Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ9814

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
01/889057-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor (kort gezegd) schending van het ambtsgeheim.

Het is niet komen vast te staan dat verdachte wist dat de rechter uit privemotieven om inlichtingen had gevraagd. Volgens de rechtbank kan verdachte wel onachtzaamheid verweten worden, maar heeft hij artikel 272 Sr niet overtreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/889057-11

Datum uitspraak: 30 juni 2011

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

domicilie kiezende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 juni 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 06 juni 2011.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2011 te Zwolle, in ieder geval in Nederland,

enig geheim, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat hij uit

hoofde van het ambt van officier van justitie, beroep of wettelijk voorschrift

verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden,

immers heeft verdachte gegevens met betrekking tot het strafrechtelijk

verleden van [aangever] (geboren [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]) (afkomstig uit het

Justitiële Documentatieregister) en/of informatie met betrekking tot een

lopend strafrechtelijk onderzoek tegen die [aangever] (afkomstig uit het

herkenningsdienstsysteem (HKS) en de Module Integrale Bevraging (MIB))

verstrekt aan [medeverdachte], middels een email met de tekst:

"Hoi [medeverdachte],

eerst maar het slechte nieuws: die [aangever] is een echt een héle zware en

(vuur)gevaarlijke (en ook slimme) jongen. Ik heb de HKS gegevens (met codes

vuurwapengevaarlijk en vluchtgevaarlijk) en de doc ingezien.

[aangever] heeft (oa) 4,5 jaar GS gekregen voor oa poging doodslag en

vrijheidsberoving, 2 jaar GS voor geweldsdelict + WWM, GS 32 mnd wv 8 vw voor

oa geweld en belaging, GS 9 maand voor geweld en WWM, GS 6 maand voor geweld,

GS 3 jaar en 11maand voor afpersing, een keer vrijspraak voor verkrachting, in

juli 2010 nog veroordeeld voor huiselijk geweld GS 6 mnd wv 3 vw (kennelijk

had de reclassering nog goede hoop...) etc etc. Al deze veroordelingen

gedurende een periode van een jaar of 12...

het goede nieuws: de regio recherche uit den haag zit er boven op. Ze hebben

[vriendin van aangever] asl slachtoffer van MH in beeld en wachten tot zij zover is om

aangifte te gaan doen. Dit zou de politie zeer helpen!

Er is ook een contactpersoon van afd. Zeden aangewezen voor contact met de

familie.

Verder heb ik de naam en tel. nummer van de tactisch leider van het onderzoek.

Wellicht is het het handigst dat ik in een latere fase nog eens - al dan niet

op jou aangeven - contact met die persoon opneem?

Groeten,

[verdachte]

[verdachte]

Officier van Justitie

Mensenhandel/Mensensmokkel Regio Zwolle/Almelo

Openbaar Ministerie

Arrondissementsparket Zwolle

T: (telefoonnummer)

M: (mobiele telefoonnummer)

F: (faxnummer)

E: (emailadres)"

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ter zake van het voorgaande geen veroordeling mocht volgen dat

hij op een tijdstip in de periode van 20 januari 2011 tot en met 26 januari

2011, te Zwolle, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander, althans alleen, enig geheim, waarvan hij en/of zijn mededader wist

of redelijkerwijs moest vermoeden, dat hij en/of zijn mededader uit hoofde

van het ambt van officier van justitie, respectievelijk rechter commissaris,

beroep of wettelijk voorschrift verplicht waren/was het te bewaren,

opzettelijk heeft geschonden,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader gegevens met betrekking

tot het strafrechtelijk verleden van [aangever] (geboren [geboortedatum] 1975 te

[geboorteplaats]) (afkomstig uit het Justitiële Documentatieregister) en/of informatie

met betrekking tot een lopend strafrechtelijk onderzoek tegen die [aangever]

(afkomstig uit het herkenningsdienstsysteem (HKS) en de Module Integrale

Bevraging (MIB))

verstrekt aan [echtgenote van medeverdachte], middels het (door)zenden aan die

[echtgenote van medeverdachte], van een email afkomstig van hem, verdachte, gericht en

verzonden aan zijn, verdachtes, mededader [medeverdachte], met de tekst:

"Hoi [medeverdachte],

eerst maar het slechte nieuws: die [aangever] is een echt een héle zware en

(vuur)gevaarlijke (en ook slimme) jongen. Ik heb de HKS gegevens (met codes

vuurwapengevaarlijk en vluchtgevaarlijk) en de doc ingezien.

[aangever] heeft (oa) 4,5 jaar GS gekregen voor oa poging doodslag en

vrijheidsberoving, 2 jaar GS voor geweldsdelict + WWM, GS 32 mnd wv 8 vw voor

oa geweld en belaging, GS 9 maand voor geweld en WWM, GS 6 maand voor geweld,

GS 3 jaar en 11maand voor afpersing, een keer vrijspraak voor verkrachting, in

juli 2010 nog veroordeeld voor huiselijk geweld GS 6 mnd wv 3 vw (kennelijk

had de reclassering nog goede hoop...) etc etc. Al deze veroordelingen

gedurende een periode van een jaar of 12...

het goede nieuws: de regio recherche uit den haag zit er boven op. Ze hebben

[vriendin van aangever] asl slachtoffer van MH in beeld en wachten tot zij zover is om

aangifte te gaan doen. Dit zou de politie zeer helpen!

Er is ook een contactpersoon van afd. Zeden aangewezen voor contact met de

familie.

Verder heb ik de naam en tel. nummer van de tactisch leider van het onderzoek.

Wellicht is het het handigst dat ik in een latere fase nog eens - al dan niet

op jou aangeven - contact met die persoon opneem?

Groeten,

[verdachte]

[verdachte]

Officier van Justitie

Mensenhandel/Mensensmokkel Regio Zwolle/Almelo

Openbaar Ministerie

Arrondissementsparket Zwolle

T: (telefoonnummer)

M: (mobiele telefoonnummer)

F: (faxnummer)

E: (emailadres)"

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is op grond van artikel 510 Wetboek van Strafvordering bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststellingen van feitelijke aard.

[medeverdachte] is rechter-commissaris in de rechtbank Zwolle-Lelystad. Verdachte is officier van justitie bij het arrondissementsparket Zwolle met als specialisme mensenhandel. In de eerste week van januari 2011 sprak [medeverdachte] verdachte aan na afloop van een getuigenverhoor waarbij beiden betrokken waren geweest. [medeverdachte] legde verdachte een situatie voor waarbij aangever [aangever] was betrokken en waarvan [medeverdachte] het vermoeden had dat mogelijk sprake was van loverboyproblematiek.

Op 17 januari 2011 stuurde [medeverdachte] een e-mailbericht aan verdachte met als inhoud: "[verdachte], zou je toch nog eens kunnen kijken naar die zaak waar ik je over sprak. Inmiddels is het slachtoffer zwanger, mogelijk in de prostitutie en mogelijk aan de coke. De persoon die het betreft is [aangever], [geboortedatum]. Adres: [adres van aangever]. Groet, [medeverdachte]."

Verdachte deed vervolgens navraag bij [naam teamchef], teamchef regionale recherche-ondersteuning bij de regiopolitie IJsselland en een parketsecretaris van zijn parket en ontving gegevens uit het Justitiële Documentatieregister, herkenningsdienstsysteem (HKS) en de Module Integrale Bevraging. (MIB).

Op 20 januari 2011 stuurde verdachte een bericht aan [medeverdachte] met de inhoud die in de tenlastelegging onder primair en subsidiair integraal is opgenomen. Als onderwerp van dit bericht is vermeld "[aangever]".

Uit de adresregels van de aangehaalde e-mailberichten valt op te maken dat voornoemd e-mailverkeer plaatsvond met gebruikmaking van de zakelijke e-mailadressen van [medeverdachte] en verdachte.

