Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BR4888

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
12-08-2011
Zaaknummer
199274 - HA ZA 09-2126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Smartengeld. Gedaagden hebben opzetttelijk brand gesticht in de woning van eisers. Eisers zijn gewond geraakt, hun twee kinderen zijn om het leven gekomen. Eisers vorderen materiële en immateriële schade. De aansprakelijkheid van alle vier gedaagden staat vast gelet op hetgeen in de strafzaken tegen hen is komen vast te staan. Geen aanbod tot tegenbewijs. Een groot aantal materiële schadeposten wordt toegewezen (zie lijstje onder 4.55), waaronder inboedelschade, verlies verdienvermogen van eiseres, en economische kwetsbaarheid van eiser. Voor wat betreft het gevorderde smartengeld overweegt de rechtbank dat de onrechtmatige daad van gedaagden gericht was tegen het hele gezin en dat de immateriële schade die eisers als gevolg van de brand hebben geleden volledig voor vergoeding in aanmerking komt, op grond van zowel onderdeel a als onderdeel b van artikel 6:106 lid 1 BW. De rechtbank ziet geen aanleiding te onderscheiden in 'eigen schade' en 'shockschade'. Volgens de rechtbank staat vast dat gedaagden het oogmerk hadden om eisers leed toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub a BW. Ook staat volgens de rechtbank vast dat eisers door de brand niet alleen ernstig lichamelijk letsel hebben opgelopen maar ook op andere wijze in hun persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Na een uitvoerige beschrijving van de daarbij in aanmerking genomen omstandigheden begroot de rechtbank de immateriële schade van eiseres op EUR 120.000,- en die van eiser op EUR 100.000,-.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 161
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 199274 / HA ZA 09-2126

Vonnis van 3 augustus 2011

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. F.J. David te Eindhoven,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

verblijvende te [verblijfplaats],

gedaagde,

advocaat mr. I.K. Kolev te Hapert,

2. [gedaagde sub 2],

verblijvende te [verblijfplaats],

gedaagde,

advocaat mr. N.R. Heilhof te Maastricht,

3. [gedaagde sub 3],

verblijvende te [verblijfplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R.A. Kaarls te Den Haag,

4. [gedaagde sub 4],

verblijvende te [verblijfplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.M.J.H. Coumans te Amsterdam.

Eisers zullen hierna [eisers] worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij ook wel worden aangeduid met “[eisers]”.

Gedaagden zullen [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 december 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 11 oktober 2010,

- de akte van de zijde van [gedaagde sub 1] van 27 oktober 2010,

- de akte van de zijde van [eisers] van 15 februari 2011, met producties 7 t/m 10 en

houdende een eisvermeerdering.

1.2. Gedaagden hebben vervolgens geen gebruik gemaakt van de hen geboden mogelijkheid tot het nemen van een antwoordakte op 16 maart 2011, waarna vonnis is bepaald. De zaak is daarbij verwezen naar de meervoudige kamer.

2. De vaststaande feiten

2.1. In de nacht van [datum] is brand gesticht in de woning van [eisers] aan [adres]. Door deze brand zijn hun beide kinderen - [A] van 14 jaar oud en [C] van 8 jaar oud - om het leven gekomen. [eisers] zijn uit een raam op de bovenverdieping gesprongen en ernstig gewond geraakt.

2.2. In verband met hun betrokkenheid bij deze brandstichting zijn gedaagden bij onherroepelijk geworden uitspraken veroordeeld tot lange gevangenisstraffen wegens het medeplegen van moord op de beide kinderen en wegens het medeplegen van poging tot moord op [eisers]. [gedaagde sub 1] is door het gerechtshof te ’s Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 jaren (tevens is een TBS-maatregel opgelegd), [gedaagde sub 2] tot een gevangenisstraf van 18 jaren, en [gedaagde sub 4] tot een gevangenisstraf van 15 jaren. Zij hebben tegen deze uitspraken geen cassatieberoep ingesteld. [gedaagde sub 3] is door het gerechtshof te ’s Hertogenbosch veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is verworpen.

2.3. [eisers] hebben ieder als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingesteld in de strafzaken tegen gedaagden. De strafrechter heeft deze vorderingen deels toegewezen en gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van EUR 22.474,30 aan [eiser sub 1] en EUR 24.474,30 aan [eiseres sub 2].

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen na eisvermeerdering samengevat dat de rechtbank:

a. voor recht verklaart dat gedaagden op grond van artikel 6:162 juncto 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door hen geleden en te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van de brandstichting, en

b. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan hen van EUR 538.536,73, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Gedaagden voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eisers] vorderen hoofdelijke veroordeling van ieder van gedaagden. Dit betekent niet dat de rechtbank ten aanzien van elke gedaagde ook een gelijke beslissing moet nemen. Ten aanzien van elke gedaagde afzonderlijk zal moeten worden vastgesteld of sprake is van aansprakelijkheid en tot welk bedrag de gevorderde schade toewijsbaar is.

Gedaagden voeren elk hun eigen verdediging. Een door één of meer van de gedaagden gevoerd en door de rechtbank aanvaard verweer strekt niet mede ten gunste van de andere gedaagden die dit verweer niet hebben gevoerd.

Aansprakelijkheid gedaagden

4.2. [eisers] baseren de stelling dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de door hen geleden en nog te lijden schade, op hetgeen in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan over de rol van de verschillende gedaagden bij de brandstichting en op de onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordelingen van gedaagden.

4.3. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] betwisten de gestelde aansprakelijkheid niet.

[gedaagde sub 3] doet dit wel. Hij ontkent iets met de brandstichting te maken te hebben. [gedaagde sub 3] stelt dat hij wakker werd op het moment dat het huis van [eisers] al enige tijd brandde, dat hij de brand niet heeft kunnen voorkomen en ook niet heeft kunnen ingrijpen. Hij betwist dat hij wist dat er slapende personen in de woning aanwezig waren. Ter ondersteuning verwijst hij naar de pleitnota die zijn advocaat in de strafzaak heeft overgelegd bij de inhoudelijke behandeling in hoger beroep.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.4. Ingevolge artikel 161 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit.

4.5. Vaststaat dat [gedaagde sub 3] onherroepelijk is veroordeeld. In het arrest van het gerechtshof te ’s Hertogenbosch van 20 februari 2006 staat over de bewezen verklaarde feiten het volgende vermeld:

“I.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren:

In de nacht van [datum] zijn de verdachten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] naar de woning van de verdachte [gedaagde sub 4] aan de [adres] gegaan, alwaar aanwezig waren genoemde [gedaagde sub 4] en de verdachte [gedaagde sub 3].

In aanwezigheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] vraagt [gedaagde sub 3] aan [gedaagde sub 1] een klusje voor hem, [gedaagde sub 3], te doen, hierin bestaande dat [gedaagde sub 1] voor 50,- euro het huis aan de overkant van de straat, waar een Turks gezin - bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen - woont, in brand moet steken, met de bedoeling die mensen iets aan te doen. [gedaagde sub 3] geeft daarbij aan dat die mensen thuis zijn en liggen te slapen.

[gedaagde sub 3] biedt aan [gedaagde sub 2] aan om deze naar [plaats] te brengen als [gedaagde sub 2] de klus samen met [gedaagde sub 1] doet, waarmee [gedaagde sub 2] instemt.

[gedaagde sub 3] verlaat de woning om daarin na enige tijd terug te keren met een jerrycan benzine.

Opnieuw komt aan de orde dat de Turkse mensen liggen te slapen.

[gedaagde sub 1] giet in de gang van de woning van [gedaagde sub 4] uit voornoemde jerrycan de bezine (meerdere liters) over in een (planten)gieter, welke kort te voren door [gedaagde sub 4] op verzoek van [gedaagde sub 3] uit de schuur is opgehaald. Het overgieten van de benzine vindt plaats in aanwezigheid van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2], onder waarneming door [gedaagde sub 4].

[gedaagde sub 3] vraagt aan [gedaagde sub 2] om de jerrycan mee te nemen naar buiten en [gedaagde sub 1] vraagt aan [gedaagde sub 2] om mee te gaan om op de uitkijk te gaan staan.

[gedaagde sub 2] begint zich druk te maken over zijn herkenbaarheid, waarop [gedaagde sub 4] hem een jas geeft als bedekking, onder mededeling dat deze kan worden weggegooid na de brandstichting. [gedaagde sub 4] geeft aan [gedaagde sub 1] een krant, waarmee hij de brand kan aansteken.

Vervolgens verlaten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning van [gedaagde sub 4] en gooit [gedaagde sub 1] met behulp van eerdergenoemde gieter de benzine door de brievenbus van de aan de overzijde van de straat gelegen woning [adres], waarin de familie [eisers] op dat moment inderdaad ligt te slapen, en steekt de krant die hij van [gedaagde sub 4] heeft gekregen aan met de aansteker die hij op dat moment krijgt aangereikt van [gedaagde sub 2] - die zich op dat moment in zijn directe nabijheid bevindt - en duwt deze door de eerdergenoemde brievenbus.

Door de brand, die ten gevolge daarvan op [datum] tussen 00.00 en 01.45 is ontstaan, zijn [A] en [C] [eisers] om het leven gekomen. De ouders zijn ter nauwer nood aan de dood ontsnapt door uit een raam van de bovenverdieping te springen.”

4.6. Dwingend bewijs houdt in dat de rechtbank uit dient te gaan van de juistheid van deze feiten, behoudens door [gedaagde sub 3] te leveren tegenbewijs. Door [gedaagde sub 3] is in het kader van deze civiele procedure niets aangevoerd wat een ander licht op de zaak zou kunnen werpen. De inhoud van de pleitnota waarop hij zich beroept, is al meegenomen bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. [gedaagde sub 3] stelt voornemens te zijn een herzieningsverzoek in te dienen maar geeft niet aan welke gronden hij hieraan ten grondslag zal leggen. Ook heeft [gedaagde sub 3] geen aanbod gedaan tot het leveren van (tegen)bewijs. De rechtbank moet daarom uitgaan van de juistheid van de bewezenverklaarde feiten. Deze feiten moeten worden gekwalificeerd als onrechtmatig handelen door onder meer [gedaagde sub 3] jegens [eisers], zoals door [gedaagde sub 3] niet is weersproken.

4.7. De gevorderde verklaring voor recht dat gedaagden alle vier aansprakelijk zijn voor de schade van [eisers] (zie onder 3.1 sub a) zal daarom worden toegewezen.

Omvang van de schade

4.8. [eisers] stellen als gevolg van de brand zowel materiële als immateriële schade te hebben geleden. De verschillende schadeposten zullen hieronder worden besproken.

Ziekenhuis daggeldvergoeding

4.9. [eisers] stellen dat zij als gevolg van het opgelopen letsel in totaal 39 dagen in het ziekenhuis opgenomen zijn geweest. Zij vorderen in verband hiermee een bedrag van EUR 897,- (39 maal een daggeldvergoeding van EUR 23,-).

Deze vordering, waartegen door gedaagden geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen.

Kosten verblijf ziekenhuis

4.10. Deze post van EUR 178,48, die ziet op de kosten die [eisers] hebben gemaakt voor telefoon- en televisieservice gedurende hun verblijf in het ziekenhuis, is ter zitting ingetrokken omdat deze kosten zijn verdisconteerd in de daggeldvergoeding voor verblijf in het ziekenhuis.

Kosten begrafenis

4.11. [eisers] hebben hun kinderen laten begraven in Turkije. Zij vorderen de kosten die zij in verband hiermee hebben moeten maken tot een totaalbedrag van EUR 1.682,- (de posten c t/m g genoemd op pagina’s 6 en 7 van de dagvaarding). Vaststaat dat gedaagden in de strafrechtelijke procedure reeds zijn veroordeeld ter zake van begrafeniskosten een bedrag te betalen van EUR 974,30 aan zowel [eiser sub 1] als aan [eiseres sub 2], in totaal aan hen beiden derhalve een bedrag van EUR 1.948,60. Deze (hoofdelijke) veroordeling in de strafzaken dekt de totale kosten als hier gevorderd, zodat de vordering op dit punt moet worden afgewezen.

Medische kosten

4.12. Bij dagvaarding hebben [eisers] EUR 102,60 aan medische kosten gevorderd. Ter zitting is toegelicht dat dit bedrag ziet op de eigen bijdrage die [eiseres sub 2] moet betalen voor de orthopedische schoenen die zij door het opgelopen letsel thans nodig heeft. Daarbij is aangevoerd dat deze schadepost mogelijk ook voor de toekomst berekend moet worden.

4.13. In de akte van 15 februari 2011 hebben [eisers c.s.] hun vordering op dit punt vermeerderd tot EUR 3.080,- omdat naar zij stellen uit een ingewonnen medisch advies blijkt dat [eiseres sub 2] blijvend is aangewezen op orthopedisch schoeisel. [eisers] heeft het medisch advies overgelegd, alsmede een berekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) van de contante waarde van deze schade.

4.14. Gedaagden hebben op dit punt geen verweer gevoerd en de rechtbank zal het gevorderde bedrag van EUR 3.080,- toewijzen omdat hetgeen door [eisers c.s.] is aangevoerd deze vordering kan dragen.

Inboedelschade

4.15. [eisers] vorderen in dit verband:

• aanschafkosten nieuwe inboedel ad EUR 15.785,20;

• inboedelschade en opruimingskosten ad EUR 35.868,15;

• kosten opknappen nieuwe woning ad EUR 4.503,98.

4.16. Vaststaat dat door de brand de inboedel van de huurwoning van [eisers] grotendeels verloren is gegaan en dat zij kosten hebben moeten maken voor het opknappen en inrichten van hun nieuwe woning. Deze kosten vormen een schadepost die in beginsel kan worden verhaald op gedaagden.

4.17. De rechtbank verwerpt het verweer, dat door enkele van de gedaagden is gevoerd, dat de kosten die gemoeid zijn geweest met het opknappen van de nieuwe woning niet op hen verhaald kunnen worden omdat causaal verband met de brandstichting zou ontbreken. Dat [eisers] hun huis hebben moeten verlaten en een andere woning hebben moeten betrekken is een rechtstreeks en voorzienbaar gevolg van de brandstichting. Het betrekken van een nieuwe woning brengt in het algemeen kosten met zich mee. Door de (nood)situatie waarin zij kwamen te verkeren, konden [eisers] bovendien niet veeleisend zijn ten aanzien van de staat van hun nieuwe woning, maar moesten zij genoegen nemen met een woning die niet alleen opnieuw gestoffeerd diende te worden, maar waar ook nog de nodige extra werkzaamheden aan moesten worden verricht. De hiermee gemoeide kosten zijn wel degelijk aan te merken als schade die is veroorzaakt door de brandstichting waarvoor gedaagden aansprakelijk zijn.

4.18. Toch acht de rechtbank de vorderingen van [eisers] niet geheel en zonder meer toewijsbaar. Doordat zij enerzijds vorderen de “inboedelschade en opruimingskosten” en anderzijds de “aanschafkosten nieuwe inboedel” en de “kosten opknappen nieuwe woning”, is mogelijk sprake van een (gedeeltelijke) dubbeltelling van schade. Bovendien is de uitkering die is gedaan door de verzekeraar van [eisers] ten onrechte niet op de vorderingen in mindering gebracht, zoals door gedaagden is aangevoerd.

4.19. Op verzoek van de verzekeraar van [eisers] is een schaderapport uitgebracht (producties 4 en 10). Een expert heeft de totale inboedelschade vastgesteld op een bedrag van EUR 35.868,15. De schade is tot dit bedrag volledig vergoed. De verzekeraar heeft de kosten voor het reinigen en opruimen van de afgebrande woning voor [eisers] voldaan (EUR 5.813,15) en aan [eisers] een bedrag uitgekeerd van EUR 30.055,-.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:100 BW moet bij de vaststelling van de hoogte van de te verhalen schade rekening worden gehouden met deze vergoedingen. De door [eisers] gevorderde schade ter zake van “inboedelschade en opruimingskosten” tot een bedrag van EUR 35.868,15 is dan ook niet toewijsbaar, nu dit bedrag volledig door de verzekeraar is vergoed.

4.20. Met deze verzekeringsuitkering is [eisers] in beginsel in staat gesteld de nieuwe woning in te richten. De gevorderde “aanschafkosten nieuwe inboedel” en “kosten opknappen nieuwe woning” komen dan ook slechts voor vergoeding door gedaagden in aanmerking voor zover deze kosten uitstijgen boven het bedrag van de ontvangen verzekeringsuitkering.

4.21. [eisers] vorderen in dit verband een bedrag van EUR 15.785,20 in verband met de aanschaf van tapijt, laminaat, keuken, meubels, accessoires, gordijnen, lamellen en materiaal ten behoeve van de verbouwing, en EUR 4.503,98 in verband met stucwerk, egaliseren van wanden, betegelen toilet, nieuw sanitair in badkamer, en werkzaamheden door loodgieter, elektricien en timmerman.

In de dagvaarding is niet aangegeven of het hier gaat om de totale kosten of om de meerkosten voor zover uitstijgend boven de ontvangen verzekeringsuitkering. Ter zitting heeft de raadsman van [eisers] evenwel gesteld dat de kosten van de inboedelschade tot een bedrag van ongeveer EUR 30.000,- zijn vergoed, maar dat er desondanks schade kan zijn als gevolg van het moeten verhuizen. Hij heeft toegelicht dat [eisers] een woning kregen toegewezen waar veel aan moest gebeuren. Zo zat er geen keuken in en waren de vloeren heel slecht. Zij hebben daarom extra kosten moeten maken om die woning bewoonbaar te maken. Ter ondersteuning van de vordering heeft de raadsman bij brief van 5 oktober 2010 een aantal kassabonnen/facturen overgelegd (productie 2). De rechtbank begrijpt hieruit dat [eisers] stellen dat de gevorderde kosten zien op de kosten voor zover uitstijgend boven het van de verzekeraar ontvangen bedrag.

4.22. Op basis van de stellingen van [eisers] en de door hen overgelegde stukken (productie 2) kan de rechtbank niet vaststellen welke kosten zij in totaal hebben moeten maken voor het opknappen en inrichten van hun nieuwe woning. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen in hoeverre sprake is geweest van een overschrijding van het door de verzekering uitgekeerde bedrag. De niet weersproken stellingen van [eisers] over de staat van de aan hen toegewezen woning en de noodzaak van ingrijpende aanpassingen, maken wel aannemelijk dat sprake is geweest van bovenmatige kosten. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de vorderingen van [eisers] ter zake van “aanschafkosten nieuwe inboedel” en “kosten opknappen nieuwe woning” voor een deel toe te wijzen, te weten tot het ex aequo et bono vast te stellen totaalbedrag van EUR 12.500,-.

Verlies verdienvermogen [eiseres sub 2]

4.23. [eisers] vorderen een vergoeding van EUR 131.094,- voor de schade die zij lijden doordat [eiseres sub 2] als gevolg van de brand niet meer kan werken. Ten tijde van de brand werkte [eiseres sub 2] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 40 uur per week als productiemedewerkster bij Vleesch Du Bois Veldhoven BV. In opdracht van [eisers] heeft het NRL een berekening gemaakt van de inkomens- en pensioenschade van [eiseres sub 2] (productie 5). Hierbij is als uitgangspunt genomen dat als de brand niet had plaatsgevonden [eiseres sub 2] tot op 65-jarige leeftijd haar eigen werk was blijven doen. In de werkelijke situatie is aangenomen dat [eiseres sub 2] een WIA-uitkering zal ontvangen op basis van 80 tot 100% blijvende arbeidsongeschiktheid.

4.24. Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hebben ten aanzien van dit onderdeel van de vordering van [eisers] geen verweer gevoerd.

Gedaagde sub 3] erkent in zijn conclusie van antwoord dat sprake is geweest en mogelijk nog altijd sprake is van arbeidsongeschiktheid van [eiseres sub 2], maar mist een onderbouwing met rapportages van de stelling dat zij ook in de toekomst nooit meer zal kunnen werken. Ook [gedaagde sub 2] voert in zijn conclusie van antwoord aan dat een beschrijving van de medische eindtoestand van [eiseres sub 2] ontbreekt.

4.25. [eisers] geven aan dat zij geen medische of arbeidskundige expertise hebben laten verrichten over de situatie van [eiseres sub 2] omdat gedaagden de kosten daarvan niet zullen kunnen terugbetalen en zij zelf ook onvoldoende draagkrachtig zijn om de kosten daarvan te dragen. [eisers c.s.] hebben wel advies ingewonnen bij hun medisch adviseur (productie 7) en menen dat voldoende gegevens beschikbaar zijn om voor wat betreft [eiseres sub 2] vast te stellen dat sprake is van een medische eindtoestand en dat zij door haar lichamelijke en psychische klachten niet meer in staat zal zijn om nog terug te keren in het arbeidsproces.

4.26. Vaststaat dat [eiseres sub 2] bij de sprong uit het raam een fractuur aan haar rechter hielbeen en een schaambeenfractuur heeft opgelopen. Onweersproken is gesteld dat [eiseres sub 2] thans - ruim zes jaar na de brand - nog altijd klachten ondervindt aan haar rechtervoet, waardoor zij niet lang kan staan en lopen. [eisers] hebben ter onderbouwing van hun stelling dat de voetklachten [eiseres sub 2] blijvend zullen beperken bij het verrichten van arbeid, de volgende stukken overgelegd (producties 3, 4 en 7):

• Een brief van chirurg [naam] van 4 augustus 2005 aan de bedrijfsarts waarin onder meer staat vermeld: “Ik denk dat patiënte altijd hinder van het onderste spronggewricht zal houden”.

• Een brief van revalidatiearts [naam] van 21 maart 2006 waarin staat dat [eiseres sub 2] orthopedische schoenen draagt om pijnklachten te verminderen.

• De functionele mogelijkhedenlijst die verzekeringsarts [naam] in juni 2008 heeft opgesteld waarin staat dat [eiseres sub 2] beperkt is ten aanzien van alle dynamische handelingen en statische houdingen. Zo staat er dat zij gedurende de werkdag ongeveer één uur kan lopen en ongeveer één uur kan staan.

• De brief van de medisch adviseur van [eisers], verzekeringsarts [naam], van 24 november 2010 waarin hij over de pijnklachten aan de voet vermeldt: “Voor de toekomst dient rekening gehouden te worden met toename van pijnklachten van de voetwortel en een operatieve ingreep waarbij het onderste spronggewricht zal worden vastgezet. De belastbaarheid zal hierna wellicht wat verbeteren, echter cliënte zal ongeschikt blijven voor lopende en staande werkzaamheden en zwaardere enkelbelasting in het algemeen.”

4.27. Vaststaat dat de brand in augustus 2004 bij [eiseres sub 2] ook heeft geleid tot ernstige psychische klachten. Ter onderbouwing van hun stelling dat ook de psychische klachten van [eiseres sub 2] haar blijvend zullen beperken bij het verrichten van arbeid, hebben [eisers] de volgende stukken overgelegd (producties 3, 4 en 7):

• Een brief van 12 mei 2006 van klinisch psycholoog de heer [naam] aan het UWV waarin de heer [naam] vermeldt dat bij [eiseres sub 2] volgens de DSM-IV classificatie sprake is van een ernstige posttraumatische stressstoornis en een ernstige depressieve stoornis. Ook maakt hij melding van somatische beperkingen (rechterbeen, energetische huishouding verminderd en migraine). Hij acht de prognose vooralsnog dubieus en meent dat gedacht moet worden aan een langdurige en tijdsintensieve behandeling. Zijn inschatting is dat [eiseres sub 2] met haar huidige psychiatrische c.q. psychologische conditie niet in staat zal zijn om arbeid te verrichten. Hij meldt dat haar fysieke conditie zeer instabiel is, haar energetische huishouding zeer beperkt, en dat haar ADL functies zeer beperkt zijn. Hij meldt dat [eiseres sub 2] dagelijks een overleving aangaat, dat er suïcidale ideaties zijn die mede niet worden ingezet vanwege geloofsovertuiging.

• Het onderzoeksverslag van verzekeringsarts [naam] van het UWV van 11 juni 2008 waarin naast een voetfractuur als diagnose staat vermeld “posttraumatische stressstoornis en depressieve episode”. De verzekeringsarts acht de claim van [eiseres sub 2] – kort gezegd: dat zij nog midden in een verwerkingsproces zit – plausibel en consistent en oordeelt dat zij daarom medisch gezien nog geen arbeid kan verrichten. In de functionele mogelijkhedenlijst bij dit onderzoeksverslag staat opgenomen dat [eiseres sub 2] op een aantal punten (sterk) beperkt is in onder meer haar persoonlijk en sociaal functioneren.

• Een brief van 25 mei 2010 van psychotherapeut de heer [X] aan de gemachtigde van [eisers] waarin hij meldt dat bij zowel mevrouw als bij meneer sprake is geweest van een intensieve behandeling en begeleiding door middel van medicatie, klachtgerichte behandeling, steunende en structurerende gesprekken. Hij meldt verder dat sprake is van een afname van klachten en een verbetering van het dagelijks functioneren, maar deze verbetering is volgens hem fragiel omdat voor beiden geldt dat alle klachten worden geactualiseerd en dat hun functioneren in rap tempo daalt zodra het om hun kinderen gaat. Daardoor is volgens hem ook sprake van een gecompliceerd en gestagneerd rouwproces. Bovendien, zo vermeldt psychotherapeut [X], is er nu ook sprake van extra angsten van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] met betrekking tot een mogelijke ontmoeting met de daders van de brandstichting na hun vrijlating, in verband waarmee zij serieus overwegen Nederland te verlaten en terug te keren naar Turkije. De heer [X] geeft aan te denken, conform de ziektebeleving en uiting hiervan bij de niet-westerlingen, dat dit beeld komende jaren niet veel zal veranderen.

• De brief van 24 november 2010 van de medisch adviseur van [eisers] [naam], waarin deze op basis van de medische gegevens concludeert dat gezien de duur en de ernst van de psychische klachten, en de beschrijving van een stagnerend rouwproces, geconcludeerd moet worden dat de depressie en de posttraumatische stressstoornis als chronisch aangemerkt moeten worden. Hij acht de prognose uiterst somber en meent dat [eiseres sub 2] alleen al op basis van de psychische problematiek blijvend niet meer inzetbaar zal zijn voor het arbeidsproces.

4.28. De rechtbank overweegt dat gedaagden [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] zich aanvankelijk terecht hebben beroepen op het ontbreken van een voldoende onderbouwing van de aanname dat sprake is van blijvende volledige arbeidsongeschiktheid van [eiseres sub 2]. [eisers] hebben echter alsnog de hierboven genoemde medische stukken overgelegd (producties 3 en 4 en nadien nog productie 7) waartegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] vervolgens geen (gemotiveerd) verweer hebben gevoerd. Ter zitting heeft [gedaagde sub 2] slechts aangevoerd dat het hem te ver gaat om op basis van de voorhanden informatie aan te nemen dat mevrouw de rest van haar leven arbeidsongeschikt zal zijn, zonder dit nader toe te lichten. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een antwoordakte te nemen en daarin te reageren op onder meer de brieven van medisch adviseur [naam]. Zij betwisten de inhoud van de medische brieven en verslagen niet en hebben ook geen eigen (medische) informatie in het geding gebracht op basis waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan de conclusies van de medisch adviseur van [eisers], [naam]. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de overgelegde medische informatie en acht het niet noodzakelijk om medische en/of arbeidskundige expertises te laten verrichten.

4.29. Op basis van de voorhanden gegevens acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat [eiseres sub 2] alleen al vanwege haar voetletsel niet meer kan terugkeren in haar oude werk, waarbij zij immers hele dagen moet staan. Ook andere werkzaamheden waarbij langdurig moet worden gestaan of gelopen zal zij vanwege dit voetletsel niet meer kunnen verrichten. Dit betekent dat het voor [eiseres sub 2] alleen al vanwege haar lichamelijke klachten moeilijk zal worden om werk te vinden omdat zij gezien haar opleidingsniveau en werkervaring is aangewezen op ongeschoolde (productie)arbeid waarbij in veel gevallen langdurig moet worden gestaan of gelopen.

4.30. Uit de voorhanden gegevens blijkt bovendien dat [eiseres sub 2] thans, ruim zes jaar na de brand, nog altijd ernstige psychische klachten heeft die het haar onmogelijk maken weer aan het werk te gaan en dat deze situatie voorlopig niet wezenlijk zal verbeteren. De rechtbank begrijpt dat de brandstichting en het daardoor veroorzaakte verlies van haar twee kinderen bij [eiseres sub 2] diepe sporen heeft nagelaten die haar leven blijvend zullen beïnvloeden. Medisch adviseur [naam] komt zelfs tot de conclusie dat [eiseres sub 2], nu 41 jaar oud, ook op langere termijn ernstige psychische klachten zal houden en alleen daarom al nooit meer zal kunnen werken. De rechtbank acht deze sombere en wel erg vergaande conclusie te mager onderbouwd om zonder meer van de juistheid daarvan uit te gaan, maar dit neemt niet weg dat uit de medische gegevens wel blijkt dat onzeker is of, en zo ja op welke termijn en in welke mate, de psychische klachten van [eiseres sub 2] in de toekomst zullen verminderen en of die vermindering op enig moment zodanig zal zijn dat zij weer zal kunnen werken. De rechtbank acht het redelijk deze onzekerheid in dit specifieke geval, waarin sprake is van een zo ernstige onrechtmatige daad, geheel voor rekening van gedaagden te laten.

4.31. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat als uitgangspunt moet worden genomen dat [eiseres sub 2] niet meer in staat zal zijn om te werken.

4.32. Gedaagde sub 2 heeft in zijn conclusie van antwoord aangevoerd dat de uitgangspunten die bij de berekening van het NRL zijn gehanteerd onvoldoende zijn onderbouwd. Zo mist hij bij de stukken inkomensgegevens van [eiseres sub 2], een kopie van haar arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring, pensioengegevens en gegevens over een eventuele ongevallenverzekering.

4.33. [eisers] hebben voor de zitting gegevens overgelegd over het werk en het inkomen van [eiseres sub 2] (productie 4). Zo heeft zij overgelegd de jaaropgaven over 2002 en 2003, haar arbeidsovereenkomst en diverse pensioengegevens. Bij het NRL-rapport (productie 5 bij dagvaarding) waren onder meer al CAO-gegevens, salarisoverzichten, algemene pensioengegevens en jaaropgaven over 2005 en 2006 overgelegd.

[gedaagde sub 2] heeft naar aanleiding van deze stukken geen nader verweer gevoerd. Hij heeft op deze stukken niet meer gereageerd en niet aangegeven dat en waarom het NRL van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan bij het berekenen van het verlies van verdienvermogen van [eiseres sub 2]. De rechtbank zal daarom van de juistheid van die berekening uitgaan.

4.34. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vordering van [eisers c.s.] ter zake van verlies van verdienvermogen van [eiseres sub 2] moet worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van EUR 131.094,-.

Factuur Nederlands Rekencentrum Letselschade

4.35. [eisers] vorderen vergoeding van de kosten voor de berekening van het verlies van verdienvermogen van [eiseres sub 2] door het NRL. Zij vorderen een bedrag van EUR 1.949,22. In dit verband hebben [eisers] voor de comparitie overgelegd een bericht waarin het NRL verklaart op 2 oktober 2008 van het Schadefonds Geweldsmisdrijven betaling te hebben ontvangen van haar factuur van 31 augustus 2008 ad EUR 1.508,92 (productie 5). Ter zitting hebben [eisers] aangevoerd dat bedoeld fonds weliswaar een uitkering heeft gedaan aan het NRL, maar dat daarmee niet het volledige bedrag van de factuur is betaald omdat het fonds altijd een staffel toepast. Bovendien, zo stellen [eisers], zullen zij het uitgekeerde bedrag aan het fonds moeten terugbetalen indien met succes schade wordt verhaald. [eisers] hebben verklaard de nota van het NRL te kunnen overleggen, maar hoewel op 15 februari 2011 nog een aantal producties door [eisers] in het geding is gebracht, is die nota daar niet bij opgenomen.

4.36. Gedaagde sub 1, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] hebben geen verweer gevoerd. Ten aanzien van hen kan de vordering ad EUR 1.949,22 worden toegewezen.

4.37. [gedaagde sub 3] heeft in de conclusie van antwoord het verweer gevoerd dat geen factuur is overgelegd en dat onduidelijk is of de kosten van het NRL door of via derden (rechtsbijstand) zijn betaald. Op productie 5 en het gestelde ter zitting heeft [gedaagde sub 3] niet meer gereageerd. De rechtbank overweegt dat met productie 5 vaststaat dat door het Schadefonds Geweldsmisdrijven een bedrag van EUR 1.508,92 is betaald aan het NRL. De rechtbank acht voorts aannemelijk de stelling van [eisers] dat zij gehouden zijn dit bedrag aan het fonds terug te betalen bij succesvol verhaal van schade. Dat de factuur van het NRL in totaal EUR 1.949,22 heeft bedragen staat evenwel niet vast, nu deze factuur door [eisers] niet is overgelegd en ook uit productie 5 niet blijkt dat het een deelbetaling betreft. Ten aanzien van [gedaagde sub 3] zal de vordering dan ook slechts worden toegewezen tot een bedrag EUR 1.508,92.

Kosten opvragen medische informatie

4.38. [eisers] vorderen vergoeding van de kosten die zij hebben moeten maken voor het opvragen van medische informatie. In de dagvaarding vorderen zij in dit verband een bedrag van EUR 56,60. Bij akte van 15 februari 2011 hebben [eisers] deze vordering verhoogd met een bedrag van EUR 202,30 in verband met het inwinnen van medisch advies over de situatie van [eiseres sub 2] (declaratie is overgelegd als bijlage 1 bij productie 7) en nog eens met een bedrag van EUR 221,64 in verband met het inwinnen van medisch advies over de situatie van [eiser sub 1] (declaratie is overgelegd als bijlage 3 bij productie 8). Nu op dit punt door geen van gedaagden verweer is gevoerd, zal deze vordering van in totaal EUR 480,54 jegens allen worden toegewezen.

Economische kwetsbaarheid [eiser sub 1]

4.39. [eisers] vorderen betaling door gedaagden van EUR 10.000,- wegens de economische kwetsbaarheid van [eiser sub 1] als gevolg van de brandstichting.

Ter onderbouwing van deze vordering voeren [eisers] aan dat [eiser sub 1] als gevolg van de brandstichting fysiek en psychisch letsel heeft opgelopen waardoor hij een kwetsbaarder positie is gaan innemen op de arbeidsmarkt. Ten tijde van de brandstichting in 2004 ontving [eiser sub 1] een WAO-uitkering. Vanaf 2008 werkt hij gedurende enkele uren per week in een Italiaans restaurant van bekenden van hem. Het is daarom volgens [eisers] reëel om aan te nemen dat [eiser sub 1] al eerder weer was gaan werken als de brandstichting niet had plaatsgevonden. Aan de hand van criteria die zijn aanbevolen door het NPP zijn [eisers] gekomen op een schadebedrag van EUR 10.000,-.

4.40. De door [eisers] overgelegde producties 3 en 8 bevatten gegevens over de medische situatie van [eiser sub 1]:

• Klinisch psycholoog de heer [naam] vermeldt in zijn brief van 12 mei 2006, gericht aan het UWV, dat bij [eiser sub 1] volgens de DSM-IV classificatie sprake is van een ernstige posttraumatische stressstoornis en een ernstige depressieve stoornis. Ook maakt hij melding van somatische pijnklachten, zonder die nader aan te duiden. Hij meldt dat [eiser sub 1] medicatie gebruikt voor zijn psychiatrische aandoening en dat de prognose, net als voor zijn echtgenote, dubieus en somber van aard is, dat de verwachting voor een daadwerkelijke verbetering vrij gering is, maar dat de behandeling moet worden gecontinueerd om het wankele evenwicht te bewaken en uit preventief oogpunt.

• Psychotherapeut de heer [X] meldt in een brief van 25 mei 2010 aan de gemachtigde van [eisers] dat bij zowel mevrouw als bij [meneer] sprake is geweest van een intensieve behandeling en begeleiding door middel van medicatie, klachtgerichte behandeling, steunende en structurerende gesprekken. Hij meldt verder dat sprake is van een afname van klachten en een verbetering van het dagelijks functioneren, maar deze verbetering is volgens hem fragiel omdat voor beiden geldt dat alle klachten worden geactualiseerd en dat hun functioneren in rap tempo daalt zodra het om hun kinderen gaat. Daardoor is volgens hem ook sprake van een gecompliceerd en gestagneerd rouwproces. Bovendien, zo vermeldt psychotherapeut [X], is er nu ook sprake van extra angsten van eisers met betrekking tot een mogelijke ontmoeting met de daders van de brandstichting na hun vrijlating, in verband waarmee zij serieus overwegen Nederland te verlaten en terug te keren naar Turkije. De heer [X] geeft aan te denken, conform de ziektebeleving en uiting hiervan bij de niet-westerlingen, dat dit beeld komende jaren niet veel zal veranderen.

• Uit gegevens van het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven blijkt dat bij [eiser sub 1] sprake was van tweedegraads brandwonden aan beide handen en ellebogen, en aan een van de schouders, waarvoor hij werd behandeld door een plastisch chirurg, en van een fractuur in de linkervoet.

• In zijn advies 18 november 2010 stelt verzekeringsarts [naam], medisch adviseur van [eisers], dat de als posttraumatische stressstoornis te duiden klachten van [eiser sub 1] logischerwijs voortvloeien uit de verschrikkelijke gebeurtenis die hij heeft meegemaakt. De nauwelijks mogelijke verwerking van het gebeurde en het verlies van zijn zoons vormen volgens hem een logische verklaring voor het ernstig depressief beeld dat [eiser sub 1] vertoont. [naam] wijst op de gebrekkige documentatie van het ziekteproces en hem is niet duidelijk waaruit de somatische klachten bestaan. Ten aanzien van de psychische klachten vreest hij dat [eiser sub 1] niet meer volledig zal herstellen, aangezien na zes jaar nog altijd sprake is van relatief uitgesproken klachten.

