Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BR2568

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
01/825695-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Tussentijdse toets ISD-maatregel niet binnen de eerder door de rechtbank bepaalde termijn van 9 maanden plaatsgevonden.

Uit het verhandelde ter zitting en de stukken in het dossier is niet aannemelijk geworden dat betrokkene door het enkele verstrijken van de termijn in zijn belangen is geschaad. De rechtbank verbindt aan overtreding van de termijn geen gevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825695-09

Beslissing tussentijdse beoordeling plaatsing inrichting stelselmatige daders

Beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch, openbare raadkamer belast met de behandeling van strafzaken, naar aanleiding van een tussentijdse beoordeling van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (38s Sr.) inzake:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende te: [P.I.].

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van bovengenoemde rechtbank van 23 maart 2010 is veroordeelde de maatregel opgelegd van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar, met de bepaling dat de officier van justitie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van genoemd vonnis de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

* het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 23 maart 2010;

* een evaluatierapportage ISD van [rapporteur] d.d. 27 juni 2011.

De rechtbank heeft op 11 juli 2011 de officier van justitie, de veroordeelde en diens

raadsman mr. L.S.T.H. Ruijters, alsmede de getuige-deskundige [getuige-deskundige] in openbare raadkamer gehoord.

De beoordeling.

Uit voornoemde evaluatierapportage ISD-maatregel, blijkt onder meer het volgende:

De ISD-maatregel loopt vanaf 07 april 2010 tot 06 april 2012. In 2005 kreeg betrokkene ook een ISD-maatregel opgelegd, welke hij in een sober regime heeft uitgezeten in de gevangenis, omdat hij niet wilde meewerken. Indien betrokkene niet gaat werken aan zijn tekortkomingen, zal de kans op recidive hoog blijven. Hulpverlening gericht op het terugdringen van zijn druggebruik, zijn copingvaardigheden en de aanpak van psychische klachten is hier essentieel in. Daar betrokkene momenteel initiatiefrijk is en een gemotiveerde houding aanneemt ten opzichte van verandering, achten wij de kans laaggemiddeld dat hij zich zal onttrekken aan de voorwaarden. Ingeschat wordt dat er geen risico is op letselschade. Betrokkene maakt zich voornamelijk schuldig aan vermogensdelicten. Hij heeft echter wel moeite met zijn frustratietolerantie, waardoor dit risico licht verhoogd kan worden.

Tijdens zijn verblijf in de PI is er een psychologisch rapport uitgebracht door de trajectpsycholoog van Novadic-Kentron. Betrokkene hanteert somatisatie als vorm van coping, maar hij is wel wat kwetsbaar in zijn persoonlijkheidsstructuur, waardoor dit waarschijnlijk niet voldoende is. In geval van (aanhoudende) stress bestaat de kans dat hij niet meer weet hoe hij spanningen af moet laten vloeien en dan reageert hij vanuit frustratie. Hij heeft een gebrekkige impulscontrole en leeft volgens het lustprincipe. Dit resulteert in antisociale trekken. Gezien de verzamelde informatie is het advies om betrokkene klinisch te behandelen in een kliniek voor verslavingszorg.

Op 26 augustus 2010 is een reïntegratieplan opgesteld. De volgende interventies en/of behandelingen zijn geïndiceerd: opname in een kliniek van Novadic-Kentron, woonbegeleiding, cognitieve vaardigheidstraining, schoolloopbaanbegeleiding, MMD en leefstijltraining.

Betrokkene heeft zich in april 2011 onttrokken aan het toezicht van de verslavingskliniek van Novadic-Kentron te Vught. Hij is daarna opgepakt en weer op de ISD-unit geplaatst. Hierna is er contact geweest met de behandelaar van de kliniek. Zij zien geen meerwaarde in een opname, maar zij adviseren hem zijn behandelingen te laten afmaken. Er is afgesproken met de behandelaar dat betrokkene in een soort tussenfase zijn behandelingen voortzet. Eind juli 2011 zal betrokkene hiermee starten. Hij zal zelfstandig twee keer per week naar Novadic-Kentron in Vught gaan voor het volgen van de sociale vaardigheidstraining en de terugvalpreventietraining. Na ongeveer zes weken wordt dit geëvalueerd en als alles goed gaat komt hij in aanmerking voor de woontraining van Novadic-Kentron in Eindhoven, waar hij zich na zijn detentie wil gaan vestigen. De PI Vught adviseert het voortzetten van de ISD-maatregel. De directeur van JI Vught heeft kennisgenomen van de inhoud van de rapportage en is akkoord met de inhoud van de rapportage en advisering over de voortzetting van de maatregel.

De veroordeelde heeft verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

Ik heb mijn best gedaan en aan alles deelgenomen. Ik heb me aan de afspraken gehouden. De PI houdt zich niet aan de afspraken. Mijn trajectbegeleider komt soms wel en soms niet. Ik ben vijf weken bezig geweest om mijn vb-er aan de telefoon te krijgen. Dat is niet gelukt. Vanaf 27 juli 2011 is het de bedoeling dat ik zes weken op de fiets naar de kliniek ga. Ik heb met mijn vb-er en mijn trajectbegeleider afgesproken dat ik na de eerste zes weken terug naar de kliniek zou gaan, indien mijn urinecontroles negatief zouden zijn. Uit andere bronnen hoor ik dat de opname in de kliniek niet doorgaat. Ik heb er geen vertrouwen in dat de PI het plan dat in de rapportage staat beschreven daadwerkelijk zal uitvoeren.

Mijn ongeoorloofde afwezigheid had te maken met het feit dat mijn oma op sterven lag en ik bij haar wilde zijn. Ik heb geen drugs gebruikt en ik heb het netjes gemeld via de telefoon. Daarna was ik van plan om mezelf te melden. Ik vind dat gelet op mijn verleden heel netjes.

De getuige-deskundige [getuige-deskundige] heeft gepersisteerd bij voornoemd advies en heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

We willen dat hij gedurende zes weken vanuit de PI een terugvalpreventietraining en een sociale vaardigheidstraining volgt bij Novadic-Kentron. Daarna willen we hem doorgeleiden naar groepsbegeleid wonen in Eindhoven. Dan gaat hij extramuraal. Als dat goed gaat, dan kan hij daar de rest van zijn ISD-tijd doorbrengen. Hij gaat daarheen zodra er plaats is. Ik heb geen bericht dat er een wachttijd is. Het beste zou zijn als hij na de eerste zes weken direct daar terecht zou kunnen. Ik begrijp zijn ongeduld. Anderzijds heeft hij zich in april wel onttrokken aan het toezicht. Daar tillen we zwaar aan. Gelet daarop vind ik dat we al heel snel weer in het traject zitten. Normaal is het zo dat je na een onttrekking vier tot zes maanden niet in aanmerking komt voor vrijheden. Betrokkene wordt in die zin beloond voor zijn gedrag rondom de onttrekking. Overigens heeft de PI Vught ook veel moeite om de vb-er te spreken te krijgen.

De officier van justitie heeft het navolgende aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Ondanks de onttrekking is de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel tot op heden positief verlopen. Zo positief, dat men het ziet zitten om hem verder te behandelen voor zijn verslavingsproblematiek. Dit is belangrijk, want juist zijn verslaving bracht hem in het verleden vaak in de problemen. Ik ben van mening dat de maatregel dient te worden voortgezet, met name om de behandeling te laten plaatsvinden. Daarna zou het goed zijn als aansluitend een plek om te wonen kan worden geregeld.

Door de raadsman is aangevoerd dat het openbaar ministerie deze zaak te laat heeft ingepland. Dat is juist. De vraag is of de belangen van betrokkene hierdoor zijn geschaad. Ik meen van niet. Op 08 april 2011 is betrokkene teruggebracht naar de PI na een ontsnapping. De inrichting had tot op dat moment voldoende gedaan. Hij was geplaatst voor behandeling. Het hele plan van aanpak stond in de steigers. Ik ken het aangehaalde arrest niet van voor tot achter, maar ik sluit niet uit dat de maatregel is beëindigd omdat er geen behandelplan lag. Wat mij betreft zijn de casussen te verschillend. Ik verzet me tegen voortijdige beëindiging. Ik constateer een hoog recidiverisico en op het gebied van de drugsverslaving is er nog te weinig gebeurd. De kans op een terugval is groot.

