Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BT2346

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
AWB 10/368
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiseres met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO te ontslaan omdat vanwege een impasse in de arbeidsverhouding geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. De toegekende ontslagvergoeding acht de rechtbank toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/368

Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 september 2011

inzake

[eiseres],

te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. dr. L.P.M. Klijn,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel,

verweerder,

gemachtigde mr. A.G. Kerkhof.

Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2009 heeft verweerder eiseres ontslag verleend, met ingang van 1 mei 2009. Tevens heeft verweerder eiseres op grond van artikel 10d:4 van de CAR/UWO een regeling aangeboden. De regeling bestaat uit aanspraak op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en een bovenwettelijke aanvullende en aansluitende uitkering ingevolge hoofdstuk 10d van de CAR/UWO, tot de leeftijd van 65 jaar.

Bij besluit op bezwaar van 18 december 2009 heeft verweerder de motivering van het ontslagbesluit gewijzigd en eiseres (bij wijze van schadevergoeding/regeling) een aanvulling op de reguliere uitkering toegekend van 10% tot het 65ste levensjaar. Daarnaast heeft verweerder eiseres een ontslagvergoeding toegekend van één maand per dienstjaar.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 juli 2011. Eiseres is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde alsmede [...].

Overwegingen

1. In dit geding is aan de orde of het aan eiseres verleende ontslag en de aan haar toegekende ontslagvergoeding in rechte stand kunnen houden.

2. Eiseres was sinds 3 mei 2004 werkzaam als beleidsmedewerker op de afdeling Ruimte en Economische Ontwikkeling (gedurende 18 uur per week en later 36 uur per week). In 2007 is door verweerder aan de werknemers gevraagd een integriteitsverklaring te ondertekenen. Eiseres had ernstige bezwaren tegen de inhoud van deze verklaring en heeft daarom geweigerd de verklaring te ondertekenen.

3. In verband met deze weigering heeft eiseres op 12 juni 2007 gesproken met gemeentesecretaris [gemeentesecretaris]. Naar aanleiding van het verloop van het gesprek met de gemeentesecretaris heeft eiseres op 12 augustus 2007 een klacht ingediend. Op 12 september 2007 heeft eiseres een gesprek gehad met burgemeester [burgemeester]. Eiseres heeft aangegeven dat zij naar aanleiding van haar weigering om de integriteitsverklaring te ondertekenen door de burgemeester en de gemeentesecretaris onheus is bejegend, onder ongeoorloofde druk is gezet en is geïntimideerd. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de ziekmelding op 7 januari 2008.

4. De door eiseres aan de orde gestelde integriteitskwestie is mede oorzaak geweest van een onderzoek dat is ingesteld naar de bedrijfscultuur bij de gemeente Veghel. Dit onderzoek heeft tot gevolg gehad dat zowel de gemeentesecretaris, de burgemeester als het voltallige college is afgetreden.

5. In de openbare vergadering van de gemeenteraad van 22 mei 2008 is besloten de huidige “verklaring integer handelen” buiten de orde en niet langer van toepassing te verklaren en deze in te nemen van het personeel teneinde deze te vernietigen. Tevens is besloten dat nazorg moet worden gegeven aan gedupeerden van de misstanden in de ambtelijke organisatie in de achterliggende periode.

6. Naar aanleiding van de brief “dialoog” heeft eiseres op 9 juni 2008 contact gezocht met de gemeentesecretaris (a.i.) [gemeentesecretaris a.i.]. De gemeentesecretaris heeft eiseres uitgenodigd voor een oriënterend gesprek. Dat gesprek heeft op 2 juli 2008 plaatsgehad, welk gesprek door eiseres is omschreven als moeizaam.

7. Eveneens op 9 juni 2008 heeft eiseres een klacht ingediend tegen de gemeente Veghel bij de nationale ombudsman. De nationale ombudsman heeft op 15 juli 2008 gereageerd.

8. Op 12 augustus 2008 schrijft de bedrijfsarts dat eiseres ongeschikt is voor werkzaamheden bij de gemeente Veghel en dat re-integratie bij de gemeente Veghel niet meer aan de orde is.

9. In de brief van 21 augustus 2008 roept de gemachtigde van eiseres de afspraken, zoals die volgens eiseres zijn gemaakt tijdens het gesprek op 2 juli 2008, in herinnering. Het gaat dan om de afspraak dat de gemeente zou reageren op de aansprakelijkheidstelling van 12 augustus 2007 alsook dat men zich uit zou spreken over de uitvoering van de motie van de gemeenteraad van 22 mei 2008. In de brief van 21 augustus 2008 geeft eiseres aan dat op korte termijn een gesprek moet worden gepland om de voortgang te bespreken. In dat gesprek wenst eiseres tevens aan de orde te stellen de beëindiging van haar aanstelling.

10. Op 3 september 2008 is het eerste gesprek gevoerd om te komen tot een minnelijke regeling. Deze onderhandelingen zijn zonder resultaat gebleven.

11. De op 9 december 2008 gestarte mediation is beëindigd op 6 februari 2009 zonder tot overeenstemming te komen over de omschrijving van het geschil zoals dat vastgesteld moet worden in de mediationovereenkomst.

12. Medio december 2008 heeft eiseres een klacht tegen de gemeente Veghel ingediend bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De gemeente Veghel is op dat moment niet aangesloten bij de Landelijke klachtencommissie. Op 27 maart 2009 heeft VNG verweerder bericht dat eiseres na aansluiting van de gemeente Veghel bij de Landelijke klachtencommissie haar klacht opnieuw heeft ingediend. Op enig moment heeft eiseres haar klacht ingetrokken.

13. Op 17 maart 2009 heeft verweerder eiseres op de hoogte gesteld van het voornemen haar te ontslaan.

14. Verweerder heeft aan zijn besluit het standpunt ten grondslag gelegd dat sprake is van een zodanig verstoorde werkrelatie dan wel een zodanige impasse in de arbeidsverhouding dat ontslag op grond van artikel 8:8 CAR/UWO op voldoende gronden berust. Met betrekking tot de hoogte van de ontslagvergoeding heeft verweerder vastgesteld dat binnen de gemeentelijke organisatie misstanden bestonden. Eiseres heeft deze misstanden aan de orde gesteld. Verweerder is vanaf het eerste moment niet op een juiste wijze met de klachten van eiseres omgegaan. Verweerder heeft erkend daarin tekort te zijn geschoten. Verweerder meent met een verhoging van de WW en de reguliere bovenwettelijke aanvullende en uitsluitende uitkering met 10% voldoende recht te doen aan de omstandigheden van het geval. Voorts heeft verweerder een immateriële schadevergoeding van één maandsalaris voor elk dienstjaar toegekend.

15. Eiseres heeft tegen het besluit aangevoerd dat het ontslag onredelijk is en dat eiseres niet met de gevolgen van het ontslag mag blijven zitten. Het ontslag is in strijd met een behoorlijke en eerlijke belangenafweging en is bovendien disproportioneel. Eiseres heeft de rechtbank gevraagd het bestreden besluit te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het volgende.

Primair:

- volledige rehabilitatie van eiseres;

- volledige doorbetaling (100%) van de bezoldiging tot aan het 65ste levensjaar;

Subsidiair:

- volledige rehabilitatie van eiseres;

- aanpassing van de hoogte en de duur van de uitkering tot 100% tot het 64ste levensjaar en 90% voor het 64ste levensjaar (althans een compensatie die recht doet aan het aan eiseres aangedane leed).

Zowel primair als subsidiair:

- volledige compensatie van de nog door het pensioenfonds te berekenen pensioenschade door een storting in een stamrecht;

- een bedrag ineens ter derving van materiële kosten zoals die worden onderbouwd van € 8.270,31 aan reiskosten (vlgns. De ANWB tabel) en kosten van zorg ten bedrage van € 4.504,00;

- een vergoeding van de immateriële schade van € 25.000,00;

- een volledige vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot en met 30 november 2009 ten bedrage van € 28.525,02; )

- verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure alsmede verweerder te veroordelen tot betaling van de door eiseres gemaakte kosten

16. De rechtbank overweegt als volgt.

17. Ingevolge artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO kan ontslag plaatsvinden op een bij het ontslagbesluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden die worden genoemd in de voorafgaande artikelen van hoofdstuk 8 van de CAR/UWO. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 april 2009, LJN BK0290 en TAR 2009, 142) kan aan een ontslaggrond als deze ook toepassing worden gegeven als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verwacht.

18. De gedingstukken en hetgeen ter zitting is verklaard, bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat vanwege een impasse in de arbeidsverhouding geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat er onvoldoende grond bestaat voor de juistheid van het standpunt, zoals dat bij eiseres heeft postgevat, dat zij door verweerder is ontslagen omdat zij misstanden in verweerders organisatie aan de orde heeft gesteld. De rechtbank stelt vast dat de situatie van eiseres, nadat zij misstanden in verweerders organisatie heeft aangekaard, in een zodanige impasse is geraakt dat eiseres zelf niet langer voor verweerders organisatie werkzaam wilde zijn en ook niet door verweerder bemiddeld wilde worden naar een andere werkgever. Hoewel eiseres op 1 augustus 2008 hersteld is verklaard en derhalve vanaf dat moment niet als ziek kan worden aangemerkt, geeft de bedrijfsarts op 12 augustus 2008 ook aan dat eiseres ongeschikt is voor werkzaamheden bij de gemeente Veghel en dat re-integratie bij de gemeente Veghel niet meer aan de orde is. Na verschillende vergeefse pogingen om hetzij door middel van mediation, hetzij door middel van het treffen een minnelijke regeling tot beëindiging van het geschil dan wel beëindiging van het dienstverband te komen, restte derhalve voor verweerder nog slechts de mogelijkheid van ontslag. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om eiseres met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO te ontslaan.

19. Zoals ook ter zitting aan de orde is gekomen, heeft eiseres aangevoerd dat zij een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op artikel 8:8:1 van de CAR/UWO op grond waarvan zij prijs stelt op een akte van ontslag zonder vermelding van de gronden van ontslag. Het is de rechtbank gebleken dat verweerder niet aan dit verzoek heeft voldaan. Ter zitting is van de zijde van verweerder uitdrukkelijk verklaard dat zij alsnog aan eiseres een dergelijke akte van ontslag zullen verstrekken, waarbij, behoudens de vermelding van artikel 8:8 van de CAR/UWO, de gronden van het ontslag niet zullen worden vermeld. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen dat verweerder deze toezegging niet gestand zal doen, zodat dit punt, nog los van de vraag of dit tot vernietiging van het thans voorliggende ontslagbesluit zou kunnen leiden, geen verdere bespreking meer behoeft.

20. Ingevolge artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO treft het college voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt een passende regeling. Ingevolge het derde lid betrekt het college bij de vaststelling van de regeling de inhoud van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

21. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 oktober 2010, LJN BO1803 en TAR 2010, 175) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een minimale uitkeringsregeling onvoldoende is, als vast komt te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of als gezegd moet worden dat het bestuursorgaan met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkeringsregeling die niet uitgaat boven het niveau van de reguliere uitkeringen, niet redelijk heeft kunnen achten. Het gaat hierbij niet om volledige schadevergoeding maar om compensatie voor dat aandeel. Daarbij is ook het aandeel van de ambtenaar van betekenis.

22. Zoals blijkt uit het bestreden besluit erkent verweerder dat binnen de gemeente sprake is geweest van misstanden die door eiseres aan de orde zijn gesteld. Bovendien is erkend dat verweerder niet op de juiste wijze met de klachten van eiseres is omgegaan en dat hij daarin tekort is geschoten. Verweerder heeft dan ook aanleiding gezien om een aanvulling op de reguliere uitkering toe te kennen van 10% tot het 65ste levensjaar. Daarnaast heeft verweerder eiseres een ontslagvergoeding toegekend van één maand per dienstjaar.

23. Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam komen vast te staan dat verweerder zich de misstanden in zijn organisatie heeft aangetrokken en getracht heeft om tot een verbetering van de situatie te komen. De integriteitsverklaring is ingetrokken. Een nieuwe gemeentesecretaris, burgemeester en college is aangetreden. Tevens is besloten dat nazorg moet worden gegeven aan gedupeerden van de misstanden in de ambtelijke organisatie in de achterliggende periode. Op 9 juni 2008 heeft de interim gemeentesecretaris dr. J. Horn eiseres ook uitgenodigd voor een oriënterend gesprek om tot een oplossing van de tussen eiseres en verweerder ontstane impasse te komen.

24. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat eiseres onvoldoende blijk heeft gegeven mee te willen werken aan een oplossing van de ontstane impasse, terwijl op grond van hetgeen ten aanzien van eiseres in persoon objectief bezien is voorgevallen, nu ook weer niet gesteld kan worden dat in het geheel niet van eiseres gevergd kon worden om tot oplossing van de impasse te komen. In ieder geval had van eiseres verwacht mogen worden mee te werken aan bijvoorbeeld een re-integratie bij een andere werkgever, doch ook op dit punt heeft eiseres zich niet inschikkelijk getoond. Ook laten de gedingstukken zien dat eiseres in het kader van de mediation door het stellen van voorwaarden niet altijd die medewerking aan het vinden van een oplossing heeft verleend die van haar redelijkerwijs mocht worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet geconcludeerd worden dat verweerder een overwegend aandeel heeft gehad in het voortbestaan van de situatie in die mate dat dit had moeten leiden tot een hogere dan de toegekende vergoeding.

25. Alle omstandigheden in aanmerking genomen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met de bij het bestreden besluit toegekende financiële regeling. Daarbij wijst de rechtbank er op dat het bij een regeling als hier aan de orde niet gaat om een schadevergoeding waarmee de financiële gevolgen van het ontslag (inkomens- en pensioenschade) geheel worden weggenomen, maar om een compensatie voor het aandeel van de werkgever in het ontstaan van de situatie. Hetgeen overigens door eiseres naar voren is gebracht, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

26. Het bestreden besluit kan daarom stand houden en het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Voor schadevergoeding, proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M.L. Wijnen als voorzitter en mr. J.Y. van de Kraats en mr. B. Fijnheer als leden in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011

<i>Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</i>

Afschriften verzonden: