Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BR6543

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
05-09-2011
Zaaknummer
01/825597-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en haar mededader worden terzake brandstichtingen aan auto's of straatmeubilair in een periode van twee weken veroordeeld. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Daarnaast gelast de rechtbank de TBS met dwangverpleging van verdachte omdat de rechtbank het onverantwoord vindt verdachte onbehandeld in de maatschappij terug te laten keren en andere alternatieven voor behandeling ontbreken omdat verdachte heeft geweigerd aan rapportage door het Pieter Baan Centrum mee te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825597-10

Datum uitspraak: 02 september 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: PIV Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 maart 2011, 24 mei 2011 en 19 augustus 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 februari 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 16 november 2010 tot en met 17 november

2010 in de gemeente Helmond, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermaals)

opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of

een of meer van haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open

vuur

- (incident 5) op/aan het Speelhuisplein een (papier)container in brand

gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten

(een) zich in of in de nabijheid van theater Het Speelhuis aanwezige

perso(o)n(en) te duchten was en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen, te weten (een) zich in de nabijheid van die (papier)container

bevindend(e) gebouw(en), te duchten was; en/of

- (incident 15) op de Helmondselaan een personenauto (Volkswagen Transporter,

wit, [kenteken 1]) in brand gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander

of anderen, te weten een zich in de nabijheid van die auto bevindende

persoon/fietser en/of gemeen gevaar voor goederen, te weten (een) andere in de

nabijheid van die Volkswagen geparkeerde auto ('s), te duchten was; en/of

- (incident 17) op de Waart een personenauto (Opel Corsa, blauw, [kenteken 2]) in

brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een

(houten) schutting, te duchten was; en/of

- (incident 13) op de Markt (bij café/restaurant De Waard) een parasol in

brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor

terrasmeubilair en/of gebouwen te duchten was; en/of

- (incident 16) op de Matthijs Vermeulenstraat een onder een

overkapping/carport(s) geparkeerd staande personenauto, merk Peugeot, [kenteken 3]

kleur grijs, in brand gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of

anderen, te weten een of meer zich in boven die overkapping/carport(s)

bevindende woningen bevindende personen te duchten was en/of terwijl daarvan

gemeen gevaar voor goederen, te weten die woningen en de zich in die woningen

bevindende goederen te duchten was en/of (een) in de nabijheid van die Peugeot

geparkeerde andere auto('s); en/of

- (incident 18) een op een parkeerterrein gelegen aan de Torenstraat

geparkeerde personenauto Peugeot (306, blauw, [kenteken 4]) in brand gestoken,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een of meer andere op

dat parkeerterrein geparkeerde personenauto('s), te duchten was;

(artikel 157 Wetboek van Strafrecht)

en/of

zij in of omstreeks de periode van 16 november 2010 tot en met 17 november

2010 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

- (incident 5) op/aan het Speelhuisplein een (papier)container, geheel of den

dele toebehorende aan Het Speelhuis; en/of

- (incident 15) op de Helmondselaan een personenauto (Volkswagen Transporter,

wit, [kenteken 1]), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1]

en/of [slachtoffer 1]; en/of

- (incident 17) op de Waart een personenauto (Opel Corsa, blauw, [kenteken 2]),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]; en/of

- (incident 13) op de Markt (bij café/restaurant De Waard) een parasol, geheel

of ten delen toebehorende aan Restaurant De Waard; en/of

- (incident 16) op de Matthijs Vermeulenstraat een personenauto, merk Peugeot,

[kenteken 3] kleur grijs, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3]; en/of

- (incident 18) een op een parkeerterrein gelegen aan de Torenstraat

geparkeerde personenauto Peugeot (306, blauw, [kenteken 4]), geheel of ten dele

toe behorende aan [slachtoffer 4];

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan in elk geval een

ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s),

heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (dit)

deze goed(eren) in brand te steken, althans in aanraking te brengen met vuur;

(artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

zij op of omstreeks 08 november 2010 in de gemeente Helmond, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, (meermaals) tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van haar mededader(s) toen

aldaar opzettelijk door middel van open vuur

- (incident 2) op De Wiel een parasol in brand gestoken, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een zich in de directe nabijheid

van die parasol gelegen pand/café, te duchten was; en/of

- (incident 10) op de Torenstraat een personenauto Citroen (Ax First Class,

groen, [kenteken 5]) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen,

te weten voor (een) zich in de nabijheid van die auto bevindende andere

geparkeeerde auto('s) te duchten was;

(artikel 157 Wetboek van Strafrecht)

en/of

zij op of omstreeks 08 november 2010 te Helmond tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

- (incident 2) op De Wiel een parasol (t.w.v. omstreeks 800 euro); en/of

- (incident 10) op de Torenstraat een personenauto Citroen (Ax First

Class, groen, [kenteken 5])

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

- [slachtoffer 5]; en/of

- [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of haar mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt door deze parasol en/of personenauto in brand te steken;

(artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

zij in of omstreeks de periode van 3 november 2010 tot en met 4 november 2010

in de gemeente Helmond, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermaals)

opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte en/of

een of meer van haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open

vuur

- (incident 8) op de Torenstraat een personenauto Opel(type Kadet, rood,

[kenteken 6]) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te

weten voor (een) in de nabijheid van die auto geparkeerde andere auto('s) te

duchten was; en/of

- (incident 9) op de Torenstraat een personenauto Suzuki (Alto, blauw,

[kenteken 7])in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te

weten voor (een) in de nabijheid van die auto geparkeerde (andere) auto('s) te

duchten was;

(artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht)

zij in of omstreeks de periode van 3 november 2010 tot en met 4 november 2010

te Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk

- (incident 8) op de Torenstraat een personenauto Opel (type Kadet, rood,

[kenteken 6]), geheel of ten dele toe behorende aan [slachtoffer 5]; en/of

- (incident 9) op de Torenstraat een personenauto Suzuki (Alto, blauw,

[kenteken 7]), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6];

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door deze (dit) goed(eren) in brand te

steken, althans in aanraking te brengen met vuur;

(artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

zij op of omstreeks 24 oktober 2010 in de gemeente Helmond, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers

heeft/hebben verdachte en/of een of meer van haar mededader(s) toen aldaar

opzettelijk door middel van open vuur

- (incident 7) een in de Torenstraat geparkeerd staande personenauto merk Opel

Frontera-B Van ([kenteken 8]) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar

voor goederen, te weten voor andere ter plaatse geparkeerd staande auto's te

duchten was;

(artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 24 oktober 2010 te Helmond tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een

personenauto, merk Opel Fontera-B Van ([kenteken 8]), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door deze in brand te steken, althans in

aanraking te brengen met vuur;

(artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de navolgende tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van verdachte en [medeverdachte]. Verdachte en [medeverdachte] zijn in de nacht van 16 op 17 november 2010 tezamen op een soort rooftocht door Helmond gegaan. De hele avond en nacht zijn ze samen geweest en hebben ze diverse goederen in brand gestoken, dan wel vernield, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd. Noch verdachte noch [medeverdachte] heeft zich op enig moment gedistantieerd. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat er met betrekking tot de incidenten 5, 15, 13, 16 en 18 sprake is van brandstichting. Er was immers sprake van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. Bij incident 17 is er geen sprake van brandstichting, omdat onvoldoende blijkt van gemeen gevaar, maar er is wel sprake van vernieling. De officier van justitie acht feit 2 eveneens wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van verdachte en [medeverdachte]. Ten aanzien van incident 2 is er sprake van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en ten aanzien van incident 10 is er sprake van vernieling. Met betrekking tot feit 3 concludeert de officier van justitie dat verdachte tezamen met [medeverdachte] een tweetal auto's heeft vernield. Zowel bij incident 8 als bij incident 9 blijkt immers niet van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. Ten aanzien van feit 4 acht de officier van justitie ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met [medeverdachte] op 24 oktober 2010 brand heeft gesticht waarbij er gemeen gevaar voor goederen was.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich ten aanzien van de incidenten 5, 13, 16, 2, 8 en 9 aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot incident 15 heeft verdachte weliswaar erkend dat zij de auto in brand heeft gestoken, maar er is geen sprake geweest van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 15 tenlastegelegde. Voor wat betreft incident 17 is de verdediging van oordeel dat er hoogstens sprake is van een poging tot vernieling. Er was immers geen sprake van een voltooid delict en evenmin van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. Ten aanzien van de incidenten 18, 10 en 7 dient verdachte te worden vrijgesproken. Bij deze incidenten is verdachte immers, zoals ze ook heeft verklaard, niet betrokken geweest. Nu verdachte goed heeft meegewerkt aan het onderzoek, moet haar ontkenning ten aanzien van deze incidenten des te geloofwaardiger worden geacht.

Het oordeel van de rechtbank.

De onderstaande incidenten zijn opgenomen in de volgorde zoals ze in de tenlastelegging staan vermeld. Dit is echter niet op chronologische volgorde. Verdachte en [medeverdachte] hebben verklaard dat de incidenten ten aanzien van feit 1 in de navolgende volgorde hebben plaatsgevonden: incident 5, 13, 16, 18, 15 en 17.1

Feit 1

Incident 5

[aangever1] heeft aangifte gedaan omdat er op 16 november 2010 omstreeks 23.30 uur aan het Speelhuisplein te Helmond een papiercontainer in brand was gestoken. Hij zag vanuit de keuken van theater Het Speelhuis dat er vlammen van ongeveer één meter hoog voor het keukenraam uit kwamen. Vervolgens heeft een collega met een brandslang de brand geblust. De brand had echter vele gevaren kunnen opleveren, aangezien de buitenkant van het theater grotendeels uit hout bestaat. Hierdoor had het gebouw zelf ook vlam kunnen vatten. Op het moment van de brand waren er zeker nog zeventig bezoekers plus personeel aanwezig in het theater. Rond het tijdstip van de brand heeft aangever een jongen en een meisje zien lopen.2

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij in de avond/nacht van 16 op 17 november 2010 achter het hek naast het Speelhuis te Helmond een grote container zagen staan. Verdachte wilde deze aan steken, maar [medeverdachte] vond dat niet verstandig omdat het nog best druk was in het Speelhuis en op straat. Vervolgens hebben ze gewacht totdat het rustiger werd op straat. Daarna heeft verdachte de container open gemaakt en het papier dat erin zat aangestoken. Omdat het binnen in het theater nog druk was, zijn ze daarna snel weggelopen. [medeverdachte] zag wel dat de container snel begon te roken.3

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] op 16 november 2010 een blauwe papiercontainer in brand heeft gestoken.4 Ter terechtzitting heeft ze hier nog aan toegevoegd dat ze eerst samen bij de container hebben staan wachten. Vervolgens heeft [medeverdachte] deze container in brand gestoken, ze was hier echter zelf wel bij. Verdachte heeft ook gezien dat de container in brand stond.5

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande hetgeen onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 5 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. Gelet op hetgeen in de aangifte is vermeld, alsmede hetgeen [medeverdachte] heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat er gevaar voor personen en goederen te duchten was. Volgens aangever had het vuur over kunnen slaan op het nabijgelegen gebouw. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat de container naast het theater stond. In dit gebouw bevonden zich op het moment van de brand veel mensen. Het feit dat de gevolgen van de brand uiteindelijk beperkt zijn gebleven is te danken aan het tijdig signaleren van de brand door medewerkers en het kordate handelen hierna. Gelet op de verklaring van verdachte dat zij erbij aanwezig was toen naar haar zeggen [medeverdachte] de brand stichtte, alsmede in aanmerking genomen de overige voornoemde feiten en omstandigheden ten tijde van de brandstichting, acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Incident 15

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan omdat zijn Volkswagen, type Transporter, kleur wit met kenteken [kenteken 1] tussen 16 en 17 november 2010 op de Helmondselaan te Helmond in brand had gestaan. Deze Volkswagen staat op naam van [bedrijf 1] en aangever is mede-eigenaar van dit bedrijf. De taxibus had rechtsvoor brandschade aan de bumper, spatbord, gril, verlichting en wat bekabeling. Er was geen enkele mogelijkheid dat het voertuig uit zichzelf is gaan branden.6

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte en hij in de avond/nacht van 16 op 17 november 2010 een busje [naam busje] zagen staan op de Helmondselaan. Verdachte begon toen die bus in brand te steken. Het duurde erg lang en vervolgens is [medeverdachte] naar de bus toe gelopen. Verdachte heeft door haar aansteker in de wielkast te houden de bus aangestoken. Vanaf een veilige afstand zagen ze dat de bus aan de voorzijde ook aardig brandde.7

Verdachte heeft verklaard dat ze in de nacht van 16 op 17 november 2010 een bus op de Helmondselaan in brand heeft gestoken. Zij heeft toen de wielkast voor bij de bestuurderskant in de brand gestoken door met haar aansteker een vuur bij de bumper te houden. Het betrof en witte Volkswagen bus en deze was van [bedrijf 1]. De bus vatte meteen vlam, eerst een minivlam en vervolgens werd deze steeds groter.8

De rechtbank acht hetgeen onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 15 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank staat onvoldoende vast dat er sprake was van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. De enkele verklaring van [medeverdachte] dat hij een persoon ter hoogte van de bus zag staan, levert onvoldoende bewijs op voor gemeen gevaar van die persoon. De rechtbank acht echter op grond van het vorenstaande hetgeen ten tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd wel wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van dit incident. De taxibus heeft immers brandschade opgelopen. Gelet op de verklaring van [medeverdachte] dat hij tezamen met verdachte bij de brandstichting betrokken is geweest, acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Incident 17

Verdachte en [medeverdachte] zijn ter plaatse aangetroffen. Verdachte hield een vuurtje bij de wielkast en [medeverdachte] stond op de uitkijk. De rechtbank acht dit incident echter niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank staat allereerst onvoldoende vast dat er sprake was van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. Daarnaast staat het naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast dat er sprake is van schade. Een verbalisant heeft immers kort na het incident geen bijzonderheden op die plek waargenomen. Weliswaar heeft aangever bij zijn auto een zwarte roetvlek geconstateerd, maar een roetvlek acht de rechtbank in dit geval onvoldoende om van beschadiging, dan wel vernieling te spreken.

Incident 13

[aangever 2] heeft namens Restaurant de Waard aangifte gedaan. Tussen 15 en 22 november 2010 heeft de parasol op de Markt te Helmond brandschade opgelopen. Deze parasol staat voor het restaurant "De Waard".9

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van dit incident bekeken. Hij zag dat op 16 november 2010 omstreeks 23.36 uur verdachte en [medeverdachte] zich bij de parasol bevonden. In eerste instantie hield verdachte een vlam bij de onderkant van de parasol. Vervolgens liep [medeverdachte] naar de parasol en hij hield eveneens een vlam bij de parasol. De parasol vatte vlam en [medeverdachte] liep terug richting verdachte.10

De parasol stond buiten op het terras voor restaurant de Waard.11

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte en hij in de avond/nacht van 16 op 17 november 2010 een grote parasol in brand hebben gestoken. Deze parasol bevond zich op de Markt voor een café. Verdachte stak de parasol eerst aan, maar het vuur ging na enkele seconden weer uit. Vervolgens heeft [medeverdachte] de parasol op die plaats nog een keer aangestoken. Toen de parasol brandde, zijn ze samen weggelopen.12

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] op De Markt een parasol in brand heeft gestoken die tegenover een café stond. Dit café stond tegenover de friettent op de Markt.13 [medeverdachte] heeft de parasol in de brand gezet, onderaan de parasol.14

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande hetgeen onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 13 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. [Verbalisant 2] heeft waargenomen dat de parasol zich buiten op het terras bevond. Op de foto's die zich in het dossier bevinden is waar te nemen dat, zoals gebruikelijk, zich op dit terras eveneens terrasmeubilair in de nabijheid bevond. Door tweemaal een vuur te houden bij de parasol, was er gevaar te duchten voor het terrasmeubilair. Het staat onvoldoende vast op welke afstand de parasol van de gebouwen stond, hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden dat er gevaar voor gebouwen te duchten was. Gelet op de verklaring van [medeverdachte] en de camerabeelden, blijkt dat zowel verdachte als [medeverdachte] bij de brandstichting betrokken is geweest. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Incident 16

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan omdat zijn auto, een grijze Peugeot met kenteken [kenteken 3] in brand is gestoken. Deze auto had aangever op 6 november 2010 onder de carport geparkeerd op de Mathijs Vermeulenstraat te Helmond. Zijn auto was aan de voorzijde geheel uitgebrand en alle ramen lagen eruit. Vermoedelijk was de auto total loss.15

Verbalisanten zijn op 17 november 2010 omstreeks 0.38 uur ter plaatse gekomen en zagen dat de voorzijde van de Peugeot met kenteken [kenteken 3] brandde. Deze voorzijde stond in de richting van de gevel van het pand. De auto bevond zich onder een overkapping en er was veel rookontwikkeling. Op de Matthijs van Meulenstraat te Helmond zijn appartementen gelegen en onder deze appartementen zijn parkeergelegenheden. Onder de woningen voorzien van het [huisnummers] stond het brandende voertuig geparkeerd. De bewoners van [pandnummers] waren uit de woning. De bewoners van [pandnummer], een man en een vrouw, bevonden zich nog steeds in de woning. Zij zijn uiteindelijk naar buiten gegaan. Naast de brandende auto stonden twee andere personenauto's geparkeerd. De personenauto direct naast het brandende voertuig, een rode Hyundai met kenteken [kenteken 9] was ook beschadigd.16

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte en hij in de avond/nacht van 16 op 17 november 2010 naar de Matthijs Vermeulenstraat te Helmond zijn gelopen. Daar zagen ze onder woningen carports waar auto's geparkeerd stonden. Verdachte is met haar aansteker ter hoogte van een wielkast aan de voorzijde brand gaan steken. [medeverdachte] zat onder diezelfde carport op twee meter afstand op de uitkijk. Vervolgens ging de auto in brand. Daarna zijn ze weggelopen.17

Verdachte heeft verklaard dat ze samen met [medeverdachte] een auto op de Mathijs Vermeulen straat in brand heeft gestoken. Volgens verdachte was de kleur van de auto grijs en zou het een Peugeot kunnen zijn. [medeverdachte] en verdachte hielden ieder aan een kant van de auto in de wielkast een vuurtje. De auto stond geparkeerd onder een carport met de voorzijde naar de woning toe. Op een afstand van rond de 1,5 meter stonden andere auto's. Toen de auto vlam vatte zijn ze weggelopen.18 Ter terechtzitting heeft verdachte nog verklaard dat zich boven de auto woningen bevonden en het gelet daarop heel verkeerd had kunnen aflopen. De woningen erboven of de auto's die erbij stonden hadden immers in brand kunnen vliegen. Volgens haar woonden er mensen in voornoemde woningen.19

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande hetgeen onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 16 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de situatie ter plaatse, zoals deze in het proces verbaal van de verbalisanten die ten tijde van de brand ter plaatse aanwezig waren is vermeld, is de rechtbank van oordeel dat er gevaar voor personen en goederen te duchten was. Het vuur had immers over kunnen slaan op nabijgelegen auto's en de bovenliggende woningen waarin zich op dat moment mensen bevonden. Verdachte heeft dit ter terechtzitting zelf ook verklaard. De personenauto direct naast het brandende voertuig was ook beschadigd. Gelet op de verklaring van verdachte en van [medeverdachte], acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Incident 18

[slachtoffer 4] heeft aangifte gedaan van brandstichting van haar auto, een blauwe Peugeot 306 met kenteken [kenteken 4]. Hij had zijn auto geparkeerd op het parkeerterrein bij de Torenstraat te Helmond. Toen hij zijn auto wilde ophalen, zag hij op de plek waar zijn auto had gestaan zwarte schroeiplekken.20

Verbalisanten hebben op 17 november omstreeks 0.55 uur op het parkeerterrein bij de Torenstraat te Helmond een Peugeot met kenteken [kenteken 4] in brand zien staan.21

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte en hij in de avond/nacht van 16 op 17 november 2010 op de parkeerplaats bij de Torenstraat aankwamen. [medeverdachte] heeft toen met zijn aansteker ter hoogte van de rechter voorzijde van de wielkast van de auto deze auto in brand gezet. Toen de auto brandde zijn ze verder gelopen.22

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] een auto in brand heeft gestoken op de parkeerplaats bij de Torenstraat. Vervolgens kwam [medeverdachte] naar haar toe en zei dat de auto in brand stond.23

De rechtbank acht hetgeen onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 18 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank staat immers onvoldoende vast dat er sprake was van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. De rechtbank acht echter op grond van het vorenstaande hetgeen ten tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd wel wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van dit incident. [medeverdachte] heeft de auto in brand gezet en verbalisanten hebben de auto in brand zien staan. Het is een feit van algemene bekendheid dat een auto door een dergelijke brand beschadigd raakt. Hoewel verdachte heeft verklaard zich niet bij de auto te hebben opgehouden, acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen. Verdachte en [medeverdachte] zijn die nacht samen op pad gegaan en hebben voorafgaand aan dit incident in Helmond tezamen diverse goederen in brand gestoken, zie incident 5, 13 en 16. Vervolgens zijn ze zijn tezamen bij de parkeerplaats aangekomen. [medeverdachte] heeft de auto in brand gezet en verdachte heeft zich naar eigen zeggen achter een bosje opgehouden. Vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte] wel weer tezamen weggelopen en ook na dit incident hebben verdachte en [medeverdachte] samen nog twee voertuigen (geprobeerd) in brand te steken, zie incident 15 en 17. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij er niets mee te maken wilde hebben niet aannemelijk. Het verweer van de verdediging wordt daarom niet gevolgd.

Feit 2

Incident 2

[slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan omdat op 8 november 2010 tussen 22.43 en 22.46 uur een parasol in brand is gestoken. Deze parasol bevond zich bij een horecagelegenheid gelegen op De Wiel te Helmond. Hij zag dat de parasol aan de kant van het pand brandschade vertoonde. In totaal staan er vier parasols op het terras en deze hebben een doek met een doorsnede van circa 4 meter. Deze parasols staan op een afstand van minder dan 3 meter van het gebouw. Het gebouw is gezien de oude bouwmaterialen uiterst kwetsbaar. Bij het uitkijken van de camerabeelden zag aangever dat een persoon zijn hand bij de parasol hield en hij zag daarboven een vlam. Toen de parasol niet doorbrandde werd door de andere persoon wederom een brandend voorwerp bij het doek van de parasol gehouden.24

Verbalisanten hebben eveneens voornoemde camerabeelden bekeken. Zij zagen dat in eerste instantie verdachte de parasol middels een aansteker in brand stak op 8 november 2010. De parasol bevond zich op ongeveer 2,5 meter van het gebouw. De parasol vatte licht vlam. Vervolgens liep [medeverdachte] naar de parasol en hield op dezelfde plek nogmaals een aansteker erbij. [medeverdachte] liep weg en even later fietste verdachte weg in dezelfde richting. De parasol is naar schatting 3 a 4 meter hoog. Als de parasol volledig in brand was gegaan was het niet ondenkbaar dat het vuur over had kunnen slaan naar het naastgelegen café.25

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij een parasol in brand heeft gestoken op een terras. In eerste instantie probeerde verdachte de parasol in brand te steken. Toen het vuur uit was gegaan is [medeverdachte] teruggelopen en heeft hij de parasol op dezelfde plek aangestoken. Toen begon deze goed te branden. [medeverdachte] begreep op het moment van het verhoor dat het best mogelijk was geweest dat het café ook in brand was gegaan.26

Verdachte heeft verklaard dat ze op 8 november 2010 getracht heeft een parasol in brand te steken. Toen het haar niet lukte, heeft [medeverdachte] de parasol in brand gestoken. Daarna is verdachte achter [medeverdachte] aan gefietst.27

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande hetgeen onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. Uit de aangifte, alsmede uit het proces verbaal van het uitkijken van de camerabeelden blijkt dat de parasol op korte afstand van het gebouw stond. Zowel de verbalisanten als [medeverdachte] hebben verklaard dat het mogelijk was dat het naastgelegen café in vlammen op was gegaan. Er was aldus gemeen gevaar voor goederen. Gelet op de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] en de camerabeelden, blijkt dat zowel verdachte als [medeverdachte] bij de brandstichting betrokken is geweest. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Incident 10

De rechtbank acht dit incident ten aanzien van verdachte niet wettig en overtuigen bewezen. Verdachte heeft zelf verklaard dat zij de auto niet in brand heeft gestoken en dat zij thuis was op dat moment. Het enige bewijs dat zij wel ter plaatse was, is de verklaring van [medev[medeverdachte]. Op basis van het einddossier kan de rechtbank dan ook niet uitsluiten dat verdachte daadwerkelijk thuis was op het moment dat de auto in brand werd gestoken door [medeverdachte].

Feit 3

Incident 8

[aangeefster 3] heeft aangifte gedaan omdat de auto van haar broer [slachtoffer 5] in brand is gestoken. Zij had de auto, een rode Opel Kadett met kenteken [kenteken 6], geparkeerd op de parkeerplaats bij de Torenstraat te Helmond. Vervolgens vernam zij op 4 november 2010 van de politie dat er in de auto brand was gesticht. Zij heeft gezien dat de ruit aan de passagierskant was gebroken en dat de zitting van de passagiersstoel was verbrand. Het dashboard was gesmolten en de bekleding van de vloer was uitgebrand.28

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de nacht van 3 op 4 november 2010 op een parkeerplaats bij de watertoren een steen door het raam aan de achterzijde van die auto gegooid. Het betrof een rode auto. Vervolgens heeft hij brandspiritus in de auto gegooid en heeft verdachte de auto in brand gestoken. Verdachte heeft vervolgens ook de bus met spiritus weggegooid.29

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] op 4 november 2010 een steen door de ruit van een rode Poolse auto heeft gegooid die geparkeerd was op de parkeerplaats bij de Torenstraat te Helmond. Vervolgens is [medeverdachte] naar verdachte toegelopen en daarna is [medeverdachte] weer alleen teruggelopen naar de auto. [medeverdachte] heeft toen spiritus in de auto gegooid en er een vuurtje bij gehouden. De auto vloog in de brand en vervolgens heeft verdachte de fles met spiritus in de bosjes gegooid.30

De rechtbank acht hetgeen onder 3 eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 8 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank staat immers onvoldoende vast dat er sprake was van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. De rechtbank acht echter op grond van het vorenstaande hetgeen ten tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd wel wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van dit incident. Door het in brand steken van de auto heeft deze immers aanzienlijke schade opgelopen. Gelet op de verklaring van verdachte en [medeverdachte], acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Incident 9

[slachtoffer 8] heeft op 4 november 2010 aangifte gedaan van het in brand steken van zijn blauwe Suzuki Alto met kenteken [kenteken 7]. Deze auto had hij op 3 november 2010 geparkeerd op de parkeerplaats bij de Torenstraat te Helmond.31

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de nacht van 4 op 5 november 2010 een steen door de raam van de passagiersportier heeft gegooid van een auto die op de parkeerplaats bij de Torenstraat te Helmond stond. Deze auto was donker van kleur. Vervolgens heeft [medeverdachte] brandspiritus over de passagiersstoel gegooid en heeft verdachte er een vuurtje bij gehouden. Deze stoel vatte toen vlam.32

Verdachte heeft verklaard dat in de nacht van 4 november 2010 [medeverdachte] de ruit heeft ingegooid van een auto die geparkeerd was op de parkeerplaats bij de Torenstraat te Helmond. Daarna heeft verdachte de spiritus naar binnen gegooid. [medeverdachte] heeft er vervolgens vuur bij gehouden en de auto is toen gaan branden.33

De rechtbank acht hetgeen onder 3 eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van incident 9 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank staat immers onvoldoende vast dat er sprake was van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. De rechtbank acht echter op grond van het vorenstaande hetgeen ten tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd wel wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van dit incident. Het is een feit van algemene bekendheid dat een auto door een dergelijke brand aanzienlijk beschadigd raakt. Gelet op de verklaring van verdachte en [medeverdachte], acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen.

Feit 4

Incident 7

[slachtoffer 7] heeft aangifte gedaan omdat op 24 november 2010 zijn auto, een Opel Frontera -B Van met kenteken [kenteken 8] in brand had gestaan. Hij had zijn auto die dag geparkeerd op de parkeerplaats bij de Torenstraat te Helmond.34

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 24 oktober 2010 samen met verdachte een auto die geparkeerd stond op de parkeerplaats bij de Torenstraat te Helmond in brand heeft gestoken. Eerst heeft verdachte de voorzijde van de auto in brand proberen te steken. Toen dat echter niet lukte, heeft [medeverdachte] het op dezelfde plaats gedaan. Op enig moment begon de auto ter hoogte van de wielkast aan de rechter voorzijde te branden. Ze zijn vervolgens samen weggelopen.35

Verdachte heeft verklaard dat ze het zich niet kan herinneren dat ze voornoemde auto samen met [medeverdachte] in brand heeft gezet. Het zou kunnen kloppen, maar ze kan het zich niet herinneren.36

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair onder 4 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat er sprake was van gemeen gevaar voor personen en/of goederen. Het is onvoldoende duidelijk op wat voor een afstand de auto zich van de bosjes bevond. De rechtbank acht echter op grond van het vorenstaande hetgeen onder 4 subsidiair ten laste is gelegd wel wettig en overtuigend bewezen. De verklaringen van [medev[medeverdachte] acht de rechtbank geloofwaardig. Hij heeft verklaard dat verdachte ook haar aandeel had in dit incident. Verdachte heeft niet ontkend bij dit incident betrokken te zijn geweest, ze heeft enkel verklaard dat ze het zich niet kan herinneren. Het verweer van de verdediging dat verdachte niet bij dit incident betrokken is geweest, gaat dan ook niet op. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een auto door een dergelijke brand aanzienlijk beschadigd raakt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 16 november 2010 tot en met 17 november 2010 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, (meermaals) opzettelijk brand heeft gesticht, immers hebben verdachte en haar mededader toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur

- (incident 5) aan het Speelhuisplein een papiercontainer in brand gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor anderen, te weten zich in theater Het Speelhuis aanwezige personen te duchten was en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten (een) zich in de nabijheid van die (papier)container bevindend gebouw, te duchten was; en

- (incident 13) op de Markt (bij café/restaurant De Waard) een parasol in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor terrasmeubilair te duchten was; en

- (incident 16) op de Matthijs Vermeulenstraat een onder een overkapping geparkeerd staande personenauto, merk Peugeot, [kenteken 3] kleur grijs, in brand gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor anderen, te weten zich in boven die overkapping bevindende woningen bevindende personen te duchten was en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die woningen en de zich in die woningen bevindende goederen te duchten was en in de nabijheid van die Peugeot geparkeerde andere auto('s).

en

in de periode van 16 november 2010 tot en met 17 november 2010 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk

- (incident 15) op de Helmondselaan een personenauto (Volkswagen Transporter, wit, [kenteken 1]), toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1]; en

- (incident 18) een op een parkeerterrein gelegen aan de Torenstraat geparkeerde personenauto Peugeot (306, blauw, [kenteken 4]), toebehorende aan [slachtoffer 4];

heeft vernield en/of beschadigd door deze goed(eren) in brand te steken, althans in aanraking te brengen met vuur.

2.

op 08 november 2010 in de gemeente Helmond, tezamen en in vereniging met een

ander, opzettelijk brand heeft gesticht, immers hebben verdachte en haar mededader toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur

- (incident 2) op De Wiel een parasol in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een zich in de directe nabijheid van die parasol gelegen pand, te duchten was.

3.

in of omstreeks de periode van 3 november 2010 tot en met 4 november 2010

te Helmond tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk

- (incident 8) op de Torenstraat een personenauto Opel (type Kadet, rood, [kenteken 6]), toebehorende aan [slachtoffer 5]; en

- (incident 9) op de Torenstraat een personenauto Suzuki (Alto, blauw, [kenteken 7]), toebehorende aan [slachtoffer 6];

heeft vernield door deze goed(eren) in brand te steken, althans in aanraking te brengen met vuur.

4.

op of omstreeks 24 oktober 2010 te Helmond tezamen en in vereniging met een

ander, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Opel Fontera-B Van ([kenteken 8]), toebehorende aan [slachtoffer 7], heeft vernield door deze in brand te steken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft hierbij allereerst de ernst van de feiten in aanmerking genomen. Verdachte en [medeverdachte] hebben zeer grote risico's genomen bij de diverse brandstichtingen, de branden hadden mensenlevens kunnen kosten. De brandstichtingen hebben voorts een grote onrust veroorzaakt in Helmond en hebben de maatschappij veel geld gekost. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een rapportage van het Pieter Baan Centrum. Hierdoor is niet inzichtelijk geworden wat verdachte er toe heeft gebracht de tenlastegelegde feiten te plegen. Tevens is niet duidelijk wat verdachte ervan zal weerhouden om in de toekomst soortgelijke feiten te gaan plegen. Indien zij meegewerkt had aan het onderzoek dan had hieromtrent meer duidelijkheid kunnen worden verkregen en zou een mogelijk behandeltraject voor verdachte kunnen worden uitgewerkt. Mede gezien de onduidelijkheid omtrent de risico's indien verdachte zich weer in de maatschappij zal begeven, is ter beveiliging van de maatschappij een lange gevangenisstraf op zijn plaats. Hierbij is het ook van belang dat verdachte reeds eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte de feiten gepleegd zou hebben om de vriendschap met [medeverdachte] niet op de tocht te zetten. In dat licht meent de verdediging bovendien dat verdachte volgens het jeugdstrafrecht vervolgd zou moeten worden. Verdachte was ten tijde van hetgeen haar ten laste is gelegd net achttien jaar. Verdachte heeft meer weg van een kind dan van een (jong)volwassene van achttien jaar. De psycholoog concludeert bijvoorbeeld dat verdachte beperkte verstandelijke capaciteiten heeft, liggend op zwakbegaafd niveau. Ook de psychiater bevestigt dat verdachte licht beperkte intellectuele vermogens heeft, die naar alle waarschijnlijkheid liggen op benedengemiddeld c.q. laaggemiddeld niveau. Dit betekent dat haar mentale leeftijd aanzienlijk lager is dan haar werkelijke leeftijd. Gezien haar huidige leeftijd, te weten 18 jaar, houdt dit in dat zij functioneert op minderjarig niveau. Dit beeld van een onrijpe persoonlijkheid wordt in de observaties die ten tijde van het verblijf in het Pieter Baan Centrum gedaan zijn, bevestigd. Alles tezamen maakt dat de verdediging de rechtbank verzoekt om verdachte volgens het jeugdstrafrecht te berechten. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de eis van de officier van justitie erg hoog is. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, acht de verdediging het opportuun om verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen conform de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd van een reeds eerder opgelegde werkstraf zou dan verlengd kunnen worden met eventueel als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en/of maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Volwassenstrafrecht

Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht geeft de rechter de mogelijkheid in afwijking van de algemene regel dat op personen van achttien jaar tot eenentwintig jaar het volwassenenstrafrecht van toepassing is, het minderjarigenstrafrecht toe te passen wanneer hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Op 25 juli 2011 hebben de [psychiater] en de [klinisch psycholoog] een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Hierin staat onder meer het volgende:

Vanwege betrokkenes emotionele onrijpheid (en los van de vraagstelling) is overwogen of toepassing van het jeugdstrafrecht wellicht passend zou zijn. Ook op dit punt zien ondergetekenden gedragskundig echter onvoldoende mogelijkheden voor een ander advies zonder een bredere beoordeling van betrokkenes persoonlijkheid.

De rechtbank heeft op grond van de rapportage van het Pieter Baan Centrum en de houding van verdachte ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten gezien voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Weliswaar zijn er aanwijzingen dat er sprake is van geestelijke onrijpheid bij verdachte, maar deze zijn voor de rechtbank onvoldoende om tot toepassing van het jeugdstrafrecht te besluiten. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verdachte zelf bewust de keuze heeft gemaakt om niet mee te werken aan het onderzoek. Dat er tengevolge hiervan uiteindelijk ook geen verdiepend onderzoek naar haar geestelijke (on)rijpheid heeft kunnen plaatsvinden om tot een definitieve uitspraak hieromtrent te komen, heeft verdachte dan ook aan zichzelf te wijten. De rechtbank heeft niet tot het oordeel kunnen komen dat het besluit niet mee te werken aan het gedragsonderzoek is ingegeven door een eventuele onrijpe persoonlijkheid. Dat brengt met zich dat toepassing van het volwassenstrafrecht naar het oordeel van de rechtbank geboden is.

Strafverzwarende omstandigheden.

In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank de navolgende omstandigheden meegewogen. Verdachte heeft onafhankelijk van de risico's willekeurige goederen die zij tegenkwam bewust in brand gestoken. Hierbij heeft zij geen rekening gehouden met de zich in de nabijheid bevindende mensen en goederen. Branden als deze kunnen zich snel verspreiden en laten zich in de regel niet gemakkelijk controleren. Verdachte heeft hierdoor diverse malen gevaar voor mensen en goederen in het leven geroepen. Haar gedragingen hebben materiële schade veroorzaakt en grote onrust teweeggebracht in de plaatselijke gemeenschap. Verdachte heeft op geen enkel moment oog gehad voor de belangen van de willekeurig door haar gekozen slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte gedurende een langere periode te weten van ongeveer 24 oktober tot en met 17 november 2010 diverse branden gesticht. Bovendien zijn deze branden gesticht tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling, voor brandstichting. Doordat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek bij het Pieter Baan Centrum, is er geen inzicht verkregen in de beweegredenen van verdachte. Verdachte zelf heeft de rechtbank hieromtrent ook geen duidelijkheid verschaft. Mede gelet op het strafblad van verdachte acht de rechtbank het recidiverisico dan ook hoog.

Welke straf of maatregel?

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de maatschappij tegen verdachte goed beschermd dient te worden. Een lange gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, biedt de maatschappij een aantal jaren bescherming tegen verdachte, maar een wezenlijke beperking van het recidiverisico wordt hiermee naar verwachting niet bewerkstelligd. De rechtbank acht het van groot belang voor de maatschappij maar ook voor verdachte zelf dat zij een adequate behandeling krijgt voor de bij haar aanwezige problematiek die wordt beschreven in het rapport van het Pieter Baan Centrum van 25 juli 2011 en de hierin verwerkte informatie uit eerdere over verdachte uitgebrachte rapportages. Ondanks de weigering van verdachte om aan de rapportage mee te werken, heeft het Pieter Baan Centrum op basis van de observaties en de beschikbare informatie uit andere bronnen bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld.

De in het rapport vermelde conclusie luidt:

De beschikbare informatie over de voorgeschiedenis en de huidige observaties wijzen op een ontwikkelingsachterstand in de zin van een karakterologische onrijpheid. Op basis van deze diagnostische constellatie (ADHD; gedragsstoornis; beperkte verstandelijke vermogens; karakterologische onrijpheid) kan worden gesproken van een -ook ten tijde van het tenlastegelegde bestaande- gebrekkige ontwikkeling. Pyromanie, als stoornis in de impulsbeheersing, kan, wegens de beperkingen van het onderzoek, niet worden vastgesteld, noch worden uitgesloten. Er is weliswaar een gebrekkige ontwikkeling geconstateerd, maar aangezien er onvoldoende zicht is op de invloed hiervan bij het tenlastegelegde en op eventuele controlemogelijkheden waarover betrokkene daarnaast kan beschikken, kan op basis van het onderzoek geen nader advies worden gegeven met betrekking tot de mate van toerekeningsvatbaarheid. Ook het feit dat meerdere interventiepogingen in betrokkenes voorgeschiedenis de tenlastegelegde feiten kennelijk niet hebben kunnen voorkomen, biedt als zodanig geen aanknopingspunten om gedragskundig onderbouwde uitspraken te doen over de noodzaak van een behandeling, over de aard en de inhoud daarvan en over het (juridisch) kader waarin deze eventueel zou dienen plaats te vinden.

Uit voornoemd rapport blijkt dat verdachte reeds eerder Pro Justitia is onderzocht. Dit heeft geleid tot de Pro Justitia rapportage d.d. 26 maart 2009, opgesteld door [psycholoog 2]. Hierin werd geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis, matig, beginnend in de adolescentie. Ook in het huidige rapport wordt geconcludeerd dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, ook ten tijde van het tenlastegelegde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vastgesteld kan worden dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde leed aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op de bevindingen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, die op basis van klinische observatie van de verdachte en na kennisneming van alle over de verdachte opgemaakte rapporten en het dossier, een dergelijke stoornis hebben vastgesteld.

Hoewel het Pieter Baan Centrum heeft aangegeven dat gezien het beperkte onderzoek geen gedragskundig onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan over de noodzaak van behandeling van verdachte en binnen welk juridisch kader deze eventuele behandeling dan zou moeten plaatsvinden, is de rechtbank van oordeel dat de bij verdachte vastgestelde stoornis zodanig is dat het tegen de achtergrond van de bewezenverklaarde feiten vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om verdachte onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, de recidive van verdachte en het door de weigering van verdachte om aan een rapportage mee te werken ontbreken van reële alternatieve behandelmogelijkheden, ziet de rechtbank geen andere optie dan het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging. De rechtbank overweegt in dit kader dat een aantal van de hierna te kwalificeren feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het misdrijven betreft die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist.

De rechtbank is voorts van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving, naast de TBS maatregel een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. De rechtbank zal een aanzienlijk lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank van oordeel is dat een langere gevangenisstraf de behandeling van verdachte in de weg staat. De aan verdachte op te leggen gevangenisstraf is lager dan de aan [medev[medeverdachte] opgelegde gevangenisstraf. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte tien jaar jonger is dan [medeverdachte], dat ze voor minder feiten wordt veroordeeld en dat ze een beperkter strafblad heeft.

De vordering van de benadeelde partij F.J.M. Verspaget (feit 1, incident 16).

Het standpunt van de officier van justitie.

Niet ontvankelijk verklaring, primair omdat het afzonderlijke incident niet op de tenlastelegging is vermeld. Subsidiair omdat de vordering niet onderbouwd is.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het afzonderlijke incident niet op de tenlastelegging staat.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor een beoordeling van deze vordering heeft de rechter onderliggende stukken nodig, die thans ontbreken.

De benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 1, incident 18).

Het standpunt van de officier van justitie.

De schade die geleden is aan de auto en de mp3 speler, te weten € 730,- is voor toewijzing vatbaar. De €100,- voor de radio is echter niet onderbouwd en ten aanzien van dit deel van de vordering dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat dit feit niet ten aanzien van verdachte kan worden bewezen. Subsidiair dient de vordering afgewezen te worden omdat de dagwaarde van de auto niet is gespecificeerd en uit de aangifte niet blijkt dat er een radio en/of mp3 speler in de auto lagen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, het volgende deel van de vordering te weten materiële schadevergoeding voor de auto ter waarde van € 700,-. Uit de bijgevoegde factuur blijkt immers dat de auto korte tijd voor het incident aangekocht was voor € 700,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering, te weten € 130,-, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit deel van de vordering acht de rechtbank immers onvoldoende onderbouwd.

De benadeelde partij kan het resterende deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil terzake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid:

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en haar mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering van de benadeelde partij R. ten Haaf (feit 2, incident 10).

Het standpunt van de officier van justitie.

Deze officier van justitie stelt dat de dagwaarde van de auto niet is onderbouwd en dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat verdachte van dit incident dient te worden vrijgesproken. Subsidiair dient de vordering afgewezen te worden omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is. Meer subsidiair verzoekt de verdediging de vordering te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat verdachte vrijgesproken zal worden ten aanzien van het incident dat de door de benadeelde partij gevorderde schade heeft veroorzaakt.

De benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 3, incident 9).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, de vordering is immers niet onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging.

Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering afgewezen dient te worden omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair dient de vordering gematigd te worden.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, het volgende deel van de vordering te weten materiële schadevergoeding voor de auto, tot een bedrag van € 500,-. Bij gebreke van onderliggende stukken heeft de rechtbank, op basis van de gebruikelijke aanschafwaarde van dergelijke auto's, de geleden schade begroot op voornoemd bedrag.

De rechtbank zal het resterende deel van de vordering, te weten € 2.375,-, afwijzen. Het bestaan van deze schade is immers niet aannemelijk geworden.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil terzake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid:

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en haar mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 4, incident 7).

Het standpunt van de officier van justitie.

De gevorderde schade ziet op de in een periode van drie jaar voorafgaand aan het incident gemaakte onderhouds- en verbeterkosten. De benadeelde partij heeft reeds een total loss uitkering van de verzekering verkregen. De hoogte van die uitkering zal mede bepaald zijn door de staat van de auto op het moment van de brand. Indien het onderhoud en/of de verbeteringen niet hadden plaatsgevonden, dan was de uitkering van de verzekering vermoedelijk lager geweest. Daarnaast heeft de benadeelde partij enige tijd profijt gehad van het gepleegde onderhoud. De benadeelde partij dient niet ontvankelijk te worden verklaard omdat de daadwerkelijk geleden schade niet eenvoudig is vast te stellen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat dit feit niet ten aanzien van verdachte kan worden bewezen. Subsidiair dient de vordering afgewezen te worden omdat de verzekering reeds de dagwaarde van de auto heeft vergoed.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 150,- voor het eigen risico. Ter terechtzitting heeft de heer [slachtoffer 7] naast het reeds gevorderde bedrag van € 3.406,22, eveneens deze schade als gevolg van het eigen risico gevorderd. Uit de reeds overlegde stukken blijkt ook dat dit bedrag op de uitkering aan de heer [slachtoffer 7] is ingehouden.

De rechtbank zal het resterende deel van de vordering, te weten € 3.406,22, afwijzen. De verzekering van de heer [slachtoffer 7] heeft een uitkering gedaan omdat het voertuig total loss was. De ingediende vordering ziet met name op verbeteringen en onderhoud aan de auto. De rechtbank is van oordeel dat dit reeds in de dagwaarde van de auto is opgenomen. Het is niet vast komen te staan dat de daadwerkelijke schade hoger zou zijn dan het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag ter grootte van de dagwaarde.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil terzake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid:

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en haar mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 47, 57, 60a, 157, 350.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 primair ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

en

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

en

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen/beschadigen, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 2:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

T.a.v. feit 3:

Medeplegen van opzettelijk en wedderrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 4 subsidiair:

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

­ T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

­ T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 subsidiair:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

­ T.a.v. feit 1:

Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij F.J.M. Verspaget in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden

begroot op nihil.

­ T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 700,00 subsidiair 14 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 700 (zegge:

zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14

dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 700 materiële schade.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar

mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot

betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van een bedrag van EUR 700

(zegge: zevenhonderd euro), te weten EUR 700 materiële schade. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet

ontvankelijk is.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover zij of haar mededader heeft voldaan aan een van de haar opgelegde

verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

­ T.a.v. feit 2:

Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij R. ten Haaf in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

­ T.a.v. feit 3:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] van een bedrag van EUR 500 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 500 materiële schadevergoeding.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar

mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag

en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van

een bedrag van EUR 500 (zegge: vijfhonderd euro), te weten EUR 500 materiële

schadevergoeding. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover zij of haar mededader heeft voldaan aan een van de haar opgelegde

verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

­ T.a.v. feit 4 subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 150,00 subsidiair 3 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten

behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] van een bedrag van EUR 150 (zegge:

honderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3

dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 150 materiële

schadevergoeding. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde

betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag

en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7]

van een bedrag van EUR 150 (zegge: honderdvijftig euro), te weten EUR 150

materiële schadevergoeding. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haarmededader is betaald.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden

begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te

maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor

zover zij of haar mededader heeft voldaan aan een van de haar opgelegde

verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.Th. van Vliet, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.E. van der Eijk, griffier,

en is uitgesproken op 2 september 2011.

mr. W.T.A.M. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring van [medeverdachte] d.d. 25 november 2010, einddossier p. 497-499 en verklaring van verdachte d.d. 18 november 2010, einddossier p. 530-531.

2 Verklaring van [aangever1] d.d. 17 november 2010, einddossier p. 154.

3 Verklaring van [medeverdachte] d.d. 25 november 2010, einddossier p. 498.

4 Verklaring van verdachte d.d. 24 november 2010, einddossier p. 538.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 augustus 2011.

6 Verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 22 november 2010, einddossier p. 383.

7 Verklaring van [medeverdachte]d.d. 25 november 2010, einddossier p. 499.

8 Verklaring van verdachte d.d. 25 november 2010, einddossier p. 550.

9 Verklaring van [aangever 2] d.d. 22 november 2010, einddossier p. 332.

10 Relaas van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 23 november 2010, einddossier p. 341-342.

11 Relaas van [verbalisant 2] d.d. 22 november 2010, einddossier p. 338.

12 Verklaring van [medeverdachte] d.d. 25 november 2010, einddossier p. 498.

13 Verklaring van verdachte d.d. 18 november 2010, einddossier p. 530.

14 Verklaring van verdachte d.d. 25 november 2010, einddossier p. 549.

15 Verklaring van [slachtoffer 3] d.d. 1 december 2010, einddossier p. 401-402.

16 Relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 18 november 2010, einddossier p. 43.

17 Verklaring van [medeverdachte] d.d. 25 november 2010, einddossier p. 498-499.

18 Verklaring van verdachte d.d. 25 november 2010, einddossier p. 549.

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2011.

20 Verklaring van [slachtoffer 4] d.d. 8 december 2010, einddossier p. 446-447.

21 Relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 18 november 2010, einddossier p. 43.

22 Verklaring van [medeverdachte] d.d. 25 november 2010, einddossier p. 499.

23 Verklaring van verdachte d.d. 24 november 2010, einddossier p. 538.

24 Verklaring van [slachtoffer 5] d.d. 18 november 0201, einddossier p. 89-90.

25 Relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 18 november 2010, einddossier p. 93.

26 Verklaring van [medeverdachte]d.d. 25 november 2010, einddossier p. 496.

27 Verklaring van verdachte d.d. 18 november 2010, einddossier p. 530.

28 Verklaring van [aangeefster 3] d.d. 22 november 2010, einddossier p. 215-217.

29 Verklaring van [medeverdachte] d.d. 24 november 2010, einddossier p. 493.

30 Verklaring van verdachte d.d. 25 november 2010, einddossier p. 547.

31 Verklaring van [slachtoffer 8] d.d. 4 november 2010, einddossier p. 246-247.

32 Verklaring van [medeverdachte] d.d. 24 november 2010, einddossier p. 492-493.

33 Verklaring van verdachte d.d. 25 november 2010, einddossier p. 546-547.

34 Verklaring van [slachtoffer 7] d.d. 25 oktober 2010, einddossier p. 198-199.

35 Verklaring van [medeverdachte] d.d. 24 november 2010, einddossier p. 492.

36 Verklaring van verdachte d.d. 25 november 2010, einddossier p. 546.

??

??

4

Parketnummer: 01/825597-10

[verdachte]