De raadsman heeft het navolgende aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

De ISD-maatregel is aangevangen in april 2010. De rechtbank heeft in haar vonnis bepaald dat de eerste toetsing na negen maanden zou moeten plaatsvinden, te weten in januari 2011.

Het is inmiddels juli 2011, vijftien maanden na het ingaan van de ISD-maatregel. De wet noemt geen sanctie op overschrijding van de termijn. Er bestaat een uitspraak van het gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 13 oktober 2006, LJN AZ0078, waarbij het gerechtshof in een soortgelijke casus, waarin overigens anders dan hier tevens het behandelplan ontbrak, heeft beslist dat de ISD-maatregel niet verder werd tenuitvoergelegd. Het zou zinloos zijn om een termijn voor toetsing te bepalen, indien er op overschrijding van deze termijn geen sanctie zou bestaan. Mijn cliënt is in zijn belangen geschaad. Ik heb dit met mijn cliënt besproken en hij heeft er vertrouwen in dat hij bij directe beëindiging van de ISD-maatregel niet zal terugvallen. Ik verzoek de rechtbank de ISD-maatregel niet verder ten uitvoer te leggen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door de raadsman is bepleit dat de ISD-maatregel beëindigd dient te worden omdat de eerste tussentijdse toets niet na negen maanden is, maar pas na 15 maanden.

De rechtbank stelt vast dat in het vonnis d.d. 23 maart 2010 is bepaald dat uiterlijk negen maanden na aanvang van de maatregel de eerste tussentijdse toets moet plaatsvinden. Deze termijn is op de datum van de behandeling van de tussentijdse toets ter zitting met zes maanden overschreden.

In artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr.) is, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat de rechter bij het opleggen van de ISD-maatregel kan beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en dat daarbij een termijn wordt bepaald waarbinnen het openbaar ministerie de rechter bericht geeft.

De wet verbindt aan overtreding van deze termijn geen sanctie.

In het tweede lid van artikel 38s Sr. wordt bepaald dat indien er niet is beslist tot een tussentijdse beoordeling, of deze termijn langer is dan een jaar, dat dan een verzoek tot tussentijdse beoordeling kan worden gedaan zes maanden na onherroepelijk worden van de maatregel.

De rechtbank betreurt het dat de in het vonnis opgenomen termijn niet in acht is genomen door het openbaar ministerie. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat de verdediging na het verstrijken van deze termijn zich niet heeft gewend tot de voorzitter, met het verzoek de voortgang van de ISD-maatregel ter zitting te willen behandelen. Uit het verhandelde ter zitting en de stukken in het dossier is niet aannemelijk geworden dat betrokkene door het enkele verstrijken van de termijn in zijn belangen is geschaad. Aanvankelijk verbleef hij gedurende deze periode in een kliniek. Ook nadat hij door eigen toedoen weer was teruggeplaatst in de P.I. is doorgewerkt aan de behandeling en begeleiding van betrokkene binnen het (aangepaste) reïntegratieplan. De rechtbank volgt de raadsman daarom niet in zijn conclusie dat de maatregel wegens de termijnoverschrijding dient te worden beëindigd.

Gelet op de stukken en het verhandelde in de raadkamer is de rechtbank van oordeel dat de beëindiging van de recidive van veroordeelde en de beveiliging van de maatschappij de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel vorderen. De rechtbank acht het door de PI vastgestelde reïntegratieplan een reële basis om samen met betrokkene tot resultaten te komen. Betrokkene is gemotiveerd tot verandering en de rechtbank verwacht gezien de inzet van betrokkene en van de kliniek, dat betrokkene ook in de komende periode van de maatregel een positieve ontwikkeling zal doormaken.

Gezien het stadium waarin het ISD-traject zich bevindt acht de rechtbank termen aanwezig om een tweede tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht te laten plaatsvinden.

Om nog een reële tweede tussentoets te kunnen uitvoeren acht de rechtbank het van belang dat de zaak over vijf maanden, te weten begin december 2011, wederom op zitting wordt gepland.

De beslissing

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.

- bepaalt dat de zaak in de twintigste maand van de maatregel, te weten begin december 2011, wederom aan de rechtbank wordt voorgelegd teneinde de voortgang van de ISD-maatregel te toetsen.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. C.M.A. van Kesteren, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken ter openbare raadkamer van 25 juli 2011.