4.41. De rechtbank stelt vast dat deze producties 3 en 8 zich nog niet bij de dagvaarding bevonden en dat gedaagden in hun conclusies van antwoord dan ook terecht als verweer hebben aangevoerd dat deze vordering door [eisers ] onvoldoende is onderbouwd. Inmiddels is meer bekend over de medische situatie van [eiser sub 1] sinds de brand. [eiser sub 1] heeft zeer ernstige psychische klachten en mogelijk ook nog altijd somatische pijnklachten als gevolg van de brandstichting. Gedaagden [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] betwisten evenwel dat de brand de oorzaak is dat [eiser sub 1] niet meer kan werken. Ten tijde van de brand was [eiser sub 1] immers al arbeidsongeschikt en ontving hij een WAO-uitkering. Specifieke gegevens over de aard en de duur van de arbeidsongeschiktheid van [eiser sub 1] van vóór de brand zijn door [eisers] niet in het geding gebracht, maar in het rapport van 23 augustus 2004 van klinisch psycholoog-psychotherapeut mevrouw [naam] valt wel te lezen dat [eiser sub 1] lange tijd in de horeca werkte en is uitgevallen met depressieve klachten en spanningsklachten en dat hij sinds acht jaar een WAO-uitkering ontvangt. De rechtbank ziet hierin geen reden om te concluderen dat [eiser sub 1] al vóór de brand volledig en blijvend arbeidsongeschikt was en geen enkele kans meer had om ooit nog aan het werk te gaan. [eiser sub 1) was ten tijde van de brand pas 36 jaar oud en is in 2008 – zij het voor slechts enkele uren per week – weer gaan werken in een restaurant. Dit werk kan hij doen terwijl zonder meer aannemelijk is dat zijn gezondheidssituatie sinds de brand aanzienlijk is verslechterd. De rechtbank kan [eisers] volgen in hun stelling dat dit een aanwijzing vormt dat [eiser sub 1] zonder de brand mogelijk al eerder en meer uren had kunnen gaan werken. Vaststaat in elk geval dat de kansen die [eiser sub 1] had om weer terug te keren op de arbeidsmarkt door de ingrijpende gevolgen van de brandstichting zijn verminderd. Het door [eisers] gevorderde bedrag van EUR 10.000,- acht de rechtbank hiervoor een redelijke vergoeding. De vordering zal op dit onderdeel worden toegewezen.

Eigen bijdragen toevoegingen

4.42. [eisers] vorderen vergoeding van de eigen bijdrage die aan hen is opgelegd door de Raad voor Rechtsbijstand bij verlening van de toevoeging voor het strafproces waarin [eisers] zich als benadeelde partij hebben gevoegd. Deze vordering bedraagt EUR 1.153,50. Als productie 6 hebben [eisers] de betreffende toevoegingen overgelegd waaruit blijkt dat eigen bijdragen zijn opgelegd van EUR 769,- voor [eiser sub 1] en EUR 384,50 voor [eiseres sub 2]. In totaal derhalve het gevorderde bedrag van EUR 1.153,50. Deze vordering, waartegen geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen.

Smartengeld

4.43. Vaststaat dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eisers] door brand te stichten in de woning van [eisers] terwijl [eisers] en hun twee kinderen in de woning sliepen. Gedaagden zijn daarom ingevolge artikel 6:162 BW gehouden alle schade die [eisers] hierdoor lijden te vergoeden.

4.44. Ingevolge de artikelen 6:95 en 6:106 BW komt aan een benadeelde niet alleen vergoeding van de vermogensschade toe, maar heeft deze in bepaalde gevallen ook recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor al het ‘ander nadeel’ (immateriële schade of leed) dat hem is toegebracht. Voor een vergoeding van ‘ander nadeel’ is onder meer plaats indien de aansprakelijke persoon (of personen) het oogmerk had (hadden) om zodanig nadeel toe te brengen en/of indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

4.45. [eisers] vorderen vergoeding van de immateriële schade die zij als gevolg van de brandstichting hebben geleden, tot een totaalbedrag van EUR 253.600,-, waarvan EUR 146.800,- voor [eiseres sub 2] en EUR 106.800,- voor [eiser sub 1].

Zij beroepen zich in de dagvaarding op de immateriële schade als gevolg van het eigen letsel, op het gederfd woongenot en op de immateriële schade met betrekking tot het overlijden van hun twee kinderen.

Daarbij beroepen zij zich enerzijds op het bepaalde in art. 6:106 lid 1 sub b BW en in samenhang daarmee op de figuur van de shockschade. Gelet op de gebruikte bewoordingen (“rechtstreeks hebben willen treffen”) en de verwijzing naar de Smartengeldbundel 2006 nummer 298 beroepen zij zich anderzijds op het bepaalde in art. 6:106 lid 1 sub a BW. Uit hetgeen uit de stukken en ter comparitie naar voren is gekomen is [eisers] aanzienlijk leed aangedaan en gaat het hen om vergoeding van dat leed. De rechtbank constateert dat onderscheid tussen de verschillende soorten immaterieel nadeel in een geval als dit nauwelijks is te maken. Het is gekunsteld. Alle elementen van de schade, zoals hierna zullen worden beschreven, grijpen immers in elkaar en vormen een onlosmakelijk geheel. Er is in dit geval ook geen aanleiding te onderscheiden in “eigen schade” en “shockschade”. Het gaat hier immers om schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad die het hele gezin [eisers] rechtstreeks trof en niet om nadeel dat voortvloeit uit een afgeleide onrechtmatige daad (hetgeen aan de orde zou zijn geweest in het geval dat de onrechtmatige daad (primair) de kinderen had getroffen en [eisers] daarvan “slechts’ toeschouwers zouden zijn geweest.) Voor zover al van shockschade zou kunnen worden gesproken, gaat dat op in het geheel van de geestelijke schade.

4.46. De rechtbank zal eerst beoordelen of gedaagden het oogmerk hadden om aan [eisers] immateriële schade toe te brengen (artikel 6:106 lid 1 sub a BW) en overweegt daartoe als volgt.

4.47. Over de beweegredenen van gedaagden om brand te stichten kan uit de verklaringen van gedaagden zoals die door de politie zijn vastgelegd, het volgende worden afgeleid:

[gedaagde sub 4] (pagina 68 politiedossier):

“Hij (rechtbank: [gedaagde sub 3]) wilde dat [[gedaagde sub 1] (rechtbank: [gedaagde sub 1]) de woning en de auto van het Turks gezin (rechtbank: familie [eisers]) woonachtig aan de [adres], in brand stak. [gedaagde sub 3] zei letterlijk: “Het liefst met doden”. [gedaagde sub 3] legde uit wat zijn redenen waarom hij de woning en auto in brand wilde laten steken. Hij had namelijk die middag, op zaterdag [datum] 2004, zijn Turkse buurman gezien. De Turkse buurman (rechtbank: [eiser sub 1]) had toen gevraagd hoe het met [gedaagde sub 3] ging. [gedaagde sub 3] vond dat de buurman dit op een sarcastische manier aan hem vroeg. Daarnaast had het Turkse gezin 10 jaar lang de vader van [gedaagde sub 3] geterroriseerd door te klagen als zijn vader het gerecht Rotti maakte. Ook maakte de kinderen altijd herrie als zij op straat aan het spelen waren. [gedaagde sub 1] vond het te link om de auto en de woning allebei in brand te steken. [gedaagde sub 1] wilde eerst de woning in brand steken. [gedaagde sub 3] vond dit goed en benadrukte dat het dan wel goed moest gebeuren.”

