Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BR6554

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
01/825279-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Verdachte wordt met een metgezel aangetroffen in de woonkamer van een woning bij een tuincentrum. Verdachte voert aan dat hij de woning is binnengegaan in de veronderstelling aldaar twee bloemen/planten af te rekenen. De rechtbank komt na beoordeling van relevante feiten en omstandigheden tot de conclusie dat niet is bewezen dat verdachte de bedoeling had om geld of goederen weg te nemen.

Vrijspraak van de ten laste gelegde diefstal met geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825279-11

Datum uitspraak: 06 september 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [geboorteplaats] aan de [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 augustus 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juli 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2011 te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), de woning van die [slachtoffer] binnen is / zijn gegaan en/of een geldpot onder zich heeft genomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij

verdachte en/of zijn mededader

-die [slachtoffer] met kracht met gebalde vuist tegen het gezicht heeft/hebben geslagen en/of

-die [slachtoffer] met kracht met een houten doosje, althans een hard (en zwaar) voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of

-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht met een tafeltje/krukje, athans een hard (en zwaar) voorwerp tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of

-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met geschoeide voet) in het gezicht heeft/hebben geschopt,

-die [slachtoffer 2] meermalen, althans een maal, (met kracht) met een tafeltje/krukje, althans een hard (en zwaar) voorwerp tegen het hoofd heeft

geslagen en/of

-die [slachtoffer 3] meermalen, althans een maal met kracht (met een voorwerp) tegen het lichaam en/of tegen het hoofd heeft geslagen terwijl die [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] ten gevolge van dit feit zwaar lichamelijk letsel heeft/hebben opgelopen (te weten:

[slachtoffer]: een gebroken oogkas en/of een gebroken neusbeen en/of beschadiging van spieren achter/bij het linkeroog, en [slachtoffer 2]: een gebroken jukbeen, ter herstel waarvan een operatieve ingreep noodzakelijk was);

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het tenlastegelegde medeplegen van een poging tot diefstal welke werd vergezeld en gevolgd van geweld om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of een ander de vlucht mogelijk te maken wettig en overtuigend bewezen. Zij is van mening dat verdachte het oogmerk heeft gehad van wederrechtelijke toe-eigening en dat er sprake was van een uitvoeringshandeling. Voorts is zij van mening dat verdachte opzet heeft gehad op het bij de poging tot diefstal toegepaste geweld waardoor bij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel en bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] lichamelijk letsel is veroorzaakt.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Immers kan gelet op alle feiten en omstandigheden niet gesteld kan worden dat verdachte naar de uiterlijke verschijningsvormen het oogmerk heeft gehad om een diefstal in de woning te plegen.

De bewijsbeslissing.

Oogmerk van wederrechtelijke toeƫigening

Vaststaat dat verdachte en zijn metgezel zich in de woonkamer van de woning bevonden. Verdachte heeft allereerst als verweer gevoerd dat hij niet de bedoeling had om geld of goederen weg te nemen.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte met zijn metgezel twee bloemen wilde kopen, dat verdachte die bloemen heeft gepakt en vervolgens via de witte voordeur met die bloemen de woning en de woonkamer is ingelopen om die bloemen af te rekenen.

Uit de verklaring van aangever [slachtoffer] blijkt dat hij heeft gezien dat verdachte en zijn metgezel twee planten pakte uit de voortuin en dat hij verdachte en zijn metgezel daarna niet meer zag in het tuincentrum. Uit de ter terechtzitting overgelegde foto blijkt dat de voortuin zich vlakbij de witte voordeur bevindt.

In het proces-verbaal wordt geen melding gemaakt van het feit dat er sprake is van een (duidelijk zichtbare) kassa in het tuincentrum. Uit de verklaring van [persoon 1] leidt de rechtbank af dat een dergelijke kassa/toonbank er niet is. Zo verklaart zij dat zij het afgerekende geld in een geldtasje bewaart.

Op grond van het voorgaande kan de verklaring van verdachte dat hij dacht dat in de woning zou moeten worden afgerekend niet zonder meer als ongeloofwaardig worden beschouwd.

Daar komt bij dat diverse getuigen verklaren dat zij verdachte en/of zijn metgezel hebben horen zeggen "I want to pay" of soortgelijke woorden.

Weliswaar zijn er een aantal omstandigheden die verdacht zijn. Zo stelt aangever [slachtoffer] dat verdachte met een pot in zijn handen stond die normaal gesproken op tafel staat en waarin wisselgeld zou worden bewaard en verklaart hij dat de tuindeuren aan de achterzijde, die normaal gesproken altijd open zijn, op slot waren. Voorts geven [slachtoffer 2 en 3] aan dat de voordeur normaal gesproken dicht/gesloten is.

Daartegenover staat dat uitsluitend [slachtoffer] melding maakt van het feit dat verdachte een pot in zijn handen had, dat later is vastgesteld dat in die pot geen geld zat, dat geen geld bleek te zijn weggenomen en dat evenmin uit sporenonderzoek is gebleken dat verdachte die pot in zijn handen heeft gehad.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer 2], anders dan [slachtoffer] heeft verklaard dat de tuindeuren soms open en soms gesloten zijn, zodat niet kan worden uitgesloten dat verdachte en/of zijn metgezel de tuindeuren niet zelf hebben afgesloten. Daarbij komt dat verdachte en/of zijn metgezel de tuindeuren op het eerste verzoek van [slachtoffer] hebben opengemaakt toen hij bij die deur stond. Indien verdachte en/of zijn metgezel de tuindeuren zouden hebben afgesloten om betrapping en/of aanhouding te voorkomen, dan had het voor de hand gelegen dat zij de woning waren uitgevlucht via bijvoorbeeld de voordeur (aan welke kant ook hun auto stond).

De omstandigheid dat verdachte na zijn aanhouding (mogelijk) niet de waarheid heeft gesproken over de kleur auto en weinig tot geen informatie heeft verschaft over de medeverdachte en mogelijk derde betrokken persoon, kan in het licht van al het voorgaande niet tot de conclusie leiden dat moet worden aangenomen dat verdachte de bedoeling had om geld en goederen weg te nemen. Een en ander kan ook zijn ingegeven door andere motieven.

De rechtbank komt tot de slotsom dat onvoldoende wettig en overtuigend bewezen is dat bij verdachte sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke toeƫigening.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Nu verdachte van het hem tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen in hun vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partijen zullen worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

DE UITSPRAAK

Vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: een mobiele telefoon (Apple I-phone) aan verdachte

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.P.M. Rousseau, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. C.A. Mandemakers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier,

en is uitgesproken op 6 september 2011.

Mr. C.A. Mandemakers is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

5

Parketnummer: 01/825279-11

[verdachte]