Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ9248

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
733072
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijke opzegging. Gevolgencriterium. Habe-nichtsverweer verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0523
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector kanton, locatie [plaats]

In de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde: SRK Rechtsbijstand,

t e g e n :

[gedaagde],

gevestigd te [plaats],

gemachtigde: mr. M. Ambags,

hierna mede te noemen [eiser] en [gedaagde].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 december 2010,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de bij brief van 6 april 2011 door de gemachtigde van [gedaagde] toegezonden aanvullende producties,

- de bij brief van 11 april 2011 door de gemachtigde van [eiser] toegezonden aanvullende producties.

1.2. Op 12 april 2011 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Ter zitting was aan de zijde van eiser aanwezig [eiser] in persoon alsmede zijn gemachtigde mevrouw mr. drs S.A. Gerritsen, en aan de zijde van [gedaagde] haar statutair directeur de heer [B], alsmede haar gemachtigde mr. C.J.M. Gielen-Trienes, die in plaats van mr. M. Ambags aanwezig was. De gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van [gedaagde] hebben pleitnotities in het geding gebracht, die deel uitmaken van de gedingstukken. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3. Vervolgens is vonnis bepaald.

Dit vonnis wordt om organisatorische redenen gewezen door een andere kantonrechter dan de kantonrechter die de comparitie van partijen heeft geleid, daar deze andere kantonrechter daarbij wel aanwezig is geweest.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van

€ 381.238,- bruto als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, althans een zodanig bedrag dat de kantonrechter als billijk zou oordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

2.2. [eiser] heeft aan zijn vordering, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de gevolgen van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [gedaagde] onredelijk bezwarend voor hem zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] voor de opzegging, zodat de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is. De door [eiser] gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op een concrete berekening van inkomens- en pensioenschade.

2.3. [gedaagde] heeft de vordering van [eiser] betwist. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat het voor haar noodzakelijk was om de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen wegens bedrijfseconomische omstandigheden. De financiële gevolgen van het ontslag zijn niet zo ernstig als [eiser] aangeeft en kan niet leiden tot het oordeel dat het ontslag van [eiser] als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd, aldus [gedaagde].

2.4. Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal, indien van belang, onder de beoordeling worden teruggekomen.

3. De beoordeling

De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die tussen partijen, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, vaststaan.

3.1. [eiser], geboren op 30 mei 1949, was sinds 1 juli 2001 bij (de rechtsvoorgangster van) [gedaagde] in dienst, laatstelijk in de functie van pensioenadviseur. Het salaris bedroeg € 6.709,85 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en emolumenten.

3.2. [gedaagde] heeft bij brief van 12 april 2010 op bedrijfseconomische gronden aan UWV WERKbedrijf toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met vijf van haar werknemers, waaronder [eiser], te mogen opzeggen vanwege bedrijfseconomische redenen. [eiser] heeft hiertegen formeel verweer gevoerd, waarbij hij zich met betrekking tot de vraag of zijn functie vanwege bedrijfseconomische redenen moest vervallen, heeft gerefereerd aan het oordeel van het UWV WERKbedrijf.

3.3. Het UWV WERKbedrijf heeft [gedaagde] op 27 mei 2010 toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [eiser] tot uiterlijk 22 juli 2010 op te zeggen met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Bij brief van 28 mei 2010 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] met inachtneming van de opzegtermijn tegen 1 november 2010 opgezegd.

3.4. [eiser] heeft bij brief van 7 juli 2010 [gedaagde] verzocht om een financiële compensatie, welk verzoek bij brief van 20 juli 2010 is afgewezen wegens gebrek aan financiële middelen.

3.5. De kantonrechter stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van het ontslag voor een werknemer, mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij beëindiging van de dienstbetrekking, geoordeeld moet worden naar de omstandigheden zoals deze zich niet later dan het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden. Nadien intredende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht.

3.6. Wanneer de vraag of de gevolgen van het ontslag te ernstig zijn bevestigend wordt beantwoord, behoren ook bij de bepaling van het bedrag aan schadevergoeding dat op grond van de gebleken kennelijke onredelijkheid van het ontslag billijk is te achten, de na het einde van de dienstbetrekking intredende omstandigheden buiten beschouwing te worden gelaten, behoudens voor zover daaruit aanwijzingen zijn te putten voor hetgeen uiterlijk op het tijdstip van ingang van het ontslag kon worden verwacht met betrekking tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (HR 8 april 2004, JAR 2011, 131).

3.7. [eiser] heeft, kort gezegd, aangevoerd dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag ex artikel 7:681 lid 2 BW vanwege de volgende omstandigheden. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd vanwege bedrijfseconomische redenen en dat ligt in de risicosfeer van [gedaagde]. [eiser] is vanaf 1 juli 2001 onafgebroken in dienst geweest bij [gedaagde]. De kansen op de arbeidsmarkt van [eiser] zijn slecht. Hij is 61 jaar en heeft een eenzijdig arbeidsverleden in de verzekeringsbranche. Deze branche staat onder druk door onder andere de financiële crisis, de woekerpolissen en wetswijzigingen. Door het ontslag krijgt [eiser] te maken met een inkomstenderving, waardoor het de vraag is of hij aan zijn financiële verplichtingen kan blijven voldoen. [gedaagde] heeft geen enkele ontslagvergoeding aangeboden om deze financiële gevolgen te verzachten. Het enkele feit dat [gedaagde] er financieel slecht voor staat, betekent niet dat op [gedaagde] geen verplichting rust tot betaling van een vergoeding, aldus [eiser].

3.8. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft, samengevat, aangevoerd dat zij wegens bedrijfseconomische redenen een ontslagvergunning voor vijf werknemers heeft aangevraagd, die na een toetsing van de bedrijfseconomische omstandigheden voor alle werknemers zijn verleend. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] aan [eiser] geen vergoeding heeft aangeboden, maakt het ontslag van [eiser] nog niet kennelijk onredelijk. Ook overigens zijn er geen omstandigheden die het ontslag van [eiser] kennelijk onredelijk maken. [eiser] is in september 2009 al geïnformeerd over de moeilijke financiële omstandigheden van (de rechtsvoorgangster van) [gedaagde]. [eiser] heeft in dat kader ingestemd met een aanpassing van de omvang van zijn arbeidsovereenkomst van 100% naar 80%. Voorts heeft hij zijn functie als pensioenadviseur zelf praktisch uitgehold door niet meer te willen adviseren en niet meer te willen om- of bijscholen. [gedaagde] heeft [eiser] zo veel als mogelijk willen ondersteunen bij het vinden van ander werk. [gedaagde] heeft hem een outplacementtraject aangeboden dat in juni 2010 is gestart. De kosten hiervan waren circa € 4.000,- exclusief BTW en deze kosten zijn door [gedaagde] betaald. Ook heeft [gedaagde] getracht [eiser] contact te laten opnemen met kantoren uit haar netwerk, waarmee [eiser] niets heeft gedaan. Voorts zijn er voldoende geschikte en passende vacatures voorhanden. Er is derhalve geen sprake van een kennelijk onredelijk ontslag. Voor zover dat wel zo mocht zijn, dan is er geen sprake van schade aan de zijde van [eiser], althans geen schade die het gevolg is van een kennelijk onredelijk ontslag. Indien [gedaagde] zou worden veroordeeld tot het betalen van een substantiële vergoeding aan [eiser] zoals verzocht, dan zal dat leiden tot continuïteitsproblemen en een te voorzien faillissement. [gedaagde] heeft hier eenvoudigweg de middelen niet voor, aldus [gedaagde].

3.9. Zoals uit het voorgaande blijkt is de arbeidsovereenkomst door [gedaagde] opgezegd op grond van bedrijfseconomische redenen. De bedrijfseconomische omstandigheden als gevolg waarvan [gedaagde] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, komen naar het oordeel van de kantonrechter niet voor rekening en risico van [eiser]. [eiser] treft hiervan geen verwijt.

3.10. Uit de door [gedaagde] in het geding gebrachte financiële gegevens blijkt onder meer het volgende. In de jaarrekening van 18 februari 2010 is een vergelijking van de winst- en verliesrekening van 2009 en 2010 opgenomen. Hieruit blijkt dat het resultaat na belastingen over 2009 € 3.112,- negatief en in 2010 € 2.275,- positief is. In de jaarrekening van 29 maart 2010 is vermeld dat het resultaat na belastingen van de winst en verliesrekening van 2009 € 794.816,- negatief is. Dit verlies is, zo staat in de jaarrekening, in mindering gebracht op de overige reserves. In beide jaarrekeningen is vermeld dat een accountantsverklaring ontbreekt, nu [gedaagde] als 'kleine rechtspersoon' in de zin van artikel 2:396 lid 1 BW is vrijgesteld van de verplichting tot controle van de jaarrekening door de accountant. Hoewel uit deze door [gedaagde] overgelegde financiële gegevens aannemelijk is dat [gedaagde] in financiële problemen is geraakt, kan naar het oordeel van de kantonrechter uit deze gegevens, die van elkaar verschillen en niet zijn voorzien van een deugdelijke toelichting, niet zonder meer worden afgeleid dat [gedaagde] niet in staat was om enige financiële voorziening voor [eiser] te treffen. [gedaagde] heeft ook niet weersproken dat zij niet in staat is om enige vergoeding aan [eiser] te betalen. Zij heeft slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat een veroordeling tot het betalen van een 'substantiële' vergoeding aan [eiser] zoals verzocht [kantonrechter: € 381.238,- bruto] zal leiden tot continuïteitsproblemen en een te voorzien faillissement. Het door [gedaagde] gedane beroep op de habe níchts-exceptie wordt daarom verworpen.

3.11. [eiser] was ten tijde van zijn ontslag 61 jaar en was negen jaar in dienst bij [gedaagde]. [gedaagde] heeft zich in de onderhavige procedure beroepen op het (minder of dis-)functioneren van [eiser]. Er zouden volgens [gedaagde] verscheidene gesprekken zijn gevoerd met [eiser] over zijn functioneren, zijn houding, het (niet) behalen van vakdiploma's en het (niet) volgen van bijscholing. Volgens [gedaagde] was [eiser] niet bereid om de vereiste diploma's voor de functie van pensioenadviseur te behalen en heeft hij te kennen gegeven niet meer te willen adviseren, zodat hij alleen voor de administratieve afhandeling van zijn werkzaamheden zou hoeven zorgen. Door deze uitholling van zijn functie stond het laatstelijk door [eiser] ontvangen salaris in geen enkele verhouding meer tot de feitelijk nog door [eiser] verrichte werkzaamheden. [gedaagde] dient thans niet op te draaien voor de financiële gevolgen van de door [eiser] gemaakte en uitgevoerde keuzes, aldus [gedaagde]. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. [gedaagde] heeft het vermeende disfunctioneren niet aan de ontslagaanvraag bij het UWV WERKbedrijf ten grondslag gelegd. Voorts is in deze procedure niet gebleken van enig schriftelijk stuk waarin [gedaagde] gedurende het dienstverband kritiek heeft geuit op het functioneren van [eiser], terwijl in de brief van [Consultancybedrijf] van 16 december 2010 is vermeld dat [eiser] het moeilijk vond om zijn werk los te laten, hij wilde de klanten goed achter laten en het werk ging voor. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het vermeende disfunctioneren in de gegeven omstandigheden niet aan [eiser] worden tegengeworpen.

3.12. [eiser] heeft niet gesteld, en dit is ook niet gebleken, dat er ten tijde van het ontslag een andere passende functie voor hem was binnen [gedaagde]. [eiser] heeft een eenzijdig arbeidsverleden in de verzekeringsbranche en heeft vanaf 1999 alleen de functie van pensioenadviseur bekleed. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt gelet op zijn leeftijd en eenzijdige werkervaring, in de huidige economische situatie, slecht zijn. Hoewel [gedaagde] [eiser] een outplacementtraject heeft aangeboden en dat € 4.000,- heeft gekost, is niet gebleken van verdere concrete inspanningen om andere passend werk voor [eiser] buiten [gedaagde] te vinden. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij heeft geprobeerd om [eiser] contact te laten opnemen met kantoren uit haar netwerk en dat [eiser] daarmee niets gedaan heeft. Dit is onvoldoende om van een concrete inspanning van [gedaagde] te spreken. Dit zou anders kunnen zijn geweest als [gedaagde] zélf zou hebben geïnformeerd of er bij andere kantoren werk voor [eiser] was en [eiser] daarop hebben gewezen, maar dit is gesteld noch gebleken. Voorts kan uit het enkele feit dat [gedaagde] kopieën van vacatures in het geding heeft gebracht, niet worden geconcludeerd dat er voldoende geschikte en passende vacatures voor [eiser] voorhanden zijn, gelet op zijn leeftijd en werkervaring.

3.13. [eiser] is door het ontslag geconfronteerd met een daling van zijn inkomsten, te weten ongeveer € 3.600 netto per maand, aldus [eiser]. [eiser] ontvangt uit hoofde van een eerder dienstverband vanaf 1 mei 1999 maandelijks een bedrag van € 2.700,- netto als levenslange oudedagsvoorziening, maar naar het oordeel van de kantonrechter dient deze uitkering niet betrokken te worden bij de vraag of het aan [eiser] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Het recht op deze uitkering staat los van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] en [eiser] had al voorafgaande aan het aangaan van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] recht op deze uitkering.

3.14. Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden is het door [gedaagde] aan [eiser] gegeven ontslag zonder vergoeding, hoewel een lange opzegtermijn in acht is genomen en een outplacementtraject is aangeboden van € 4.000,-, naar het oordeel van de kantonrechter, kennelijk onredelijk. De kantonrechter neemt daarbij met name in aanmerking dat de vooruitzichten van [eiser] ten tijde van het ingaan van het ontslag niet zodanig waren dat hij binnen een afzienbare tijd ander passend werk zou kunnen vinden en dat van [gedaagde] had mogen worden verwacht dat zij, ondanks haar bedrijfseconomische omstandigheden, voor [eiser], gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, een financiële voorziening van enige omvang zou treffen.

3.15. De schadevergoeding die [eiser] dient te ontvangen, strekt ter compensatie voor de kennelijke onredelijkheid van het door [gedaagde] gegeven ontslag. De hoogte van de schadevergoeding dient derhalve in beginsel gelijk te worden gesteld aan de (financiële) voorziening die [gedaagde] bij het ontslag had moeten treffen. De schade van [eiser] bestaat dan ook uit het niet verkrijgen van een passende financiële voorziening. Een vergoeding van de door [eiser] tot zijn pensioendatum gestelde schade, zoals hij heeft gevorderd, is niet aan de orde.

3.16. Zoals hiervoor is overwogen, moet ook bij de bepaling van het bedrag aan schadevergoeding de na het einde van de dienstbetrekking intredende omstandigheden buiten beschouwing te worden gelaten, behoudens voor zover daaruit aanwijzingen zijn te putten voor hetgeen uiterlijk op het tijdstip van ingang van het ontslag kon worden verwacht met betrekking tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer.

3.17. Bij de bepaling van de hoogte van de financiële voorziening houdt de kantonrechter rekening met alle hiervoor genoemde omstandigheden die tot het oordeel hebben geleid dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Voorts houdt de kantonrechter rekening met het feit dat [eiser] tijdens de comparitie van partijen heeft aangegeven dat hij eind 2009 een gesprek heeft gehad met [gedaagde], waarin hij als gevolg van de slechte resultaten van [gedaagde] en een overname van het bedrijf heeft ingestemd met een vermindering van de arbeidsomvang van 100% naar 80%. Volgens [eiser] is toen besproken dat de situatie opnieuw zou worden bekeken wanneer hij 62,5 jaar zou zijn, waarbij gekeken zou worden naar een WW-uitkering of de mogelijkheid om als zelfstandige te gaan werken. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Gelet hierop had het van [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter mogen worden verlangd dat zij voor [eiser] enige financiële voorziening zou hebben getroffen voor [eiser] over de periode vanaf het einde van zijn arbeidsovereenkomst (1 november 2010) tot de datum waarop [eiser] de leeftijd van 62,5 zal bereiken (1 december 2011). In totaal gaat het om een periode van 13 maanden.

3.18. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij in september 2010 een gesprek heeft gehad met [eiser], waarin is bekeken is wat de gevolgen van het ontslag voor [eiser] zouden zijn. [eiser] heeft toen aangegeven dat die gevolgen zouden meevallen gezien een WW-uitkering, een pensioen en aangepaste hypotheek met lagere lasten, aldus [gedaagde]. [eiser] heeft dit niet betwist, zodat de kantonrechter van deze verwachting ten tijde van het ontslag uitgaat.

3.19. Uit de door [eiser] in het geding gebrachte stukken blijkt dat het UWV [eiser] in een brief van 7 februari 2011 heeft bericht dat zijn WW-uitkering niet tot uitbetaling komt gelet op zijn verdere inkomsten van € 2.700,- netto per maand. Vervolgens heeft Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering bij brief van 8 februari 2011 aan [eiser] bericht dat hij ook niet in aanmerking komt voor een FVP-bijdrage nu hij niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering. Voorts blijkt uit de stellingen van [eiser] dat hij had verwacht om gedurende zijn werkloosheid maandelijks een uitkering op grond van een verzekering van Cardif te ontvangen, en dat Cardif hem in een brief van 19 januari 2011 heeft bericht dat hij slechts éénmaal een bedrag van € 1.500,- zal ontvangen. [eiser] is het niet eens met deze beslissingen en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

De kantonrechter stelt vast dat de omstandigheden met betrekking tot een WW-uitkering, een FVP-bijdrage en een uitkering van Cardif zich hebben voorgedaan op tijdstippen gelegen na 1 november 2010 (de datum van ingang van het ontslag). Gesteld noch gebleken is dat uit deze omstandigheden aanwijzingen zijn te putten voor hetgeen [gedaagde] en [eiser] uiterlijk op het tijdstip van ingang van het ontslag konden verwachten met betrekking tot de gevolgen van het ontslag voor [eiser]. Dit betekent dat de kantonrechter deze omstandigheden bij de bepaling van het bedrag aan schadevergoeding buiten beschouwing dient te laten.

3.20. De kantonrechter stelt de financiële voorziening die [gedaagde] had moeten treffen over de periode van 1 november 2010 tot 1 december 2011 vast op een maandelijkse vergoeding gelijk aan het ten tijde van het einde van de dienstbetrekking door [gedaagde] te verwachten inkomen van [eiser], te vermeerderen tot 70% van het laatstgenoten inkomen van [eiser] bij [gedaagde]. De kantonrechter heeft bij het percentage van 70% rekening gehouden met het habe wenig-verweer van [gedaagde].

Niet betwist is dat [eiser] had verwacht een WW-uitkering te ontvangen van € 34.500,- bruto per jaar, derhalve € 2.875,- per maand. Een aanvulling van dit verwachte inkomen tot 70% van het laatstgenoten inkomen van [eiser] bij [gedaagde] (€ 6.709,85 x 1,08 x 70% = € 5.072,65) bedraagt

€ 2.197,65 bruto per maand. De totale vergoeding die [gedaagde] aan [eiser] had moeten uitkeren bedraagt naar het oordeel van de kantonrechter derhalve (€ 2.197,65 x 13 maanden) € 28.569,45 bruto. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over het bedrag van de schadevergoeding, met ingang van de datum van de dagvaarding, is toewijsbaar.

3.21. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.19 is overwogen, had [gedaagde] ten tijde van het ontslag kunnen en mogen verwachten dat de opbouw van het pensioen van [eiser] zou worden voortgezet via een FVP-bijdrage. [gedaagde] had naar het oordeel van de kantonrechter hiervoor geen financiële voorziening voor [eiser] hoeven treffen.

3.22. [gedaagde] heeft niet weersproken dat zij alle kosten van de aan [eiser] ter beschikking gestelde auto voor haar rekening heeft genomen. Gesteld noch gebleken is dat de auto door [eiser] niet alleen voor zakelijke doeleinden, maar ook geheel of gedeeltelijk voor privé doeleinden werd gebruikt. Ook hiervoor had [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter geen financiële voorziening voor [eiser] hoeven treffen.

3.22. [eiser] vordert voorts betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat de in de dagvaarding vermelde buitengerechtelijke werkzaamheden niet meer hebben omvat dat sommaties, het inwinnen van inlichtingen en het samenstellen van een dossier. Werkzaamheden die meer dan deze werkzaamheden betreffen, zijn niet gebleken. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten dient dan ook te worden afgewezen.

3.23. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser].

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 28.569,45 bruto als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 27 december 2010, tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

- € 87,93 wegens dagvaardingskosten,

- € 142,- wegens griffierecht en

- € 800,- als salaris voor de gemachtigde van [eiser];

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Smorenburg, als kantonrechter, en uitgesproken op 9 juni 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.