hetgeen daarover is opgemerkt in de verklaring van de Commissie van Begeleiding van 1 september 2011 heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat onvoldoende duidelijk is of sprake is van een verkeersveilige situatie en dat de feitelijke situatie eerst ter plekke zal dienen te worden opgenomen.

Bij dit oordeel dient verder te worden betrokken dat uit de vraagstelling voor de vervoersindicatie volgt dat onderzoek wordt gedaan naar de belemmeringen die [roepnaam zoon] ondervindt bij het zich verplaatsen en vervoeren. De indicatieadviseur was niet bekend met het feit dat [roepnaam zoon] meer dan een kilometer te voet moet afleggen over een smalle en – op dat moment – drukke weg zonder voetpad. De indicatieadviseur was evenmin bekend met de verklaring van de Commissie van Begeleiding van 1 september 2011, waarin uitdrukkelijk wordt gewezen op de gevolgen die de reisduur en de dagelijkse inspanning op het persoonlijk functioneren van [roepnaam zoon] op school zal hebben. De gemachtigde van verweerder heeft in zijn reactie ter zitting aangegeven dat hij deze informatie in bezwaar heeft gekregen en dat verweerder eerst na consultatie van de indicatieadviseur kan beoordelen welke betekenis aan deze informatie moet worden gehecht.

Ten slotte is ter zitting gebleken dat verweerder bij het nemen van het besluit van 14 juni 2011 nog niet (volledig) bekend was met de feitelijke gezinssituatie, met name de gezondheidssituatie van de moeder van [roepnaam zoon] en zijn twee broers. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting de ernst van de situatie onderkend en aangegeven dat dit meegewogen dient te worden bij de heroverweging in bezwaar.

13. Verweerder zal, in het kader van de vraag of aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule bij de heroverweging in de bezwaarfase, alsnog een op de individuele situatie van [roepnaam zoon] toegesneden beoordeling dienen uit te voeren. Bezien zal dienen te worden of in de aangevoerde feiten en omstandigheden met betrekking tot de reisduur, de verkeersveiligheid, de impact die het openbaar vervoer in combinatie met de wandeling van de bushalte naar school op [roepnaam zoon]’s functioneren op school zal hebben en de feitelijke gezinssituatie aanleiding kan worden gevonden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Daarbij is van belang dat de achterliggende gedachte van artikel 4 van de Wec en de Verordening onder meer is dat een gehandicapte leerling langs een voldoende begaanbare en veilige weg op school moet kunnen komen. Het ligt in de rede dat het nodig zou kunnen zijn dat verweerder de aangedragen informatie en stukken voorlegt aan de in artikel 30 van de Verordening bedoelde deskundigen. Daarbij gaat de voorzieningenrechter er tevens van uit dat alle relevante stukken van dit verzoek en de eventuele reacties daarop van deze deskundigen door verweerder ook ter beschikking worden gesteld aan de bezwaarschriftencommissie van verweerders gemeente voor het nog door deze commissie uit te brengen advies.

14. Gelet op deze te maken heroverweging in bezwaar valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand uit te sluiten dat verweerders besluit in de bezwaarfase zal moeten worden herroepen. Op dit moment ondervindt verzoeker aanzienlijke problemen om het vervoer van [roepnaam zoon] van en naar school te realiseren. Verzoeker is, ondanks pogingen daartoe, sinds het begin van het nieuwe schooljaar op 22 augustus 2011 er niet in geslaagd een vrijwilliger te vinden die de begeleiding zal verzorgen bij het vervoer van [roepnaam zoon]. Verzoeker en zijn echtgenote zijn vanwege het tijdsintensieve karakter slechts met zeer grote inspanningen in staat dat vervoer naar de Antoon van Dijkschool te verzorgen. Van de zijde van verweerder is aangegeven dat het op zichzelf goed te regelen is dat [roepnaam zoon] bij wijze van tijdelijke voorziening aangepast vervoer van en naar school krijgt. Gelet op het voorgaande vormen de door verzoeker aangevoerde zwaarwegende omstandigheden voor de voorzieningenrechter aanleiding verweerder, bij wijze van voorlopige voorziening, te gelasten om zorg te dragen voor aangepast vervoer van [roepnaam zoon] van zijn woonadres in [plaats] naar de Antoon van Dijkschool te Helmond vice versa, totdat zes weken zijn verstreken nadat verweerder op het bezwaar van verzoeker heeft beslist.

15. Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat dit tot gevolg zal moeten hebben dat verzoeker de vergoeding die hij heeft ontvangen voor de vervoerskosten van [roepnaam zoon] en een begeleider dient terug te betalen voor zover die betrekking hebben op de periode waarin [roepnaam zoon] alsnog aangepast vervoer zal krijgen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verweerder de daarvoor benodigde besluiten (gedeeltelijke intrekking en terugvordering) zal nemen en dat verzoeker het betrokken bedrag aan verweerder zal terugbetalen.

16. De voorzieningenrechter ziet, nu het verzoek wordt toegewezen, aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tot de proceskosten behoren de reiskosten die eiser redelijkerwijs voor de behandeling van zijn beroep heeft moeten maken. Deze reiskosten zijn met inachtneming van artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast te stellen op € 19,00 (afgerond). Dit bedrag is opgebouwd uit de reiskosten openbaar vervoer vanaf verzoekers woonplaats [plaats] met de bus en de trein naar ’s-Hertogenbosch. De voorzieningenrechter bepaalt verder ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d. van het Bpb tevens de verletkosten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, Bpb in verband met bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis op 3 uur maal het uurtarief van verzoeker ad € 50,00 = € 150,00.

17. Gelet op artikel 8:82, vierde lid, van de Awb zal de voorzieningenrechter verweerder opdragen verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- draagt verweerder op zorg te dragen voor aangepast vervoer van Brandon [roepnaam zoon] den Houting van zijn woonadres in [plaats] naar de Antoon van Dijkschool te Helmond en vice versa, totdat zes weken zijn verstreken nadat verweerder op het bezwaar van verzoeker heeft beslist;

- gelast verweerder verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 152,00 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op in totaal € 169 (afgerond).

Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden: