Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BT2064

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
21-09-2011
Zaaknummer
01/849601-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:4256, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van moord. De gedragingen van verdachte zijn naar uiterlijke verschijningsvorm zodanig specifiek geschikt tot en gericht op het voorbereiden en plegen van een ernstig geweldsmisdrijf dat de rechtbank er uit afleidt dat verdachte haar handelingen zorgvuldig heeft voorbereid en geruime tijd moet hebben overdacht.

Onder meer opgelegd een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek voorarrest en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849601-10

Datum uitspraak: 21 september 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1960,

thans gedetineerd te: PI Zuid Oost - HvB Ter Peel te Evertsoord.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 januari 2011, 02 maart 2011, 24 mei 2011, 19 juli 2011 en 07 september 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 december 2010.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 02 oktober 2010 te Heesch, gemeente Bernheze, opzettelijk

en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

(artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen1 en de beoordeling daarvan.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn onder meer de navolgende bewijsmiddelen aan de orde geweest.

Verklaring van [getuige 1]2:

Ik woon in het appartementencomplex aan de [adres getuige] in Heesch. Naast mij woonde [slachtoffer]. Zij woonde op nummer [huisnummer slachtoffer]. Op 02 oktober 2010 omstreeks 21.14 uur hoorde ik geschreeuw aan de galerijzijde van ons appartementencomplex. Ik ben gaan kijken. Ik hoorde vrouwen schreeuwen. Ik zag dat de voordeur van mevrouw [slachtoffer] open stond. Ik hoorde dat daar het geluid vandaan kwam. Toen zag ik dat er twee vrouwen de woning van mevrouw [slachtoffer] uit kwamen rollen. Een van deze vrouwen betrof mijn buurvrouw. De twee vrouwen lagen voor de voordeur op de grond te vechten. Ze waren aan het duwen en trekken. Ik hoorde dat mijn buurvrouw riep: 'Ja, help me nou'. Ik ben toen direct terug naar binnen gegaan en heb 112 gebeld. Ik ben de galerij weer opgegaan en ik zag dat de twee vrouwen niet meer op de galerij aan het vechten waren. Ik ben naar de woning van mevrouw [slachtoffer] gelopen en zag dat de voordeur dicht was. Ik zag door het raam naast de voordeur dat de twee vrouwen binnen aan het worstelen waren in de gang van de woning. Ik hoorde dat mijn buurvrouw wederom riep: 'Help me nou'. Ik heb geprobeerd de deur te openen maar dat lukte niet. Ik was op dat moment nog steeds telefonisch in gesprek met de politie. Na het gesprek met de politie was het stil in de woning. Nadat ik de politie gebeld had, heb ik mijn bovenbuurman gebeld. Dit gesprek was om 21.19 uur.

Later zag ik dat de politie naar buiten kwam met de vrouw met wie mijn buurvrouw had gevochten.

Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4]3:

Op 02 oktober 2010 omstreeks 21.20 uur kregen wij de opdracht te gaan naar [adres slachtoffer] te Heesch. Aldaar zou een gevecht gaande zijn tussen twee vrouwen.

Ter plaatse keken wij door een raam rechts van de voordeur. Wij zagen dat er op de grond en op de muren van de hal een roodkleurige vloeistof aanwezig was, gelijkend op bloed. Wij zagen aan de binnenzijde bij de voordeur veel roodkleurige spetters en verderop bij een half openstaande deur aan de rechterzijde een soort handdoek liggen. We zagen dat daarbij ook een flinke plas roodkleurige vloeistof lag. Op aanbellen, bonzen en roepen deed niemand open. Wij hebben een ruit linksonder bij de voordeur vernield en betraden de woning. In de woonkamer, vanuit de hal gezien rechts, zagen wij een vrouwelijk slachtoffer bewegingsloos op de grond liggen. Wij zagen dat er veel rode op bloed gelijkende vloeistof op de grond om het slachtoffer heen lag. Wij zagen dat het slachtoffer meerdere steekwonden aan de voorzijde van haar bovenlichaam had. Wij hoorden geen ademhaling. Er was geen hartslag waarneembaar. In de woning stond een draairaam open. Op een brede betonnen richel aan de buitenzijde links van het geopende raam zat een ineengedoken vrouw, de nader te noemen verdachte [verdachte]. [verdachte] droeg donkerkleurige handschoenen. Ik, [verbalisant 1], zag plots dat de pruik van [verdachte] op de grond viel. Omstreeks 21.43 uur ben ik, [verbalisant 1], samen met ambulanceverpleegkundige [verpleegkundige 1] de woning in gegaan. Ik zag dat er geen hartritme te zien was op de hartmonitor. Ik hoorde dat [verpleegkundige 1] mij mededeelde dat het slachtoffer overleden was.

Proces-verbaal herkenning slachtoffer van [verbalisant 5]4:

Op 04 oktober 2010 hoorde ik twee getuigen welke opgaven te zijn: [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De confrontatie betrof het slachtoffer van een misdrijf, gepleegd op 02 oktober 2010 in een woning gelegen aan de [adres slachtoffer] te Heesch. Na confrontatie met het slachtoffer herkenden beide getuigen het slachtoffer als zijnde hun moeder, genaamd [slachtoffer], geboren [datum] 1947 en wonende aan de [adres slachtoffer] te Heesch.

Deskundigenrapport: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 19 januari 2011 van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe betreffende [slachtoffer] (NFI)(los document):

Bij sectie is onder meer het navolgende gebleken: in totaal 18 scherprandige huidperforaties en in totaal 14 scherprandige snijletsels. De letsels aan de armen/handen kunnen goed passen bij afweerletsels.

Het intreden van de dood wordt verklaard door weefselschade door functieverlies van de longen in combinatie met weefselschade door algeheel doorgemaakt bloedverlies, opgelopen door de inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld.

Proces-verbaal bemonstering en kledingonderzoek verdachte van [verbalisant 6] en [verbalisant 7]5:

Verdachte [verdachte] was op 02 oktober 2010 aangehouden. Door de plaatselijke politie was op 02 oktober 2010 kleding van de verdachte in beslag genomen en ter beschikking gesteld voor nader onderzoek.

Tijdens het visuele onderzoek van de verdachte bleek dat de handen en nagels bebloed waren. Ik, [verbalisant 6], zag dat op en onder de nagelriemen van de rechter- en linkerhand zich bloed bevond. Tevens werd door mij zowel op de binnen- als buitenzijde van de handen bloed aangetroffen. Ik zag dat de verdachte een lichte ontvelling had op haar linker onderarm. Op haar rechter bovenbeen werd een hematoom aangetroffen.

Op 13 oktober 2010 werd door ons een onderzoek ingesteld aan de kleding van verdachte.

Op de voorzijde van de spijkerbroek werden verschillende bloedvlekken aangetroffen. Op de achterzijde van de spijkerbroek werd een bloedvlek aangetroffen boven de linker achterzak. Achter op de linker broekspijp werd eveneens een bloedvlek aangetroffen. Zowel op de voor- en achterzijde en op beide mouwen van het vest bevonden zich meerdere concentraties bloedspatten/bloedvegen. Beide handschoenen waren geheel besmeurd met bloed. Op de sjaal werd aan de zijde van het merklabel een bloedvlek aangetroffen. Aan de voorzijde van de trui bevond zich op de rechter mouw een bloedspat. Op het voorpand van de trui bevond zich en bloedveeg. Op het shirt werd aan de voorzijde een bloedvlek aangetroffen. Op beide sokken bevonden zich aan de bovenzijde meerdere bloedspatten. Aan de onderzijde van de sokken bevonden zich bloedvegen. Op het horloge werd een bloedspoor aangetroffen.

Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3]6:

Op 02 oktober 2010 omstreeks 21.50 uur bevond ik mij op de openbare weg, [adres slachtoffer] te Heesch ter hoogte van perceel [huisnummer slachtoffer]. Aldaar werd ik aangesproken door een manspersoon, genaamd [persoon 1]. Hij overhandigde mij een donkerkleurige stoffen tas en deelde mij mede dat hij die tas op het trottoir had gevonden. Ik liep met [persoon 1] mee naar de plaats waar hij de tas had gevonden. Ik zag dat deze plaats nagenoeg recht onder appartement [adres slachtoffer] was gelegen.

Proces-verbaal onderzoek rugzak van [verbalisant 8] en [verbalisant 9]7:

Op 04 oktober 2010 werd door ons een forensisch onderzoek verricht aan een veiliggestelde rugzak met inhoud, in verband met een doodslag/moord gepleegd op 02 oktober 2010.

Op de rugzak waren enkele ogenschijnlijke bloedsporen zichtbaar. Na opening van het grote vak van de rugzak zagen wij een roodkleurige schrijfplank met diverse formulieren. Op meerdere formulieren bevond zich bloed.

Na verwijdering van de schrijfplank werd het lemmet van een mes zichtbaar. Het betrof een uitbeenmes. Het mes had een totale lengte van 26 centimeter. Het lemmet had een lengte van ongeveer 13 centimeter. Op het mes, zowel het lemmet als het heft, bevond zich bloed [AACN5321NL].

Na verwijdering van de schrijfplank werd een spijkerbroek zichtbaar. De broek was binnenste buiten gekeerd. Op de pijpen aan de voorzijde van de broek werd bloed aangetroffen, waarbij de rechter pijp beduidend meer bebloed was dan de linker pijp [AACN5322NL].

Na verwijdering van de broek uit de rugzak werden een formulier, een envelop, een bril en een pakje sigaretten zichtbaar. Het formulier en de envelop waren bebloed. Op de bril werd bloed aangetroffen. Op het pakje sigaretten bevond zich bloed.

Na verwijdering van het formulier, de envelop, de bril en het pakje sigaretten uit de rugzak werd een stuk plastic zeil en een krant zichtbaar. Het betrof een stuk transparant zeil in opgevouwen toestand. Op een van de punten werd bloed aangetroffen. Na het openvouwen van de krant werd een uitbeenmes zichtbaar. Op het mes was ogenschijnlijk geen bloed aanwezig. Na verwijdering van de krant met daarin het mes en het zeil uit de rugzak werden de navolgende goederen in de rugzak aangetroffen. Een zwartkleurige brillenkoker met daarin een roodkleurige bril. Een rol zwartkleurige isolatietape. Een kluwen oranje/roodkleurig nylon koord. Uit nader onderzoek bleek dat het vier afzonderlijke gedeelten nylon koord betroffen. Twee ongebruikte, opgevouwen zwartkleurige plastic vuilniszakken. Een aangebroken witglazen fles likeur 'Boswandeling'. Een vijftal, ogenschijnlijk ongedragen, transparante zogenaamde 'tankhandschoenen'. Een opgevouwen zwartkleurig t'shirt. Een viertal, ogenschijnlijk ongedragen, transparante zogenaamde 'tankhandschoenen'. Een opgevouwen fleecevest.

Deskundigenrapport NFI van dr. A.G.M. van Gorp8:

Van het DNA in de bemonsteringen van het uitbeenmes [AACN5321NL] en van de spijkerbroek [AACN5322NL] zijn DNA-profielen verkregen van een vrouw. Deze DNA-profielen matchen met elkaar en met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer]. De berekende frequentie van de verkregen DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.

Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 10]9:

Uit bevraging bij de Rijksdienst voor het wegverkeer bleek dat [verdachte] twee personenauto's op haar naam had staan. Te weten een Audi type 2 en een Daewoo type Nubira met kenteken [kenteken 1].

Op 03 oktober 2010 omstreeks 01.30 uur trof ik op een parkeerplaats, achter het appartementencomplex waar de plaats delict was, de genoemde Daewoo Nubira aan.

Proces-verbaal sporenonderzoek personenauto verdachte van [verbalisant 7] en [verbalisant 11]:

Op 07 oktober 2010 werd door ons forensisch onderzoek verricht in een voertuig. Het voertuig betrof een stationwagon Daewoo Nubira, voorzien van het kenteken [kenteken 1]. De achterleuning van de achterbank was naar beneden geklapt. In de ontstane laadruimte lag een kruiwagen op zijn kop. Onder de kruiwagen lag een blauwkleurig afdekzeil. Onder het afdekzeil lag een transparant plastic. Op de zitting van de bijrijderstoel stond een kartonnen doos. In de doos bevonden zich een rol toiletpapier, landkaarten en een envelop. Op de achterzijde van de envelop stond geschreven de tekst 'kut hoer'. Verder bevonden zich in de doos een voicerecorder, een verrekijker, doosje lucifers, schaar, kauwgom en een sigarettendoosje. Op de vloer, voor de bijrijderstoel, stond een plastic draagtas. In de plastic draagtas bevonden zich meerdere plastic draagtassen. Tevens bevonden zich in de plastic draagtas een zonnebril en ogenschijnlijk enkele wit/blauwe poncho's. Na het verwijderen van de plastic draagtassen werd een oranjekleurig nylon touw zichtbaar.

Op de vloer, voor de bijrijderstoel, stond een zwarte damestas. In de tas bevonden zich papieren bescheiden. Onder de papieren bescheiden bevond zich een rijbewijs op naam van [verdachte]. Tevens bevonden zich in de damestas een kentekenbewijs van een voertuig van het merk Audi en een kentekenbewijs van een voertuig van het merk Daewoo. Beide kentekens stonden op naam van [verdachte]. In de tas bevond zich een paspoort. In het paspoort stond de naam [verdachte]. Tevens bevond zich in de damestas een dubbel gevouwen A4-tje. Op de ene kant van het A-viertje stond geschreven: Bernheze [adres] en de naam: [naam].

Verklaring van [zoon verdachte]:

Ik heb mijn moeder die zaterdag dat het gebeurd was voor het laatst gezien. Dat was bij mijn moeder thuis. Ik was daar met mijn vriendin op de koffie. Mijn moeder was heel erg vrolijk. Het was voor mij heel fijn om haar zo te zien, dat was al lang geleden en het deed mij goed. Ik denk dat wij rond een uur of 16.00 uur daar waren en ik denk dat wij daar rond 17.25 uur weggegaan waren. De woning zag er voor mij heel normaal uit. Ik vond het nog best wel opgeruimd. Je hebt altijd wel iets hier en daar liggen. De keuken zag er ook normaal uit.

Verklaring van verdachte:

Op 02 oktober 2010 heeft [zoon verdachte] overdag gebruik gemaakt van de Daewoo. Hij kwam in de namiddag en toen hebben wij de auto's omgewisseld. Ik had [zoon verdachte] gebeld. Ik zei dat ik de Daewoo wilde hebben en dan kon hij de Audi nemen. Ik weet niet meer wanneer ik [zoon verdachte] heb gebeld. Dat kan woensdag donderdag, vrijdag of zaterdag zijn geweest12.

Ik had toevallig dit mes een keer gezien in de gereedschapskist bij [vriend verdachte] in de garage. Op 02 oktober 2010 ik die messen uit de gereedschapskist gehaald. Ik heb de messen thuis schoongemaakt. Ik heb de messen verpakt in een krant zodat ze de tas en de rest wat in de tas zat niet zouden beschadigen13.

Ik heb het schrijfplankje op zaterdag meegenomen uit het kantoortje van [vriend verdachte]. Ik weet alleen dat ik de bedoeling had om naar haar toe te gaan om te praten en dat ik een reden wilde verzinnen zodat zij open zou doen. Vanaf dinsdag ben ik gaan denken hoe ik het zou aanpakken14.

De spijkerbroek die ik droeg toen ik naar Heesch ging was kapot. Toen ik [vriend verdachte] wegbracht, droeg ik deze broek niet15.

Ik heb de kruiwagen zaterdag laten drogen en daarna in de auto gezet16.

Het woord 'kuthoer'op de envelop in mijn auto heb ik geschreven. Het ging over [slachtoffer]17.

Ik heb een rugzak gepakt en wat spullen gepakt. Er moeten in ieder geval een broek, een t-shirt en een fleeceshirt in de rugzak hebben gezeten. Ik weet dat ik een mes in de tas heb gedaan. Ik ben naar binnen gegaan naar het appartement van [slachtoffer]. Ik had de pruik op. Ik had het klembord vast. Dat was het beeld dat ik wilde scheppen. Dat als ze door het kijkgaatje keek, zij misschien dacht dat er iemand stond om een enquete af te nemen. Ik ben binnengestapt. Ik voelde dat [slachtoffer] mij vastgreep bij mijn armen en bij mijn jas en ik hoorde dat ze 'eruit' zei. Ze wilde mij uit haar huis hebben18.

Verdachte heeft verder verklaard:

- dat zowel [slachtoffer] als zij in de gang bleven worstelen en beiden op de grond terecht kwamen;

- dat zij [slachtoffer] met het mes meerdere malen, op verschillende plaatsen heeft gestoken;

- dat zij op een bepaald moment merkte dat [slachtoffer] zich niet meer verweerde19.

Op een gegeven moment kwam ik tot het besef wat ik gedaan had. Ik keek naar mijn broek. Ik dacht: "Wat moeten de mensen wel niet van mij denken." Ik heb een andere broek aangetrokken20.

Ik wist voordat ik die messen meenam dat die messen erg scherp waren21.

Ik ben juist op 02 oktober 2010 naar [slachtoffer] gegaan omdat [vriend verdachte] naar Canada was22.

Ik schat dat ik rond 20.00 uur ben vertrokken. Het is een klein uurtje rijden23.

Standpunten van de officier van justitie en van de verdediging.

De officier van justitie is van oordeel dat sprake is van moord, dus dat de doodslag is gepleegd met voorbedachte raad. De verdediging betwist dit onderdeel en stelt dat er onvoldoende bewijs is om voorbedachte raad aan te kunnen nemen.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft erkend dat zij met een mes het slachtoffer heeft gestoken. Uit de sectiebevindingen blijkt dat er (onder meer) steken in de borststreek en buikstreek zijn toegebracht en dat de longen en lever zijn geperforeerd en dat dit letsel tot de dood van het slachtoffer heeft geleid24. Uit de letselbeschrijving volgt bovendien dat sprake is van opzettelijk handelen, zodat het handelen van verdachte in elk geval moet worden gekwalificeerd als doodslag.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade is tenminste nodig dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen besluit of het genomen besluit, zodat zij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal hierna bespreken of daarvan in deze zaak sprake is.

Verdachte [verdachte] is in de loop van de avond van 02 oktober 2010 vermomd naar de woning gegaan van [slachtoffer], het latere slachtoffer. Verdachte had een rugzak bij zich waarin zij een set reserve (boven)kleding had gedaan, maar ook twee zeer scherpe messen (een vilmes en een uitbeenmes), een rol (duck)tape, vier stukken touw, vuilniszakken en een aantal wegwerphandschoenen. Deze messen had zij eerder meegenomen vanaf het bedrijf van haar vriend. In haar auto was de achterbank neergelegd, bevond zich een kruiwagen en was de bodem afgedekt met plastic. In de auto werden tevens gegevens aangetroffen van de woning van het latere slachtoffer. Verdachte is naar Heesch gereden, de woonplaats van [slachtoffer]. Verdachte [verdachte] heeft zich bij de woning van [slachtoffer] voorgedaan als enquêtrice en heeft aangebeld bij mevrouw [slachtoffer]. Nadat door [slachtoffer] werd opengedaan is een vechtpartij ontstaan en heeft verdachte het fatale geweld tegen mevrouw [slachtoffer] gepleegd. Mevrouw [slachtoffer] heeft daarbij herhaalde malen om hulp geroepen. Korte tijd later is het slachtoffer door de politie gevonden in haar woning. De politie treft in de rugzak van verdachte een bebloede spijkerbroek en een bebloed vilmes aan. De verdachte heeft verklaard dat zij na het gevecht haar broek heeft verwisseld.

Deze gedragingen van verdachte zijn naar uiterlijke verschijningsvorm zodanig specifiek geschikt tot en gericht op het voorbereiden en plegen van een ernstig geweldsmisdrijf dat de rechtbank er uit afleidt dat verdachte haar handelingen zorgvuldig heeft voorbereid en geruime tijd moet hebben overdacht.

Verdachte heeft verklaard dat zij een hele hoop troep op de keukenvloer had liggen en de spullen in de rugzak blindelings daarvandaan heeft gepakt om ze te gebruiken als vulling voor de rugzak en dat zij de spullen die in de auto zijn aangetroffen in de auto heeft gedaan omdat zij van plan was om kachelhout in het bos te gaan zoeken.

De verklaring die verdachte heeft gegeven voor de inhoud van de rugzak en de aanpassingen in de auto acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. De inhoud van de rugzak is geen bonte verzameling van op de keukenvloer van verdachte liggende spullen en van willekeurig gepakte kleding. Bovendien heeft haar zoon verklaard dat de keuken er aan het einde van de middag van 02 oktober 2010 normaal uitzag. Verder is uit niets gebleken dat verdachte een normaal gesprek wilde met het slachtoffer, noch dat zij reden had te veronderstellen dat het slachtoffer geweld zou plegen tegen haar.

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de doodslag met voorbedachten rade heeft gepleegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 02 oktober 2010 te Heesch, gemeente Bernheze, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor moord zal worden opgelegd:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest en

- een last tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voor de duur van twee jaar.

Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het feit alsmede met de bevindingen van de psychiater en de psycholoog.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is het standpunt van de officier van justitie dat deze vordering volledig dient worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de deskundigenrapportages niet eenduidig zijn in hun adviezen met betrekking tot het opleggen van een TBS-maatregel en dat beide deskundigen te veel een slag om de arm houden. Gelet hierop kan volgens de verdediging van oplegging van TBS in welke variant dan ook geen sprake zijn.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Op meedogenloze wijze heeft zij mevrouw [slachtoffer] van het leven beroofd in een ultieme poging om haar relatie te redden. Verdachte handelde uit zuiver egocentrische motieven. Zij heeft zich op geen enkel moment rekenschap gegeven van de gevolgen die haar handelen voor anderen zou hebben.

Verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer onpeilbaar leed aangedaan en hun levens onomkeerbaar veranderd. Zij hebben plotseling en voortijdig afscheid moeten nemen van een geliefd familielid aan wier leven opzettelijk en op gewelddadige wijze een einde is gemaakt. Een dergelijk misdrijf wordt ook door de samenleving in het algemeen als bijzonder schokkend ervaren.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Op 29 april 2011 heeft de psychiater J.L.M. Dinjens een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Deze deskundige rapporteert onder meer:

Er is bij betrokkene sprake van complexe psychopathologie. Betrokkene is een zeer intelligente vrouw die gedurende haar leven in grote mate haar kwetsbaarheden heeft kunnen compenseren en camoufleren. Betrokkene heeft daarnaast een perfectionistische, sterk op autonomie en controle gerichte actieve copingstijl die haar eveneens in staat stelden zich op diverse levensdomeinen te kunnen handhaven. Onderliggend is er echter sprake van een zeer kwetsbare en egozwakke persoonlijkheidsstructuur. Het onvermogen uit zich vooral in het functioneren in het contact met anderen, het inadequaat omgaan met emoties en affecten, het wisselende zelfbeeld, basaal wantrouwen, haar gebrekkige empathie en gewetensfunctie, haar structuurloosheid en grenzenloosheid. Betrokkene voldoet aan de algemene criteria voor het stellen van een persoonlijkheidsstoornis. De meest passende diagnose is een persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anderszins Omschreven) met vooral cluster B (narcistisch, borderline, psychopatisch) en in mindere mate cluster C (afhankelijk) kenmerken.

Betrokkene is in aanloop naar en ten tijde van het tenlastegelegde steeds verder in een neerwaartse spiraal terecht gekomen. Betrokkene raakte de controle over zichzelf en haar omgeving steeds meer kwijt en er was hierbij sprake van vervreemding naar zichzelf en anderen. Er was sprake van verregaande obsessionele gedachten rondom (het redden van) haar relatie en het leed en onrecht dat haar hierin was aangedaan. De stemming van betrokkene werd in toenemende mate wanhopig en depressief en er was sprake van affectlabiliteit. Daarnaast was er sprake van alcoholafhankelijkheid. Er was bij betrokkene sprake van een verregaande ontregeling in haar psychische functioneren wat in grote mate verweven is met bovengeschetste persoonlijkheidsstructuur. Het toestandsbeeld is reactief en exogeen (als reactie op stressoren). Er was bij betrokkene sprake van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis in emoties en gedrag, gepaard gaande met elementen van vervreemding, ingeëngd denken en obsessionele gedachten.

Onderzoeker adviseert de tenlastelegging verminderd toe te rekenen.

Het recidiverisico wordt ingeschat als matig. Het recidiverisico is voornamelijk gelegen in de relationele sfeer. Betrokkene heeft hierin nauwelijks probleembesef dan wel ziekte-inzicht. Het recidiverisico kan slechts door behandeling worden verminderd.

Een behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden werd overwogen. Complicerende factoren daarbij zijn echter de maximale vrijheidsstraf en de onbetrouwbaarheid van de eventueel op te stellen voorwaarden (gezien het ontbrekende probleembesef en de hardnekkigheid van de obsessie). Naar de mening van onderzoeker resteert er dientengevolge het advies van opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Op 09 mei 2011 heeft de psycholoog drs. B.Y. van Toorn een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Deze deskundige rapporteert onder meer:

Er is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een aanpassingsstoornis met gemengde depressieve en angstige kenmerken en alcoholverslaving. De gebrekkige ontwikkeling bestaat uit een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en psychopathische kenmerken. Daarnaast is er sprake van een partner-relatie probleem.

Op de een of andere manier is het betrokkene, ondanks haar hechtingsproblematiek, gelukt om zich aan de heer [vriend verdachte] te hechten. In combinatie met haar wankele zelfbeeld, als gevolg van haar narcisme, werd ze hierdoor sterk afhankelijk van zijn goedkeuring en bevestiging. Mede door haar onvermogen om af te stemmen op anderen en haar egocentrische opstelling kreeg ze echter als snel het gevoel tekort gedaan te worden. Toen bleek dat hij haar bedroog reageerde ze heftig emotioneel: de dreiging van liefdesverlies was sterk ontregelend en dat kon ze niet verdragen. Ze moet ook narcistisch zeer gekrenkt zijn geweest door zijn bedrog en zijn afwijzing. Ze was verbolgen en wraaklustig maar toonde dit niet. Ze richtte haar gevoelens naar binnen waardoor ze sombere stemmingen kreeg. In een poging om haar affecten te dempen ging ze steeds meer drinken, maar hierdoor nam haar vermogen tot relativeren steeds meer af en raakte ze steeds verder ontregeld. Er ontstond een soort hyperfocus, een verenging van de aandacht: buiten haar relatie met [vriend verdachte] en de noodzaak om die te behouden, bestond er niets. Het werd een obsessie en ze raakte in toenemende mate ontregeld. Ze liet steeds meer onaangepast gedrag zien en ging uiteindelijk, naar eigen zeggen in een impuls, over tot het plegen van het tenlastegelegde.

Onderzoeker heeft meegewogen dat het delict de schijn zou kunnen hebben van kille berekening. Zelfs als dit zo zou zijn, kan dit niet los gezien worden van haar pathologie en de stress van de voorgaande periode. Betrokkene is wel in staat om te doden, en mogelijk zelfs op een berekenende wijze, maar pas nadat ze volledig ontregeld geraakt is. Op basis hiervan komt rapporteur tot het advies om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Op basis van de HKT-30 komt rapporteur tot de inschatting dat de kans op recidive matig is. Vervolgens is de kans op recidive ingeschat op klinische basis. Daarbij is meegewogen dat betrokkene tot op dit moment nog nooit gewelddadig geweest is, of anderszins ontspoord is. Er zijn veel levensgebieden waarop zij niet gevaarlijk is en goed functioneert. Bovendien zijn haar goed ontwikkelde cognitieve vaardigheden een belangrijke beschermende factor. In principe is daarmee de kans op recidive laag. Deze loopt echter op het moment dat betrokkene opnieuw een relatie aan zou gaan op. De pathologie van betrokkene openbaart zich immers in relaties, bij intimiteit en hechting. Indien zij weer een partner zou vinden aan wie zij zich zou kunnen hechten en bij wie er op enig moment sprake is van dreigend liefdesverlies, zou de kans op recidive toenemen. De vraag is echter of betrokkene opnieuw weer zo enorm zou ontregelen zoals deze keer het geval geweest is, of dat, bijvoorbeeld met behulp van haar goede verstand, op tijd uit de situatie zou kunnen stappen. De kans op recidive komt echter anders te liggen op het moment dat de relatie met [vriend verdachte] hervat zou worden. Rapporteur komt tot de inschatting dat dan de kans op recidive verhoogd is.

Om de kans op recidive terug te dringen behoeft de problematiek van betrokkene zeker behandeling. Er zijn verschillende juridische kaders waarbinnen een dergelijke behandeling gestalte zou kunnen krijgen:

- binnen het juridische kader van een TBS met voorwaarden. Het ontbreken van ziekte-inzicht en de daaruit voortvloeiende beperkte behandelmotivatie, in de zin van bereidheid tot verandering, maakt dit kader meer discutabel.

- binnen het kader van een TBS met dwangverpleging. Uiteraard kan in deze setting therapietrouw het best gewaarborgd worden. Anderzijds heeft betrokkene het beveiligingsniveau van een TBS-kliniek niet nodig. Bovendien is het maar de vraag of het behandelaanbod dat betrokkene nodig heeft in een TBS-kliniek voorhanden is.

Uit beide rapporten blijkt dat verdachte leidt aan een ernstige en complexe persoonlijkheidsstoornis en dat er sprake is van alcoholverslaving/-afhankelijkheid. Ook kan het delict daaruit worden verklaard. Zowel de psychiater als de psycholoog achten recidivegevaar aanwezig. Beiden achten behandeling noodzakelijk. De rechtbank deelt deze bevindingen en conclusies.

De rechtbank overweegt voorts dat het hierna te kwalificeren feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De veiligheid van anderen maakt het noodzakelijk dat verdachte behandeld zal worden binnen de juridische kaders van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. De duur van de opgelegde vrijheidsstraf staat in de weg aan het opleggen van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

De rechtbank acht de vordering volledig toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 november 2010 (uiterste betaaldatum facturen) tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dat inbeslaggenomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 289.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

moord

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen:

Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging voor de duur van 2 jaar.

Teruggave van de inbeslaggenomen personenauto, te weten een Daewoo Nubira

met kenteken [kenteken 1], aan de verdachte.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 5495,34 subsidiair 62 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van een van de nabestaanden van het slachtoffer, te weten [nabestaande], van een bedrag van

EUR 5.495,34 (zegge: vijfduizend vierhonderdvijfennegentig euro en vierendertig cent), bij gebreke van betaling en

verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uitsluitend uit materiële schadevergoeding (posten 1

tot en met 8).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 01 november 2010 tot aan de dag der algehele

voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte

mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], van een

bedrag van EUR 5.495,34 (zegge: vijfduizend vierhonderdvijfennegentig euro en

vierendertig cent). Dit bedrag betreft uitsluitende materiële schadevergoeding

(posten 1 tot en met 8 ).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 01 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot

vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. drs. W.A.F. Damen en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 21 september 2011.

1 Voor zover hierna in de voetnoten wordt verwezen naar 'Eindpv.' wordt hiermee bedoeld een eindproces-verbaal van de regiopolitie Brabant Noord, Districtsrecherche Maasland, met nummer 2010105971, sluitingsdatum 15 december 2010, aantal doorgenummerde pagina's: 698.

2 Eindpv. pag. 583-586.

3 Eindpv. pag. 220-223.

4 Eindpv. pag. 266-267.

5 Coördinatie proces-verbaal technisch onderzoek van regiopolitie Brabant Noord, Team Grootschalige Opsporing, onderzoek Buizerd, proces-verbaalnummer: 2010105971 (verder te noemen: FTO): bijlage 2.

6 Eindpv. pag. 226.

7 FTO bijlage 3.

8 FTO bijlage 9.

9 Eindpv. pag. 231.

10 FTO bijlage 7.

11 Eindpv. pag. 632-633.

12 Eindpv. pag. 150.

13 Eindpv. pag. 151-152.

14 Eindpv. pag. 154-155.

15 Eindpv. pag. 156.

16 Eindpv. pag. 163.

17 Eindpv. pag. 167.

18 Eindpv. pag. 142-144.

19 Eindpv. pag. 170.

20 Eindpv. pag. 144.

21 Eindpv. pag. 175.

22 Eindpv. pag. 208.

23 Eindpv. pag. 201.

24 Deskundigenrapport: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 19 januari 2011 van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe betreffende [slachtoffer] (NFI)(los document).