Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BR1160

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/469 en 11/532
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Milieuzaak. Activiteitenbesluit. Beroep tegen vaststelling maatwerkvoorschriften. Vraag of representatieve bedrijfssituatie is gewijzigd. Onvoldoende gemotiveerd waarom maatwerkvoorschrift met betrekking tot afvalwater ten opzichte van het ontwerpbesluit is versoepeld.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.42
Wet milieubeheer 20.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3860
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3867
JAF 2011/47 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2012/365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11/469 en AWB 11/532

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2011

inzake

1. [eiser sub 1],

gemachtigde mr. J.H.M. Verjans,

en

2. [eiser A sub 2], [eiser B sub 2], [eiser C sub 2] en [eiser D sub 2],

gemachtigde mr. H.U. van der Zee,

allen te [woonplaats],

eisers

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne,

verweerder,

gemachtigden ing. H. Sonnemans en mr. C.G.N. Claessens.

Derde-belanghebbende partij: [derde-belanghebbende] te [plaats],

gemachtigde mr. F.K. van den Akker, hierna aan te duiden als: [derde-belanghebbende].

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 heeft verweerder op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna aan te duiden als: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld voor de door [derde-belanghebbende] gedreven inrichting aan de [adressen] te [plaats]. Dit besluit is met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid en op 24 december 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft eiser sub 1 op 1 februari 2011 beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Eisers sub 2 hebben tegen dit besluit op 3 februari 2011 beroep ingesteld bij de Afdeling. De Afdeling heeft beide beroepschriften ter behandeling doorgezonden naar de rechtbank.

De zaken zijn behandeld ter zitting van 19 mei 2011, waar eiser sub 1 is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [...]. Eisers sub 2 zijn eveneens verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens [derde-belanghebbende] is verschenen [...], bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder de in geding zijnde maatwerkvoorschriften heeft mogen stellen.

<u>Bevoegdheid van de rechtbank</u>

2. Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Invoeringswet Wabo in werking getreden. Bij laatstgenoemde wet is onder meer de Wet milieubeheer (Wm) gewijzigd. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wm, zoals dit luidt na die wijziging en voor zover hier van belang, zijn besluiten als bedoeld in artikel 8.42 van die wet van beroep bij de Afdeling uitgezonderd. Tot 1 oktober 2010 kon tegen die besluiten beroep bij de Afdeling worden ingesteld. Sindsdien kan tegen die besluiten beroep bij de rechtbank worden ingesteld, waarna hoger beroep bij de Afdeling openstaat.

3. Bij deze wijziging van artikel 20.1 Wm heeft de wetgever met betrekking tot besluiten tot het stellen van maatwerkvoorschriften in de zin van artikel 8.42 Wm, niet in overgangsrecht voorzien. Gelet daarop gaat de rechtbank er van uit dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2010, LJN BO6653.

4. Nu het besluit van 14 december 2010 waartegen beroep is ingesteld, een besluit is tot het stellen van maatwerkvoorschriften in de zin van artikel 8.42 Wm en dateert van na 30 september 2010, is de rechtbank bevoegd op de beroepen te beslissen.

<u>Feiten en omstandigheden</u>

5. De inrichting is sedert de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw aan de [perceel 1] te [plaats] gevestigd. Inmiddels behoort ook het aan de overzijde gelegen perceel [perceel 2], gelegen op industrieterrein “De Leemskuilen”, tot de inrichting.

6. In de inrichting vinden onder andere de volgende werkzaamheden plaats:

- het voorbewerken en assembleren van onderdelen van carrosserieën voor aanhangwagens;

- het voorbewerken (o.a. boren en zagen) van multiplex vloerplaten en het aanbrengen van een latex toplaag op deze vloerplaten;

- het reinigen van gereedschappen en gereed product;

- het opslaan van halffabrikaten en gereed product;

- het laden en lossen van halffabricaten en gereed product;

- het parkeren van bedrijfsvoertuigen;

- kantoor- en administratieve activiteiten;

- het in opslag hebben van materialen en het in gebruik hebben van elektro- en verbrandingsmotoren ten behoeve van de voornoemde activiteiten.

7. Bij besluit van 4 mei 2004 is voor de inrichting een revisievergunning op grond van de Wm verleend. Tegen dit besluit is door omwonenden beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de beroepen bij uitspraak van 22 december 2004, LJN AR8010, gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 4 mei 2004 gedeeltelijk vernietigd. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 11 januari 2005 de revisievergunning op enkele punten aangepast.

8. Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. In bijlage 1, behorende bij het Activiteitenbesluit, zoals dit destijds luidde, zijn categorieën van inrichtingen genoemd die vergunningplichtig (op grond van de Wm) zijn. De onderhavige inrichting is sinds 1 januari 2008 een niet-vergunningplichtige inrichting.

9. Sinds 1 oktober 2010 is in artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), juncto bijlage 1, onderdelen B en C van het Bor geregeld welke inrichtingen vergunningplichtig (op grond van de Wabo) zijn. Vast staat dat de inrichting niet vergunningplichtig is en wordt bestreken door de algemene regels van het Activiteitenbesluit.

10. Bij het bestreden besluit van 14 december 2010 heeft verweerder ten aanzien van de inrichting ambtshalve maatwerkvoorschriften gesteld.

De maatwerkvoorschriften hebben betrekking op de aspecten geluid, afvalwater en licht. De maatwerkvoorschriften komen deels overeen met de voorschriften die aan de op 4 mei 2004 verleende revisievergunning waren verbonden. De revisievergunning is sinds de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 vervallen. De vergunningvoorschriften golden op grond van het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit tot 1 januari 2011 als maatwerkvoorschriften.

11. Eiser sub 1 is woonachtig aan de [perceel 3] te [plaats]. Eisers [eisers A en B sub 2] zijn woonachtig aan de [perceel 4] en eisers [eisers C en D sub 2] zijn woonachtig aan de [perceel 5] te [plaats]. De percelen [perceel 4] en [perceel 5] grenzen aan het terrein van de inrichting aan de [perceel 1]. Het perceel [perceel 3] ligt op korte afstand van de inrichting. Eisers stellen ernstige hinder van de inrichting te ondervinden en stellen zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de maatwerkvoorschriften die verweerder heeft gesteld, ontoereikend zijn.

<u>Wettelijk kader</u>

12. Ingevolge artikel 8.42, eerste lid, van de Wm kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de verplichting worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu, gesteld door een bij die maatregel aangegeven bestuursorgaan.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is op het stellen van voorschriften als bedoeld in het eerste lid, artikel 8.40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

13. In artikel 8.40, derde lid, voor zover hier relevant, is bepaald dat ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften de bij of krachtens artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo gestelde regels over activiteiten met betrekking tot inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo van overeenkomstige toepassing zijn.

14. In artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, voor zover hier relevant, is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

15. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, onder c onder 1 van de Wabo, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken moeten worden toegepast.

16. Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatregelen kunnen mede inhouden dat de door de inrichting te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

<u>Beoordeling</u>

17. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2010, LJN BO6612, heeft verweerder beleidsvrijheid bij de beslissing om maatwerkvoorschriften te stellen. Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft verweerder een zekere beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu. De rechtbank zal de beroepsgronden van eisers en verweerders standpunt, in het licht van het vorenstaande, hierna per aspect beoordelen.

<i>Geluid</i>

18. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen tussen 07.00 en 19.00 uur niet meer bedragen dan 50 dB(A).

19. Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag in afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17, bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vaststellen.

Blijkens het bepaalde in het tweede lid kan het bevoegd gezag slechts hogere waarden vaststellen als hiervoor bedoeld, indien binnen geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van geluidgevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd.

20. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit het volgende maatwerkvoorschrift gesteld (voorschrift A.1):

“Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door geluidsbronnen binnen de inrichting mag ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen [perceel 4], zijgevel en [perceel 3], achterzijgevel niet meer bedragen dan:

- 51 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur.”

Dit is een hogere waarde dan de op grond van artikel 2.17 , lid 1, sub a van het Activiteitenbesluit toegestane 50 dB(A).

