Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ8584

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
220026 - HA ZA 10-2411
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

contractspartij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 220026 / HA ZA 10-2411

Vonnis van 22 juni 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[XXXX] RAAMDEKORATIES B.V.,

gevestigd te [adres]

eiseres,

advocaat mr. L.M.C. Schönberger-van 't Hof te Rosmalen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STUDIO [XXX] B.V.,

gevestigd te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. E.H.W. van Nijnatten te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 januari 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 31 mei 2011 en de daarin vermelde processtukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] houdt zich onder meer bezig met de handel in gordijnjaloezieën. Haar zusteronderneming Handelsonderneming [AA] B.V. (verder: [AA]) handelt onder meer in gordijnroedes. R. [YYY] (verder: [YYY]) is directeur van zowel [eiseres] als [AA].

2.2. [gedaagde] drijft een onderneming in onder meer (het adviseren over) het inrichten en decoreren van woonhuizen. H. [ZZZ] (verder: [ZZZ]) is directeur van [gedaagde].

2.3. [gedaagde] heeft in 2007 een opdracht van de vennootschap naar Antilliaans recht [XXX] Investments Aruba N.V. (verder: [XXX]) verworven. M. [TTT] is directeur van [XXX]. [XXX] ontwikkelt en verkoopt vakantievilla’s op Aruba. Zij heeft [gedaagde] opdracht gegeven een modelwoning in te richten en te decoreren.

2.4. [ZZZ] is eigenaar van één van de door [XXX] ontwikkelde vakantievilla’s. De vader van [YYY] bezit twee van deze villa’s en de moeder van [TTT] één.

2.5. In 2007 heeft [eiseres] door tussenkomst van [gedaagde] raamdecoraties verkocht en geleverd aan [XXX].

2.6. In het voorjaar van 2009 heeft [gedaagde] zich tot [YYY] van [eiseres] gewend. Op 21 april 2009 zendt [YYY] vervolgens een e-mail aan [ZZZ], waarin het volgende is vermeld:

“(…)

Overzicht kosten

Huis 4

(…)

Totaal € 6593,79

Huis 2

(…)

Totaal € 5763,26

Genoemde prijzen zijn excl. BTW, te factureren en leveren aan [gedaagde].

Verder heb ik nog de volgende vragen:

• Kun je de bedieningszijdes van de rolgordijnen aangeven?

• Wat zijn de juiste maatvoeringen voor de rolgordijnen in de Masterbedroom. (…)

(…)

[...] [YYY]

[...]+[AA]

[eiseres] Raamdekoraties BV

(…)”

2.7. Op 4 mei 2009 geeft [ZZZ] per e-mail de gecorrigeerde maten voor de rolgordijnen en roedes van de woningen 2 en 4 aan [YYY] door. Nog dezelfde avond meldt [YYY] dat hij de rolgordijnen en roeden in productie laat nemen.

2.8. Op 11 mei 2009 heeft [eiseres] een tweetal facturen (één met betrekking tot huis 4 en één met betrekking tot huis 2) aan [gedaagde] verzonden ter zake van de levering van rolgordijnen tot een totaalbedrag van € 6.977,91 excl. BTW. [AA] heeft in mei 2009 drie facturen aan [gedaagde] verzonden ter zake van de levering van roeden (en aanverwante zaken) tot een totaalbedrag van € 3.117,36 (excl. BTW).

2.9. Na ontvangst van de facturen heeft [gedaagde] aangegeven dat [XXX] volgens haar de contractspartij van [eiseres] (en [AA]) was.

2.10. Op 29 juli 2009 heeft [TTT] van [XXX] per e-mail aan [YYY] geschreven:

“(…)

Hi [...],

(…)

De facturen inzake geleverde raamdecoratie worden door [XXX] (…) voldaan. Het betreft exportgoederen naar Aruba. (…)

Ik laat je deze week weten wanneer de betaling gedaan wordt.

(…)”

2.11. Onder meer op 28 januari 2010 heeft [YYY] namens [eiseres] en [AA] [XXX] aangemaand tot betaling van de onder 2.8 vermelde facturen.

2.12. De facturen van [eiseres] en [AA] zijn niet door [gedaagde] of [XXX] betaald. [AA] heeft haar vordering op [gedaagde] gecedeerd aan [eiseres].

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van EUR 12.013,38 (incl. BTW),

2. [gedaagde] te veroordelen – terzake de onder 1 genoemde vordering van EUR 12.013,38 – tot betaling van primair de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW en subsidiair de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW in beide gevallen vanaf 10 juni 2009 tot en met de dag van algehele voldoening,

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van EUR 904,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten,

4. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [eiseres] en [AA] hebben rolgordijnen en roedes verkocht en geleverd aan [gedaagde]. De vordering van [AA] is door [AA] gecedeerd aan [eiseres]. Vanwege slechte ervaringen met [XXX] wilde [YYY] (de directeur van [eiseres] en [AA]) niet leveren aan [XXX] en dat heeft [YYY] ook tegen [ZZZ] gezegd. Vandaar dat in de offerte is vermeld: “te factureren en leveren aan [gedaagde]”. De eerdere leveringen aan [XXX] in 2007 staan los van de leveringen in 2009. De verkochte rolgordijnen en roedes waren bestemd voor de woningen van [ZZZ] en de moeder van [TTT] op Aruba. Bij de leveringen is door [eiseres] en [AA] gebruik gemaakt van een algemeen klantnummer, een nummer dat wordt gebruikt voor allerlei incidentele klanten van [eiseres] en [AA], aldus [eiseres].

3.3. [gedaagde] voert tot haar verweer onder meer het volgende aan. [gedaagde] heeft nooit zaken gedaan met [eiseres], zij heeft steeds gehandeld namens [XXX]. [YYY] was daar ook van op de hoogte. Er waren al eerder woningen ingericht en daarvoor zijn de facturen verzonden aan [XXX] en ook door [XXX] betaald. De contacten tussen partijen waren informeel; [ZZZ], [TTT], de ouders van [TTT] en de vader van [YYY] hebben immers allen een villa op Aruba. Na de ontvangst van de factuur heeft [gedaagde] onmiddellijk bij [eiseres] geprotesteerd. Daarna heeft [eiseres] ook [XXX] aangesproken tot betaling. [ZZZ] heeft begin mei 2009 per abuis over de passage dat wordt “gefactureerd en geleverd aan [gedaagde]” heen gelezen. De door [eiseres] en [AA] gebruikte klantnummers zijn ook dezelfde als bij de leveringen aan [XXX] in 2007. Er is een zakelijk conflict ontstaan tussen de families [TTT] en [YYY] en de door die families gedreven ondernemingen en dat is de reden dat [eiseres] zich opnieuw tot [gedaagde] wendt, aldus [gedaagde].

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voor een rechtsgeldige cessie is vereist een daartoe bestemde akte en mededeling van de cessie aan de schuldenaar door de vervreemder of verkrijger ([eiseres] of [AA]). De cessieakte is door [eiseres] bij akte vermeerdering van eis als productie 16 in het geding gebracht. In de procedure heeft [eiseres] mededeling van de cessie aan [gedaagde] gedaan. Dit betekent dat [eiseres] de vordering van [AA] op [gedaagde] (zo die bestaat) rechtsgeldig heeft overgenomen.

4.2. [eiseres] vordert in deze procedure dan ook betaling van de door haar resp. door [AA] aan [gedaagde] geleverde rolgordijnen, roeden en aanverwante zaken. [gedaagde] betwist op zichzelf niet dat deze goederen door [eiseres] en [AA] zijn geleverd, maar betoogt dat niet [gedaagde] maar [XXX] als contractspartij van [eiseres] en [AA] heeft te gelden. In deze procedure staat derhalve de vraag centraal tussen wie is gecontracteerd.

4.3. Deze vraag moet worden beantwoord afhankelijk van wat betrokkenen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de aard van de betreffende overeenkomst en wat dienaangaande in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Als algemeen uitgangspunt heeft voorts te gelden dat een ieder wordt geacht voor zichzelf te handelen, tenzij degene die handelt kenbaar maakt (voordat tot uitvoering van de overeenkomst is overgegaan) niet voor zichzelf maar voor een ander te handelen. Wordt dat laatste door de wederpartij betwist, dan rust op de handelende partij (in dit geval [gedaagde]) de stelplicht en zonodig de bewijslast van voormelde gedragingen en verklaringen die tot een ander oordeel moeten leiden.

4.4. Op basis van het tot op heden tussen partijen gevoerde debat is op de vraag wie als contractspartij van [eiseres] en [AA] heeft te gelden nu nog geen antwoord te geven, zodat bewijslevering plaats zal moeten vinden. Op [gedaagde] rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast dat zij in deze kwestie niet zichzelf maar [XXX] heeft gebonden. De door [gedaagde] gestelde omstandigheden maken dit niet anders. Tegenover de stellingen van [gedaagde] heeft [eiseres] bijvoorbeeld gesteld dat zij juist vanwege negatieve ervaringen in het verleden in dit geval aan [gedaagde] wilde leveren en niet aan [XXX]. In dat licht bezien kan uit de omstandigheid dat in het verleden (in 2007) door tussenkomst van [gedaagde] door [eiseres] met [XXX] is gecontracteerd niet zonder meer worden afgeleid dat dit in 2009 opnieuw het geval is geweest. Voorts is (nog) niet komen vast te staan dat [eiseres] zoals [gedaagde] stelt hetzelfde unieke klantnummer voor zowel de leveringen aan [XXX] in 2007 als voor de litigieuze leveringen in 2009 heeft gebruikt en kan uit de omstandigheid dat [XXX] zich achteraf als contractspartij heeft opgeworpen niet zonder meer worden afgeleid dat [eiseres] dit in april 2009 heeft geaccepteerd.

4.5. [gedaagde] zal worden toegelaten tot bewijslevering zoals in het dictum vermeld.

4.6. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [gedaagde] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat niet [gedaagde] maar [XXX] als de koper van de door [eiseres] en [AA] verkochte goederen is aan te merken,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 juli 2011 voor uitlating door [gedaagde] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [gedaagde], indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [gedaagde], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met december 2011 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.