[medeverdachte] stuurde het door hem ontvangen bericht op verzoek van zijn echtgenote, [echtgenote van medeverdachte], ongewijzigd door naar het door hem en zijn echtgenote gebruikte privé-e-mailadres. De echtgenote van [medeverdachte] gebruikte vervolgens informatie uit dit bericht in een e-mail die zij op 26 januari 2011 verzond naar [moeder van vriendin van aangever], de moeder van de in de e-mail genoemde [vriendin van aangever].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte wist dat het om een privévraag van [medeverdachte] handelde en dat [medeverdachte] ambtshalve geen bemoeienis had met de persoon van [aangever]. Dit wetende heeft hij desalniettemin de keuze gemaakt vertrouwelijke justitiële informatie betreffende [aangever] aan [medeverdachte] door te spelen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit voor het onder primair en het onder subsidiair tenlastegelegde. Zij heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde aangevoerd dat [medeverdachte] in de perceptie van verdachte niet handelde als privépersoon en voorts dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte het opzet had op het verstrekken van geheimhoudersinformatie aan een privépersoon. Verdachte was niet op de hoogte van de privé-invalshoek van [medeverdachte] en er waren ook geen aanwijzingen op grond waarvan hij dit had kunnen vermoeden. Verdachte heeft verschoonbaar gedwaald ten aanzien van de hoedanigheid van [medeverdachte]. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouwe betoogd dat er geen enkele aanwijzing is dat sprake is van opzet op medeplegen of van opzet op het gronddelict.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt dat verdachte in zijn hoedanigheid van officier van justitie tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden werd benaderd door rechter-commissaris [medeverdachte]. [medeverdachte] legde hem een casus voor met concrete aanwijzingen dat er sprake was van loverboyproblematiek. Verdachte is gespecialiseerd in mensenhandelzaken en heeft op dat gebied ambtshalve regelmatig contact met [medeverdachte] als rechter-commissaris. Het contact tussen verdachte en [medeverdachte] over de voorgelegde casus verliep na het initiële persoonlijke gesprek via de zakelijke e-mailadressen van beiden. Verdachte heeft de informatie van [medeverdachte] opgevat als een signaal dat mogelijk sprake was van een mensenhandelzaak en heeft dienovereenkomstig gehandeld. Hij heeft via de gebruikelijke kanalen informatie ingewonnen, te weten bij een politie onderdeel in zijn eigen rechtsgebied waar hij als officier van justitie leiding aan gaf, om het signaal te kunnen beoordelen en te bezien of hij daar een zaak van zou maken of dat de zaak reeds door een ander politiekorps op was gepakt. Op grond van artikel 148 eerste lid Wetboek van Strafvordering stond het verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook overigens vrij, wanneer hij dat dienstig of noodzakelijk oordeelde, om opsporingshandelingen te (doen) verrichten in zijn eigen rechtsgebied, terwijl er in een ander rechtsgebied al een opsporingsonderzoek plaatsvond.

De bij de politie ingewonnen informatie heeft verdachte vervolgens teruggekoppeld aan de rechter-commissaris [medeverdachte] die het signaal aan hem had afgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van de aard en inhoud van de privécontacten tussen [medeverdachte] en de ouders van het vermoedelijke slachtoffer.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij verdachte had verteld dat het om een situatie handelde waarbij de dochter van kennissen was betrokken. Gelet op de ambtelijke hoedanigheid van [medeverdachte] en alle hiervoor aangehaalde omstandigheden met betrekking tot de context waarin de contacten tussen [medeverdachte] en verdachte plaatsvonden, met name gelet op de zakelijke opstelling van [medeverdachte], hoefde deze mededeling voor verdachte geen aanleiding te zijn om de motieven van [medeverdachte] te wantrouwen.

Verdachte heeft de belangstelling van [medeverdachte] voor deze zaak opgevat als professioneel en de rechtbank heeft geen feiten of omstandigheden kunnen vaststellen die dat anders zouden maken. Deze aanwijzingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden gevonden in de informele toonzetting van de verstuurde berichten nu deze meer informele toonzetting een, gelet op de aard en inhoud van de werkzaamheden en de wettelijke taken van een rechter-commissaris en een officier van justitie, in deze fase van het strafproces, meer informeel contact noodzakelijk maken en ook rechtvaardigen en voorts ook landelijk praktijk zijn.

Ter terechtzitting is getuige [getuige] gehoord. [getuige] heeft verklaard dat hij uit een telefoongesprek dat hij op 11 februari 2011 voerde met verdachte had begrepen dat verdachte informatie had verstrekt op verzoek van [medeverdachte], terwijl deze informatie betrekking had op een privékwestie. [getuige] heeft bij de rechter-commissaris noch ter terechtzitting duidelijk kunnen uitleggen op grond waarvan bij hem de indruk is ontstaan dat het alleen handelde om een privéverzoek van [medeverdachte]. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de interpretatie door [getuige] van de door verdachte in het bewuste telefoongesprek gebruikte bewoordingen overeenstemt met de boodschap die verdachte dacht over te brengen. Uit de verklaring van getuige [getuige] bij de rechter-commissaris en zijn verklaring als getuige afgelegd ter terechtzitting is ook naar voren gekomen dat hij zich een en ander niet meer goed kan herinneren. Voorts is gebleken dat getuige [getuige] van dit gesprek zelfs geen aantekeningen heeft gemaakt.

In dit verband merkt de rechtbank op dat kanttekeningen moeten worden geplaatst bij de kwaliteit en zorgvuldigheid van het (opsporings-)onderzoek, die de rechtens te respecteren belangen van de verdachte kunnen schaden. Bij het opsporingsonderzoek lijkt naar het oordeel van de rechtbank met name ten opzichte van verdachte onvoldoende onderscheid te zijn gemaakt tussen de bevoegdheden die de leidinggevende van verdachte heeft als werkgever en de positie van die leidinggevende als getuige in deze strafzaak. Van de zijde van het Openbaar Ministerie kon, daarnaar door de rechtbank gevraagd, geen verklaring worden gegeven voor het feit dat de leidinggevende van verdachte, de getuige [getuige], niet als getuige door de Rijksrecherche (RR) is gehoord en voor zijn verklaring getekend heeft, maar dat door de RR volstaan is met een samenvatting van het gesprek van de RR met 'de werkgever' van de verdachte. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de juistheid van die samenvatting niet met de getuige [getuige] besproken is. De rechtbank laat reeds om deze reden dit proces-verbaal van bevindingen buiten beschouwing. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Onduidelijk blijft voorts door wie en wanneer verdachte aangemerkt is als verdachte en of verdachte gewezen is op zijn positie als verdachte en de hem daarbij toekomende rechten. De formele basis van de verkrijging van en de toevoeging van de zakelijke mail(s) van verdachte kon door de officier van justitie ter zitting en de getuige [getuige] niet worden opgehelderd. De rechtbank merkt in dit verband nog op, dat het onderzoek eenzijdig gericht lijkt op bewijsverzameling jegens verdachte en zijn mede-verdachte. Een voorbeeld daarvan is het selectief aanmerken van getuigen in deze zaak als verdachte of juist niet. Dit noopt de rechtbank tot grotere voorzichtigheid met betrekking tot de bruikbaarheid van verklaringen voor het bewijs. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting komt de rechtbank tot het oordeel dat niet vast is komen te staan dat verdachte zich bewust was van het feit dat hij door het verstrekken van de door hem opgevraagde informatie aan [medeverdachte] zijn ambtelijke geheimhoudingsplicht zou kunnen schenden. Dit oordeel van de rechtbank brengt niet mee dat verdachte derhalve geen enkel verwijt zou kunnen worden gemaakt. Ten aanzien van het verwijt dat verdachte dienaangaande kan worden gemaakt, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, is er hoogstens sprake van onachtzaamheid. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte het opzet had om zijn geheimhoudingsplicht te schenden.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte zich ten minste ervan bewust moet zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [medeverdachte] zijn ambtelijke geheimhoudingsplicht zou schenden.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder primair en onder subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

Vrijspraak.

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het onder primair en subsidiair ten laste

gelegde heeft begaan.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. J.M.A. van Atteveld, voorzitter,

mr. E.C.M. de Klerk en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier,

en is uitgesproken op 30 juni 2011.

7

Parketnummer: 01/889057-11

[verdachte]