[gedaagde sub 2] (pagina 69/70 politiedossier):

“[gedaagde sub 1] raakte in gesprek met [gedaagde sub 3]. Tijdens dit gesprek vroeg [gedaagde sub 3] aan [gedaagde sub 1] om de woning [adres] in brand te steken. In deze woning woonde een Turks gezin, twee volwassenen en twee kinderen. [gedaagde sub 3] had een hekel aan dit gezin, omdat die Turken vroeger zijn vader hadden gepest. [gedaagde sub 3] vertelde dat ze thuis waren, omdat hun auto voor de woning stond. Het gezin lag nu te slapen, omdat het donker was in de woning. [gedaagde sub 3] deelde mee dat het goed moest gebeuren, de brandstichting.”

[gedaagde sub 1] (pagina 71 politiedossier):

“[gedaagde sub 3] (rechtbank: [gedaagde sub 3]) wilde namelijk ‘wraak’ nemen en ‘de schrik op het lijf jagen’ op de buurman, [adres], in verband met een ruzie die zijn vader vroeger met de buurman zou hebben gehad. (…) [gedaagde sub 1] kan zich nog herinneren dat [gedaagde sub 3] de woorden heeft gebruik ‘goed bang maken’.

4.48. De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van bovenstaande verklaringen blijkt dat gedaagden het oogmerk hadden om [eisers] leed toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub a BW. De bedoeling van de brandstichting was immers, zo blijkt uit deze verklaringen, om [eisers] met de ernstige, juist ook immateriële, gevolgen daarvan te treffen door “wraak” op hen te nemen, hen “de schrik op het lijf te jagen”, “het liefst met doden”. Welke vorm dat immateriële nadeel precies zou hebben voor de verschillende leden van het gezin [eisers] en welke omvang dat immateriële nadeel zou nemen, hebben gedaagden wellicht niet in detail kunnen bevroeden. De gevolgen hadden ook anders kunnen uitpakken. Zo hadden de ouders kunnen sterven en de kinderen overleven. Waar het om gaat is dat het doel van gedaagden was het toebrengen van ernstig immaterieel nadeel. Nu hun oogmerk daarop was gericht, dient al het immateriële nadeel dat daaruit daadwerkelijk voortvloeit (en dat hierna besproken zal worden) aan gedaagden toegerekend te worden, welke vorm dat ook heeft en welke omvang dat ook heeft aangenomen.

[gedaagde sub 2] heeft nog aangevoerd dat hij [eisers] niet rechtstreeks wilde treffen. De rechtbank verwerpt dat verweer. De wens het gezin te treffen ontstond bij [gedaagde sub 3], maar de overige gedaagden, ook [gedaagde sub 2], wisten dat dit het doel was van de brandstichting toen zij besloten mee te doen en hebben die wens de hunne gemaakt.

4.49. De rechtbank is voorts van oordeel dat vaststaat dat [eisers] door de brandstichting niet alleen ernstig lichamelijk letsel hebben opgelopen, maar ook op andere wijze in hun persoon zijn aangetast (artikel 6:106 lid 1 sub b BW). Hen is immers ernstig geestelijk letsel toegebracht doordat zij samen met hun kinderen in een levensbedreigende situatie zijn gebracht, zij hun kinderen niet hebben kunnen redden, zij hun kinderen en hun gezinsleven zijn kwijtgeraakt en ook hun huis, hun persoonlijke bezittingen en hun gevoel van veiligheid. Dit laatste met name omdat dit alles hen om onbegrijpelijke redenen is aangedaan door hun buren.

4.50. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door [eisers] als gevolg van de brand geleden immateriële schade volledig voor vergoeding in aanmerking komt, zowel op grond van art. 6:106 lid 1 sub a BW als onder art. 6:106 lid 1 sub b BW.

4.51. Bij de begroting van deze immateriële schade moet de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de aard van het letsel en de duur en intensiteit van de gederfde levensvreugde. In het onderhavige geval acht de rechtbank al het volgende van belang.

4.51.1. Voor wat betreft de aard van de aansprakelijkheid acht de rechtbank van belang dat hier sprake is geweest van een opzettelijk begaan delict waarbij voorzienbaar was dat dit kon leiden tot ernstige gevolgen, niet alleen voor de bezittingen van [eisers] die verloren konden gaan, maar ook voor het leven, de gezondheid en het welzijn van alle gezinsleden [eisers]. Zoals het Hof ’s Hertogenbosch heeft vastgesteld in de strafrechtelijke procedure, wisten de gedaagden alle vier dat het doel van de brandstichting was om het gezin [eisers] ‘iets aan te doen’. Zij wisten dat het gezin thuis was en dat de ouders en de twee kinderen lagen te slapen.

4.51.2. De brandstichting via de brievenbus heeft geleid tot een felle uitslaande brand waarbij de gang, de trapopgang, de eerste etage en de zolderverdieping van de woning volledig zijn uitgebrand. [eisers] werden door de brand verrast in hun slaap. Mevrouw [eisers] is uit angst voor haar leven uit het slaapkamerraam op de eerste verdieping gesprongen. [eiser sub 1 heeft nog geprobeerd de deur van de ouderslaapkamer open te krijgen om bij zijn zoons te komen, maar hij kreeg die deur niet open omdat door de felle brand een vacuüm was ontstaan. Toen de vlammen naar binnen sloegen en het onmogelijk werd om te ademen in de slaapkamer, moest ook hij noodgedwongen uit het raam springen. [eisers] hebben dus uit doodsangst moeten springen terwijl zij wisten dat zij hun kinderen in het brandende huis achterlieten. Ernstig gewond en in afwachting van de ambulance zijn zij in alle consternatie geïnformeerd over het droevige lot van hun kinderen.

4.51.3. Door de sprong hebben [eisers] ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Bij [eiseres sub 2] was sprake van een bekkenfractuur en een hielfractuur in verband waarmee zij in totaal zo’n 20 dagen opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Daarna is zij nog enige tijd gebonden geweest aan bed en rolstoel. Aangenomen moet worden dat [eiseres sub 2] altijd last zal blijven houden van haar voet waardoor zij niet lang kan staan en lopen, en dat zij blijvend is aangewezen op orthopedisch schoeisel. Door dit voetletsel kan zij haar eigen werk als productiemedewerkster en ook veel ander werk niet meer doen.

[eiser sub 1] heeft door de sprong uit de woning een fractuur opgelopen in zijn linkervoet, die door gebruik van een loopschoen is genezen. Ook heeft hij tweedegraads brandwonden opgelopen aan handen, ellebogen en een schouder. Net als [eiseres sub 2] heeft hij bijna drie weken in het ziekenhuis gelegen. Hij is behandeld door een plastisch chirurg. Aan de brandwonden heeft hij blijvende littekens overgehouden.

4.51.4. Door de opname in het ziekenhuis hebben [eisers] een groot deel van de plechtigheden rondom het afscheid van hun kinderen in Nederland niet kunnen bijwonen. Mevrouw [eiseres sub 2] heeft door de ernst van haar letsel ook niet aanwezig kunnen zijn bij de begrafenis van haar kinderen in Turkije. Zij heeft van haar kinderen afscheid moeten nemen tijdens het vervoer van de kinderen langs de woning van familieleden waar zij op dat moment verbleef.

4.51.5. Door de brand zijn [eisers] al hun persoonlijke bezittingen kwijtgeraakt, waaronder de spullen van hun twee overleden kinderen. Ook zijn zij hun woning kwijtgeraakt waar zij al dertig jaar woonden in de nabijheid van veel familieleden. Na ontslag uit het ziekenhuis hebben zij, in afwachting van een nieuwe woning, vier maanden bij familie moeten verblijven in een woning die daar niet geschikt voor was. Zij liepen aan tegen allerhande zakelijke en financiële problemen en kregen niet de rust, privacy en stabiliteit die nodig was om te kunnen beginnen aan rouwverwerking. In medische rapportages wordt dit genoemd als een reden waarom het rouwproces bij [eisers] is gestoord en nog altijd moeizaam verloopt.

De rechtbank ziet in de stellingen en in de stukken geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat dit verblijf bij familie mogelijk een vrije keuze was van [eisers] in die zin dat zij een aanbod van een geschikte nieuwe woning zouden hebben geweigerd, zoals [gedaagde sub 1] aanvoert, maar niet nader onderbouwt. De rechtbank verwerpt ook het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat een en ander niet in causaal verband zou staan met de brandstichting. De rechtbank acht het een onvermijdelijk althans voorzienbaar en oorzakelijk gevolg van de brandstichting dat [eisers] hun huis en hun spullen volledig en definitief zijn kwijtgeraakt en onder moeilijke omstandigheden tijdelijk bij familie hebben moeten inwonen.

4.51.6. [eisers] waren zeer geschokt toen zij hoorden dat de brand het gevolg was van brandstichting door gedaagden, omdat naar hun idee sprake was van een vriendschappelijke burenrelatie en [eiser sub 1] daags voor de brand nog met hen gesproken had. Zij begrijpen niet wat de reden van deze daad is geweest en ervaren niet langer een gevoel van veiligheid. Zij hebben sinds het gebeurde last van diverse angsten, meer recentelijk ook in verband met een mogelijke ontmoeting met gedaagden na hun vrijlating.

4.51.7. [eisers] ondervinden allebei als gevolg van de brandstichting ernstige psychische klachten. Er is bij beiden sprake van een ernstige posttraumatische stressstoornis, een ernstige depressieve stoornis en somatische klachten (zie hiervoor onder 4.26, 4.27 en 4.40). Ondanks intensieve behandeling en begeleiding zijn de klachten nog altijd actueel en zijn de vooruitzichten somber. Onzeker is of die klachten ooit zullen verdwijnen. Het is daarmee ook onzeker of [eisers] nog zullen kunnen werken.

4.51.8. Hoewel zij veel steun hebben aan de familieleden in Nederland, met wie zij een hechte band hebben, zijn [eisers] voornemens om alles achter te laten en met hun zoontje van 3,5 jaar oud terug te keren naar Turkije, omdat hun leven in Nederland verwoest is.

4.52. Bij de begroting van de immateriële schade dient de rechtbank rekening te houden met bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Omdat hier sprake is van een uitzonderlijk ernstig geval is van vergelijkbare gevallen nauwelijks sprake. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name gelet op de ernst en levenslange duur van het aangedane leed, begroot de rechtbank de totale immateriële schade op een bedrag van EUR 120.000,- voor [eiseres sub 2] en op een bedrag van EUR 100.000,- voor [eiser sub 1], in totaal derhalve op EUR 220.000,-.

4.53. Het verweer van [gedaagde sub 1], dat moet worden aangesloten bij casusnummers 1260 en 1261 van de Smartengeldbundel 2006, waarbij veel lagere bedragen zijn toegekend, gaat niet op, alleen al omdat in die zaken sprake was van toekenning van een voorschot in de strafzaak. Ook in onderhavige zaak heeft het Hof ’s Hertogenbosch in de strafzaak voorschotten toegekend voor de geleden immateriële schade (EUR 23.500,- voor [eiseres sub 2] en EUR 21.500,- voor [eiser sub 1]). Dit staat er niet aan in de weg dat de rechter in de civiele procedure de totale immateriële schade op een hoger bedrag begroot. Wel dienen de reeds door de strafrechter toegewezen bedragen in mindering te worden gebracht op de totale schade. In dit geval zijn daarom bedragen toewijsbaar van EUR 96.500,- aan [eiseres sub 2] en EUR 78.500,- aan [eiser sub 1].

Resumerend

De rechtbank komt samengevat tot de volgende conclusies.

4.54. De gevorderde verklaring voor recht dat gedaagden alle vier aansprakelijk zijn voor de schade van [eisers] zal worden toegewezen.

4.55. De volgende schadeposten zijn tot genoemde bedragen toewijsbaar:

ziekenhuis daggeldvergoeding EUR 897,00

medische kosten EUR 3.080,00

inboedelschade EUR 12.500,00

verlies verdienvermogen [eiseres sub 2] EUR 131.094,00

factuur NRL EUR 1.949,22 ([gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4])

factuur NRL EUR 1.508,92 ([gedaagde sub 3])

kosten opvragen medische informatie EUR 480,54

economische kwetsbaarheid [eiser sub 1] EUR 10.000,00

eigen bijdragen toevoegingen EUR 1.153,50

smartengeld [eiseres sub 2] EUR 96.500,00

smartengeld [eiser sub 1] EUR 78.500,00

4.56. Gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor een totaalbedrag van EUR 335.713,96. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] zijn daarnaast hoofdelijk aansprakelijk voor een totaalbedrag van EUR 440,30.

Matiging

4.57. Gedaagde sub 4] verzoekt matiging van haar schadevergoedingsverplichting omdat zij gedurende haar detentieperiode, die effectief tien jaar zal duren, geen inkomen heeft en na haar detentieperiode geen vooruitzicht heeft op betaald werk wegens het hebben van een strafblad en haar beperkte opleiding.

4.58. Ingevolge artikel 6:109 lid 1 BW kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding gebruik te maken van deze discretionaire matigingsbevoegdheid. De rechtbank acht hierbij van belang de aard van de schade en de ernst van de geschonden norm waarbij sprake is geweest van opzettelijk handelen door [gedaagde sub 4].

Buitengerechtelijke kosten

4.59. [eisers] vorderen een vergoeding van EUR 12.289,20 voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Zij leggen daartoe over een urenspecificatie van hun raadsvrouw mr. Hulstein. Ter zitting heeft mr. David toegelicht dat aan de zaak veel tijd is besteed door de moeizame communicatie en de ingrijpende emotionele aspecten. Ook het feit dat sprake is van vier gedaagden was een complicerende factor, aldus mr. David.

4.60. De rechtbank is van oordeel dat uit de urenspecificatie en de gegeven toelichting niet blijkt dat sprake is geweest van werkzaamheden die als buitengerechtelijke werkzaamheden moeten worden aangemerkt. De specificatie geeft de indruk dat de uren betrekking hebben op de voorbereiding van de procedure en de instructie van de zaak. Voor deze verrichtingen pleegt de proceskostenveroordeling een vergoeding in te sluiten. Dat die verrichtingen in dit geval wellicht meer tijd hebben gevergd, maakt niet dat ze als buitengerechtelijke kosten kunnen worden aangemerkt. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.

Wettelijke rente

4.61. [eisers] vorderen wettelijke rente over de aan hen toe te kennen schadevergoeding met ingang van [datum]. Door gedaagden is hiertegen geen verweer gevoerd. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.

Proceskosten

4.62. Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eisers] op:

- dagvaarding EUR 85,98

- overige explootkosten 0,00

- betaald griffierecht 119,00

- in debet gesteld griffierecht 4.819,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 6.450,00 (2,5 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 11.473,98

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.63. [gedaagde sub 2] stelt verweer te voeren tegen een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar voert hier geen grond voor aan. Dit verweer zal daarom als niet gemotiveerd worden verworpen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door [eisers] geleden en te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van de brandstichting op [datum];

5.2. veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van EUR 335.713,96 (driehonderdvijfendertigduizend zevenhonderddertien euro en zesennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf [datum] tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van EUR 440,30 (vierhonderdveertig euro en dertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf [datum] tot de dag van volledige betaling;

5.4. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot

op heden begroot op EUR 11.473,98, waarvan EUR 4.819,00 aan in debet gesteld vastrecht moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.572 ten name van Arrondissement 536 's-Hertogenbosch onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam, mr. J. van der Weij en mr I.L.P. Crombeen en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2011.