21. Verweerder heeft dit maatwerkvoorschrift gesteld omdat uit het akoestisch rapport dat Peutz&Associes op 17 juni 2003 in opdracht van [derde-belanghebbende] ten behoeve van de ingediende aanvraag om een revisievergunning, heeft opgemaakt, is gebleken dat aan de geluidsgrenswaarden van het Activiteitenbesluit kon worden voldaan, met uitzondering van twee immissiepunten, te weten de zijgevel van [perceel 4] en de achterzijgevel van [perceel 3]. Daar bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 51 dB(A) gedurende de dagperiode. Gelet hierop heeft de Afdeling bij uitspraak van 22 december 2004, LJN AR801, het aan de revisievergunning verbonden geluidvoorschrift dat het langtijdgemiddeld geluidniveau op geluidsgevoelige bestemmingen buiten het bedrijventerrein stelde op 50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur, vernietigd voor zover het betreft de immissiepunten 2 en 4 ([perceel 3 en 4]).

22. Hierbij is er vanuit gegaan dat geluidemissie bij het bedrijf kan worden veroorzaakt door:

- de geluiduitstraling van de bedrijfsgebouwen;

- de geluidproductie bij de reinigingswerkzaamheden op het buitenterrein;

- het rijden en manouvreren van de (vracht)auto’s, tractor en heftruck op de buitenterreinen;

- het rijden van de (vracht)auto’s van en naar de inrichting.

23. Naar aanleiding van genoemde uitspraak van de Afdeling heeft verweerder bij besluit van 11 januari 2005 het aan de op 4 mei 2004 verleende revisievergunning verbonden voorschrift D1 - voor zover hier relevant - zodanig aangepast dat het langtijdgemiddeld geluidsniveau veroorzaakt door geluidsbronnen binnen de inrichting ter plaatse van woningen van derden en andere geluidsgevoelige bestemmingen buiten het bedrijventerrein bij de immissieposities 2 en 4, afkomstig uit akoestisch rapport nr. F 16260-4, niet meer mag bedragen dan 51 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode). Het thans in geding zijnde maatwerkvoorschrift A1 komt hiermee overeen.

24. Voor zover eisers hebben betoogd dat verweerder maatwerkvoorschrift A1 in redelijkheid niet heeft kunnen stellen omdat de representatieve bedrijfssituatie, en daarmee ook het langtijdgemiddeld geluidsniveau ter plaatse van hun woningen, is gewijzigd ten opzichte van de situatie in 2003, slaagt dit betoog niet.

Ingevolge maatwerkvoorschrift A3 moet de inrichting in werking zijn conform de uitgangspunten van het akoestisch rapport Peutz & Associes, nr. F 16260-4, d.d. 17 juni 2003 (hierna: rapport Peutz). De representatieve bedrijfssituatie van de relevante geluidbronnen is in rapport Peutz weergegeven in paragraaf 2.3, pagina’s 8 tot en met 17.

Verweerder en vergunninghouder stellen zich op het standpunt dat de huidige representatieve bedrijfssituatie overeenkomt met die als omschreven in rapport Peutz. De aard van het bedrijf is niet gewijzigd. Er worden nog altijd aanhangwagens geproduceerd. Dat, anders dan in 2003, thans ook boottrailers worden geproduceerd en minder paardentrailers, hangt samen met de vraag vanuit de markt. Het productieproces en de productieomvang zijn echter gelijk gebleven.

Eisers hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar hebben zij gesteld dat de geluidbelasting op de buitengevel van de woning aan de [perceel 3] ten gevolge van toegenomen bedrijvigheid op het terrein van [derde-belanghebbende] hoger is dan 51 dB(A) maar zij hebben deze stelling niet met objectieve gegevens onderbouwd.

Ter voorlichting van eisers merkt de rechtbank in dit verband nog op dat, indien eisers zouden worden gevolgd in hun betoog dat de representatieve bedrijfssituatie ten opzichte van die waarop het rapport Peutz is gebaseerd, ten nadele van het milieu is gewijzigd, dit niet zonder meer betekent dat met betrekking tot het aspect geluid strengere maatwerkvoorschriften dienen te worden gesteld. Uitgaande evenwel van de in het rapport Peutz beschreven representatieve bedrijfssituatie, brengt een wijziging daarin ten nadele van het milieu mee, dat daartegen op grond van de bij het bestreden vastgestelde maatwerkvoorschriften handhavend kan worden opgetreden.

25. Eisers hebben er voorts op gewezen dat het rapport van Peutz in strijd met het bepaalde in artikel 3:11 van de Awb niet samen met het ontwerp-besluit ter inzage heeft gelegen. De rechtbank zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, nu eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eisers, voor zover zij niet reeds voor de terinzagelegging van het ontwerp-besluit beschikten over rapport Peutz, dit als gedingstuk in de onderhavige beroepsdossiers aan hen is toegezonden en zij zich hierover hebben kunnen uitlaten.

26. Eisers sub 2 hebben nog betoogd dat verweerder niet zonder hiernaar onderzoek te verrichten heeft mogen aannemen dat de op grond van het Activiteitenbesluit gedurende de dagperiode geldende binnenwaarde van maximaal 35 dB(A) in hun woningen niet wordt overschreden.

Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat akoestisch bekend en algemeen aanvaard is dat een gevel van een woning in zijn algemeenheid een geluidwering heeft van 20 tot 25 dB(A). Nu dit van de zijde van eisers niet is betwist en zij evenmin omstandigheden hebben aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de gevels van hun woningen mogelijk een lagere geluidwering hebben, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen aannemen dat het geluidniveau binnen de woningen van eisers niet de maximaal toegestane binnenwaarde van 35 dB(A) overschrijdt. Uitgaande van de representatieve bedrijfssituatie als omschreven in rapport Peutz, die, zoals hiervoor overwogen ook thans geldt en zal moeten worden gehandhaafd, zal het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevels van de woningen van eisers, veroorzaakt door de bedrijfsactiviteiten van [derde-belanghebbende] immers niet meer bedragen dan 51 dB(A).

27. Anders dan eisers sub 2 menen, heeft verweerder in redelijkheid kunnen afzien van een geluidmeting bij de woning [perceel 5]. Niet in geschil is dat de normstelling toereikend was in 2004. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de representatieve bedrijfssituatie sindsdien niet is gewijzigd, was een akoestisch onderzoek naar het langtijdgemiddeld geluidniveau op de geval van de woning aan de [perceel 5] niet vereist.

<i>Afvalwater</i>

28. Blijkens de algemene zorgplichtbepaling in het Activiteitenbesluit (artikel 2.1, eerste lid in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder b, n en o) moet degene die een inrichting drijft zorgen voor het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging, de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater en het doelmatig beheer van afvalwater.

Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag met betrekking tot de verplichting bedoeld in het eerste lid maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld.

29. In de inrichting komt afvalwater vrij bij het reinigen van gereedschappen, gebruikt bij het aanbrengen van latexvloeren en bij het reinigen van gereed produkt. Dit afvalwater wordt, via de bedrijfsriolering geloosd op de gemeentelijke riolering. Het gereed product wordt gewassen op een wasplaats die is uitgevoerd met een betonnen vloer, waarbij de naden zijn afgedicht met rubberen strips. Het afvalwater wordt via een slibvangput in het riool geloosd. Ten aanzien van deze lozingen zijn geen specifieke artikelen in het Activiteitenbesluit opgenomen. Aan de revisievergunning van 4 mei 2004 heeft verweerder ten aanzien van voornoemde activiteiten voorschriften verbonden ter bescherming van het riool. Blijkens het bestreden besluit is de destijds gemaakte belangenafweging waarmee deze voorschriften zijn opgelegd, nog steeds actueel en niet gewijzigd. De omstandigheden van de inrichting zijn niet gewijzigd en ook de wijze van beoordeling van de lozing van afvalwater is sindsdien niet gewijzigd, aldus verweerder. De voorschriften ten aanzien van afvalwater die aan de vergunning zijn verbonden geven volgens verweerder dan ook een reëel beeld van het minimale beschermingsniveau dat in de onderhavige situatie wenselijk is.

30. Verweerder heeft bij het bestreden besluit onder meer het volgende maatwerkvoorschrift gesteld (voorschrift B2):

“ Het reinigen van gereed product mag in de inrichting uitsluitend geschieden op een wasplaats die zodanig is ingericht, dat geen voor reinigingswerkzaamheden toegepast water of vuil buiten de wasplaats kan geraken. De vloer moet afwaterend zijn aangelegd naar een of meer putjes, dan wel een goot, die is aangesloten op de bedrijfsriolering. De vloer van de wasplaats moet bestand zijn tegen de voorkomende mechanische belasting van voertuigen. Op de wasplaats aanwezig vuil mag niet naar buiten deze wasplaats worden geveegd of geschrobd.”

31. In het ontwerpbesluit was, overeenkomstig voorschrift G.2 in de revisievergunning van 4 mei 2004, in het hiervoor geciteerde maatwerkvoorschrift tevens de eis opgenomen dat de wasplaats vloeistofdicht moet zijn uitgevoerd. Naar aanleiding van de door [derde-belanghebbende] ingediende zienswijze is deze eis uit het betreffende maatwerkvoorschrift geschrapt. Volgens verweerder blijkt uit de zienswijze van de inrichtinghouder dat bij het gebruik van de wasplaats geen voor de bodem bedreigende stoffen worden gebruikt. In de zienswijze is aangegeven dat de wasplaats alleen wordt gebruikt voor het afspoelen van stof en zandresten van de aanhangwagens en daarbij behorende kappen, waarbij incidenteel biologisch afbreekbare zeep wordt gebruikt.

32. Eisers zijn het hier niet mee eens. Volgens eisers had overeenkomstig de in 2004 verleende revisievergunning en het ontwerpbesluit tot het vaststellen van maatwerkvoorschriften een vloeistofdichte vloer moeten worden voorgeschreven op de wasplaats en andere plaatsen waar producten worden schoongespoten. Verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat bij het schoonspuiten van afgemonteerde trailers of onderdelen slechts stof en zandresten worden verwijderd. Er komen ook andere stoffen vrij, zoals olie, oliehoudende stoffen en reinigingsproducten. Er worden ook gegalvaniseerde en verzinkte onderstellen gereinigd. Dit verontreinigde water komt niet alleen in het gemeentelijk riool maar wordt naar de weg gespoten met waterslangen, aldus eisers.

33. Ingevolge artikel 2.9, eerste lid, van het Activiteitenbesluit worden, indien in een inrichting een bodembedreigende activiteit wordt verricht, bodembeschermende maatregelen getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.

34. Blijkens artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit is een bodembedreigende activiteit een bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A 3 van de NRB.

De NRB is de door InfoMil uitgegeven Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, juli 2001. Dit is een document, bevattende best beschikbare technieken waarmee rekening moet worden behouden bij vergunningverlening. Hierin is als uitgangspunt vermeld dat bij bedrijfsmatige bodembedreigende activiteiten door het aanleggen van voorzieningen en het treffen van maatregelen een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging moet worden gehaald.

Onder bodembeschermende maatregel wordt verstaan: een op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de uitvoering is gewaarborgd.

Onder bodembeschermende voorziening wordt verstaan: een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem.

35. Het afvoeren van afvalwater op de bedrijfsriolering is een activiteit die volgens paragraaf 3.1 van deel A3 van de NRB, onderdeel “ overige activiteiten”, als bodembedreigend wordt beschouwd. De NRB schrijft in dat geval inventarisatie van de nul- en eindbodemsituatie en een bodemrisicobeoordeling voor. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder hiervan niet mogen afzien, te meer daar de revisievergunning uit 2004 wel een vloeistofdichte vloer voorschreef. Zonder nader onderzoek valt, bij een gelijkblijvende representatieve bedrijfssituatie, niet in te zien waarom die eis ter bescherming van de bodem niet langer behoeft te worden gesteld. De enkele mededeling van de inrichtinghouder dat op de wasplaats slechts stof en zandresten van gereed product worden gespoeld, is hiertoe onvoldoende.

36. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Gelet hierop zijn de beroepen in zoverre gegrond en komt het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

37. Door eisers is voorts naar voren gebracht dat zij als gevolg van lozingen op het gemeentelijk riool van afvalwater, afkomstig van de inrichting, geuroverlast binnen in hun woningen en gezondheidsklachten hebben ondervonden. Zij betwisten de juistheid van verweerders standpunt dat naar aanleiding van de door hen geuite klachten nimmer is gebleken van een overtreding van de geldende normen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers hun stellingen op dit punt niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat de gestelde maatwerkvoorschriften op dit punt tekortschieten. Het desbetreffende betoog faalt.

<i>Licht</i>

38. Blijkens de algemene zorgplichtbepaling in het Activiteitenbesluit (artikel 2.1, eeste lid in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder h) moet degene die een inrichting drijft lichthinder voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau beperken.

Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag met betrekking tot de verplichting bedoeld in het eerste lid maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld.

39. Het buitenterrein van de inrichting aan de [perceel 1] wordt verlicht met bouwlampen (en lantaarnpalen). Het voorschrift dat was verbonden aan de op 4 mei 2004 verleende milieuvergunning, is bij het bestreden besluit als maatwerkvoorschrift gesteld:

“De in de inrichting aangebrachte of gebezigde verlichting en de te verrichten werkzaamheden moeten zodanig zijn afgeschermd dat geen hinderlijke uitstraling buiten de inrichting waarneembaar is afkomstig van directe instraling van lichtbronnen.”

40. Eiser sub 1 stelt zich op het standpunt dat dit maatwerkvoorschrift niet toereikend is. Er is niet alleen meer sprake van bouwlampen die aan de bedrijfsgebouwen hangen maar op het buitenterrein van de inrichting zijn inmiddels ook lantaarnpalen die, als ze aan zijn, zorgen dat de achtertuinen van alle omwonenden hinderlijk verlicht worden, aldus eiser sub 1.

41. Ter zitting is gebleken dat de lichtmasten, waarop eiser sub 1 doelt, zich niet bevinden op het terrein van de inrichting aan de [perceel 1] en [perceel 2] maar op het terrein van het outdoorbedrijf aan [perceel 6], dat geen onderdeel uitmaakt van de onderhavige inrichting. Reeds gelet hierop faalt eisers grief dat het maatwerkvoorschrift ter voorkoming van lichthinder niet toereikend is. Er kan bij het thans bestreden besluit immers geen maatwerkvoorschrift worden gesteld ten aanzien van een andere inrichting dan de [fabriek].

<i>Opslag</i>

42. Ten aanzien van opslag van materialen is bij het bestreden besluit geen maatwerkvoorschrift gesteld. Volgens eisers sub 2 had bij het bestreden besluit een maatwerkvoorschrift over opslag moeten worden gesteld, opdat wordt voorkomen dat materialen zodanig op het buitenterrein van de inrichting worden opgeslagen dat deze hoger komen te liggen dan de bestaande schuttingen, zodat eisers weer een vrijer uitzicht krijgen. Volgens eisers kan de opslag op het buitenterrein hinder en gevaarlijke situaties opleveren en betreft het niet slechts een aspect van ruimtelijke ordening, zoals verweerder stelt.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat, nu de bij het bestreden besluit – ambtshalve – gestelde maatwerkvoorschriften in het geheel geen betrekking hebben op opslag en ook het ontwerpbesluit op dit punt geen voorschriften bevatte, de vraag of verweerder met betrekking tot dit aspect nadere regels had moeten stellen, buiten het bereik van deze procedure valt. De rechtbank verwijst voor haar oordeel op dit punt naar de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010, LJN BM1033. Deze beroepsgrond van eisers sub 2 faalt dan ook.

<u>Proceskosten en griffierecht</u>

43. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op, voor zowel eiser sub 1 als eisers sub 2, in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00

• wegingsfactor 1.

44. De rechtbank zal voorts het verzoek van eiser sub 1 om verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte reiskosten honoreren. Deze kosten zijn met inachtneming van artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht juncto artikel 6, eerste lid, onder III, van het Besluit tarieven in strafzaken vastgesteld op € 17,80, zijnde de reiskosten voor een retourticket per trein 2e klas voor het traject Deurne-’s-Hertogenbosch.

45. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eisers het door hen gestorte griffierecht ten bedrage van € 150,00 dient te vergoeden.

46. De rechtbank heeft in de overwegingen van deze uitspraak één of meer beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als eiesers niet willen berusten in de verwerping van één of meer van de beroepsgronden, is het nodig dat zij tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep instellen. Als zij dit nalaten, bestaat namelijk de mogelijkheid dat de bestuursrechter in een eventueel vervolg van deze procedure zal uitgaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de hier verworpen beroepsgrond of -gronden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond voor zover betrekking hebbend op het bij het bestreden besluit vastgestelde maatwerkvoorschrift B2;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van (twee maal) € 150,00;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op € 891,80 voor eiser sub 1 en € 874,00 voor eisers sub 2.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzitter en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. M.J.H.M. Verhoeven als leden in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. Anssems als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2011.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: