Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ9978

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
AWB 10-2398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet openbaarheid van bestuur. Informatie integraal geweigerd.

Documenten waarin informatie is vervat, zijn niet aan de Commissie bezwaarschriften ter beschikking gesteld. Verweerder baseert zich bij beslissing op bezwaar louter op het advies van de commissie. Er is geen sprake van een deugdelijk advies over de rechtmatigheid van het in bezwaar bestreden besluit, omdat het, zonder op de hoogte te zijn van de gewraakte documenten, onmogelijk is om te verifiëren in hoeverre de aan de weigering ten grondslag gelegde motivering juist is. Verweerder had zich moeten realiseren dat het toepassing geven aan artikel 10 van de Wob, overeenkomstig artikel 3:7 van de Awb, een gebrekkig advies tot gevolg zou kunnen hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/2398

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2011

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. W.H. Janssen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel,

verweerder,

gemachtigden B.J.P.M. Aarts en drs. J.J.M. van den Wildenberg.

Procesverloop

Op 4 februari 2010 heeft eiser een verzoek ingediend om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Dit verzoek had betrekking op alle documenten uit de periode 2005 tot en met 2009 die zien op door verweerder geconstateerd plichtsverzuim, gepleegd door een ambtenaar en/of een onder verweerders gezagbereik vallende medewerker van de gemeentelijke organisatie, dat heeft geleid tot een disciplinaire straf/maatregel van de zijde van verweerder.

Bij besluit van 17 februari 2010 heeft verweerder op dit verzoek beslist. Tegen dit besluit heeft eiser op 14 maart 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften (hierna: de Commissie), het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 29 maart 2011. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

3. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel van derden.

4. Verweerder heeft in het besluit van 22 juni 2010 het advies van de Commissie van 29 april 2010 overgenomen. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de overwegingen van dit advies, op het standpunt dat het verstrekken van de door eiser verzochte informatie niet opweegt tegen de belangen bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, e en g, van de Wob. Daarbij heeft verweerder overwogen, dat het anonimiseren van de documenten - het betreft in verweerders gemeente één enkel geval dat voldoet aan eisers verzoek - de ongewenste effecten niet wegnemen. Verweerder heeft volstaan met het integraal weigeren van alle documenten die betrekking hebben op dit geval.

5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de Commissie in strijd heeft gehandeld met artikel 3:7, eerste lid, van de Awb, aangezien zij er op geen enkele wijze blijk van heeft gegeven kennis te hebben genomen van de onderliggende stukken. Het advies is daarmee niet zorgvuldig tot stand gekomen. Verder heeft de Commissie ten onrechte geconcludeerd dat verweerder ook in het primaire besluit heeft gesteld dat het verstrekken van de gevraagde informatie niet opweegt tegen de belangen zoals genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob. Tevens had verweerder er blijk van moeten geven dat de bij de documenten betrokken persoon in kennis is gesteld en aan deze persoon is voorgelegd of ingestemd wordt met openbaarmaking van de verzochte informatie. Verweerder had verder niet integraal alle informatie kunnen weigeren door te stellen dat de gevraagde gegevens herleidbaar zijn tot een natuurlijke persoon. Verweerder had voor zover nodig de persoonsgegevens kunnen schonen. Dat de verstrekking van de informatie niet opweegt tegen de financiële belangen heeft verweerder volgens eiser niet onderbouwd. Concrete en objectieve gegevens van verweerder dat diens financiële belangen worden geschaad, ontbreken.

6. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of sprake is van een zorgvuldige besluitvorming, gelet op eisers standpunt dat de Commissie er geen blijk van heeft gegeven kennis te hebben genomen van de onderliggende stukken.

7. Op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek van de adviseur, aan de adviseur de gegevens ter beschikking stellen die deze nodig heeft voor een goede vervulling van diens taak.

8. Blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting heeft verweerder de Commissie niet de documenten ter beschikking gesteld, waarin de door eiser gevraagde informatie is vervat. Verweerder heeft dit geweigerd op dezelfde gronden die hij aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank begrijpt deze handelwijze aldus, dat verweerder hiermee heeft beoogd toepassing te geven aan artikel 3:7, tweede lid, van de Awb, waarin is bepaald dat artikel 10 van de Wob van overeenkomstige toepassing is.

9. In deze zaak, waarin juist een verzoek op grond van de Wob het voorwerp van geschil vormt, heeft de Commissie geen deugdelijk advies over de rechtmatigheid van het in bezwaar bestreden besluit kunnen geven, zonder op de hoogte te zijn van de inhoud van de documenten waarin de gevraagde informatie is vervat. Zonder kennis daarvan is het immers onmogelijk om te verifiëren in hoeverre de door verweerder aan zijn besluit ten grondslag gelegde motivering juist is. Verweerder had dit advies dan ook niet, door verwijzing daarnaar, aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen. Verweerder had zich moeten realiseren dat het toepassing geven aan artikel 10 van de Wob, daargelaten of deze toepassing op zichzelf juist is, een gebrekkig advies tot gevolg zou kunnen hebben.

10. Het bestreden besluit komt, gelet hierop, voor vernietiging in aanmerking omdat het onzorgvuldig is voorbereid. De omstandigheid dat verweerder, op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, wel op de hoogte was van de documenten waarin de door eiser gevraagde informatie is vervat, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat verweerder zich bij het nemen van het besluit louter heeft gebaseerd op het advies van de Commissie en het besluit voor het overige geen motivering bevat.

11. Verweerder heeft, door de Commissie geen inzage te geven in de meergenoemde documenten, blijkens het verhandelde ter zitting, willen voorkomen dat informatie, hoe summier ook, naar buiten komt. Het betreft maar één dossier. Als informatie naar buiten komt, hoe summier ook, weet iedereen op welke persoon die informatie betrekking heeft, aangezien, zoals verweerder het heeft verwoord, Boxtel een dorp is.

De rechtbank vermag niet in te zien dat het verstrekken van de documenten aan de Commissie, in het kader van de advisering, ongewild tot het naar buiten komen van informatie zal leiden. Op grond van artikel 7:4, zesde en zevende lid, van de Awb, kan het bestuursorgaan inmers desgewenst (bepaalde) stukken uitsluiten van de verplichting tot terinzagelegging, tenzij de Wob verplicht tot openbaarmaking. Bovendien is de Commissie, op grond van artikel 2:5 van de Awb, verplicht tot geheimhouding van de hem, bij de uitoefening van zijn adviestaak, ter beschikking gestelde gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden.

12. Het beroep is, gelet op het voorafgaande, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

13. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet, gezien het, blijkens het verhandelde ter zitting, ontbreken bij verweerder van inzicht in het fundamentele karakter van het aan het besluit klevende gebrek, geen aanleiding om gebruik maken van de haar in artikel 8:51a van de Awb gegeven bevoegdheid.

14. De rechtbank zal verweerder opdragen om, met inachtneming van hetgeen zijn heeft overwogen, een nieuw besluit te nemen.

15. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, begroot op in totaal € 874 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437;

• wegingsfactor 1.

16. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874;

- gelast verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: